← België

Arrest 248692 - Milieuvergunningen - 22/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.692 Rolnummer: A. 223936/VII-40147 Zaak: Arrest 248692 - Milieuvergunningen - 22/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.692 van 22 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.692 van 22 oktober 2020 in de zaak A. 223.936/VII-40.147 In zake : de GEMEENTE STEENOKKERZEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV DHL AVIATION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Devos en Jonas Van Orshoven kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 5 oktober 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 18 mei 2017, houdende het verlenen aan de nv DHL Aviation van de milieuvergunning voor het veranderen van een sorteercentrum met bijhorend kantoorgebouw, gelegen aan de luchthaven „Brussel Nationaal‟, Oude Haachtsesteenweg 117 te Steenokkerzeel, gegrond wordt verklaard. VII-40.147-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv DHL Aviation heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 12 februari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lennart Nijs, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jonas Van Orshoven, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. VII-40.147-2/17 III. Feiten 3.
  6. De nv DHL Aviation exploiteert een sorteercentrum met bijbehorend kantoorgebouw op de luchthaven „Brussel Nationaal‟, op percelen kadastraal gekend als 2de afdeling, sectie A, perceelnrs. 108b2, 108n, 108a3, 169f2, 174h, 175m, 185d2, 185m2, 185p2, 185s2, 185l2 en 185v
  7. Het sorteercentrum grenst in het noorden aan de Oude Haachtsesteenweg/Vliegveld en in het zuiden aan het tarmac van de luchthaven. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, is de site gelegen in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. De site is tevens gelegen binnen de grenzen van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Vlaams strategisch gebied rond Brussel‟, meer bepaald in een specifiek regionaal bedrijventerrein voor luchthavengebonden bedrijven. 3.
  8. Het sorteercentrum wordt geëxploiteerd op grond van een milieuvergunning, verleend bij besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 23 april 2015, later gewijzigd bij besluit van 29 september
  9. Aan deze vergunning zijn onder meer de volgende bijzondere voorwaarden verbonden: “4.§ 2.7 De geluidsberm dient in het eerste plantseizoen na de aanleg beplant te worden met streekeigen groen in een combinatie van laag groeiende planten en struiken. 4.§ 2.8 De uitbating dient bij aanvang aangesloten te worden op een vast elektriciteitsnet zodat het gebruik van APU‟s en GPU‟s uitgesloten is”. 3.
  10. Op 30 januari 2017 dient de nv DHL Aviation bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning voor het veranderen van het vergunde sorteercentrum. Tot het voorwerp van die aanvraag behoort “het uitbreiden van de personeels- en bezoekersparking door het toevoegen van een stuk terrein aan de oostzijde dat VII-40.147-3/17 momenteel nog niet is opgenomen in de milieuvergunning” en “het aanbrengen van een aantal wijzigingen aan de geluidsmuur die integraal deel uitmaakt van de vergunde inrichting”. Meer concreet wordt een wijziging beoogd van de oostelijke geluidsberm in functie van het vergroten van de parking, alsook een wijziging van de bijzondere vergunningsvoorwaarde 4.§ 2.
  11. 3.
  12. Bij besluit van 18 mei 2017 wijzigt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de bijzondere voorwaarden, opgelegd in de lopende milieuvergunning, als volgt: “Voortaan zijn volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden van toepassing: […] De oorspronkelijk geplande noordelijke halve berm mag worden uitgevoerd als een 8m hoog geluidsscherm uitgevoerd conform EN1793-1 categorie A4 (hoog absorberende variant). […] Na uitvoering van deze aanpassingen dient een akoestische controlemeting uitgevoerd te worden om aan te tonen dat aan de vooropgestelde geluidsnormen voldaan wordt. Deze studie wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid (gemeente en gewest). […] (aanpassen artikel 4§2.8): De uitbating dient op het vaste elektriciteitsnet aan te sluiten”. 3.
