id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.657 Rolnummer: A. 222786/IX-9106 Zaak: Arrest 248657 - Personeel van de rechterlijke orde - 19/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-29 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.657 van 19 oktober 2020 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.657 van 19 oktober 2020 in de zaak A. 222.786/IX-9106 In zake: Lodewijk DE MOT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HOGE RAAD VOOR DE JUSTITIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Beelen en Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie van 12 mei 2017 waarbij Lodewijk De Mot niet geslaagd wordt verklaard voor de mondelinge proef van het examen inzake beroepsbekwaamheid – burgerlijk recht (examenperiode 2016-2017). II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 239.411 van 16 oktober 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-9106-1/12 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jan Ghysels en Tess Van Gaal, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten IX-9106-2/12 3.
- Verzoeker is advocaat. Hij wordt bij koninklijk besluit van 7 november 1993 benoemd tot plaatsvervangend vrederechter van het kanton Sint-Kwintens-Lennik en nadien, bij koninklijk besluit van 24 augustus 2001, tot plaatsvervangend vrederechter van het kanton Lennik. Verzoeker beschikt daartoe over het getuigschrift van beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van gerechtelijke functies, hem laatst uitgereikt op 4 mei
- De geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid behouden het voordeel van hun uitslag gedurende zeven jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het examen (artikel 259bis - 9, § 1, vijfde lid, GerW). 3.
- Bij ministerieel besluit van 20 juli 2016 worden de programma’s voor het gerechtelijk jaar 2016-2017 van het examen inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage bekrachtigd. 3.
- Op 15 december 2016 verschijnt in het Belgisch Staatsblad een bericht betreffende de werving van kandidaat-magistraten voor het gerechtelijk jaar 2016-2017 met een oproep tot de kandidaten. 3.
- Diezelfde dag ontvangen de leden van de benoemings- en aanwijzingscommissie het volgende e-mailbericht: “[…] Geachte leden, Hierbij bezorg ik jullie een overzicht van de werkzaamheden voor de BAC voor de maanden september tot en met december
- […]
- Wat de examens betreft: Inmiddels werden de examenjury’s vastgelegd. […] [J.L.] (voorzitter), [L.B., L.D., F.J., I.T., P.T., W.V.D. en H.V.E.] vormen de examenjury IX-9106-3/12 voor het examen inzake beroepsbekwaamheid (dat in het eerste semester van 2017 zal plaatsvinden). […] Met vriendelijke groeten, [J.L.], Voorzitter BAC.” 3.
- Verzoeker dient op 13 januari 2017 zijn kandidatuur in en schrijft zich in voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Het examen omvat een schriftelijk gedeelte met een casusvraag en psychologische testen en een mondeling gedeelte. Verzoeker slaagt voor de casusvraag van het schriftelijk gedeelte en hij wordt vervolgens uitgenodigd voor de psychologische proeven en voor het mondeling gedeelte. 3.
