← België

Arrest 248656 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.656 Rolnummer: A. 217363/IX-8741 Zaak: Arrest 248656 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-29 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.656 van 19 oktober 2020 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.656 van 19 oktober 2020 in de zaak A. 217.363 /IX-8741 In zake: Benjamin LEYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Salomez kantoor houdend te 9000 Gent Blekersdijk 33 B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: SKEYES (voorheen: BELGOCONTROL) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Wouter Rubens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de afgevaardigd bestuurder van Belgocontrol van 18 augustus 2015 waarbij een einde wordt gesteld aan de samenwerking met Benjamin Leys met terugwerkende kracht tot 21 september 2012 en met betaling van een opzegvergoeding van negentig kalenderdagen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 235.119 van 16 juni 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-8741-1/63 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexander De Becker, die loco advocaat Kristof Salomez verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lieven Henckens, die loco advocaten Gitte Laenen en Wouter Rubens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. IX-8741-2/63 III. Feiten 3.1. Verzoeker wordt met ingang van 6 september 2007 na een vergelijkend wervingsexamen toegelaten in de hoedanigheid van aspirant-luchtverkeersleider bij Belgocontrol. 3.2. Belgocontrol – thans: skeyes – is een autonoom overheidsbedrijf zoals bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 ‘betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven’. Krachtens artikel 170 van die wet heeft dit overheidsbedrijf onder meer tot taak de veiligheid te waarborgen van het luchtverkeer in het luchtruim waarvoor de Belgische Staat verantwoordelijk is. 3.3. De opleiding tot luchtverkeersleider wordt op het ogenblik dat verzoeker deze opleiding volgt, geregeld bij het koninklijk besluit van 9 mei 2008 ‘tot regeling van de vergunningen van luchtverkeersleider’. Artikel 3 van dat besluit definieert als ‘opleiding’: “het geheel van theoretische cursussen, praktijkoefeningen, inclusief simulatie, en opleidingen op de operationele positie die vereist zijn voor het verkrijgen en in stand houden van de vereiste bekwaamheden voor het verlenen van veilige luchtverkeersleidingsdiensten van hoge kwaliteit; de opleiding omvat:

  1. a)een initiële opleiding, die bestaat uit een basisopleiding en een opleiding voor een bevoegdverklaring en die leidt tot de toekenning van een oefenvergunning van luchtverkeersleider;
  2. b)een opleiding voor een luchtverkeersleidingseenheid, met inbegrip van een overgangsopleiding, gevolgd door een opleiding op de operationele positie, en die leidt tot de uitreiking van een vergunning van luchtverkeersleider;
  3. c)een voortgezette opleiding, om de geldigheid van de aantekeningen op de vergunning te handhaven;
  4. d)de opleiding van de instructeurs voor het geven van opleiding op de operationele positie, die leidt tot het verkrijgen van de aantekening OJTI;
  5. e)een opleiding van examinator en/of beoordelaar.” Volgens de verwerende partij – die daarin niet wordt tegengesproken door verzoeker – bestaat de opleiding “van IX-8741-3/63 aspirant-luchtverkeersleider tot luchtverkeersleider” uit “twee grote opeenvolgende fasen”, die zij als volgt beschrijft: “1) De Initial Training (IT), bestaande uit de Basic Training (BT) en Rating Training (RT)  De Basic Training (BT): in deze fase kan de trainee zich vertrouwd maken met de luchtvaart en zijn of haar toekomstige werkomgeving in brede zin. Wat de theoretische opleiding betreft, staan het luchtvaartrecht, vliegtuigen en vluchtprincipes, meteorologie, operationele procedures eveneens op het menu van deze eerste fase. De praktische opleiding bestaat uit de eerste oefeningen die de trainee zal uitvoeren in de simulators.  De Rating Training (RT): de eigenlijke kwalificatieopleiding. In deze fase zal de kandidaat in eerste instantie opgeleid worden om ‘Aerodrome Controller’ (ADV+ADI/GMC+GMS+TWR+AIR+RAD en de APS/RAD+ SRA) te worden met oog op het tewerkgesteld worden in één van de regionale luchtverkeersleidingstorens. Nadat de trainee deze opleiding met succes heeft beëindigd, ontvangt hij of zij de studentenvergunning van luchtverkeersleider (Student Licence) en kan hij of zij aan de tweede fase van de opleiding beginnen. 2) De Unit Training (UT), waarbij de trainee na het met succes doorlopen van een Transitional en een Pre-OJT Training op een operationele unit wordt geplaatst alwaar hij of zij de On-the-Job Training aanvat, d.i. onder het toezicht van een OJTI (On-the-Job-Training Instructor), het ‘real time’ luchtverkeer beheren. Bij het met succes doorlopen van deze On-the-Job Training maakt de trainee aanspraak op een Europese vergunning van luchtverkeersleider waarop de aantekeningen i.v.m. zijn of haar competenties worden vermeld.” 3.4. Volgens verzoeker – die op zijn beurt niet wordt tegengesproken door de verwerende partij – wordt zijn functie na het succesvol doorlopen van de eerste stage met ingang van 1 mei 2008 “aangeduid” als “kandidaat-ambtenaar verkeersleider 3de klasse” en behoudt hij deze hoedanigheid “tot er een vacante betrekking [is] voor verkeersleiders 1ste klasse in 2012”. Daartoe neemt hij deel aan “de theoretische en praktische cursus in 2011 (de initial/rating training voor de bevoegdheidsverklaringen ADV+ADI/GMC+GMS+RAD+AIR+TWR&APS/ RAD+SRA)”, die hij “met succes” afrondt. 3.5. In januari 2012 start verzoekers laatste training (de Unit Training). Hij neemt deel aan en slaagt voor de pre-OJT, waarna nog de eigenlijke OJT volgt, die hij op 2 april 2012 aanvangt in de verkeerstoren op de luchthaven van Deurne. IX-8741-4/63 3.6. Tijdens de OJT wordt verzoeker dagelijks geëvalueerd, waarbij scores worden toegekend op een schaal van 1 tot 4 en er worden tussentijdse rapporten opgesteld die telkens betrekking hebben op een periode van twintig dagen: - met betrekking tot de eerste twintig dagen worden door OJTi H.S. geen opmerkingen of aanbevelingen geformuleerd. OJTi K.C. merkt op dat verzoeker nog heel wat moet leren, maar dat hij daartoe bereid is en voor deze stage goed werk heeft geleverd; - met betrekking tot de volgende periode (dag 20-40) maakt OJTi H.S. ten aanzien van verzoeker opmerkingen over het gebruik van de “ICAO standard phraseology” en stelt OJTi K.C. dat verzoeker het verkeer zeer goed afhandelt, maar niet mag vergeten dat hij een teamspeler is; - met betrekking tot de derde periode (dag 40-60) worden geen opmerkingen geformuleerd; - met betrekking tot de vierde periode (dag 60-80) merkt OJTi H.S. op dat het erop lijkt dat verzoeker de problemen niet ziet en het oordeel van de instructeurs in vraag stelt, wat onaanvaardbaar is in de situatie van een mogelijk conflict. Aan verzoeker wordt ook verweten dat zijn beslissingen vaak blijk geven van overmoed, wat heeft geleid tot situaties die hij niet kon oplossen. 3.7. Het door de verwerende partij neergelegd administratief dossier bevat een niet-gedateerd en niet-ondertekend stuk betreffende de “[o]pvolgingsvergaderingen” met verzoeker. Daarin wordt onder meer vermeld dat verzoeker goedkeuring nodig heeft wanneer hij wijzigingen wil aanbrengen aan zijn uurrooster, dat hij zich dient aan te passen aan de werkwijze van de leden van het team en dat hij de trainers tegen elkaar heeft uitgespeeld (opvolgingsvergadering “+/- 6 juni 2012”), dat hij de kennis van zijn trainers niet apprecieert en “hun opmerkingen in het belachelijke [trekt]”, dat hij niet luistert naar de adviezen van de stagemeesters en “zijn eigen ding [doet] wat tot gevaarlijke situaties lijdt” (opvolgingsvergadering 21 juni 2012), dat verzoeker nog niet in staat is om zelfstandig te werken, dat hij IX-8741-5/63 “geen plan B” heeft en veeleer “de neiging om de controle uit handen te geven dan zelf de controle te nemen”, dat hij “de piloten de keuze [laat] terwijl er duidelijk een conflict aan het groeien is”, dat hij de neiging heeft om ten aanzien van zijn trainers “overconfident” te zijn, maar dat het dan niet altijd goed komt en “dan legt hij steeds de fout bij de piloten en heeft hij geen oplossing beschikbaar” (opvolgingsvergadering 3 augustus 2012). Met betrekking tot de opvolgingsvergadering van 4 september 2012 wordt vermeld: “Benjamin is nu aan dag 95. Hij maakt totaal geen vooruitgang. Als de situatie standaard verloopt en er zijn geen potentiële conflicten dan werkt hij goed. Het is echter als hij er moet zijn als verkeersleider dat het misgaat. Hij reageert niet of laat op situaties wat inefficiënt en zelfs soms niet veilig is als de trainer niet ingrijpt. Als de trainer een instructie geeft, die dan dringend is, voert hij deze niet steeds direct uit. Hij verstaat niet dat het gewoon laten gebeuren en ingrijpen als het absoluut nodig [is] niet hetzelfde is als controle nemen. Het is duidelijk dat hij de ernst van de feiten niet inziet. Hij vindt de opmerkingen in zijn stageboek niet echt ernstig en een focus op slechte momenten. Zijn stageboek vermeld[t] dagelijks gebeurtenissen die niet goed verlopen zijn. Sommige van deze opmerkingen worden reeds van in het begin van zijn stage vermeld en blijven steeds weer terugkomen. Het heeft verschillende slechte quotaties. Er werd hem duidelijk gemaakt dat dit een reden is om de stage stop te zetten en dat hij dringend moet werken aan veilige en efficiënte dagdagelijkse uitvoering van de taken. Hij weigert hulp en hecht geen belang aan goede raad. Hij kan geen prioriteiten bepalen.” 3.8. Met een e-mailbericht maakt verzoeker aan Belgocontrol zijn bezorgdheid kenbaar over “[zijn] verdere loopbaan”: “Tijdens onze gesprekken op 21 juni en 3 augustus 2012, ontving ik van jullie een positieve evaluatie; op 3 september krijg ik plots een ander signaal. Aangezien jullie binnenkort oordelen over mijn stageresultaten, is het objectiever dit te doen met kennis van alle elementen. • Tijdens mijn stageperiode wordt van mij een inzet verwacht die moet leiden tot een succesvol resultaat. Net zoals voor mijn vorige stages heb ik dit engagement serieus genomen. • Ook werd me toegelicht dat mijn stagemeesters en al wie meewerkt aan deze opdracht, tot taak hebben de coachingperiode tot een succes te maken. • Het opsporen en het inventariseren van mijn sterke en zwakke punten moet leiden tot een verbetering van die zwakke punten. IX-8741-6/63 Het moet duidelijk zijn dat ik de deskundigheid en ervaring van al mijn stagemeesters hoog inschat en de hulp die zij mij bieden ten zeerste waardeer. Naar mijn aanvoelen, wordt de begeleiding op een uniforme manier georganiseerd, behalve door [F.], wat blijkt uit mijn stagedossier. Ik vrees hierdoor benadeeld te worden. Sta mij toe dit even te verduidelijken. • Meermaals werd de uitvoering van mijn werk niet afgewacht. [F.] liep vooruit op de situatie en schatte in dat ik daarop wel verkeerd zou reageren. Mijn zelfstandigheid binnen de toegemeten autonomie werd hierdoor niet getest. Jammer is vast te stellen dat zo’n situatie een slechte score kreeg. • Bij herhaling werd mijn reactievermogen verhinderd door het onophoudelijk luid verbaliserend spreken van [F.]. Op deze manier werd niet alleen mijn concentratie verstoord maar ging ook deze beschikbare concentratietijd aan mij voorbij. Dit werkte als een rem op mijn zelfstandigheid en creativiteit. Jammer is vast te stellen dat zo’n situatie een slechte score kreeg. • Ik vind het bovendien zeer verregaand te moeten vaststellen dat een negatieve opmerking in mijn stagedossier helemaal niet met de realiteit overeenkwam. In het stagedossier werd genoteerd: ‘Een probleemsituatie van een separatie van 3 mijl in combinatie met een tegenovergestelde vliegrichting.’ Dit werd aanzien als een grote fout. Ik was zo geraakt dat ik [K.] ter zake consulteerde. Samen zijn we de beelden gaan herbekijken en samen hebben we kunnen vaststellen dat de genoteerde afstand tussen de vliegtuigen én de genoteerde vliegrichting zoals opgenomen in mijn stagedossier, niet correct waren. In realiteit ging het om een separatie van meer dan 8 mijl in dezelfde vliegrichting (zie stageverslag van 24 juli). Er werd bijgevolg een slechte score gegeven op basis van een niet met de realiteit overeenstemmende situatie. Nu betreur ik uiteraard dat ik ook niet heb gereageerd op de andere niet correct neergeschreven situaties. Toen heb ik echter geoordeeld dat de teamspirit en collegialiteit voorrang hadden. Nu dit alles mijn loopbaan dreigt te schaden, moet de ernst hiervan duidelijk worden. In het geheel van mijn stagedossier stel ik vast dat de manier van coachen en de manier van punten geven van [F.] helemaal niet consistent is met onze entiteit. Als we de scores van [F.] even buiten beschouwing laten, is het gemiddelde van mijn huidige scores in lijn met wat ik vroeger behaalde in Brussel tijdens stage als assistent maar ook tijdens cursussen en transitietraining. Het geheel van deze overwegingen en vaststellingen zijn voor mij voldoende reden om jullie aandacht te vragen. Als eindbeoordelaars moeten jullie immers de scores naar waarde kunnen schatten met kennis van alle elementen van een stageperiode. Ik vraag dan ook dat deze mail bij mijn stagedossier wordt gevoegd. Zoals in het verleden zullen jullie altijd verder kunnen rekenen op mijn inzet en positieve ingesteldheid.” 3.9. Op 20 september 2012 wordt het final OJT assessment report opgesteld door OJTi-supervisor K.T. In het totaal krijgt verzoeker een score van IX-8741-7/63 57,5 wat als onaanvaardbaar wordt aangemerkt. Verzoeker ondertekent dit rapport voor “ontvangst”, maar “niet akkoord”. 3.10. Diezelfde dag stellen de OJTi’s H.S. en K.C. elk een “Einde stage rapport voor HR” op. Zij verklaren beiden dat verzoeker “niet bevoegd [is] voor het uitvoeren van taken verbonden aan de graad: Eerst aanwezend verkeersleider ADR”. OJTi K.C. formuleert de “[o]pmerkingen waarom de trainingsdoelstelling(