  13. Tegen deze beslissing stelt de nv DHL Aviation op 30 juni 2017 bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. Zij stelt in het beroepschrift: “Conclusie van de aanvullende studie geluidstudie is dat een deel van de combinatie geluidswand - geluidsberm, meer bepaald de oostelijke geluidsberm, kan worden weggelaten zonder dat de geluidsimpact van DHL Aviation ter hoogte van de dichtste bewoning merkbaar toeneemt. Het project blijft verder voldoen aan de van toepassing zijnde geluidsnormen zoals opgenomen in Vlarem II. Vandaar ook de vraag in de milieuvergunningsaanvraag om de oostelijke geluidsberm te mogen weglaten om plaats te maken voor de geplande uitbreiding van de parking. De geluidswand ten noorden (richting Haachtsesteenweg) zal uiteraard wel worden uitgevoerd en worden doorgetrokken over de volledige breedte van de personeels- en bezoekersparking. Verder zal DHL Aviation aan de oostelijke zijde van de parking wel nog een groenscherm van ongeveer 2,5 à 3 meter hoogte voorzien waardoor de parking qua zicht volledig zal onttrokken zijn van de omgeving”. VII-40.147-4/17 3.
  14. De afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten van het departement Omgeving verleent op 23 augustus 2017 een voorwaardelijk gunstig advies. 3.
  15. Op 5 oktober 2017 neemt de Vlaamse minister van Omgeving het thans bestreden besluit waarbij het beroep gegrond wordt verklaard en de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing als volgt wordt gewijzigd: “[…] De oorspronkelijk geplande oostelijke geluidsberm van 8 meter hoog moet niet worden uitgevoerd; de 8 meter hoge geluidswand langsheen de oostelijke zijde van de in- en uitrit van de parking en de noordelijke zijde van de parking blijft behouden en wordt doorgetrokken gelijk met de uitbreiding van de parking (L-vorm); […] Aan de oostelijke zijde van de parking wordt een groenscherm aangelegd”. Het bestreden besluit steunt onder meer op de volgende motieven: “Overwegende dat de deputatie deze vraag tot wijziging van het vergunde sorteercentrum deels heeft ingewilligd; dat de vraag om de oostelijke geluidsberm niet te plaatsen niet werd toegestaan; dat de deputatie geen gevolg gaf aan die vraag gezien er tijdens de hoorzitting op de provinciale milieuvergunningscommissie door de exploitant is gesteld dat de parking niet uitgebreid ging worden; dat er dan ook geen reden was om de geluidsberm te schrappen; Overwegende dat de exploitant in zijn beroepschrift stelt dat er een misverstand is opgetreden; dat er wel degelijk een parking zal bijkomen; dat deze echter kleiner zal zijn dan vooropgesteld in de aanvraag, namelijk 88 bijkomende plaatsen in plaats van 310 plaatsen; Overwegende dat de parking voor personeel en bezoekers ten oosten van het nieuwe sorteergebouw is voorzien met een in- en uitrit; dat deze in- en uitrit op ongeveer 75 meter ten zuidoosten van de dichtste woning (aan de overzijde van de Oude Haachtsesteenweg) zijn gelegen; Overwegende dat door de deputatie werd toegestaan dat aan de noordelijke perceelgrens van de inrichting (van west naar oost) eerst een geluidsberm wordt geplaatst en vervolgens een akoestische wand in plaats van de combinatie geluidsberm en geluidswand; dat de akoestische wand afbuigt zodat deze ten westen van de in- en uitrit van de parking voor personeel en bezoekers komt te liggen en stopt aan het begin van de parking; Overwegende dat uit de oorspronkelijke plannen (vergunningsaanvraag van 23 april 2015) blijkt dat ten oosten van de in- en uitrit van de parking een geluidswand van 8 meter werd voorzien, die afbuigt naar het oosten (noordelijke grens van de parking); dat ten oosten van de parking een geluidsberm met een hoogte van 8 meter geplaatst ging worden; VII-40.147-5/17 Overwegende dat op de plaats van de 8 meter hoge geluidsberm ten oosten van de parking nu een uitbreiding van de parking is voorzien; Overwegende dat door een erkend deskundige in de discipline geluid in een geluidstudie van 15 december 2016 het effect werd gesimuleerd van het verwijderen van de oostelijke geluidswand en geluidsberm; dat er twee scenario‟s werden bekeken, namelijk: - het verwijderen van de oostelijke 8 meter hoge geluidsberm; - het verwijderen van de 8 meter hoge geluidswand aan de oostelijke zijde van de in- en uitrit en de noordelijke zijde van de parking en de oostelijke 8 meter hoge geluidsberm; dat uit de simulaties blijkt dat in het scenario waarbij alleen de geluidsberm van 8 meter aan de oostelijke zijde van de parking wordt verwijderd, voldaan kan worden aan de richtwaarden voor geluid (40 dB(A)); dat het scenario van het volledig verwijderen van de geluidswand en de geluidsberm aantoont dat er een overschrijding is van die richtwaarden; Overwegende dat in het bestreden besluit een controlemeting werd opgelegd; Overwegende dat de exploitant