- Op dit mondeling gedeelte wordt verzoeker niet-geslaagd verklaard. Hij behaalt een resultaat van 11/
- Dat is de thans bestreden beslissing. Ze steunt op het volgende motief: “De kandidaat koppelt onvoldoende terug naar het schriftelijk examen en volgt de recente evoluties in de wetgeving onvoldoende op. Hij lijkt wat aanpassingsvermogen en flexibiliteit te missen. Hij geeft eerder blijk van een beperkte motivatie voor de magistratuur daar hij enkel interesse betoont voor het ambt van vrederechter.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel, derde middelonderdeel, partim Standpunt van de partijen
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 259bis-8, § 1, derde lid, en 259bis-10, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van het koninklijk besluit van 21 september 2000 ‘tot vaststelling van de wijze en de voorwaarden voor de organisatie van het examen inzake beroepsbekwaamheid en IX-9106-4/12 van het vergelijkend examen voor de toelating tot de gerechtelijke stage’, van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en van het examenprogramma dat werd goedgekeurd door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 11 mei 2016 en bekrachtigd bij ministerieel besluit van 20 juli 2016 en “genomen uit machtsoverschrijding” en “met toepassing van artikel 190 van de Grondwet”. In een derde middelonderdeel wijst verzoeker erop, onder meer, dat de mondelinge proef volgens het examenprogramma in de eerste plaats gaat over een verdere bespreking van de eerste proef van het schriftelijk gedeelte en dat andere elementen niet verplicht zijn, maar slechts “in voorkomend geval” aan bod komen. Hij betoogt in dit middelonderdeel onder meer dat de mondelinge proef “onzorgvuldig verlopen is”, nu “blijkt dat niet alle leden van de commissie de schriftelijke proef, waarover zij een gesprek moeten hebben met de kandidaat, verbeterd hebben”.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker niet in te zien “hoe een lid van de [examencommissie] het schriftelijk examen verder kan bespreken, indien dit lid niet aanwezig was bij de beoordeling van het schriftelijk examen”. Bijgevolg moet de samenstelling van de examencommissie bij het mondeling gedeelte van het examen rekening houden met de samenstelling zoals die bestond bij de beoordeling van de schriftelijke proef. De verwerende partij is dan ook niet zorgvuldig geweest en schendt het beginsel patere legem aangezien de wijze waarop zij het examen organiseert, niet beantwoordt aan de norm en het doel dat zij vooropstelt. Voorts merkt verzoeker op dat P.L. “niet werd voorgedragen als lid van de ‘examenjury’ voor het examen inzake de beroepsbekwaamheid en dus niet aanwezig mocht zijn bij de mondelinge proef”. Het mondeling examen van verzoeker werd bijgevolg beoordeeld door een onbevoegde persoon en ontneemt dan ook alle waarborgen omtrent een zorgvuldige beoordeling. IX-9106-5/12
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat verzoeker in zijn wederantwoord een nieuwe wending geeft aan het middelonderdeel, wat hij niet meer op ontvankelijke wijze vermag te doen. Verzoeker kon tijdens de mondelinge proef de visu vaststellen wie de juryleden waren en op dat ogenblik voor zichzelf de vraag stellen naar de regelmatige samenstelling hiervan. In het verzoekschrift tot nietigverklaring werd er overigens geen voorbehoud op dat vlak gemaakt. Verzoeker heeft in het proces-verbaal van 20 april 2017 kennis kunnen nemen van het feit dat het examen door de Nederlandstalige examencommissie (de Nederlandstalige commissie voor het examen inzake beroepsbekwaamheid – burgerlijk recht) werd beoordeeld. Hij heeft bovendien ten laatste op 9 mei 2017 – tijdens het afleggen van het mondeling gedeelte van het examen – kennis kunnen nemen van het feit dat ook dat onderdeel van het examen inzake de beroepsbekwaamheid door de Nederlandstalige examencommissie (de Nederlandstalige commissie voor het examen inzake beroepsbekwaamheid – burgerlijk recht) in haar samenstelling van vijf aanwezige leden wordt beoordeeld.