  6. en)niet is/zijn bereikt” als volgt: “Tijdens zijn stage bleek de OJT niet in staat om bij onvoorziene omstandigheden flexibel te zijn en een plan B te voorzien. Dit heeft in een aantal situaties de veiligheid in gedrang gebracht. Door gebrek aan correcte (pre-)planning & gebrek aan anticipatie, werkte de stagiair zich vaak in de problemen. Die konden met behulp van de OJTi nadien wel opgelost worden, maar het blijft zeer twijfelachtig of de stagiair zelfstandig tot oplossingen zou gekomen zijn. Gebrek aan openheid voor het leerproces. OJT weerlegde steeds de kritiek van de OJTi’s & aanvaardde vaak niet de goede raad.” OJTi H.S. formuleert zijn opmerkingen als volgt: “Zolang de verkeerssituatie standaard en normaal verloopt is er geen probleem en handelt hij het verkeer op een vlotte en snelle manier af. Bij moeilijkere situaties heeft de stagiair problemen met het nemen van een goede en veilige beslissing. In sommige gevallen neemt hij zelfs helemaal geen beslissing. Gedurende de stage toonde de stagiair eveneens regelmatig duidelijke tekenen van overmoed welke in vele gevallen aanleiding gaven tot potentiële conflicten. De stagiair ziet in vele gevallen niet wanneer er een mogelijke conflictsituatie ontstaat. Bij potentiële conflicten was ingrijpen door de OJTi noodzakelijk en dit zelfs tot op het einde van de stage. De stagiair heeft het moeilijk met aanvaarden van commentaar en kritiek. Hij heeft zijn eigen visie over het uitvoeren van zijn taak en gaat daarbij regelmatig in discussie met de OJTi. Hij durft te twijfelen aan de beoordeling van de OJTi betreffende de verkeerssituatie en zal steeds op zoek gaan naar een ‘andere schuldige’ aan het mislopen van de situatie in plaats van de situatie op te lossen. Het gedrag van de stagiair geeft ook geen ‘redelijke’ zekerheid dat de stagiair kan functioneren binnen een team.” IX-8741-8/63 3.11. Op 20 september 2012 wordt een nota opgesteld aangaande het ontslag van verzoeker. De motieven op grond waarvan “een einde dient gesteld te worden aan de samenwerking met [verzoeker]” zijn er in opgenomen. 3.12. Op 21 september 2012 neemt de afgevaardigd bestuurder van Belgocontrol de formele beslissing om verzoeker diezelfde dag “’s avonds” af te danken. 3.13. Bij arrest nr. 230.690 van 30 maart 2015 vernietigt de Raad van State op vordering van verzoeker deze beslissing om reden dat “[d]e verwerende partij [de] hoorplicht, die impliceert dat zowel de aard van de overwogen maatregel als de motieven ervan vooraf aan de betrokkene worden meegedeeld en dat de betrokkene over een redelijke termijn moet beschikken om zijn verweer degelijk te kunnen voorbereiden, niet [heeft] nageleefd”. 3.14. Op 15 mei 2015 zendt de gedelegeerd bestuurder van Belgocontrol aan verzoeker “[n]aar aanleiding van het vernietigingsarrest van de Raad van State van 30 maart 2015 [...] het gemotiveerde voorstel van beslissing [van 5 mei 2015] om de samenwerking te beëindigen wegens het niet slagen in de OJT”, met een kopie van de bijlagen waarnaar in het voorstel wordt verwezen. De gedelegeerd bestuurder vermeldt in zijn brief dat verzoeker met een ter post aangetekend verzonden schrijven zijn verweermiddelen kan doen gelden binnen een termijn van veertien kalenderdagen ingaande de dag na de verzending en dat het volledig administratief dossier tijdens dezelfde periode ter inzage ligt. 3.15. Op 29 mei 2015 brengt verzoeker zijn verweermiddelen ter kennis van de verwerende partij. 3.16. Op 18 augustus 2015 adviseert het directiecomité van Belgocontrol, na beoordeling van verzoekers verweer, “[e]en einde te stellen aan IX-8741-9/63 de samenwerking […] met terugwerkende kracht per 21 september 2012” en “[o]vereenkomstig art. 22 van de cao 2006-2008 aan betrokkene een opzegvergoeding van 90 kalenderdagen uit te betalen”. 3.17. De afgevaardigd bestuurder van Belgocontrol beslist, eveneens op 18 augustus 2015, in dezelfde zin. Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “Gelet op de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven; Gelet op het Koninklijk besluit van 2 april 1998 tot hervorming van de beheersstructuren van de luchthaven Brussel-Nationaal; Gelet op het Koninklijk besluit van 25 augustus 1998 tot indeling van de Regie der Luchtwegen als autonoom overheidsbedrijf; Gelet op het Koninklijk besluit van 25 april 2014 tot goedkeuring van het derde beheerscontract tussen de Staat en Belgocontrol. Gelet op het Koninklijk besluit van 27 maart 1998 tot vaststelling van bijzondere bepalingen die de toelating en de benoeming tot sommige graden van de dienst ‘Verkeersleiding’ van de Regie der Luchtwegen, inzonderheid art. 4 § 4; Gelet op het Unit Training reglement rev. 9 inzonderheid deel 3- 1.6.3. en 1.8.; Gelet op artikel 22 van cao 2006-2008; Gelet op de beslissing van de raad van bestuur van 2 december 1998 betreffende de functionele bevoegdheden van de beheersorganen en delegatie van bevoegdheden; Gelet op het voorstel van beslissing van 05.05.2015, aan dhr. Benjamin Leys, stamnummer 5370 ter kennis gebracht met aangetekend schrijven dd. 15.05.2015; Gelet op het verweerschrift van de raadsman van dhr. Leys dd. 29.05.2015; Gelet op de zitting van het directiecomité dd. 18 augustus 2015 en de motieven opgenomen in het voorstel van beslissing dd. 05.05.2015 en de notulen directiecomité dd. 18 augustus 2015; Overwegende dat het voorstel van beslissing dd. 05.05.2015 uitvoerig werd gemotiveerd en die motieven bij het nemen van deze beslissing integraal worden hernomen; Overwegende dat naar aanleiding van het verweerschrift van de raadsman van dhr. Leys dd. 29.05.2015 het standpunt van dhr. Leys werd uiteengezet, en dat de elementen zoals voorgebracht in het verweerschrift gemotiveerd werden weerlegd door het Directiecomité zoals blijkt uit de notulen dd. 18 augustus 2015, de motieven van het Directiecomité worden ook hier integraal hernomen Overwegende dat het advies van de Directieraad wordt gevolgd.” IX-8741-10/63 Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie op dat verzoeker het belang bij het beroep, zoals hij dit in zijn procedurestukken heeft omschreven en waardoor hij gebonden is, gelegen ziet in “de intentie om zijn loopbaan in de schoot van Belgocontrol [voort te zetten]”, maar dat dit belang inmiddels is teloorgegaan. Zij leidt dit vooreerst af uit de vaststelling dat verzoeker de voorbije jaren niet meer actief heeft geprobeerd om bij haar aan de slag te gaan en dat hij een eigen onderneming is opgestart. Voorts wijst zij erop dat verzoeker zijn vergunning van leerling-luchtverkeersleider niet meer heeft uitgeoefend, zodat hij zijn opleiding tot luchtverkeersleider slechts zou kunnen voortzetten nadat opnieuw is beoordeeld of hij nog voldoet aan alle relevante vereisten en bekwaamheden, desgevallend na het opnieuw doorlopen van bepaalde opleidingsonderdelen. Het voormelde belang dat verzoeker inroept, is volgens de verwerende partij aldus afhankelijk van een nieuwe discretionaire beslissing van haar kant, waardoor het “[is] teloorgegaan, en minstens (
  7. te)onrechtstreeks van aard [is]”. Meer nog, zo vervolgt de verwerende partij, is verzoekers vergunning van leerling-luchtverkeersleider inmiddels vervallen, zodat “[hij] hoe dan ook, de integrale selectie- en opleidingsfases tot de betrekking van luchtverkeersleider opnieuw [zou] moeten doorlopen, wil hij zijn loopbaan in de schoot van Belgocontrol (thans Skeyes) voortzetten”. De maximale leeftijd om toegelaten te worden tot de selectie en opleiding voor de functie van IX-8741-11/63 luchtverkeersleider bedraagt volgens de verwerende partij evenwel dertig jaar, terwijl verzoeker die leeftijdsgrens inmiddels heeft overschreden. De verwerende partij besluit uit al het voorgaande dat het voorliggende beroep onontvankelijk moet worden verklaard wegens een gebrek aan actueel belang in hoofde van verzoeker. Beoordeling 5. Een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing zou tot gevolg hebben dat verzoeker geacht moet worden opnieuw een kandidaat-ambtenaar verkeersleider 3de klasse te zijn bij skeyes die de opleiding voor luchtverkeersleider reeds heeft aangevat, maar nog niet heeft beëindigd. De omstandigheid dat een voortzetting van die opleiding, ingevolge het tijdsverloop, zou vergen dat nieuwe opleidingsonderdelen worden gevolgd of hernomen – bijvoorbeeld of onder meer voor het opnieuw verkrijgen van een vergunning – en dat die ter beoordeling zouden staan van de verwerende partij, doet geen afbreuk aan de actualiteit van het door verzoeker ingeroepen belang bij een voortzetting van de reeds aangevatte opleiding, noch maakt ze dit belang onrechtstreeks. De omstandigheid dat verzoeker de voorbije jaren niet meer bij skeyes heeft gesolliciteerd en hij een eigen onderneming zou zijn opgestart, doet dat evenmin. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 6. Verzoeker voert in een eerste middel aan: “Schending van de wettigheid: Belgocontrol schendt het eigen Unit Training Reglement in het algemeen en meer specifiek artikel 1.1. van deel 3b; artikel 1.5. en artikel 1.6. van deel 3a en IX-8741-12/63 de artikelen 1.4.1., 1.4.2. en 1.4.3 van deel 3a en Bijlage 1 § 5 [versta: vijfde lid] van het eigen reglement Unit Training (patere legem quam ipse fecisti).” Hij licht dit middel toe in vier middelonderdelen.
  8. a)Eerste middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 7. Verzoeker voert in een eerste onderdeel van het eerste middel de schending aan van artikel 1.1 van deel 3b en van artikel 1.5 van deel 3a van het Unit Training Reglement. Hij betoogt dat uit het stageboek blijkt dat de duur van zijn OJT slechts 104 dagen bedroeg. De verwerende partij beweert weliswaar dat zijn OJT tweemaal werd verlengd, namelijk op 21 juni 2012 na 52 dagen en op 3 augustus 2012, dit is dag 82 van de stage, maar – zo stelt verzoeker – hij is daarvan niet op de hoogte gebracht en hoe dan ook was in geen van beide gevallen de normale termijn van de stage reeds afgelopen, wat impliceert dat de beweerde verlenging niet strookt met artikel 1.1 van deel 3b van het Unit Training Reglement. Er wordt volgens verzoeker tevens geen grond aangegeven die toelaat reeds vóór het verstrijken van de normale stagetermijn over te gaan tot ontslag. Voor zover de verwerende partij verwijst naar artikel 1.6.3 van het Unit Training Reglement, merkt verzoeker op dat “[g]eenszins wordt [...] aangegeven dat dit evenzeer kan vóór de normale vastgestelde termijnen” en dat die zienswijze niet strookt met de motivering van het voorstel van beslissing dat hem werd voorgelegd en waarin sprake is van “eindevaluatieverslagen” en van het OJT-eindrapport, alsook van “het einde van de stage”. Volgens verzoeker was zijn OJT in ieder geval korter dan de normale duur van 120 dagen die is voorgeschreven door revisie 9 van het Unit Training Reglement, dat “verweerster als enige toepasselijke reglementering aanduidt sinds 14 juni 2012”. Dit betekent, zo stelt verzoeker, dat “[vóór] de IX-8741-13/63 normale einddatum zonder verlenging de stage reeds wordt afgebroken, terwijl ze zogezegd verlengd was” en dat “aan het einde van de normale OJT-periode [...] geen eindrapporten zijn opgesteld”, waardoor artikel 1.5 van deel 3a van het Unit Training Reglement wordt geschonden. Verzoeker besluit: “Dus, ofwel is de OJT niet verlengd maar dan heeft verzoeker niet de kans gehad ze volledig [te] doorlopen in strijd met artikel 1.1. van deel 3b) van het Unit Training Reglement ofwel is de beslissing tot verlenging, die verwerende partij meent te hebben besloten, niet genomen conform hetgeen is bepaald in artikel 1.5 van deel 3a) van het Unit Training Reglement.” 8. In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat artikel 1.6.3 van het Unit Training Reglement niet de grondslag kan zijn voor een beëindiging van de OJT vóór de normaal vastgestelde termijnen. In artikel 1.1 van deel 3b van hetzelfde reglement is immers uitdrukkelijk bepaald dat de OJT 120 dagen duurt. Een afwijking van deze termijn is slechts een uitzonderlijke maatregel. Uit de lezing van artikel 1.1 van deel 3b van het Unit Training Reglement, in samenhang met artikel 1.6 van deel 3a van datzelfde reglement, leidt verzoeker af dat er drie scenario’s mogelijk zijn: - de prestaties geven voldoening en de trainee wordt geslaagd verklaard. Dit kan na het verstrijken van de normale OJT-periode van 120 dagen. Uitzonderlijk kan het vroeger, maar dan wel na verloop van de minimumtermijn van 80 dagen. - de prestaties geven nog geen voldoening, maar er is een evolutie in de prestaties van de trainee. De OJT-periode kan dan worden verlengd “binnen de vastgestelde termijnen”. Aangezien de OJT in principe 120 dagen duurt, kan er pas sprake zijn van een verlenging na het verstrijken van deze periode. - de prestaties geven geen voldoening en er wordt geen verbetering vastgesteld. De OJT-periode kan worden beëindigd “binnen de vastgestelde termijnen”. Het uitgangspunt blijft dan dat de OJT 120 dagen duurt. De beëindiging kan pas bij het IX-8741-14/63 verstrijken van die termijn, ofwel op een later tijdstip, na een verlenging van de normale OJT-periode en uiterlijk de 140ste OJT-dag. Verzoeker stelt dat het Unit Training Reglement derhalve niet in de mogelijkheid voorziet om de OJT vóór het verstrijken van de normale OJT-periode van 120 dagen te beëindigen, behalve in het geval dat de prestaties dermate voldoening geven dat de trainee geslaagd wordt verklaard en de minimumtermijn van 80 dagen verstreken is. Op het standpunt van de verwerende partij dat verzoekers OJT werd beëindigd op grond van artikel 1.6.3 van het Unit Training Reglement, antwoordt verzoeker dat “[d]it [...] nergens [is] voorzien in het toepasselijke OJT-reglement”. Volgens hem kan er geen eindrapport worden voorgelegd vóór het einde van de normale OJT-periode van 120 dagen en kon dit in zijn geval dus ook niet gebeuren na 104 dagen. Verzoeker merkt ook nog op dat in zoverre in het voorstel van beslissing kan worden gelezen en in de bestreden beslissing wordt hernomen dat “op 5 mei 2015 twee nieuwe personen minstens mee heroverwogen hebben om [zijn] prestaties [...] te beoordelen als onvoldoende”, deze personen nooit betrokken zijn geweest bij zijn stagetraject en zij derhalve onmogelijk mee konden oordelen over het verloop van zijn stage en over zijn prestaties. 9. In zijn laatste memorie betwist verzoeker met nadruk dat “de OJT kan worden afgebroken vóór de normale duur van de OJT-periode van 120 dagen”. Dit zou volgens verzoeker ingaan tegen de eigenheid van de OJT en de deur openen voor willekeur. Hij herhaalt dat een OJT-eindrapport pas kan worden opgesteld na verloop van de termijn van 120 dagen, terwijl dat in dit geval al na 104 dagen is gebeurd. IX-8741-15/63 Zelfs indien zou worden aangenomen dat een vervroegde stopzetting van de OJT mogelijk is, dan moet, aldus verzoeker, worden aangegeven welke uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn. In zoverre wordt gesteund op het document ‘Rating principles’ dat bij de bestreden beslissing is gevoegd, vraagt verzoeker zich af wat de juridische waarde daarvan is, nu dit document hem onbekend was tot op de dag van de bekendmaking van de bestreden beslissing en geen deel uitmaakte van het oorspronkelijk administratief statuut. Als er niet collectief over werd overlegd, is het volgens verzoeker bovendien onwettig. Beoordeling 10. Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over dat op het ogenblik van het nemen van de vernietigde ontslagbeslissing van 21 september 2012, alsook nog op het ogenblik van het nemen van de thans bestreden ontslagbeslissing van 18 augustus 2015 revisie 9 van het Unit Training Reglement van toepassing was op de OJT van verzoeker. Artikel 1.1 van deel 3b (‘OJT en OJT-termijnen en organisatie van de eenheid’) van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “De OJT duurt 120 dagen. Uitzonderlijk kan deze periode worden ingekort naar 80 dagen en verlengd tot 140 dagen indien de leden van het OJTi-team en de OJTi-supervisors beslissen dat deze oplossing wenselijk is (volgens 1.6.2 voorgaand). […].” Artikel 1.5 van deel 3a (‘Algemeen’) van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “OJT-eindrapporten Op het einde van de normale OJT-periode en na een eventuele verlenging, legt de aangeduide OJTi-supervisor zijn OJT-eindrapporten voor aan de Training Officer for ATS Unit Training and OCA. IX-8741-16/63 De afdelingen ATS en HR ontvangen de, voor hun van belang zijnde, definitieve einde stagerapporten via de Training Officer for ATS Unit Training and OCA, of bij zijn afwezigheid de manager van de unit of de head of unit.” Artikel 1.6.