bijgevolg vraagt om de oostelijke geluidsberm van 8 meter niet te plaatsen; dat de 8 meter hoge geluidswand aan de oostelijke zijde van de in- en uitrit en aan de noordelijke zijde van parking wel blijft behouden; dat de geluidswand aan de noordelijke zijde van de parking zal eindigen aan de einde van de parking; Overwegende dat uit de plannen blijkt dat er ook een groenscherm voorzien zal worden aan de oostelijke zijde; dat het aangewezen is om dit dan ook op te leggen in de bijzondere voorwaarden; Overwegende dat vermits aan de richtwaarden voor geluid voldaan wordt bij het verwijderen van de oostelijke geluidsberm, er bijgevolg akkoord kan gegaan worden met het verwijderen van die oostelijke geluidsberm; Overwegende dat de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico‟s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie nopens het actueel belang bij het beroep
  16. In haar laatste memorie werpt de tussenkomende partij op dat het actueel belang bij de gevorderde nietigverklaring ontbreekt omdat reeds 14 stands aangesloten zijn op het elektriciteitsnet en dat “van zodra de werken aan de overige stands [zullen] starten […] op geen enkele stand nog vliegtuigen afgehandeld worden met behulp van GPU‟s” en de verzoekende partij “op dat moment […] niet langer een actueel belang [zal] hebben bij het ingestelde vernietigingsberoep”. VII-40.147-6/17
  17. De verzoekende partij stelt daar tegenover dat de uitvoering van de “resterende werken” voorzien is voor “2021, en niet voor september 2020”, zodat “op heden niet ondubbelzinnig kan worden vooropgesteld wanneer de werken concreet zullen worden uitgevoerd”. Beoordeling
  18. De tussenkomende partij betwist niet dat bij de sluiting van het debat niet alle vergunde stands uitgerust zijn met een aansluiting op het vaste elektriciteitsnet. Bijgevolg loopt haar exceptie vooruit op een mogelijk toekomstige feitelijke toestand die de verzoekende partij genoegdoening zou kunnen verschaffen. Dergelijke speculatie kan niet aan de verzoekende partij worden tegengeworpen om haar het in rechte vereiste belang bij voorliggend annulatieberoep te ontzeggen.
  19. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  20. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 „betreffende de milieuvergunning‟ (hierna: milieuvergunningsdecreet), artikel 30bis, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 „houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning‟ (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. De verzoekende partij zet uiteen dat de bestreden beslissing volledig voorbij gaat aan het feit dat de GPU‟s (Ground Power Units) nog zullen worden gebruikt totdat de vliegtuigen op het vaste elektriciteitsnet worden VII-40.147-7/17 aangesloten, terwijl de geluidstudie waar in de bestreden beslissing naar wordt verwezen uitgaat van de veronderstelling dat geen GPU‟s meer worden voorzien. De geluidsproductie van de GPU‟s kan niet worden geminimaliseerd, nu deze volgens de geluidstudie van 2014 109 dB(A) bedraagt. In de basismilieuvergunning van 2015 wordt bovendien gesteld dat de aansluiting van de vliegtuigen op een vast elektriciteitsnet (en het niet langer gebruiken van APU‟s of GPU‟s) “het geluidsklimaat in de omgeving ten goede” komt. De vergunning bevat minstens tegenstrijdige motieven, zo stelt de verzoekende partij, in zoverre enerzijds het gebruik van GPU‟s mogelijk wordt gemaakt zolang niet op een vast elektriciteitsnet kan worden aangesloten en, anderzijds met onmiddellijke ingang aanpassingen aan de berm worden toegestaan op basis van een geluidstudie waarin het gebruik van GPU‟s niet is betrokken. Geplaatst voor de vaststelling dat de naleving van de toepasselijke geluidsnormen niet kan worden gegarandeerd zolang gebruik wordt gemaakt van GPU‟s, kon de verwerende partij niet wettig de gevraagde milieuvergunning verlenen. Minstens had zij de analyse van de geluidshinder ingevolge het gebruik van GPU‟s of APU‟s in afwachting van de aansluiting op het elektriciteitsnet in haar beoordeling moeten betrekken. Het is dan ook niet duidelijk, noch werd onderzocht, gedurende welke periode deze GPU‟s of APU‟s gebruikt zullen worden, op welke plaats ze gepositioneerd zullen worden en hoe dicht dit tegen de bewoning zal gebeuren. Ten slotte wijst de verzoekende partij op de tegenstrijdigheid met de overwegingen in de corresponderende stedenbouwkundige vergunning van 19 juni 2017 waarbij de gevraagde schrapping van dezelfde oostelijke geluidsberm, alsook de gevraagde uitbreiding van de parking werden geweigerd. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet dat de verwerende partij op het ogenblik van het verlenen van de bestreden milieuvergunning kon beschikken over concrete en afdoende garanties om de geluidshinder binnen de perken van het aanvaardbare te houden.