- In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat de verwerende partij toegeeft dat de juryleden in kwestie het schriftelijk gedeelte vooraf niet hebben bestudeerd. Een mondelinge ondervraging in het kader van een “verdere bespreking” vereist echter een degelijke kennis van een examinator door vooraf het schriftelijk gedeelte van het examen te bestuderen, te beoordelen en te verbeteren. Die kennis ontstaat niet plots tijdens de mondelinge ondervraging of door het schriftelijk gedeelte even vooraf ter hand te nemen en te lezen. Anders dan de verwerende partij het probeert voor te stellen, werd voorts de samenstelling van de examencommissie vooraf niet meegedeeld aan verzoeker, waardoor het hem niet mogelijk was deze in vraag te stellen. De verwerende partij kan hem bezwaarlijk verwijten dat hij tijdens de mondelinge ondervraging ook de regelmatige samenstelling van de examenjury nagaat. Het IX-9106-6/12 stuk waaruit blijkt dat P.L. niet was voorgedragen, namelijk de e-mail van 15 september 2016, werd als stuk 20 in het administratief dossier meegedeeld. Verzoeker kon hierop slechts reageren in de memorie van wederantwoord. Er kan dus geen sprake zijn van een laattijdig of onontvankelijk middel. Beoordeling
- Vooraf zij vastgesteld dat van alle in het middel aangevoerde grieven en van alle bepalingen en beginselen die luidens het eerste middel geschonden zouden zijn, het auditoraatsverslag enkel een aspect van het derde middelonderdeel onderzoekt waarin slechts een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel ter sprake wordt gebracht. De grief wordt dan ook uitsluitend onder die invalshoek beoordeeld. Een schending van het beginsel patere legem wordt door verzoeker voorts slechts voor het eerst in de memorie van wederantwoord en bijgevolg laattijdig en niet ontvankelijk ter sprake en met deze grief in verband gebracht.
- Verzoeker is van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is omdat de examencommissie die oordeelt over het mondeling gedeelte, leden omvat die de schriftelijke proef niet verbeterd hebben.
- Uit het dossier blijkt dat de eerste proef van het schriftelijk gedeelte van verzoekers examen verbeterd is door voorzitter J.L. en de leden F.J., P.L. en P.T. Het navolgende mondeling gedeelte omvat volgens het examenprogramma: “a) een verdere bespreking van de eerste proef van het schriftelijk deel. IX-9106-7/12 De kandidaten mogen hun wetboeken meebrengen. b) In voorkomend geval, een gedachtewisseling over: - andere juridische vragen van algemene aard; - de rechterlijke organisatie en de werking ervan; - de motivatie en de competenties van de kandidaat (met name: omgaan met informatie, omgaan met taken, omgaan met medewerkers, omgaan met relaties, omgaan met het eigen functioneren); - de resultaten van de uitgevoerde psychologische tests.” Over die mondelinge proef van verzoeker is geoordeeld door de voorzitter J.L. en de leden L.D., F.J., P.L. en I.T.
- Zoals verzoeker terecht opmerkt, is de “verdere bespreking van de eerste proef van het schriftelijk deel” het hoofdelement – minstens het éérste element – van het examenprogramma van het mondeling examen. De overige, onder letter b) vermelde aspecten, komen slechts ter sprake “in voorkomend geval”. Daarmee is evenwel niet gezegd dat enkel de juryleden die de schriftelijke proef hebben gequoteerd bij machte zijn om aan het mondelinge gedeelte te participeren. Aangenomen dat zij over de schriftelijke prestatie van verzoeker beschikken en er zich dus een eigen oordeel over kunnen vormen, kunnen zij perfect hun eigen inbreng hebben bij een mondelinge bespreking ervan, zonder dat het nodig is dat zij voordien punten aan die schriftelijke proef hebben toegekend. Verzoeker beweert niet, noch blijkt uit de stukken van het dossier, dat de juryleden die hem mondeling hebben ondervraagd zulks deden zonder kennis van zaken, in casu zonder kennis van zijn schriftelijke proef. Daarbij moet eraan worden herinnerd dat leden van een examencommissie die aangewezen zijn door de overheid vermoed worden over de noodzakelijke deskundigheid te beschikken, zodat het toevalt aan een verzoekende partij om aan de hand van concrete gegevens dit vermoeden aan het wankelen te brengen. IX-9106-8/12 Anders dan verzoeker beweert, leest de Raad ook nergens in de stukken van de verwerende partij dat zij zou erkennen dat de bedoelde juryleden de schriftelijke test niet zouden hebben bestudeerd. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is niet aangetoond.
- Dat door het auditoraat onderzocht aspect van het middelonderdeel is ongegrond. 13.