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Indien de prestaties van de trainee onvoldoende zijn maar er geen verbetering wordt vastgesteld, kan de Training Officer for ATS Unit Training and OCA, in samenspraak met de betrokken head of unit of manager van de unit, de OJTi-supervisor en het OJTi-team beslissen om de OJT te beëindigen binnen de vastgestelde termijnen.” 11. Hoewel op het ogenblik van de aanvang van de OJT van verzoeker – op 2 april 2012 – volgens de partijen de revisies 7 en 8 van het Unit Training Reglement van toepassing waren en op dat ogenblik, overeenkomstig artikel 1.1 van deel 3b, de minimumtermijn van de OJT op 70 dagen en de maximumtermijn op 90 dagen was vastgelegd, eventueel verlengbaar tot 110 dagen, is in de loop van de OJT van verzoeker – op 18 juni 2012 – revisie 9 van kracht geworden die de duur van de OJT vastlegt op 120 dagen, met de mogelijkheid van inkorting tot 80 dagen en van verlenging tot 140 dagen. De OJT van verzoeker diende in beginsel dan ook 120 dagen te duren, maar kon eventueel worden ingekort tot 80 dagen of worden verlengd tot 140 dagen. Nu verzoeker zich gegriefd acht doordat zijn OJT slechts 104 dagen duurde, rijst de vraag of de verwerende partij verzoekers OJT overeenkomstig revisie 9 van het Unit Training Reglement aldus vermocht in te korten. De verwerende partij verwijst in dit verband terecht naar artikel 1.6.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement. Hierin is uitdrukkelijk bepaald dat kan worden beslist om de OJT te beëindigen binnen de vastgestelde termijnen, indien de prestaties van de trainee onvoldoende zijn én er geen verbetering wordt vastgesteld. IX-8741-17/63 De voormelde bepaling maakt een beëindiging van de OJT mogelijk “binnen de vastgestelde termijnen”. Dit kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een beëindiging in de loop van de OJT, maar ten vroegste na 80 dagen, terwijl de reguliere termijn van 120 dagen of de verlengde termijn van 140 dagen bedoeld in artikel 1.1 van deel 3b nog loopt. Aangezien verzoekers stage werd beëindigd na 104 dagen, gebeurde dit binnen de termijnen bedoeld in artikel 1.6.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement, gelezen in samenhang met artikel 1.1 van deel 3b van ditzelfde reglement. 12. Een beëindiging van de OJT van verzoeker na 104 dagen was derhalve mogelijk, tenminste voor zover zijn prestaties onvoldoende waren en er geen verbetering werd vastgesteld. Wat deze laatste voorwaarde betreft, betwist verzoeker in dit onderdeel van het middel, zoals uiteengezet in zijn inleidend verzoekschrift, als zodanig niet dat werd vastgesteld dat zijn prestaties onvoldoende waren en er geen verbetering was. 13. Uit het voorgaande volgt dat de verwerende partij conform artikel 1.6.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement de OJT van verzoeker heeft beëindigd en dat daarbij artikel 1.1 van deel 3b van dit reglement in acht werd genomen. 14. Op 20 september 2012 is door OJTi-supervisor K.T. een eindrapport opgesteld, wat door verzoeker zelf ook wordt erkend. Aangezien, zoals zo-even is vastgesteld, een vervroegde beëindiging van de OJT mogelijk is, toont verzoeker niet aan dat de verwerende partij aldus zou hebben gehandeld in strijd met artikel 1.5 van deel 3a van het Unit Training Reglement. 15. Voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opmerkt dat “op 5 mei 2015 twee nieuwe personen minstens mee heroverwogen hebben om [zijn] prestaties [...] te beoordelen als onvoldoende” en hij als grief doet IX-8741-18/63 gelden dat deze personen nooit betrokken zijn geweest bij zijn stagetraject, geeft hij aan het middelonderdeel een nieuwe inhoud, die hij niet ontvankelijk pas in dat stadium van de procedure voor de Raad van State vermag aan te voeren. Hetzelfde bezwaar geldt voor zover hij pas in zijn laatste memorie de wettigheid betwist van het document ‘Rating principles’. 16. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.
  9. b)Tweede middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 17. Verzoeker voert in een tweede onderdeel van het eerste middel de schending aan van “artikel 1.6. van deel 3a [van het Unit Training Reglement] (patere legem quam ipse fecisti) en bijlage 1 § 5 [versta: vijfde lid] van het Unit Training Reglement”, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij betoogt dat de OJT slechts kan worden beëindigd “in samenspraak met verschillende personen waaronder de OJTi-supervisor en het OJTi-team”. Het gaat volgens hem op zijn minst om drie personen, onder wie OJTi K.C. Laatstgenoemde was in september 2012 evenwel langdurig afwezig wegens arbeidsongeschiktheid. Zij heeft op 20 september 2012 wel een eindrapport als stagemeester opgesteld, maar een verslag van het verplichte overleg is blijkbaar niet voorhanden. Er is, aldus verzoeker, dan ook geen enkele indicatie dat een dergelijk overleg heeft plaatsgevonden, wat een schending inhoudt van artikel 1.6.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement. Minstens is de verwerende partij onzorgvuldig geweest door na te laten van een dergelijke cruciale vergadering een verslag op te maken. Verzoeker stelt voorts dat de verwerende partij in de bestreden beslissing aanstipt dat de bespreking van 20 september 2012 niet langer de IX-8741-19/63 grondslag vormt voor het ontslag op 18 augustus 2015. Hij wijst erop dat de verwerende partij evenwel terugwerkende kracht verleent aan de bestreden beslissing tot 21 september 2012, wat volgens hem impliceert dat de vergadering van 20 september 2012 wel doorslaggevend was. Verzoeker argumenteert dat de finale beoordeling die hem op 21 september 2012 ter ondertekening werd overhandigd, werd opgemaakt door één persoon, namelijk OJTi-supervisor K.T., terwijl geen melding werd gemaakt van de eindbeoordelingen van de andere OJTi’s. Het is volgens hem twijfelachtig dat de verplichte bespreking binnen het OJTi-team heeft plaatsgevonden, wat blijkt uit het feit dat de verwerende partij, na zijn vraag naar een verslag van deze bespreking, te kennen heeft gegeven dat geen dergelijk verslag werd opgesteld. 18. Verzoeker doet in zijn memorie van wederantwoord nog gelden dat artikel 1.6.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement inhoudelijk werd geschonden. Zo wordt door het dossier tegengesproken dat hij geen verbetering meer toonde. Uit het stageboek blijkt immers dat de evolutie wel degelijk positief was. Hij benadrukt ook dat de OJT slechts kan worden beëindigd door ten minste drie personen. OJTi K.C. diende één van hen te zijn. De verwerende partij verschuilt zich achter het feit dat K.C. op 20 september 2012 een OJT-rapport heeft opgesteld, maar een verslag van het verplichte overleg blijkt niet voorhanden. Voor zover in het voorstel van beslissing van 5 mei 2015 wordt vermeld dat “in samenspraak” werd geconcludeerd dat zijn prestaties onvoldoende zijn en geen verbetering werd vastgesteld, laat de verwerende partij volgens verzoeker na om te duiden waar en hoe het overleg zou hebben plaatsgevonden. Volgens verzoeker gaat de verwerende partij eraan voorbij dat krachtens bijlage 1, § 5 [versta: vijfde lid], van het Unit Training Reglement een dubbele vereiste geldt: vooreerst moet een rapport worden opgesteld en voorts moet de finale beoordeling het resultaat zijn van besprekingen binnen het IX-8741-20/63 OJTi-team. Hieraan is in casu niet voldaan, minstens kan de verwerende partij niet aantonen dat het verplichte overleg door de vereiste personen werkelijk heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat niet is bepaald dat er een verslag moet zijn, ontslaat de verwerende partij er volgens verzoeker niet van te bewijzen dat het OJT-eindrapport door meer dan één persoon is opgesteld. 19. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat geen enkel document aangeeft dat er besprekingen zijn geweest. Uit het bestaan van drie afzonderlijke rapporten kan volgens hem geen samenspraak, die een dialoog impliceert, worden afgeleid. Beoordeling 20. Artikel 1.6 van deel 3a van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Beoordeling van de OJT 1.6.1. Indien de prestaties van de trainee voldoening geven, kan de Training Officer for ATS Unit Training and OCA, in samenspraak met de betrokken head of unit of manager van de unit, de OJTi-supervisor en het OJTi-team beslissen, ten vroegste na verloop van de minimumtermijn, dat de trainee in de OJT geslaagd is. 1.6.2. Indien de prestaties van de trainee nog geen voldoening geven maar er nog steeds evolutie is in zijn prestaties, kan de Training Officer for ATS Unit Training and OCA, in samenspraak met de betrokken head of unit of manager van de unit, de OJTi-supervisor en het OJTi-team beslissen om de OJT te verlengen binnen de vastgestelde termijnen. 1.6.3. Indien de prestaties van de trainee onvoldoende zijn maar er geen verbetering wordt vastgesteld, kan de Training Officer for ATS Unit Training and OCA, in samenspraak met de betrokken head of unit of manager van de unit, de OJTi-supervisor en het OJTi-team beslissen om de OJT te beëindigen binnen de vastgestelde termijnen.” IX-8741-21/63 Bijlage 1 (‘Beoordeling’), vijfde lid, van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Voor de OJT zal de finale beoordeling door de Training Officer for ATS Unit Training and OCA gebeuren in samenspraak met de ATS manager van de unit of de head of unit. Deze finale beoordeling is het resultaat van de besprekingen binnen het OJTi-team.” 21. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de artikelen 1.6.1 en 1.6.2 van het Unit Training Reglement geschonden zouden zijn. In zoverre mede de schending van die bepalingen wordt ingeroepen, is het middel niet ontvankelijk. 22.1. Verzoeker voert in het middelonderdeel in essentie aan dat de beslissing om zijn OJT te beëindigen niet “in samenspraak” tussen de daartoe aangewezen personen werd genomen, zoals nochtans voorgeschreven door artikel 1.6.3 en bijlage 1, vijfde lid, van het Unit Training Reglement. 22.2. Zoals de verwerende partij toelicht in haar memorie van antwoord en door verzoeker niet wordt betwist, heeft de OJT van verzoeker plaatsgehad in de luchtverkeersleidingseenheid van de internationale luchthaven Antwerpen, bij het directoraat-generaal Operaties/Air Traffic Services. Head of OCA en Training A.B. en OJTi-supervisor K.T., die tevens head of unit was, waren betrokken actoren bij de OJT van verzoeker. Zo ook de OJTi’s K.C. en H.S. Bij afwezigheid van deze OJTi’s tijdens een sessie nam een andere OJTi, met name A.R., E.V. of F.V.D.E., de begeleiding over. Uit het administratief dossier – in het bijzonder de tussentijdse evaluatieverslagen, de twee eindestagerapporten en het final OJT assessment report – blijkt dat de beoordeling van verzoekers opleiding is gebeurd door de verschillende betrokken actoren en niet slechts door één van hen. Dat de beslissing om de OJT van verzoeker te beëindigen enkel en alleen door OJTi-supervisor K.T. zou zijn genomen, zoals verzoeker beweert, wordt aldus dan ook tegengesproken. IX-8741-22/63 Weliswaar werd het final OJT assessment report van 20 september 2012 enkel ondertekend door OJTi-supervisor K.T., maar dit neemt niet weg dat van diezelfde datum tevens twee eindestagerapporten voorliggen die werden opgesteld en ondertekend door de OJTi’s K.C. en H.S. Beiden kwamen tot dezelfde conclusie dat verzoeker “niet bevoegd [wordt verklaard] voor het uitvoeren van taken verbonden aan de graad [van eerstaanwezend verkeersleider ADR]”. Dit betekent dat zowel de beide aangewezen OJTi’s als de OJTi-supervisor die tevens head of unit was, hun zeggenschap hebben gehad over de finale beoordeling van verzoeker en dus over het al dan niet beëindigen van zijn OJT. De twee OJTi’s zijn aldus mede betrokken geworden bij de finale beoordeling van verzoeker en de beslissing om diens OJT te beëindigen. Derhalve moet worden aangenomen dat die beslissing “in samenspraak” met de twee OJTi’s, onder wie K.C., werd genomen. Aangezien er twee eindestagerapporten van de OJTi’s K.C. en H.S. voorliggen én een final OJT assessment report van OJTi-supervisor K.T. van dezelfde datum waarin de OJTi’s K.C. en H.S. uitdrukkelijk worden vermeld, zaten zij klaarblijkelijk allen op dezelfde golflengte wat de beoordeling van verzoeker betreft en blijkt hieruit dat die drie actoren allemaal betrokken zijn geweest bij de finale beoordeling en uiteindelijke beslissing. In tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, is niet vereist dat nog eens een afzonderlijk verslag van die samenspraak werd opgesteld. Dit is althans niet voorgeschreven door artikel 1.6.3 van deel 3a en bijlage 1, vijfde lid, van het Unit Training Reglement. Evenmin kan worden aangenomen dat de verwerende partij onzorgvuldig zou hebben gehandeld door naast de beschikbare eindestagerapporten en het final OJT assessment report niet ook nog een afzonderlijk verslag van de “samenspraak” op te stellen. 22.3. Voor zover verzoeker uit de vermelding in de notulen van het directiecomié van 18 augustus 2015 dat “het final assessment rapport van [K.T.] niet het gevolg [is] van een vergadering van 20 september 2012 maar [...] een individuele beoordeling betreft van de trainee als OJTI-Supervisor”, afleidt dat er geen samenspraak is geweest, moet met de verwerende partij worden opgemerkt dat verzoeker hierbij uitgaat van een verkeerde lezing van die notulen. De bedoelde vermelding betreft een citaat door het directiecomité van één van verzoekers eigen IX-8741-23/63 argumenten. Uit een verdere lezing blijkt dat dit argument vanwege het directiecomité het volgende antwoord heeft gekregen: “De finale beoordeling ‘onvoldoende’ stemt volgens het Directiecomité overeen met de vaststellingen zoals deze blijken uit het stageboek. Er is geen reden om te twijfelen aan deze finale eindbeoordeling. Bovendien komen alle 3 de teamleden (2 OJTi teamleden en de Supervisor als hoofd van het team) tot dezelfde eindconclusie. Deze wordt, gelet op het verloop van de stage, een correcte weergave geacht van het resultaat van de stageperiode.” Dit antwoord van het directiecomité bevestigt dat de betwiste beslissing niet alleen door OJTi-supervisor K.T. werd genomen. 23. Voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog opmerkt dat door het dossier wordt tegengesproken dat er geen verbetering meer was in zijn prestaties, geeft hij aan het middelonderdeel een geheel andere inhoud dan in zijn inleidend verzoekschrift, wat hij niet ontvankelijk in zijn memorie van wederantwoord kan doen. Het middelonderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. 24. Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond.