  21. De verwerende partij antwoordt dat niet wordt aangetoond welke algemene of sectorale geluidsnormen worden overschreden. Bovendien gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat de voorwaarde om de exploitatie op het vaste elektriciteitsnet aan te sluiten, niet vrijblijvend is, maar integendeel een verplichting voor de exploitant vormt van zodra het vaste elektriciteitsnet VII-40.147-8/17 voorhanden is. Volgens haar is het dan ook evident dat zij bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de geluidshinder, ervan uitgaat dat de aansluiting op het vaste elektriciteitsnet zal plaatsvinden. Voorts benadrukt de verwerende partij dat zij zich voor de beoordeling van de geluidshinder heeft gebaseerd op een geluidstudie waarin werd gesimuleerd wat het effect is van het verwijderen van de oostelijke geluidsberm. Uit de simulaties bleek dat bij het scenario waarbij alleen de geluidsberm van 8 meter hoog aan de oostelijke zijde van de parking werd verwijderd, aan de richtwaarden inzake geluid kon worden voldaan. De motiveringsplicht gaat niet zover dat zij als beroepsinstantie elk aangevoerd bezwaar tot in detail moet weerleggen. De bestreden beslissing gaat uitvoerig in op het aspect geluidshinder en de in het beroepschrift naar voor gebrachte bezwaren. Voorts hebben de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning elk hun eigen finaliteit, zodat de beoordeling van die onderscheiden aanvragen niet gelijkgesteld kan worden en er dus ook geen sprake kan zijn van tegenstrijdigheid tussen deze twee vergunningsbeslissingen. Daarenboven blijkt dat de verzoekende partij op de hoogte is van de motieven waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, zodat zij zich niet over een gebrek aan formele motivering kan beklagen. Tot slot laat de verwerende partij gelden dat het wel degelijk denkbaar is dat een vergunningverlenende overheid, rekening houdende met het verleende advies en de in het beroepschrift naar voor gebrachte argumenten, de bijzondere vergunningsvoorwaarden zou hebben gewijzigd.
  22. De tussenkomende partij werpt op dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het redelijkheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht, omdat de verzoekende partij niet aantoont op welke wijze deze bepalingen en beginselen geschonden zouden zijn. Over de grond van de zaak betoogt zij dat de opgelegde vergunningsvoorwaarden garanderen dat de vergunde exploitatie aan de geluidsnormen van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 „houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne‟ (hierna: Vlarem II) zal VII-40.147-9/17 voldoen. Er bestaat volgens haar ook geen ernstige onzekerheid over de mogelijkheid om die geluidsnormen na te leven. Geen enkel element in het dossier wijst er immers op dat de geluidsnormen niet zouden worden gehaald, zelfs wanneer tijdelijk nog GPU‟s worden aangewend. Bovendien moet zij hoe dan ook de algemene milieuvoorwaarden van Vlarem II inzake geluid naleven, vermits die voorwaarden van rechtswege van toepassing zijn, zelfs indien ze niet expliciet in de milieuvergunning worden opgelegd. Volgens de tussenkomende partij heeft de verwerende partij zorgvuldig gehandeld, aangezien zij haar beslissing heeft genomen op basis van een geluidstudie. Het feit dat het weglaten van de geluidsberm nog niet stedenbouwkundig werd vergund, verhindert niet dat de overheid die uitspraak moet doen over een milieuvergunningsaanvraag, de vergunning kan verlenen als ze in overeenstemming is met de milieuwetgeving.