- In de memorie van wederantwoord geeft verzoeker een uitbreiding aan het middelonderdeel – in wezen gaat het om een nieuw middel – door te wijzen op de onregelmatige deelname van een welbepaald jurylid, P.L., aan het mondeling gedeelte van het examen. 13.
- De verwerende partij toont niet aan dat verzoeker eerder dan bij de neerlegging van het administratief dossier bekend was met de beslissing houdende de samenstelling van de examencommissie en, bijgevolg, in staat was om de feitelijke samenstelling van de commissie hieraan te toetsen. De voor het eerst in de memorie van wederantwoord ontwikkelde grief is ontvankelijk. 13.
- Uit het administratief dossier blijkt dat P.L. mee de mondelinge proef heeft beoordeeld. Zij was evenwel geen lid van de bevoegde examencommissie zoals die samenstelling op 16 december 2016 aan de leden van de benoemingscommissie is meegedeeld, noch beweert de verwerende partij dat later tot een wijziging in de samenstelling van de examencommissie is besloten. De bestreden beslissing is dan ook genomen door een ongeldig samengesteld en bijgevolg niet bevoegd orgaan. 13.
- Het middelonderdeel, zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, is in de aangegeven mate gegrond. IX-9106-9/12 B. Tweede middel
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Volgens verzoeker kan de opgegeven motivering de bestreden beslissing niet dragen omdat die weinig concreet is en dermate algemeen geformuleerd dat ze voor een onbepaald aantal personen zou kunnen worden gebruikt. Vervolgens gaat verzoeker in op de motieven.
- Hiervóór is gebleken dat verzoekers mondelinge proef is gequoteerd door een onregelmatig samengestelde examencommissie. Een onderzoek en beoordeling van de motivering is bijgevolg voorbarig, aangezien het eerst een regelmatige commissie toevalt om zich over de kwaliteiten van verzoeker een oordeel te vormen en die beoordeling te expliciteren. Eerst wanneer een motivering vaststaat die toegerekend kan worden aan een commissie waarover geen betwisting bestaat, kan een beoordeling ervan aan de orde zijn. De Raad van State mag niet op die beslissing vooruitlopen.
- Het middel is in de huidige stand onontvankelijk. C. Eerste middel, overigens
- Het auditoraat heeft gemeend niet alle grieven van het eerste middel te moeten onderzoeken en heeft met toepassing van artikel 24 RvS-Wet het verslag over de zaak beperkt tot het middel ten gronde – in casu: een aspect van het derde middelonderdeel van het eerste middel en het tweede middel – dat volgens hem de oplossing van het geschil mogelijk maakt. In dat geval doet de afdeling Bestuursrechtspraak, aldus nog voormeld artikel 24, uitspraak over de conclusies van het verslag. IX-9106-10/12 Verzoeker vraagt in zijn laatste memorie dan weer niet om nog andere aspecten van het eerste middel te onderzoeken, maar sluit zich integendeel er uitdrukkelijk bij aan “dat de heer Eerste auditeur-afdelingshoofd het onderzoek mag beperken door de door hem beschouwde relevante onderdelen en dat hieruit geen enkel ander rechtsgevolg mag gegeven worden”.
- Dit arrest doet in die omstandigheden geen uitspraak over de middelonderdelen die niet door het auditoraat werden onderzocht, zelfs niet indien die middelonderdelen wettigheidskritiek zouden omvatten die een ruimere nietigverklaring of een ruimer rechtsherstel kan verschaffen. Zoals verzoeker terecht opmerkt, mag uit dit stilzwijgen geen ander rechtsgevolg worden afgeleid. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie van 12 mei 2017 waarbij Lodewijk De Mot niet geslaagd wordt verklaard voor de mondelinge proef van het examen inzake beroepsbekwaamheid – burgerlijk recht (examenperiode 2016-2017).
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9106-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9106-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.657 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.411 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.