  10. c)Derde middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 25. Verzoeker voert in een derde onderdeel van het eerste middel de schending aan van “de artikelen 1.4.1., 1.4.2. en 1.4.3. van deel 3a [van] het eigen reglement Unit Training (patere legem quam ipse fecisti)”, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel. IX-8741-24/63 Hij betoogt dat de procedure van voorafgaande briefing niet werd nageleefd en het daartoe bestemde vak van de stagerapporten voor slechts twee van de 104 stagedagen werd ingevuld. Voorts werden hem geen andere doelstellingen of briefings meegegeven. De debriefing gebeurde volgens verzoeker meestal wel, maar vaak dagen of weken na datum. Hij moest “geregeld aan de stagemeester vragen om dag ‘x’ achteraf in te vullen”. Verzoeker licht toe dat het praktisch onmogelijk was om de hele werkdag met dezelfde OJTi te presteren en dat de OJTi die slechts het laatste deel van die dag aanwezig was, dan ook vaak weigerde om het stageboek in te vullen. Volgens verzoeker bracht dit met zich mee dat hij dagen of weken later aan een OJTi nog moest vragen om het stageboek in te vullen voor een welbepaalde dag. De stagedagen 99, 102, 103 en 104 kunnen als voorbeeld daarvan gelden. Hij voegt eraan toe dat een beoordeling op basis van een herinnering “nooit even exact” is als een beoordeling op de dag zelf. Verzoeker wijst er ook op dat hij meermaals mondeling heeft aangegeven dat hij door OJTi F.V.D.E. onterecht negatief werd beoordeeld, dat zijn supervisor K.T. telkens herhaalde dat alles wel in orde zou komen en dat de tussentijdse gesprekken positief verliepen. Hij stelt dat hij naar aanleiding van het tussentijds gesprek van 4 september 2012 in een schrijven van 10 september 2012 de voorstelling van de feiten van 24 juli 2012 – dag 75 van zijn OJT – heeft betwist. Daarop kreeg hij echter geen antwoord, laat staan dat correctieve maatregelen werden genomen. Thans zijn de radarbeelden van de voormelde dag niet meer beschikbaar, omdat ze overeenkomstig interne richtlijnen slechts zestig dagen werden bewaard. Nochtans wist de verwerende partij aan de hand van het voormelde schrijven van 10 september 2012 dat het grootste knelpunt zich op 24 juli 2012 voordeed en heeft zij dan ook onzorgvuldig gehandeld door de radarbeelden van die dag niet te bewaren. IX-8741-25/63 Volgens verzoeker staat het derhalve vast dat er onvoldoende tot geen maatregelen werden genomen om de problemen op te lossen. 26. In zijn memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat aangezien de debriefing vaak dagen of weken na datum gebeurde, er toch discussie kan ontstaan over ondertekende verslagen. Hij vermeldt “bij wijze van voorbeeld” het verslag van 24 juli 2012 dat hij voor kennisname ondertekende, maar waarvan hij later de inhoud – na het bekijken van de radarbeelden – bij zijn supervisor heeft moeten betwisten. Volgens verzoeker klopt het dan ook niet dat hij de dagelijkse evaluatie steeds zou hebben ondertekend zonder daarbij opmerkingen te maken. Gelet op de werkwijze van de verwerende partij is het onwaarschijnlijk, aldus verzoeker, dat de OJTi zich nog herinnerde wat er dagen of weken eerder was gebeurd. Voor zover de verwerende partij zich afvraagt waarom niet-ondertekende verslagen van welbepaalde OJT-dagen niet in aanmerking mochten worden genomen bij het nemen van de bestreden beslissing, merkt verzoeker op dat artikel 1.4.2 van deel 3a van het Unit Training Reglement vereist dat zowel de trainee als de OJTi het dagelijks rapport ondertekenen. Een niet-ondertekend verslag voldoet niet aan dit vereiste en mag derhalve niet in aanmerking worden genomen. Wat specifiek dag 75 van zijn OJT betreft – 24 juli 2012 – wijst verzoeker erop dat het verslag van die dag geen correcte weergave is van de feiten die zich werkelijk hebben voorgedaan en dat hij daarom ter gelegenheid van het tussentijds gesprek van 4 september 2012 de feiten, zoals ze door F.V.D.E. werden voorgesteld, heeft betwist. Volgens verzoeker moet de verkeerde weergave van de feiten van dag 75 door F.V.D.E. worden gezien als een probleem zoals bedoeld in artikel 1.4.3 van het Unit Training Reglement. IX-8741-26/63 Aangezien de verwerende partij op grond van het gesprek van 4 september 2012 en verzoekers schrijven van 10 september 2012 wist dat er discussie bestond over het verloop van dag 75 van de OJT, had zij de radarbeelden moeten bijhouden. Dat zij dit niet heeft gedaan, schetst volgens verzoeker haar onzorgvuldigheid. Verzoeker wijst er ten slotte op dat de verwerende partij op de hoogte was van de moeilijke samenwerking met F.V.D.E., maar onvoldoende of zelfs geen maatregelen heeft genomen om de problemen op te lossen die zich voordeden tijdens zijn OJT. 27. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de rapporten tot dag 75 uitermate positief waren en dat “[p]recies daarom [...] deze dag niet onder de mat [kan] worden geschoven” en “de latere aanpassing het gebrek aan zorgvuldigheid [typeert]”. Hij wijst er ook op dat hij “[v]oor de dagen 99, 102, 103 en 104 [...] het stagedagboek niet heeft ondertekend”, wat betekent dat “voor minstens vijf dagen er onzorgvuldigheid in de stagedagboeken is geslopen”. Verzoeker stelt dat in de tussentijdse verslagen al melding werd gemaakt van de moeilijke samenwerking met F.V.D.E., maar dat de verwerende partij geen correctieve maatregelen heeft genomen en dat F.V.D.E. als enige OJTi verzoeker overmatig negatief bleef beoordelen tot het einde van de stage. Beoordeling 28. Artikel 1.4.1 van deel 3a van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Voorafgaande briefing Vóór elke sessie organiseert de OJTi een briefing met de trainee. De doelstellingen van de sessie worden tijdens de briefing meegedeeld. De trainee zal tijdens de briefing zijn stageboek overmaken aan de OJTi.” IX-8741-27/63 Artikel 1.4.2 van deel 3a van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Debriefing Na de sessie wordt een debriefing gehouden. Op het einde van de debriefing maakt de OJTi het dagelijkse rapport op. Zowel de trainee als de OJTi ondertekenen het rapport.” Artikel 1.4.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Stageboek Elke 10 werkdagen moet de trainee zijn stageboek ter nazicht overhandigen aan de aangeduide OJTi-supervisor of aan zijn afgevaardigde. De OJTi-supervisor brengt om de 14 dagen een verslag uit bij de head of unit of de manager van de betrokken unit. Deze moeten binnen de vijf dagen worden doorgestuurd naar de Training Officer for ATS Unit Training and OCA. In geval van problemen wordt de Training Officer for ATS Unit Training and OCA op de hoogte gebracht zodat er correctieve maatregelen kunnen genomen worden. De Training Officer for ATS Unit Training and OCA kan steeds het OJTi-team samen roepen alsook de OJTi-supervisors en het unit management.” 29. Voor zover verzoeker aanvoert dat de voorafgaande briefing die is voorgeschreven door artikel 1.4.1 van deel 3a van het Unit Training Reglement, tijdens het merendeel van zijn OJT-dagen niet heeft plaatsgevonden, moet met hem worden vastgesteld dat voor het merendeel van zijn OJT-dagen het vak ‘Objectives and/or Need for improvement’ in het stageboek niet werd ingevuld. Dit betekent evenwel niet dat hij niet genoegzaam zou hebben geweten welke de doelstellingen van elk van de sessies waren. Er moet immers evenzeer worden vastgesteld dat voor elke OJT-dag het stageboek werd ingevuld en dat dit voor de meeste OJT-dagen werd ondertekend door de trainee (verzoeker), door de OJTi en door de OJTi-supervisor. In dat stageboek zijn de verschillende doelstellingen aangegeven, doordat daarin telkens uitdrukkelijk is vermeld welke (sub)onderdelen allemaal kunnen worden gequoteerd. Aangezien het stageboek voor alle OJT-dagen is ingevuld en verzoeker voor de vermelde (sub)onderdelen werd gequoteerd, moet worden aangenomen dat dit stageboek door verzoeker telkens aan de OJTi werd IX-8741-28/63 bezorgd, zoals voorgeschreven door artikel 1.4.1 van deel 3a van het Unit Training Reglement. Uit dit alles mag geredelijk worden afgeleid dat verzoeker elke OJT-dag kennis had van wat van hem werd verwacht en aldus ook is voldaan aan het vereiste van een voorafgaande briefing. 30. Wat de debriefing betreft, zoals voorgeschreven door artikel 1.4.2 van deel 3a van het Unit Training Reglement, erkent verzoeker zelf dat deze telkens heeft plaatsgevonden. Dit blijkt overigens ook weer uit het stageboek, dat van elke OJT-dag een ingevuld rapport bevat dat – zoals vermeld – voor het merendeel van de OJT-dagen werd ondertekend door verzoeker, de OJTi en de OJTi-supervisor. Dat de betrokken OJTi dagen of zelfs weken later het stageboek nog voor een welbepaalde OJT-dag dienden in te vullen, is een bewering van verzoeker die door niets wordt gestaafd. En zelfs indien dit al het geval zou zijn geweest, zou dit nog niet wegnemen dat uit het stageboek duidelijk blijkt dat voor elke OJT-dag een rapport werd opgesteld waarin verzoekers prestatie uitvoerig werd beoordeeld en waarin zelfs vaak in het vak ‘Comments’ nog specifieke duiding werd gegeven over wat er die OJT-dag wel of niet goed werd gedaan door verzoeker. Verzoeker heeft voor het merendeel van de OJT-dagen het dagelijks rapport ondertekend, overigens met kennis van zaken aangezien hij aan de hand van de ingevulde rapporten zeer goed wist hoe zijn functioneren voor de desbetreffende dag was beoordeeld. Verzoeker kan dan ook niet ervan overtuigen dat de betrokken OJTi’s zich niet meer zouden hebben herinnerd wat er op een welbepaalde OJT-dag was gebeurd en dat er nog discussie kan bestaan over de ondertekende verslagen. Het is juist dat enkele rapporten door verzoeker niét werden ondertekend, maar dat is slechts uitzonderlijk het geval. Het overgrote deel van de dagelijks opgestelde rapporten werd wel door verzoeker ondertekend en deze rapporten konden mee in aanmerking worden genomen bij het nemen van de bestreden beslissing. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de verwerende partij zou hebben gehandeld in strijd met artikel 1.4.2 van deel 3a van het Unit Training Reglement. IX-8741-29/63 31. Voor zover verzoeker artikel 1.4.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement geschonden acht, doordat volgens hem onterecht geen correctieve maatregelen werden genomen nadat hij meermaals problemen met OJTi F.V.D.E. zou hebben aangegeven, overtuigt hij niet. In haar memorie van antwoord ontkent de verwerende partij dat verzoeker zou hebben gevraagd correctieve maatregelen ten opzichte van de OJTi’s te nemen. Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat hij meermaals heeft aangekaart dat er problemen waren met F.V.D.E. Dit wordt evenwel door geen enkel neergelegd stuk bevestigd. Uit het administratief dossier blijkt slechts dat verzoeker pas in een schrijven na de opvolgingsvergadering van 4 september 2012 voor het eerst gewag heeft gemaakt van problemen die hij met F.V.D.E. zou ondervinden. Daaruit kan geenszins worden afgeleid dat hij dit meermaals heeft gedaan, maar dat de verwerende partij niettemin heeft verzuimd correctieve maatregelen te nemen. Voor zover verzoeker nader ingaat op zijn betwisting van de voorstelling van de feiten van 24 juli 2012 – dag 75 van de OJT – door OJTi F.V.D.E. in zijn schrijven na de opvolgingsvergadering van 4 september 2012, dient erop te worden gewezen dat deze betwisting slechts één enkele beoordeling betreft, naast de talrijke andere beoordelingen van andere OJT-dagen, die niet enkel zijn gebeurd door F.V.D.E. en waarbij naast de vaak voorkomende quotering 3 (‘satisfactory’) eveneens de quoteringen 2 (‘poor’) en 1 (‘unsatisfactory’) werden toegekend, ook door andere OJTi’s. De bestreden beslissing is gesteund op de beoordeling van het geheel van de OJT. Uit niets blijkt dat het voorval van 24 juli 2012 decisief is geweest. Verzoeker heeft er dan ook geen belang bij sommige specifieke gegevens van dit voorval in vraag te stellen. Zijn grief kan immers op zich niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. 32. Het derde onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. IX-8741-30/63
  11. d)Vierde middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 33. Verzoeker voert in een vierde onderdeel van het eerste middel de schending aan van “artikel 2.2. van deel 4) van het Unit Training Reglement al dan niet in samenhang met artikel 3.1 van deel 2a; artikel 1.4.1. tot en met artikel 1.6.3. van deel 3a) en bijlage 1 § 5 [versta: vijfde lid] van het Unit Training Reglement”. Hij betoogt dat één van de OJTi’s, K.C., bij de aanvang van zijn OJT op 2 april 2012 nog niet de nodige opleidingen, zoals bepaald in artikel 2.2 van deel 4 van het Unit Training Reglement, had gevolgd om OJTi te worden. Uit een memo van 18 januari 2012 blijkt namelijk dat zij nog tot en met 26 april 2012 opleidingen moest volgen. Toch heeft zij al een tussenoordeel geveld over de eerste twintig dagen van zijn OJT, waarvoor zij, zo besluit verzoeker, niet bevoegd was. 34. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de verwerende partij eraan voorbijgaat dat K.C. een tussenoordeel heeft geveld over een periode die voorafging aan haar erkenning als OJTi. Voor zover de verwerende partij doet gelden dat verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een wijziging van het OJTi-team aan te vragen overeenkomstig artikel 3.1 van deel 4 van het Unit Training Reglement, merkt verzoeker op dat de verwerende partij haar eigen reglementering dient na te leven en zij haar eigen onwettig handelen niet op hem mag afschuiven. Bij de aanvang van zijn OJT had hij immers geen weet van de onbevoegdheid van K.C. 35. In zijn laatste memorie voegt verzoeker hier nog aan toe dat aangezien K.C. de eerste twintig dagen van zijn OJT niet mocht optreden als OJTi, zij ook niet voor de gehele OJT een eindverslag in eigen naam kon opstellen. IX-8741-31/63 Beoordeling 36. Artikel 2.2 van deel 4 van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Aanduiding als OJTi Om als OJTi aangeduid te worden, moet de verkeersleider: 1. geslaagd zijn in de OJTi-cursus; 2. twee jaar ervaring hebben in de bevoegdverklaring waarvoor hij als OJT zal optreden; 3. sinds minstens 12 maanden in het bezit zijn van een geldige eenheidsaantekening voor de unit waarin de OJT wordt gegeven.” Artikel 3.1 van deel 4 van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Op verzoek van de trainee Een trainee kan bij de Training Officer for ATS Unit Training and OCA een gemotiveerde aanvraag tot wijziging indienen met betrekking tot het voor hem vastgestelde OJTi-team. De aanvraag van de trainee is slechts ontvankelijk indien deze wordt ingediend vooraleer twee derde van de OJTi-periode is verstreken. De Training Officer for ATS Unit Training and OCA kan, in voorkomend geval, beslissen om het initieel gevormde OJTi-team te wijzigen.” 