  23. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat de geschonden geachte bepalingen en beginselen in het middel uitdrukkelijk zijn omschreven. De bepalingen die niet nadrukkelijk werden hernomen in het toelichtende gedeelte vertonen een ontegensprekelijk verband met de grieven en rechtsregels die hierin wel werden uiteengezet. Het feit dat hierbij niet meer expliciet aan de respectieve bepalingen wordt gerefereerd, is niet relevant voor de ontvankelijkheid van het middel. Ten gronde volstaat het volgens haar niet dat de exploitant hoe dan ook de geldende algemene en sectorale geluidsnormen dient na te leven om te voldoen aan de doelstelling van artikel 30bis van Vlarem I. Een vergunning kan namelijk enkel worden afgeleverd wanneer op grond van de aanvraag en de door de overheid opgelegde bijzondere voorwaarden wordt gegarandeerd dat de inrichting zal worden geëxploiteerd in overeenstemming met de milieuvoorwaarden van Vlarem II. De verzoekende partij stelt dat het niet aan haar toekomt om concreet te bewijzen dat de exploitatie van de vergunde inrichting zal leiden tot onaanvaardbare geluidshinder. Het is daarentegen zaak van de vergunningverlenende overheid om te onderzoeken of de ongemakken inherent aan de beoogde exploitatie de perken van de normale hinder al dan niet te buiten gaat. De vergunningverlenende overheid moet daarbij uitgaan van gegevens die volledig en voldoende zeker zijn. Met betrekking tot het aspect geluidshinder VII-40.147-10/17 beklemtoont de verzoekende partij dat in de geluidstudie van 2016 geen aandacht werd besteed aan de impact van de GPU‟s omdat ervan werd uitgegaan dat ze niet meer gebruikt zouden worden. Uit de geluidstudie van 2014 blijkt echter dat die GPU‟s een significante invloed kunnen hebben op de geluidstoestand in de omgeving, wat leidt tot de conclusie dat er ernstige onzekerheid voorhanden is met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de geluidshinder van de exploitatie. In zoverre wordt toegestaan aan te sluiten op het vaste elektriciteitsnet van zodra dit voorhanden is, is de opgelegde vergunningsvoorwaarde tegenstrijdig met de voorwaarde over het aanleggen van een geluidsberm, waarbij geen rekening wordt gehouden met de verhoogde geluidsoverlast door het gebruik van de GPU‟s. Aangezien er geen uiterste datum is voorzien waarop de aansluiting op het vaste elektriciteitsnet moet zijn verwezenlijkt, kan de naleving van deze voorwaarde onmogelijk worden afgedwongen.
  24. In haar laatste memorie merkt de verwerende partij op dat de werken voor de aansluiting op het vaste elektriciteitsnet “in een eindfase zitten”. Midden juli 2020 zal het elektriciteitsnetwerk gebruikt kunnen worden op “14 stands op de finale lay-out van Apron 9, namelijk alle stands tussen wachtpost 9.1 en 9.2 (957, 959, 961, 962, 963, 964, 965, 966, 967, 968, 969, 970 en 971)” en dat de werken aan de “spots 950 t.e.m. 955 […] zouden starten na het bouwverlof en eindigen in september 2020”. Uit die feitelijke ontwikkelingen leidt de verwerende partij af dat zij zich bij het verlenen van de bestreden milieuvergunning “wel degelijk [kon] steunen op de simulatie van de geluidstudie die is uitgevoerd in 2016”.
  25. De tussenkomende partij herhaalt in haar laatste memorie dat het geen zin heeft om in de bijzondere voorwaarden van een milieuvergunning geluidsnormen te herhalen die reeds ingevolge de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II van rechtswege van toepassing zijn op de vergunde exploitatie. De bestreden bijzondere vergunningsvoorwaarde moet dan ook “gelezen worden als een aanvulling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden in de strengere zin” en moet zij als exploitant “zowel vóór als na de aansluiting op het elektriciteitsnet” voldoen aan de algemeen toepasselijke geluidsnormen en “elke hinder verder reduceren” door de gewenste VII-40.147-11/17 elektriciteitsaansluiting te voorzien “zodra zij mogelijk wordt”.
