← België

Arrest 248688 - Penitentiair recht - 21/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.688 Rolnummer: A. 229614/XIV-38200 Zaak: Arrest 248688 - Penitentiair recht - 21/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-04 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.688 van 21 oktober 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.688 van 21 oktober 2020 in de zaak A. 229.614/XIV-38.200 In zake: Bart PICKEUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Helena Severijns kantoor houdend te 3001 Heverlee Tervuursesteenweg 133 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie woonplaats kiezend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van de “tuchtbeslissing van 5 november 2019 waarbij verzoeker als tuchtsanctie […] 15 dagen afzondering kreeg opgelegd van 06.11.2019 tot 20.11.2019 […] en als gevolg van deze tuchtbeslissing vanaf 21.11.2019 drie maanden in het tussenregime zal moeten verblijven […].” II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 247.342 van 27 maart 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Het genoemde arrest is op 27 maart 2020 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. XIV-38.200-1/3 Op 15 september 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Beoordeling
  4. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
  5. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
  6. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. BESLISSING
  7. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit. XIV-38.200-2/3
  8. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.200-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.688 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.342 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.