37. Verzoeker acht zich gegriefd doordat één van de hem toegewezen OJTi’s, K.C. de daartoe noodzakelijke opleidingen pas zou hebben beëindigd op 26 april 2012, terwijl zijn OJT reeds was aangevangen op 2 april 2012 en K.C. voor de eerste twintig dagen van zijn OJT een tussentijds evaluatieverslag heeft opgesteld. 38. Voor zover verzoeker artikel 2.2 van deel 4 van het Unit Training Reglement, gelezen in samenhang met artikel 3.1. van deel 2a van datzelfde reglement geschonden acht, moet erop worden gewezen dat de laatstgenoemde bepaling betrekking heeft op de pre-OJT en dus niet op de OJT. Die bepaling is in casu derhalve niet van toepassing. In zoverre het middelonderdeel eraan refereert, is het dan ook niet ontvankelijk. IX-8741-32/63 39. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat hij op enigerlei wijze is benadeeld doordat K.C. vooraleer zij op 26 april 2012 haar opleiding had beëindigd, reeds was aangewezen als zijn OJTi. Uit het stageboek blijkt immers dat K.C. vóór die datum geen enkele OJT-dag van verzoeker heeft beoordeeld. Die beoordeling is wel gebeurd door een andere OJTi. K.C. heeft pas op 30 april 2012 voor het eerst verzoeker beoordeeld, overigens samen met OJTi-supervisor K.T. K.C. heeft nadien, dus ook op een ogenblik dat zij de opleiding wel volledig had genoten, een tussentijds verslag opgesteld over verzoekers OJT. Het blijkt dan ook niet dat de beoordeling van verzoekers prestaties in dat tussentijds verslag door een onbevoegd persoon zou zijn gedaan. K.C. heeft die beoordeling bovendien niet alleen gemaakt. Ook OJTi H.S. heeft voor de desbetreffende periode een tussentijds verslag opgesteld. 40. Het vierde onderdeel van het eerste middel kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
  12. e)Besluit met betrekking tot het eerste middel 41. Het eerste middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 42. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 1.8 van deel 3a van het Unit Training Reglement, alsook “van artikel 22 van de zogenaamde cao 2006-2008” en “van het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel m.b.t. de plicht tot re-integratie overeenkomstig de eigen uitgevaardigde regelgeving”. Hij betoogt dat de verwerende partij hem na het niet succesvol volbrengen van zijn OJT zijn voorgaande functie niet opnieuw heeft laten IX-8741-33/63 opnemen. Volgens hem blijkt nochtans uit arrest nr. 230.690 van 30 maart 2015 van de Raad van State dat hij op 6 september 2007 reeds benoemd was als ambtenaar, namelijk als aspirant-verkeersleider, waarvoor hij geslaagd was in een vergelijkend wervingsexamen. Hij stelt dat hij aldus als ambtenaar in een andere functie bij de verwerende partij was tewerkgesteld op het ogenblik dat hij de opleiding startte tot eerstaanwezend verkeersleider eerste klasse. Wanneer die opleiding niet tot een gunstig resultaat leidde, kon de verwerende partij hem opnieuw zijn vorige functie laten opnemen overeenkomstig artikel 1.8 van deel 3a van het Unit Training Reglement. De verwerende partij vermocht hem met andere woorden niet te ontslaan. Volgens verzoeker rijzen er vragen bij het standpunt van de verwerende partij dat artikel 4, § 4, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 ‘tot vaststelling van bijzondere bepalingen die de toelating en de benoeming tot sommige graden van de dienst ‘Verkeersleiding’ van de Regie der Luchtwegen regelen’ van toepassing is. Hij verwijst in dit verband naar artikel 1, § 1, van dat koninklijk besluit, waaruit hij afleidt dat het besluit een “aanvullende wijziging” betreft van het koninklijk besluit van 29 november 1991 ‘tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de Regie der Luchtwegen’. Dat laatstgenoemde koninklijk besluit én zijn wijzigingen, zo vervolgt verzoeker, zijn evenwel niet meer van toepassing sinds de inwerkingtreding van het personeelsstatuut van de verwerende partij op 1 november 2002. Dit blijkt uit de artikelen 2 en 81 van dat personeelsstatuut. Dit impliceert volgens verzoeker dat ook het voornoemde koninklijk besluit van 27 maart 1998 niet meer van toepassing is op de personeelsleden van de verwerende partij. Voor zover zou worden geoordeeld dat het koninklijk besluit van 27 maart 1998 toch nog kan worden toegepast, kan volgens verzoeker de uiteenzetting van de verwerende partij evenmin worden bijgevallen. De verwerende partij beroept zich immers op de procedure tot afdanking van personen die niet slagen voor de proeven die toelating geven tot de hoedanigheid van verkeersleider derde klasse, maar verzoeker was daarvoor al geslaagd op 30 april IX-8741-34/63 2008 en was al verkeersleider derde klasse sinds 1 mei 2008. Bijgevolg kan hij hoe dan ook niet onder de voormelde toepassing vallen. Volgens verzoeker bevindt hij zich in het geval dat hij benoemd had moeten worden in de graad van verkeersleider derde klasse en vloeit dit voort uit het feit dat hij alle andere trainingen met gunstig gevolg had doorlopen. De verplichting om diegenen die de OJT niet succesvol hebben beëindigd, een passende dienstbetrekking aan te bieden, wordt, zo stelt verzoeker, nog eens hernomen in artikel 22 van cao 2006-2008. De eindevaluatie van zijn OJT vond plaats op 20 september 2012, terwijl hij een dag later reeds werd ontslagen, wat betekent dat geen enkele inspanning is geleverd om hem een nieuwe functie aan te bieden. Dat er geen vacante functies zouden zijn geweest, wordt niet bewezen. Voor tal van andere personeelsleden – verzoeker stelt kennis te hebben van zes gevallen – kon het opnemen van de vorige functie wel. 43. Verzoeker doet in zijn memorie van wederantwoord nog gelden dat hij bij beslissing nr. 2029 van 6 september 2007 werd benoemd als ambtenaar bij de verwerende partij. Hij werd niet ontslagen in zijn hoedanigheid van aspirant-verkeersleider en hij heeft niet de hoedanigheid van ambtenaar in die functie verloren wegens een andere reden waarin is voorzien in artikel 74 van het personeelsstatuut met betrekking tot de definitieve ambtsneerlegging. Wat artikel 22 van cao 2006-2008 betreft, miskent de verwerende partij volgens verzoeker de uitdrukkelijke verplichting om minstens te pogen over te gaan tot re-integratie of een andere tewerkstelling. Op zo een korte tijdspanne als in dit geval in acht werd genomen, was het immers niet mogelijk om een inspanning te doen om hem in dienst te houden. 44. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de omstandigheid dat de opleiding is stopgezet, geenszins impliceert dat de eerdere benoeming en arbeidsrelatie ongedaan worden gemaakt. Volgens hem valt hij zowel onder punt i als punt ii van artikel 1.8 van deel 3a van het Unit Training IX-8741-35/63 Reglement. Voorts stelt hij met betrekking tot cao 2006-2008, waarnaar het bedoelde punt ii verwijst, dat deze “enkel en alleen van toepassing [is] op aspiranten-ATS” en dat “met zekerheid vastgesteld [kan] worden dat [hij] dit niet meer was sinds zijn aanduiding in een hogere graad op 01/05/2008”. Beoordeling 45. Artikel 1.8 van deel 3a van het Unit Training Reglement, revisie 9, luidt: “Mislukken Indien een trainee in de OJT mislukt, gelden de volgende regels: i. in geval van mislukking van de OJT zal de trainee diens voorgaande functie weer opnemen. ii. Voor kandidaat-ambtenaren is in geval van mislukking art. 22 van de CAO 2006-2008 van toepassing.” Artikel 22 van cao 2006-2008 luidt: “Aspiranten ATS Ten aanzien van een aspirant ATS die niet geslaagd is in de testen, zal Belgocontrol trachten in een wedertewerkstelling binnen Belgocontrol te voorzien, zonder dat zulks evenwel enige verbintenis of verplichting tot tewerkstelling met zich brengt. Bij de beëindiging van de samenwerking tussen Belgocontrol en een aspirant ATS ingevolge het niet slagen in de testen, zal aan de aspirant ATS een conventionele opzeggingstermijn worden toegekend met een vaste duurtijd van negentig kalenderdagen.” 46. Verzoeker argumenteert dat artikel 1.8 van deel 3a van het Unit Training Reglement op hem van toepassing is. Hij gaat er echter verkeerdelijk vanuit dat hij, vooraleer hij de opleiding tot verkeersleider eerste klasse aanvatte, reeds definitief als ambtenaar benoemd was. Een correcte lezing van arrest nr. 230.690 van 30 maart 2015 van de Raad van State, waarnaar verzoeker verwijst, houdt in dat verzoeker moet worden beschouwd als een kandidaat-ambtenaar verkeersleider derde klasse. IX-8741-36/63 Overweging 13 van het voornoemde arrest verwijst in dit verband uitdrukkelijk naar tussenarrest nr. 227.705 van 16 juni 2014, waarin wordt geoordeeld: “Is het niet zo dat élke trainee die een opleiding volgt tot aspirant-verkeersleider ook dadelijk en enkel om die reden onder statutair verband staat, dan neemt zulks niet weg dat verzoeker volgens de stukken die aan de Raad werden voorgelegd, wel degelijk ‘kandidaat-ambtenaar’ was. Bij aanvang van zijn opleiding reeds werd verzoeker aangesteld in de ‘graad’ van aspirant-luchtverkeersleider met een overeenstemmende weddeschaal 20/i, door een eenzijdige beslissing van de afgevaardigd bestuurder van Belgocontrol onder verwijzing in de aanhef naar ‘het administratief statuut van de ambtenaren van Belgocontrol’. Blijkens een weddefiche – stuk 4 bij het verzoekschrift – is verzoeker dan vanaf 1 mei 2008 betaald in de weddeschaal A23/h in de graad ‘Kandidaat-ambtenaar verkeersleider 3de klasse’. Uit de [...] de wet van 21 maart 1991 blijkt voorts dat de statutaire aanwerving bij Belgocontrol de regel is. Dat dit met betrekking tot de aspirant-verkeersleiders een sui generis regeling is […] spreekt die vaststelling niet tegen, net zomin als de vaststelling dat de vaste benoeming pas volgt na het succesvol afronden van de OJT en dat in het tegenovergestelde geval de opleiding wordt stopgezet. Het sui generis statuut vertoont aldus op dit punt gelijkenissen met een proefperiode of een stage. Een negatieve evaluatie van een ambtenarenstage leidt ook tot een afdanking, eventueel zelfs met een opzegperiode die voor het ontslagen personeelslid recht opent op werkeloosheidsuitkeringen, [...] maar dat maakt de stage zelf niet tot een regeling die onderworpen is aan de arbeidsovereenkomstenwetgeving.” De Raad van State bevestigt deze beoordeling van het dienstverband van verzoeker voor de voorliggende zaak. . Verzoeker is derhalve te beschouwen als een kandidaat-ambtenaar. Gelet op die vaststelling, is punt i van artikel 1.8 van deel 3a van het Unit Training Reglement niet op zijn situatie van toepassing. 47. Als kandidaat-ambtenaar is op verzoeker ten gevolge van de mislukking van zijn OJT, punt ii van artikel 1.8 van deel 3a van het Unit Training Reglement van toepassing. Daarbij wordt uitdrukkelijk de regeling van artikel 22 van cao 2006-2008 op situaties zoals de zijne van toepassing gemaakt. Alhoewel die regeling in de mogelijkheid van een wedertewerkstelling bij de verwerende partij voorziet, houdt ze geen verplichting in voor de verwerende partij, die mag IX-8741-37/63 overgaan tot een beëindiging van de samenwerking, mits inachtneming van een conventionele opzegtermijn van negentig kalenderdagen. Het advies van het directiecomité van de verwerende partij dat door de bestreden beslissing wordt bijgevallen, vermeldt in dit verband “dat van de facultatieve wedertewerkstelling in een andere functie zoals voorzien in art. 22 van cao 2006-2008 geen gebruik wordt gemaakt, aangezien de directeur-generaal HR bevestigt dat er geen openstaande vacatures bestaan die aan het profiel van betrokkene voldoen”. Verzoeker weerlegt dit niet. 48. Het argument van verzoeker dat andere collega’s, waarvan hij er in zijn laatste memorie zes met naam vermeldt, “wel hun vorige functie mochten behouden”, is niet meer dan een bewering. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat hun situatie vergelijkbaar en gelijkaardig was aan de zijne. 49. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 50. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van “het motiveringsbeginsel”. Volgens verzoeker “mangelt de motivering materieel omdat zij niet geschraagd wordt door het dossier”. Hij licht toe, aan de hand van voorbeelden, dat het hem toegezonden voorstel van beslissing nieuwe en negatieve beoordelingen vermeldde die niet in het stageboek voorkwamen en die hem bijgevolg niet bekend waren. Hij werd aldus niet of minstens onvoldoende op de hoogte gebracht van zijn eventuele werkpunten. De verwerende partij antwoordt niet op dit argument dat hij tijdens de uitoefening van het hoorrecht heeft aangevoerd. IX-8741-38/63 Verzoeker merkt daarnaast op dat hij de beoordelingen van zijn stagedagen 99, 102, 103 en 104 nooit heeft gezien vóór zijn ontslag. Die beoordelingen werden ingevuld nadat hij ontslagen was en hij heeft nooit de mogelijkheid gehad ze te ondertekenen, wat hij niet gedaan zou hebben. Hij stelt dat hij die beoordelingen overduidelijk heeft betwist tijdens de uitoefening van het hoorrecht, maar dat de verwerende partij daarmee geen rekening heeft gehouden en niets anders doet dan louter het tegendeel beweren. Ook wat de beslissingen over de verlengingen van de duurtijd van de OJT betreft, moet – aldus verzoeker – worden vastgesteld dat de verwerende partij blijft volhouden dat die er geweest zijn, hoewel dit niet het geval is. Ook op dit punt is volgens hem de motivering “niet geschraagd”. Voorts bestaat er volgens verzoeker een discrepantie tussen de dagelijkse beoordelingen door OJTi K.C. enerzijds en haar eindbeoordeling anderzijds. Uit de dagelijkse beoordelingen in het stageboek kan immers een positieve trend worden afgeleid. K.C. heeft nooit een criterium met de score 1 (‘unsatisfactory’) gequoteerd en slechts op vier stagedagen heeft zij een criterium met de score 2 (‘poor’) gequoteerd. In haar eindbeoordeling daarentegen acht zij verzoekers stage plots ‘onvoldoende’. Die eindbeoordeling, zo betoogt verzoeker, stemt niet overeen met de dagelijkse beoordelingen in het stageboek en is daarenboven opgesteld op een ogenblik dat K.C. met ziekteverlof was. In het algemeen moet volgens verzoeker worden vastgesteld dat de eindbeoordeling haaks staat op het verloop van de stage. Ook de eindbeoordeling door de OJTi-supervisor K.T. is beduidend negatiever dan de tussentijdse en dagelijkse quoteringen. Verzoeker argumenteert vervolgens dat de materiële motivering van het voorstel van beslissing “op vele plaatsen mank [loopt]”. Zo kan op pagina 7 van dit voorstel worden gelezen dat zijn quoteringen na dag 74 verslechteren, terwijl in werkelijkheid zijn resultaten na dag 74 significant beter zijn. Tevens rijst IX-8741-39/63 de vraag hoe hij “een eindbeoordeling van 57,5% kan [behalen] als hij gemiddeld 86,48% […] behaalt”. Er is volgens verzoeker geen enkele aanwijzing hoe de verwerende partij aan dit eindresultaat is gekomen. Verzoeker doet gelden dat hij meestal positief werd geëvalueerd en dat er geen indicaties zijn gegeven waarom naar het einde van de stage toe een negatieve evaluatie zou volgen. Toch bevat het administratief dossier een aantal interne opvolgingsverslagen met een negatieve teneur en rijst de vraag waarom die teneur pas op 4 september 2012, dag 98 van zijn stage, is gecommuniceerd. 51. Verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord dat in de mate dat de verwerende partij stelt dat hij de stagedagen 99, 102, 103 en 104 niet betwist en deze dus mogen worden betrokken in de eindbeoordeling, zij zonder enige nadere motivering ingaat tegen wat hij expliciet heeft aangevoerd, namelijk dat dit “gecontesteerde dagen” waren. Wat de discrepantie in de beoordelingen van OJTi K.C. betreft, wordt er volgens verzoeker geen juridische grondslag gegeven voor het minder laten doorwegen van dagen die expliciet als “low traffic” werden aangegeven, dan van dagen dat er “heavy traffic” was. Verzoeker merkt daarbij vooreerst op dat de verwerende partij de quoteringen van K.C. voor dag 60 zonder reden niet in aanmerking neemt. Voorts stelt hij dat de verwerende partij het “medium” luchtverkeer negeert door enkel “light” tegenover “heavy” te stellen. Ten slotte haalt verzoeker de specifieke criteria aan op de achterzijde van elk OJT-verslag waarvoor punten werden gegeven op “light”, “medium” en “heavy” traffic. Het is volgens hem logisch dat deze punten enkel worden gegeven wanneer dit type luchtverkeer zich effectief heeft voorgedaan. Verzoeker concludeert dat “heavy traffic” in het algemeen weinig voorkwam en dat er tijdens de samenwerking met K.C. slechts twee dagen werden aangeduid met “heavy traffic”. Voor beide keren kreeg hij toch een quotering 3. In het totaal werden er slechts twaalf dagen gemarkeerd als “heavy traffic” en daarvoor kreeg hij acht keer een quotering 3 en vier keer een quotering 4 (‘good’). Ook de schriftelijke opmerkingen waren IX-8741-40/63 positief. Verzoeker stelt dat hem dan ook bezwaarlijk kan worden verweten dat hij het zwaar luchtverkeer slecht afhandelde. Bovendien werden bepaalde dagen door de verwerende partij in aanmerking genomen als “low traffic”, niettegenstaande er in het dagrapport goede punten werden gegeven voor het criterium “medium traffic”. Verzoeker houdt staande dat de eindbeoordeling van K.C. “haaks staat” op de positieve scores die zij gaf in de dagrapporten. Het ontbreken van voldoende drukke dagen kan volgens hem geen afdoende reden zijn voor een negatief eindverslag. Voor zover volgens de verwerende partij de door hem weergegeven gemiddelde dagscores niet in overeenstemming zijn met de wijze waarop zij de trainee beoordeelt, stelt verzoeker vast dat er geen andere beoordelingssleutel voorligt. Evenmin verduidelijkt de verwerende partij hoe zij tot een negatieve eindbeoordeling is gekomen. 52. Wat de beoordelingen van de stagedagen 99, 102, 103 en 104 betreft, stelt verzoeker in zijn laatste memorie nog dat “[h]et meenemen van verslagen die de betrokkene niet eens bekend waren gemaakt en die verzoeker dagen nadien inhoudelijk zou moeten betwisten, […] de deur [openzet] naar totale willekeur”. Beoordeling 53.1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. IX-8741-41/63 53.2. De bestreden beslissing verwijst uitdrukkelijk naar het voorstel van beslissing van de afgevaardigd bestuurder van de verwerende partij van 5 mei 2015 en naar de notulen van het directiecomité van 18 augustus 2015. Ze vermeldt uitdrukkelijk dat de uitvoerige motivering van dat voorstel en van het advies van het directiecomité integraal wordt hernomen. Het voorstel van beslissing van 5 mei 2015 telt dertien bladzijden met een zeer uitvoerige motivering, die onder meer verwijst naar verschillende feitelijke vaststellingen met betrekking tot de OJT van verzoeker. Ook het advies van het directiecomité van 18 augustus 2015 houdt een zeer uitgebreide motivering in. Het directiecomité heeft alle door verzoeker in zijn verweerschrift van 29 mei 2015 aangevoerde bezwaren punt voor punt onderzocht, beoordeeld en weersproken. Doordat de verwerende partij bij het nemen van de thans bestreden beslissing, naast de motieven van het voorstel van beslissing van 5 mei 2015, ook de motieven van het advies van het directiecomité van 18 augustus 2015 integraal “herneemt”, moet worden besloten dat zij verzoekers argumenten niet zomaar naast zich heeft neergelegd, maar dat zij die argumenten bij haar beoordeling heeft betrokken. Uit het voorgaande volgt ook dat uit de bestreden beslissing, gelezen met de motieven die geacht moeten worden er integraal deel van uit te maken, blijkt waarom de verwerende partij heeft besloten de samenwerking met verzoeker te beëindigen. Er is dan ook geen sprake van een miskenning van de formelemotiveringsplicht. 54.1. Verzoeker kent de motieven van de bestreden beslissing. Dit blijkt alleen reeds uit zijn uiteenzetting van het middel. Hij wijst er daarbij zelf op dat “de materiële motivering […] mank loopt” en hij betwist de deugdelijkheid van de opgegeven motieven. Hij voert aldus in wezen de schending aan van de IX-8741-42/63 materiëlemotiveringsplicht. Het middel zal hierna vanuit dit oogpunt worden onderzocht. 54.2. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat elke administratieve rechtshandeling moet worden gedragen door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn en die, in het kader van het wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd aan de hand van de gegevens van het dossier. 54.3. Voor zover verzoeker vooreerst doet gelden dat het voorstel van beslissing – en dus ook de thans bestreden beslissing, die de motivering van het voorstel van beslissing integraal “herneemt” – nieuwe, negatieve beoordelingen vermeldt die hem niet bekend waren, omdat ze niet in het stagedagboek waren opgenomen, kan hij niet worden bijgevallen. Uit het voorstel van beslissing van 5 mei 2015 blijkt immers dat onder randnummer 5 van titel 2.2 ‘Beoordeling van de OJT’ wordt verwezen naar verschillende feitelijke vaststellingen uit het stagedagboek. Zo wordt melding gemaakt van verschillende negatieve beoordelingen die volgens het stagedagboek aan verzoeker werden toegekend door meer dan één enkele OJTi en voor verschillende OJT-dagen. Tevens wordt gewezen op de opvolgingsvergaderingen van 6 en 21 juni 2012, 3 augustus 2012 en 4 september 2012, waaruit geenszins blijkt dat verzoeker, zoals hijzelf beweert, enkel maar positief zou zijn beoordeeld. 54.4. Voor zover verzoeker stelt dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de argumentatie in zijn verweerschrift van 29 mei 2015 dat de beoordelingen van de OJT-dagen 99, 102, 103 en 104 niet door hem werden ondertekend, moet worden vastgesteld dat hij dergelijke argumentatie enkel heeft aangevoerd voor de OJT-dagen 99, 103 en 104, en dus niet voor OJT-dag 102. Het kan het directiecomité en dienvolgens ook de thans bestreden beslissing niet worden verweten dat dit argument wat OJT-dag 102 betreft, niet zou zijn beantwoord. IX-8741-43/63 Wat de OJT-dagen 99, 103 en 104 betreft, heeft het directiecomité dit argument van verzoeker beantwoord als volgt: “Het directiecomité leest echter niet in het verweer dat deze beoordelingen foutief of vals zouden zijn. Daar de feiten vermeld op dagen 99, 103 en 104 op zich niet betwist worden, worden zij in de beoordeling betrokken net als de 101 andere dagen van de stage van verzoeker.” Nu zijn argument aldus is beantwoord, kan verzoeker niet staande houden dat ermee geen rekening zou zijn gehouden, met andere woorden dat het directiecomité en dus ook de verwerende partij er zonder meer aan voorbij zouden zijn gegaan. In zijn uiteenzetting van het middel doet hij niets anders dan het argument uit zijn verweerschrift hernemen door er nogmaals enkel op te wijzen dat die OJT-dagen door hem niet werden ondertekend. De gedane feitelijke vaststellingen en de beoordelingen die hem specifiek voor die dagen 99, 103 en 104 werden gegeven, betwist hij als zodanig inhoudelijk nog steeds niet. Hij komt niet verder dan te stellen dat hij deze dagen steeds “gecontesteerde dagen” heeft genoemd. Zijn argument dat de verwerende partij niets anders doet dan louter het tegendeel beweren, doet zelfs geen begin van afbreuk aan de inhoud van de gedane vaststellingen, die dan ook in aanmerking mochten worden genomen, zoals het directiecomité heeft overwogen. 54.5. In de mate dat verzoeker betwist dat de verwerende partij beslissingen zou hebben genomen over de verlenging van de duurtijd van zijn OJT, moet worden opgemerkt dat die betwisting niet dienstig is, aangezien bij de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel reeds is gebleken dat de bestreden beslissing hoe dan ook regelmatig is genomen na stagedag 104 van verzoekers OJT. 54.6. Voor zover verzoeker aanvoert dat er een discrepantie bestaat tussen de dagelijkse beoordelingen, voornamelijk door OJTi K.C. en door OJTi-supervisor K.T., enerzijds en de hem toegekende eindbeoordeling anderzijds, moet worden opgemerkt dat uit de beoordeling van voorgaande middelen reeds IX-8741-44/63 genoegzaam is gebleken dat verzoeker dagelijks door verschillende personen – en dus niet alleen door OJTi K.C. en OJTi-supervisor K.T. – werd beoordeeld . Uit het stagedagboek en de tussentijdse evaluatieverslagen kan worden afgeleid dat hij vaak de beoordeling 3 en dus niet de nagestreefde beoordeling 4 kreeg toegekend en zelfs verschillende malen de beoordelingen 1 en 2, en dit door verschillende beoordelaars. Hoe hieruit een positieve trend valt af te leiden, zoals verzoeker beweert, kan niet worden begrepen. Verzoeker lijkt zich enkel te focussen op de positieve beoordelingen, maar gaat daarbij voorbij aan het feit dat hij verscheidene negatieve beoordelingen kreeg, onder meer van OJTi K.C. en OJTi-supervisor K.T. Op grond van die beoordelingen heeft OJTi-supervisor K.T. in het final OJT assessment report een eindbeoordeling gemaakt, die een optelsom is van de door hem gegeven quoteringen voor de verschillende criteria. Deze optelsom heeft geleid tot de score van 184/320 of 57,5%, die ‘unacceptable’ werd bevonden. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, blijkt aldus wel degelijk hoe werd gekomen tot dit eindresultaat, dat verzoeker weliswaar in vraag stelt, maar niet ontkracht. 54.7. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissing niet deugdelijk zou zijn onderbouwd en dienvolgens de materiëlemotiveringsplicht zou schenden. 55. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 56. Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van de “beginselen van behoorlijk bestuur en specifiek van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel”. IX-8741-45/63 Hij betoogt dat er in het totaal 3536 quoteringen konden worden toegekend en hij in het totaal slechts 92 negatieve quoteringen heeft gekregen (6 maal score 1 of ‘unsatisfactory’ en 86 maal score 2 of ‘poor’), wat overeenstemt met 2,60% van de potentiële quoteringen. De meerderheid van de beoordelingen waren aldus positief (‘satisfactory’ of ‘good’). Dat dit laatste het geval was blijkt volgens verzoeker ook uit zijn gemiddelde score van 86,56%, die weliswaar niet de niet-ondertekende dagen omvat. Niettemin werd door de OJTi’s, zonder enige berekening of toelichting, aan hem de score van 57,5% (of ‘unacceptable’) toegekend. Verzoeker herhaalt dat hij de beoordelingen van de dagen 99, 102, 103 en 104 niet heeft ondertekend omdat hij ze vóór zijn ontslag niet heeft kunnen zien. Hij vervolgt dat, om de negatieve eindevaluatie te onderbouwen, bij het voorstel van beslissing een ongedateerd document werd gevoegd waarin is vermeld dat de score ‘satisfactory’ vanaf dag 90 niet meer voldoende is. Hij stelt dat hij dat document tijdens zijn OJT nooit heeft gezien. Indien de verwerende partij een beoordeling ‘voldoende’ als ‘onvoldoende’ zou beschouwen, dient een dergelijk “afwijkend taalgebruik” volgens verzoeker duidelijk te worden gecommuniceerd. De gehanteerde terminologie diende aan verzoeker te worden verduidelijkt om hem de kans te geven tegemoet te komen aan eventuele (on)voldoende beoordelingen. Verzoeker benadrukt dat hij tijdens zijn OJT veel positieve signalen kreeg. De schriftelijke opmerkingen in de dagverslagen waren overwegend positief. “[B]ijwijlen” waren er weliswaar ook andere opmerkingen, maar toch werd het beeld geschapen dat hij zich goed van zijn taken heeft gekweten. De OJTi’s die vaak 3 op 4 gaven maakten geen melding van grote tekortkomingen, zelfs niet op het einde van de OJT-periode. IX-8741-46/63 Volgens verzoeker komt daarbij nog dat er een grote discrepantie bestaat tussen de beoordelingen door F.V.D.E. en de andere beoordelaars. Hij stelt dat de overgrote meerderheid van de negatieve evaluaties is toe te schrijven aan F.V.D.E., die dan nog niet als OJTi aan hem was toegewezen. De toegewezen OJTi’s waren H.S. en K.C. die slechts 41 van de 104 stagedagen voor hun rekening hebben genomen. Bovendien kon K.C. bij het begin van verzoekers OJT die rol zelfs nog niet opnemen, omdat zij nog niet de vereiste opleiding had gevolgd. Verzoeker zet ten slotte uiteen dat het voor de verwerende partij zelfs niet duidelijk was welke versie van de door haarzelf uitgevaardigde regels nu precies van toepassing was, revisie 7 dan wel revisie 9, terwijl revisie 8 hem nooit is bezorgd. 