  26. De verzoekende partij merkt in haar laatste memorie nog op dat het tijdspad voor de aansluiting op het elektriciteitsnetwerk dat door de verwerende partij wordt vooropgesteld “inmiddels achterhaald “ is omdat “de uitvoering van de resterende werken thans voorzien zou zijn voor 2021, en niet voor september 2020”. Beoordeling
  27. Het vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig in het inleidend verzoekschrift te formuleren strekt ertoe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij en de tussenkomende partij te waarborgen. In dit geval worden de geschonden geachte bepalingen in de toelichting bij het middel weliswaar niet herhaald, maar dat gemis heeft de verwerende partij en de tussenkomende partij klaarblijkelijk niet verhinderd om zich met voldoende inzicht en kennis van zaken tegen de aangevoerde wettigheidskritieken te verweren. Hun rechten van verdediging zijn dan ook niet in het gedrang gekomen door de wijze waarop het middel werd ontwikkeld. De exceptie wordt niet aangenomen.
  28. Artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van Vlarem zijn gesteld en dat de vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is. Deze bepaling verwoordt een fundamentele doelstelling van de milieuvergunningsplicht, met name de plicht die op de bevoegde overheid rust om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in omstandigheden die vanuit oogpunt van de VII-40.147-12/17 bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn. Wanneer een vergunningsaanvraag niet aan de geldende normen voldoet of daaromtrent onzekerheid bestaat, mag de vergunningverlenende overheid er niet zonder meer van uitgaan dat tijdens de exploitatie wel aan de normen zal kunnen worden voldaan. Om te voldoen aan de doelstelling van artikel 30bis van Vlarem I, die preventief van aard is, volstaat het ook niet, zoals de tussenkomende partij ten onrechte opwerpt, dat zij tijdens de exploitatie hoe dan ook de geldende geluidsnormen zal moeten naleven. Het feit dat de geldende geluidsnormen krachtens artikel 3.1.1, § 1, van Vlarem II van rechtswege van toepassing zijn op de vergunde inrichting, ook indien de erin vervatte verplichtingen niet expliciet worden opgelegd in de verleende milieuvergunning, doet immers geen afbreuk aan de rechtsplicht van de verwerende partij om de vergunning te weigeren wanneer die geluidsnormen niet kunnen worden nageleefd. Aangezien voormelde rechtsplicht bestaat op het ogenblik dat de vergunningverlenende overheid uitspraak doet over de vergunningsaanvraag die haar ter beoordeling is voorgelegd, kan de verwerende partij ook niet dienstig aanvoeren dat de “vliegtuigen dienen gebruik te maken van het vaste elektriciteitsnet van zodra [dit] voorzien [is]”.
  29. Het bestreden besluit bevestigt de in eerste aanleg opgelegde vergunningsvoorwaarde dat “de uitbating […] op het vaste elektriciteitsnet [dient] aan te sluiten”. Tegelijk wordt in die beslissing overwogen dat “aan de richtwaarden voor geluid voldaan wordt bij het verwijderen van de oostelijke geluidsberm”. Ter zake wordt verwezen naar de geluidstudie die op 15 december 2016 werd uitgevoerd en waarin twee scenario‟s werden onderzocht waarbij “het effect werd gesimuleerd van het verwijderen van de oostelijke geluidswand en geluidsberm”. Uit die simulaties zou blijken dat “in het scenario waarbij alleen de geluidsberm van 8 meter aan de oostelijke zijde van de parking wordt verwijderd, voldaan kan worden aan de richtwaarden voor geluid (40 dB(A))”. VII-40.147-13/17
  30. In een eerdere geluidstudie van 12 december 2014 wordt een overzicht gegeven van de “gebruikte geluidsvermogens per bron” bij het sorteercentrum in de bestaande situatie. Voor de GPU‟s wordt een geluidsvermogen berekend van 109 dB(A). Er wordt tevens vastgesteld dat “[i]n de nieuwe situatie […] de bijdrage van de GPU‟s volledig weg[valt] aangezien deze niet meer in het project aanwezig zijn”. Bij wijze van conclusie wordt in deze geluidstudie het volgende gesteld: “De resultaten van deze modellering geven aan dat men gedurende de drukste periode van 1u tot en met 2u ‟s nachts nabij de dichtste woning in Melsbroek een afname van het specifiek geluid met 4 dB mag verwachten. De Vlarem II-grenswaarden worden op ditzelfde punt gerespecteerd, met volgende voorzieningen geïntegreerd in het project: - Geen gebruik van GPU‟s door de aanleg van een elektriciteitsnet […]”. De geluidstudie van 2014 geeft dus aan dat de Vlarem II-geluidsgrenswaarden niet worden overschreden wanneer het project “[g]een gebruik van GPU‟s” maakt “door de aanleg van een elektriciteitsnet”.
  31. In de aanvullende geluidstudie van 15 december 2016 wordt de „basissituatie‟ weergegeven, zoals voorzien met de geluidsberm van 8 meter rondom het terrein. In deze basissituatie wordt volgens de studie “overal net aan de grenswaarde van 40 dB(A) voldaan”, zoals blijkt uit onderstaande tabel: Situatie met geluidsberm 8 m Melsbroek Geluidsbron: P1 P2 P3 P4 P5 Medewerkersparking 23 24 23 21 17 Highloaders 33 31 32 33 32 Beltloaders 25 25 26 27 26 Videoherkenning 13 13 13 12 9 Taxitraject vliegtuigen 46 47 47 47 46 Loskade vrachtwagens 33 33 32 32 30 VII-40.147-14/17 Vrijloop motor vrachtwagens 28 28 28 27 25 (slechts 10%) Tractorbewegingen 36 35 36 36 35 Pushbacks 24 21 23 24 24 Wegverkeer 36 35 35 35 33 Intern verkeer 30 30 30 29 26 Totaal 47 48 48 48 47 Totaal zonder taxi, pushback 40 39 40 40 38 of wegverkeer Deze geluidstudie beoordeelt de te verwachten geluidshinder uitgaande van de randvoorwaarde dat de inrichting op het vaste elektriciteitsnet is aangesloten en de GPU‟s niet langer in gebruik zijn.
  32. Bij het verlenen van de bestreden milieuvergunning heeft de verwerende partij de op dat ogenblik bestaande feitelijke toestand genegeerd, met name het feit dat het gebruik van de GPU‟s nog steeds onderdeel was van de reguliere bedrijfsvoering. Een zorgvuldige beoordeling van de volledige geluidsimpact van de aangevraagde activiteiten noodde haar dan ook om rekening te houden met die specifieke geluidsbron. Om voormelde redenen kon de verwerende partij dan ook niet naar genoegen van recht besluiten dat de Vlarem II-geluidsgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Bijgevolg wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing genomen werd met schending van artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I.
  33. Het tweede middel is gegrond. VII-40.147-15/17 VI. Omvang van de nietigverklaring Verzoek van de tussenkomende partij
  34. De tussenkomende partij vraagt in haar laatste memorie dat de gebeurlijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing beperkt zou worden tot de door het bestreden besluit bevestigde bijzondere vergunningsvoorwaarde waarin wordt bepaald dat “de uitbating […] op het vaste elektriciteitsnet [dient] aan te sluiten”. Een aldus beperkte vernietiging zou de verzoekende partij “voldoende genoegdoening” geven. Beoordeling
  35. Uit de gegrondheid van het tweede middel volgt allerminst dat een nietigverklaring die beperkt is tot de bedoelde bijzondere vergunningsvoorwaarde de verzoekende partij volledige genoegdoening zou verschaffen.
  36. Het verzoek om de bestreden beslissing slechts gedeeltelijk nietig te verklaren wordt bijgevolg afgewezen. BESLISSING
  37. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 5 oktober 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 18 mei 2017, houdende het verlenen aan de nv DHL Aviation van de milieuvergunning voor het veranderen van een sorteercentrum met bijhorend kantoorgebouw, gelegen aan de luchthaven ‘Brussel Nationaal’, Oude Haachtsesteenweg 117 te Steenokkerzeel, gegrond wordt verklaard.
  38. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-40.147-16/17
  39. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.147-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.