57. Verzoeker voegt in zijn memorie van wederantwoord daaraan toe dat ook artikel 1.6 van deel 3 a van het Unit Training Reglement bepaalt dat de prestaties ofwel “voldoening geven” ofwel “nog geen voldoening geven” ofwel “onvoldoende zijn”. Volgens verzoeker mag worden verondersteld dat een beoordeling ‘voldoende’ leidt tot ‘voldoening’ in de zin van het voornoemde artikel. Hij is voorts van oordeel dat een negatieve commentaar in het stagedagboek of het meegeven van werkpunten tijdens opvolgingsvergaderingen geenszins kan worden beschouwd als een negatieve beoordeling. Het is volgens hem nu eenmaal eigen aan een OJT dat er gewezen wordt op wat beter kan. De tussentijdse gesprekken waren bovendien steeds positief. Voor zover de verwerende partij thans doet gelden dat hij reeds voorheen en zelfs bij aanvang van zijn OJT kennis had van het document ‘Rating principles’, merkt verzoeker op dat dit niet wordt geschraagd door de stukken van het dossier. Hij wijst erop dat dit door de verwerende partij in het kader van de huidige procedure neergelegde document niet is gedateerd en dat hij betwist het IX-8741-47/63 eerder te hebben ontvangen, terwijl het tegendeel niet blijkt uit het dossier. Derhalve meent verzoeker dat hij er niet kon van uitgaan dat een beoordeling ‘voldoende’ uiteindelijk zou worden beschouwd als ‘onvoldoende’. In deze omstandigheden kon hij redelijkerwijze niet verwachten dat hij een negatieve eindbeoordeling zou krijgen en hij kon niet weten welke elementen al dan niet zouden worden afgewogen bij deze eindbeoordeling. Ten overvloede wijst verzoeker er nog op dat de eindscore van 57,5% werd toegekend na slechts 104 OJT-dagen en dus vóór het effectieve einde van de OJT. 58. In zijn laatste memorie stipt verzoeker nog aan dat moet worden nagegaan “of de verplichting inzake collectief overleg met betrekking tot de totstandkoming van [het document ‘Rating principles’], zoals voorgeschreven door artikel 34 van de wet van 21 maart 1991 […] van toepassing is”. Beoordeling 59. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat die beslissing moet steunen op werkelijk bestaande, concrete feiten die zorgvuldig werden vastgesteld. Het bestuur dient de feitelijke en juridische aspecten van het dossier bovendien degelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het redelijkheidsbeginsel mag geschonden worden genoemd wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. Het komt de Raad van State niet toe, bij zijn controle van de naleving van het redelijkheidsbeginsel, zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van de beoordeling van de bevoegde IX-8741-48/63 administratieve overheid. Hij vermag in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht, desgevraagd, enkel na te gaan of de administratieve overheid op grond van juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. 60. Verzoeker vraagt zich af hoe de verwerende partij tot de bestreden beslissing is kunnen komen, terwijl de hem toegekende beoordelingen en quoteringen tijdens zijn OJT overwegend positief waren. Hij meent uit die beoordelingen en quoteringen te kunnen afleiden dat hij een gemiddelde score behaalde van 86,56% en hij vraagt zich dan ook af hoe de verwerende partij tot de eindscore van 57,5% is gekomen. Uit de beoordeling van de vorige middelen is echter reeds voldoende gebleken dat verzoeker niet kan worden bijgevallen in deze argumentatie. In tegenstelling tot wat hij beweert, zijn in het stagedagboek, het verslag van de opvolgingsvergaderingen van 6 en 21 juni 2012, 3 augustus 2012 en 4 september 2012 en de tussentijdse evaluatieverslagen immers niet “overwegend positieve beoordelingen” vermeld. Integendeel blijkt uit deze stukken dat verzoeker verschillende malen, voor verschillende OJT-dagen en door meer dan één enkele OJTi – niet alleen door OJTi F.V.D.E. – een negatieve beoordeling kreeg toegekend. Zo kreeg hij vaak quotering 3 en dus niet de beoogde quotering 4 toegekend en zelfs verschillende malen de quoteringen 2 (‘poor’) en 1 (‘unsatisfactory’), door verschillende beoordelaars, onder wie ook de OJTi’s K.C. en H.S. Aan die vaststelling wordt geen enkele afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker tijdens zijn OJT geen kennis zou hebben gekregen van het document ‘Rating principles’, waaruit blijkt dat een quotering 3 onvoldoende wordt geacht naar het einde van de OJT toe. Het staat immers vast dat verzoeker naar het einde van zijn OJT toe nog verschillende malen een quotering van zelfs minder dan 3 kreeg toegekend en overigens weinig de nagestreefde quotering 4. Hieruit volgt dat uit de verschillende stukken geenszins een overwegend positieve trend kan worden afgeleid. Zoals reeds eerder aangegeven, focust verzoeker zich op de positieve IX-8741-49/63 beoordelingen, maar gaat hij eraan voorbij dat hij verschillende negatieve beoordelingen kreeg toegekend. Voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de commentaren in het stagedagboek en in het verslag van de opvolgingsvergaderingen te beschouwen zijn als werkpunten en niet kunnen worden gezien als een negatieve beoordeling, kan hij evenmin worden bijgevallen. Zoals hiervóór reeds werd vastgesteld, kreeg verzoeker tijdens zijn OJT verschillende keren een negatieve beoordeling toegekend en dus niet enkel een “werkpunt”. Het is dan ook noch onzorgvuldig, noch onredelijk dat daarop een negatieve eindbeoordeling is gevolgd. Op grond van de dagelijkse beoordelingen heeft OJTi-supervisor K.T. in het final OJT assessment report een eindbeoordeling opgesteld die een optelsom is van de door hem gegeven scores voor de verschillende criteria. Die optelsom heeft geleid tot de score van 184/320 of 57,5% (wat ‘unacceptable’ is). In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, blijkt aldus hoe tot dit eindresultaat werd gekomen. Voor zover verzoeker bekritiseert dat deze eindbeoordeling tot stand is gekomen na slechts 104 OJT-dagen, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel waarbij werd uitgelegd dat een beëindiging van verzoekers OJT na dag 104 mogelijk was, doordat zijn prestaties onvoldoende waren en er geen verbetering werd vastgesteld. De negatieve eindbeoordeling werd aldus op een zorgvuldige wijze verkregen en kan bezwaarlijk als onredelijk worden beschouwd. Voor zover verzoeker dit betwijfelt, omdat hij de beoordelingen van de OJT-dagen 99, 102, 103 en 104 niet heeft ondertekend, dient vooreerst te worden verwezen naar de beoordeling van het derde middel. Daar werd erop gewezen dat verzoeker niet verder komt dan deze dagen “gecontesteerde dagen” te noemen, zonder de gedane feitelijke vaststellingen en de beoordelingen die hem voor die dagen werden gegeven, inhoudelijk te betwisten, laat staan te ontkrachten. IX-8741-50/63 Overigens maakt hij niet aannemelijk dat de beoordeling van die dagen bepalend zou zijn geweest voor de eindbeoordeling van zijn OJT en voor de vroegtijdige beëindiging daarvan met toepassing van artikel 1.6.3 van deel 3a van het Unit Training Reglement. 61. Voor zover verzoeker erop wijst dat OJTi K.C. het begin van zijn OJT niet kon beoordelen, omdat haar opleiding nog aan de gang was, dient te worden verwezen naar de beoordeling van het vierde onderdeel van het eerste middel, waarbij werd vastgesteld dat OJTi K.C. in die periode geen enkele stage- dag heeft beoordeeld en het eerste tussentijdse evaluatieverslag heeft opgesteld toen zij wel als OJTi erkend was. Het valt dan ook niet in te zien dat de bestreden beslissing door de tussenkomst van K.C. niet op een zorgvuldige wijze tot stand zou zijn gekomen en dat de verwerende partij hierdoor niet in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. 62. Voor zover verzoeker de verwerende partij verwijt niet te hebben geweten welke revisie van het Unit Training Reglement exact van toepassing was, toont hij niet aan dat de verwerende partij bij de voorbereiding of het nemen van de bestreden beslissing verkeerdelijk andere bepalingen zou hebben toegepast dan deze van de toepasselijke versie van het Unit Training Reglement. 63. Voor zover verzoeker ten slotte in zijn laatste memorie de schending suggereert van het “collectief overleg met betrekking tot de totstandkoming van [het document ‘Rating principles’], zoals voorgeschreven door artikel 34 van de wet van 21 maart 1991”, moet worden opgeworpen dat hij dat laattijdig en derhalve niet-ontvankelijk doet. In tegenstelling tot wat hij beweert, raakt deze nieuwe invulling van het middel niet de openbare orde. 64. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. E. Vijfde middel IX-8741-51/63 Uiteenzetting van het middel 65. Verzoeker voert in een vijfde middel de schending aan van “het non-discriminatiebeginsel”, doordat hij “arbitrair” werd behandeld. Hij voert daartoe aan: - de omstandigheid dat voor de verwerende partij de beoordeling ‘satisfactory’ alsnog niet voldoende is, getuigt van manifeste willekeur, temeer daar hij nooit werd ingelicht over een dergelijke invulling van het begrip ‘satisfactory’; - er worden een aantal negatieve beoordelingen in aanmerking genomen die hem nooit zijn voorgelegd; - zijn OJT werd reeds na 104 stagedagen beëindigd, terwijl de normale duur van een OJT 120 dagen bedraagt en er een mogelijkheid bestaat tot verlenging tot zelfs 140 dagen; - de verwerende partij vordert de terugbetaling van een onverschuldigd bedrag ten belope van zes maanden opzegvergoeding en van “een fiscaal voordeel ten gevolge van de door [haar] betaalde bedrijfsvoorheffing”, te vermeerderen met de wettelijke interesten, terwijl de berekening van de gevorderde bedragen niet wordt toegelicht en de gevorderde interesten niet verschuldigd zijn. - de verwerende partij geeft er blijk van geen enkele wil te hebben om verzoeker te re-integreren. Verzoeker besluit dat de verwerende partij hem koste wat het kost uit haar organisatie wil zetten. Hij stelt dat de verwerende partij nochtans alle personeelsleden die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, gelijk moet behandelen. Door de terugwerkende kracht te expliciteren in het voorstel van beslissing van de afgevaardigd bestuurder van 5 mei 2015, heeft zij aangegeven niet de intentie te hebben om verzoeker nog enige kans te geven. Zij had namelijk al beslist wat er met verzoeker moest gebeuren nog voor hij zijn hoorrecht had uitgeoefend. IX-8741-52/63 66. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker nog met betrekking tot zijn eerste argument dat de verwerende partij een nieuwe en voor hem onbekende beoordelingsmethode heeft toegepast ná de beëindiging van zijn OJT. Wat het tweede argument betreft, merkt verzoeker nog op dat het directiecomité voorbijgaat aan zijn opmerkingen dat de desbetreffende verslagen uitdrukkelijk gecontesteerd zijn. 67. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat het verbod op discriminatie geen vergelijking vergt met een categorie van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Hij stelt dat de enkele vaststelling dat de verwerende partij de intentie heeft om hem te treffen, op zich volstaat om van discriminatie te kunnen spreken. Beoordeling 68. Anders dan verzoeker het ziet, kan het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel slechts geschonden worden bevonden indien in rechte en in feite gelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden behandeld of indien in rechte en in feite ongelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording gelijk worden behandeld. Een verzoekende partij die een dergelijke schending aanvoert, moet deze met concrete en precieze gegevens in haar verzoekschrift aantonen. Het komt met andere woorden aan de verzoekende partij voor de Raad van State toe om voldoende concrete elementen aan te brengen die het mogelijk maken te onderzoeken en vast te stellen of zij ongelijk behandeld is ten aanzien van anderen die in een gelijke of minstens gelijkaardige situatie verkeren. Zij moet daarbij, in de eerste plaats, de vergelijkbaarheid aantonen van haar eigen situatie met die van anderen en vervolgens aantonen waarom de verschillende behandeling daarvan een discriminatie uitmaakt. IX-8741-53/63 Verzoeker voert in zijn uiteenzetting van het middel in zijn inleidend verzoekschrift vijf argumenten aan, die alle betrekking hebben op hemzelf en zijn OJT. Vervolgens stelt hij dat alle personeelsleden van de verwerende partij die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, gelijk moeten worden behandeld. Voor zover verzoeker met die uiteenzetting beoogt aan te geven dat hij door de verwerende partij anders is behandeld dan andere personeelsleden die bij de verwerende partij tewerkgesteld zijn, komt hij niet verder dan een loutere bewering. Hij toont niet in het minst aan dat er effectief andere personeelsleden waren die zich in dezelfde situatie als hijzelf bevonden, maar die anders werden behandeld. Het middel faalt dan ook in feite. 69. Het vijfde middel kan niet worden aangenomen. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 70. Verzoeker voert in een zesde middel de schending aan van het hoorrecht. Hij stelt dat door de onwil van de verwerende partij om hem te re-integreren zijn hoorrecht volledig werd uitgehold. Dit blijkt volgens hem uit het gesprek van 28 april 2015 tussen zijn raadsman en de raadsvrouw van de verwerende partij die toen meldde dat verzoeker geen tewerkstelling bij de verwerende partij meer moest verwachten. Dat hem bij het schrijven van 15 mei 2015 waarmee hem kennis werd gegeven van het voornemen van de verwerende partij om hem met terugwerkende kracht te ontslaan, een termijn van veertien dagen werd verleend om zijn verweermiddelen te doen gelden, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de verwerende partij niet de intentie had om effectief een IX-8741-54/63 nieuwe, andersluidende beslissing te overwegen. Dat hij werd gehoord, zo stelt verzoeker, betrof aldus een loutere formaliteit. Ook de retroactieve uitwerking die werd gegeven aan het ontslag toont volgens verzoeker aan dat er geen wil was om hem te horen en zijn argumenten in overweging te nemen. 71. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe dat de verwerende partij, wanneer zij de aan haar raadsvrouw toegeschreven verklaringen betwist, nalaat aan te geven hoe het gesprek van 28 april 2015 dan wel zou zijn verlopen. Het is volgens hem ongeloofwaardig dat de raadsvrouw die dag een gesprek zou hebben gevoerd zonder mandaat van de verwerende partij, terwijl die partij zeer goed wist dat een gesprek zou plaatsvinden. Verzoeker herhaalt dat het verlenen van een termijn van veertien dagen om zijn verweermiddelen naar voren te brengen in het kader van de uitoefening van zijn hoorrecht, een loutere formaliteit betrof. Beoordeling 72. Uit het administratief dossier blijkt dat de afgevaardigd bestuurder van de verwerende partij op 5 mei 2015 een uitvoerig gemotiveerd voorstel van beslissing heeft geformuleerd, dat effectief aan verzoeker ter kennis werd gebracht. In deze kennisgevingsbrief is uitdrukkelijk het volgende vermeld: “U kan tegen dit voorstel van beslissing schriftelijk en per aangetekend schrijven uw verweermiddelen doen gelden binnen een termijn van 14 kalenderdagen ingaande de dag na de verzending dezer, gericht aan: Belgocontrol.” Aldus werd aan verzoeker de mogelijkheid geboden om zijn argumenten tegen dit voorstel van beslissing uiteen te zetten. Verzoeker heeft van deze mogelijkheid ook effectief gebruik gemaakt. Zijn raadsman heeft namelijk in een verweerschrift van 29 mei 2015 zijn argumenten tegen het voorstel van beslissing uitvoerig uiteengezet. IX-8741-55/63 Op 18 augustus 2015 heeft het directiecomité dit verweer van verzoeker onderzocht en punt per punt de argumenten ervan weersproken. Op grond daarvan heeft het directiecomité geadviseerd om de samenwerking met verzoeker met terugwerkende kracht te beëindigen. Op dezelfde datum heeft de afgevaardigd bestuurder van de verwerende partij effectief de beslissing genomen die werd geadviseerd door het directiecomité, daarbij verwijzend naar zijn voorstel van beslissing van 5 mei 2015 en naar de notulen van het directiecomité van 18 augustus 2015. Hieruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, het verlenen van de mogelijkheid om zijn verweermiddelen binnen een bepaalde termijn aan te brengen tegen het gemotiveerde voorstel van beslissing, geen inhoudloze formaliteit betrof. Niet alleen immers werd deze mogelijkheid aan verzoeker geboden en werd hem daarvoor een redelijke termijn gegund, maar bovendien werden de door hem aangevoerde argumenten door de verwerende partij ook uitvoerig onderzocht en vervolgens weersproken. Dit impliceert dat deze argumenten in overweging werden genomen bij het nemen van de bestreden beslissing, maar dat ze noch het directiecomité, noch vervolgens de afgevaardigd bestuurder ervan hebben kunnen overtuigen een andere beslissing te nemen dan op 5 mei 2015 was voorgesteld. Uit het voorgaande volgt dat de hoorplicht werd gerespecteerd. 73. Het zesde middel is niet gegrond. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel 74. Verzoeker voert in een zevende middel de schending aan van “het verbod op retroactiviteit” en van artikel 37 van het besluit van de Regent van IX-8741-56/63 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). Hij betoogt dat elke bestuurshandeling in beginsel voor de toekomst wordt uitgevaardigd en dat een afwijking daarvan alleen maar kan om redenen van algemeen belang. Verzoeker stelt dat voor de verwerende partij het motief dat hij achterstallig loon zou kunnen vorderen voor de periode tussen de eerste ontslagbeslissing en de vernietiging ervan door de Raad van State, voldoende is om terugwerkende kracht te verlenen aan de bestreden beslissing. Aldus schendt zij evenwel de verplichting om uitvoering te geven aan arrest nr. 230.690 van 30 maart 2015 van de Raad van State, zoals bepaald in artikel 37 van het algemeen procedurereglement en in de begeleidende brief bij het voormelde arrest. Hij vindt het ook “tenminste vreemd” dat hij volgens de verwerende partij door het mislukken in de opleiding voor eerstaanwezend verkeersleider eerste klasse plots ook ongeschikt zou zijn voor het uitoefenen van zijn vorige functie van verkeersleider derde klasse. 75. In zijn memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat er in casu geen enkele reden van algemeen belang is die een uitzondering op het principiële verbod van retroactiviteit kan rechtvaardigen en dat alle motieven van de bestreden beslissing slechts verband houden met de rechtspositie van verzoeker. Hij stelt voorts dat ten gevolge van de retroactieve werking van het vernietigingsarrest in het rechtsverkeer moet worden gehandeld alsof de vernietigde beslissing nooit werd genomen. Een vernietigingsarrest brengt aldus de zaken weer in de toestand waarin ze zich bevonden vóór het nemen van de door het arrest vernietigde beslissing (“status quo ante”). IX-8741-57/63 Het verlenen van terugwerkende kracht aan de bestreden beslissing kan naar het oordeel van verzoeker overigens ook niet worden verklaard aan de hand van de toepasselijke reglementen. Daarin wordt immers geen termijn bepaald binnen dewelke een ontslagbeslissing moet worden genomen. Er is enkel in termijnen voorzien voor de duur van de opleiding zelf. 76. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat de hoorplicht pas werd nageleefd in 2015 en dat het niet mogelijk is die terug te plaatsen naar het verleden. Hoe de rechtszekerheid geëerbiedigd zou zijn wanneer na de naleving van de hoorplicht in 2015 een beslissing van 2012 zou kunnen herleven, wordt niet uitgelegd, zo stelt verzoeker vast. Beoordeling 77. In beginsel mag een administratieve rechtshandeling van reglementaire of individuele aard niet terugwerken in de tijd. Daarop bestaan wel uitzonderingen. Terugwerkende kracht kan namelijk aan een administratieve rechtshandeling worden verleend ter verwezenlijking van een oogmerk van algemeen belang, zoals de goede werking en de continuïteit van de openbare dienst of ter regularisatie van een feitelijke of rechtstoestand, dat laatste inzonderheid wanneer ter uitvoering van een vernietigingsarrest van de Raad van State de wettigheid moet worden hersteld, en dan nog op voorwaarde dat de terugwerking het vereiste van de rechtszekerheid eerbiedigt en geen afbreuk doet aan verkregen rechten. 78. Met betrekking tot de terugwerkende kracht van de voorgestelde beslissing wordt in de motivering van het voorstel van de afgevaardigd bestuurder van 5 mei 2015 het volgende gesteld: “Overwegende dat de beslissing van 21 september 2012 van de gedelegeerd bestuurder van Belgocontrol waarbij de samenwerking met betrokkene werd beëindigd, werd vernietigd door de Raad van State met arrest nr. 230.690 van 30 maart 2015; IX-8741-58/63 Dat bijgevolg een nieuwe beslissing zich opdringt en dat onderhavig voorstel de gevolgen van het arrest van de Raad van State met nr. 230.690 van 30 maart 2015 beoogt te regulariseren, met respect voor het gezag van gewijsde van dat arrest; Overwegende dat betrokkene ook zonder de vernietigde beslissing van 21 september 2012, niet het statuut van ambtenaar zou verkregen hebben, waardoor de retroactieve werking van een nieuwe beslissing geen belangenschade tot gevolg kan hebben; Overwegende dat de retroactieve werking van de nieuwe beslissing tot doel heeft de toepasselijke reglementen, inclusief de termijnen van beoordeling en de beslissing omtrent het beëindigen van de stage na te leven, en noodzakelijk en verantwoord is in het belang van de goede werking van de dienst; Overwegende dat zulks geen afbreuk doet aan enig verkregen recht aangezien er geen rechten werden verworven sedert de beëindiging van de samenwerking met betrokkene, nu er door de vernietigde beslissing immers geen rechtsverhouding in het leven werd geroepen tussen betrokkene en Belgocontrol.” In het advies van het directiecomité van 18 augustus 2015 wordt de terugwerkende kracht tot 21 september 2012 als volgt gemotiveerd: “De terugwerkende kracht, als modaliteit van de eindbeslissing, doet geen afbreuk aan de omstandigheid dat het hoorrecht daadwerkelijk is uitgeoefend door betrokkene en dat diens verweer in de eindbeslissing is betrokken, zodat dit argument ongegrond is. De terugwerkende kracht van de beslissing ‘vernietigt’ het hoorrecht immers niet, noch maakt het dit op een of andere manier ongedaan, voor zover dit al mogelijk zou zijn. Het feit dat de betrokkene een uitgebreide verweernota heeft ingediend en op alle elementen van het voorstel tot ontslag zijn verweermiddelen heeft uiteengezet toont reeds aan dat de hoorplicht nuttig werd nageleefd. Zowel de aard van de overwogen maatregel als de motieven ervan werden immers meegedeeld, waarna de betrokkene over een redelijke termijn heeft beschikt om zijn verweer voor te bereiden. Alle elementen duiden er dan ook op dat de hoorplicht correct werd nageleefd. De teugwerkende kracht betreft louter de uitwerking van de ontslagbeslissing en laat de uitoefening van de hoorplicht onverlet. De terugwerkende kracht die aan de beslissing wordt verleend, is noodzakelijk en verantwoord met het oog op het garanderen van de goede werking van de dienst. De goede werking van de dienst impliceert vooreerst dat de inhoud en de termijnen zoals van toepassing conform het Unit Training reglement worden nageleefd. Het sui generis-statuut van aspirant-verkeersleider in stage is per definitie tijdelijk en gaf enkel een mogelijkheid tot benoeming tot verkeersleider ingeval van het slagen van de OJT. Bij niet-slagen kon geen benoeming volgen, en bestond evenmin een verplichting tot wedertewerkstelling in hoofde van Belgocontrol. Het loutere feit dat Belgocontrol bij de beëindiging van de samenwerking conform de geldende bepalingen van het Unit Training reglement (art. 1.8) en art. 22 van cao IX-8741-59/63 2006-2008, over de facultatieve mogelijkheid tot wedertewerkstelling zonder enige verbintenis of verplichting tot tewerkstelling beschikt maar hier niet toe overgaat of is overgegaan in het verleden, toont aan dat in hoofde van betrokkene de terugwerkende kracht van de beslissing geen schade kan worden berokkend. Daarnaast impliceert de goede werking van de dienst eveneens de garantie van de kerntaak van Belgocontrol die bestaat in het verzekeren en bewaken van de luchtverkeersveiligheid. Betrokkene kan gelet op de negatieve resultaten voortkomend uit de OJT niet worden tewerkgesteld, aangezien de resultaten voortkomend uit de stage aantonen dat de technische competenties van betrokkene onvoldoende zijn om de functie als luchtverkeersleider behoorlijk te kunnen uitoefenen zonder de kerntaken van Belgocontrol in het gedrang te brengen. Het kan redelijkerwijze niet worden aanvaard dat betrokkene – die niet geslaagd is in de OJT-opleiding – door de vernietiging van de ontslagbeslissing dd. 21/09/2012 de functie als (aspirant)luchtverkeersleider opnieuw zou kunnen opnemen – evenmin komt het aanvaardbaar voor dat betrokkene zou geacht worden zijn toenmalige functie twee jaar lang te hebben uitgeoefend gelet de negatieve beoordeling en het negatieve eindestagerapport. Ook die redenen maken het aanvaardbaar dat de beslissing met terugwerkende kracht zou worden genomen. Daarbij zij opgemerkt dat betrokkene sedert de beëindiging van de samenwerking in 2012 niet meer voor Belgocontrol werkzaam was. Indien er aan de nieuwe beslissing géén terugwerkende kracht tot 21/09/2012 zou verleend worden dan heeft zulks tot gevolg dat betrokkene – hypothetisch gezien – nog in dienst zou zijn, wat niet met de werkelijkheid strookt. Daaruit vloeit dan voort dat betrokkene achterstallig loon zou kunnen vorderen sedert 21/9/2012 tot de datum van de nieuwe beslissing zonder dat daartegenover arbeidsprestaties staan. Om billijkheidsredenen alleen al dient de terugwerkende kracht van de nieuwe beslissing aldus te worden aanvaard. De eis tot terugbetaling werd overigens al gesteld met officiële brief van de raadsman van betrokkene van 5 juni 2015. (bijlage 3)” 79. Ten gevolge van de vernietiging bij arrest nr. 230.690 van 30 maart 2015 van de initiële ontslagbeslissing van 21 september 2012 moet die beslissing geacht worden volledig, en dus retroactief, ongedaan te zijn gemaakt. In het rechtsverkeer zal bijgevolg moeten worden gehandeld alsof die vernietigde beslissing nooit werd genomen. Dit vernietigingsarrest brengt de zaken aldus weer in de toestand waarin ze zich bevonden vóór het nemen van de vernietigde beslissing (“status quo ante”). Dit betekent dat de verwerende partij en verzoeker ingevolge de vernietiging van de initiële ontslagbeslissing zich terug bevonden in de situatie juist voordat deze beslissing werd genomen, namelijk in de situatie dat IX-8741-60/63 verzoeker negatief was beoordeeld voor zijn OJT en daaromtrent eindevaluatieverslagen waren opgesteld en voorlagen. In het voormelde arrest werd de initiële ontslagbeslissing enkel en alleen onwettig bevonden omdat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet was nageleefd. Om daaraan tegemoet te komen, heeft de verwerende partij de procedure hernomen waar ze was misgelopen. Zij heeft op 5 mei 2015 een gemotiveerd voorstel van beslissing genomen; zij heeft verzoeker vervolgens de mogelijkheid geboden daarover te worden gehoord; zij heeft het daaropvolgende door verzoeker ingediende verweerschrift onderzocht en verzoekers argumentatie uitvoerig weersproken en zij heeft ten slotte op 18 augustus 2015 opnieuw beslist om de samenwerking met verzoeker te beëindigen. Alzo heeft de verwerende partij – anders dan verzoeker het ziet – haar plicht om uitvoering te geven aan het voormelde vernietigingsarrest nageleefd. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het verlenen van terugwerkende kracht aan de bestreden beslissing. Wanneer het bestuur tegemoetkomt aan een in een vernietigingsarrest van de Raad van State vastgestelde onwettigheid en vervolgens een nieuwe beslissing neemt, zoals in dit geval is gebeurd, kan terugwerkende kracht aan de nieuwe beslissing worden verleend, althans indien de rechtszekerheid wordt geëerbiedigd en geen afbreuk wordt gedaan aan verkregen rechten. In de hiervóór aangehaalde motivering van het voorstel van beslissing van 5 mei 2015 en van het advies van het directiecomité van 18 augustus 2015, die door de afgevaardigd bestuurder in de bestreden beslissing wordt bijgevallen, worden uitvoerig de redenen van algemeen belang uiteengezet die de verwerende partij ertoe hebben gebracht de bestreden beslissing te laten terugwerken tot op de datum van de initiële ontslagbeslissi

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.