← België

Arrest 248720 - Milieuvergunningen - 22/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.720 Rolnummer: A. 222462/VII-40022 Zaak: Arrest 248720 - Milieuvergunningen - 22/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-05 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.720 van 22 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.720 van 22 oktober 2020 in de zaak A. 222.462/VII-40.022 In zake : de NV EVAN FURNITURE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Arnold Gits en Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV ROMAC INTERNATIONAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sander Kaïret kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 april 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de bvba Evan Furniture voor een tankstation voor vrachtwagens, gelegen aan de Nijverheidstraat te Veurne, gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt opgeheven. VII-40.022-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Romac International heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 augustus 2017 . De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sander Kaïret, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. VII-40.022-2/10 III. Feiten 3.
  5. Op 3 maart 2016 dient de verzoekende partij, een meubelverwerkend bedrijf in Veurne, een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een tankstation voor vrachtwagens aan de Nijverheidsstraat zn., kadastraal gekend Veurne Afd 1, Sie C, nr 0203/S 2, als nieuwe inrichting. Volgens het gewestplan “Veurne-Westkust”, vastgesteld bij koninklijk besluit van 6 december 1976, is de inrichting gelegen in een gebied voor milieubelastende industrie. Begin 2015 maakt de stad Veurne eveneens het voorontwerp op van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: gemeentelijk RUP) “Standstill tankstations Veurne I” voor een plangebied dat samenvalt met het bedrijventerrein “Veurne I” ten zuidoosten van het stadscentrum, waar ook het bedrijf van de verzoekende partij en de aangevraagde exploitatie is gevestigd. Dit gemeentelijk RUP wordt definitief vastgesteld bij besluit van 30 november
  6. Artikel 1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP bepaalt dat in het gebied met overdruk „verbod tankstations‟ een verbod geldt op het oprichten van tankstations, met uitzondering van: - de bestaande tankstations binnen het plangebied, zoals aangeduid op het verordenend grafisch plan; - het oprichten van voorzieningen voor het tanken van het eigen wagenpark van het bedrijf, waarbij elke commerciële uitbating naar derden of kaarthouders toe wordt uitgesloten. De bestaande tankstations, zoals aangeduid op het plan bestaande toestand, kunnen uitbreiden onder de volgende voorwaarden: - maximale toename van het aantal afnamepunten met 15 % ten opzichte van het bestaande aantal afnamepunten (…) zoals vergund op 1 januari 2015; - de benodigde oppervlakte voor de uitbreiding wordt voorzien op of grenzend aan het perceel waar het bestaande tankstation is gevestigd. VII-40.022-3/10 3.
  7. Bij besluit van 29 september 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar. 3.
  8. Tegen deze beslissing stelt de tussenkomende partij, eigenares van het naastliggende perceel waarop zij zelf een tankstation uitbaat, een bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
  9. De afdeling Ruimte verleent op 19 december 2016 een ongunstig advies. De afdeling Milieuvergunningen verleent op 3 januari 2017 een gunstig advies. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) verleent op 10 januari 2017 een ongunstig advies omdat de aangevraagde inrichting strijdig is met de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1 van het gemeentelijk RUP “Standstill tankstations Veurne I”. 3.
  10. Met een besluit van 20 april 2017 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep gegrond en heft zij de beslissing van de deputatie op. De minister overweegt eveneens dat de milieuvergunningsaanvraag strijdig is met de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1 van het gemeentelijk RUP “Standstill tankstations Veurne I”. Dit is de bestreden beslissing. Op het ogenblik waarop deze beslissing wordt genomen, zijn de percelen gelegen binnen de grenzen van het gemeentelijk RUP “Standstill tankstations Veurne I”, dat is vastgesteld bij besluit van 30 november
  11. 3.
  12. De verzoekende partij heeft op 1 april 2016 bij de Raad van State een beroep ingediend tot nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de stad Veurne van 30 november 2015 houdende de definitieve goedkeuring van het gemeentelijk RUP “Standstill tankstations Veurne I”. Bij arrest nr. 242.286 van 11 september 2018 vernietigt de Raad van State dit besluit. VII-40.022-4/10 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de tussenkomende partij
  13. In haar laatste memorie werpt de tussenkomende partij als exceptie op dat de verzoekende partij geen belang meer heeft, aangezien de verwerende partij in geval van nietigverklaring bij het nemen van een nieuwe beslissing rekening zal moeten houden met het feit dat de corresponderende stedenbouwkundige vergunning bij arrest van 18 juli 2017 door de Raad voor Verguningsbetwistingen werd vernietigd, en - gelet op het definitief karakter van deze nietigverklaring - dus het verval van de milieuvergunning zal moeten vaststellen, bij toepassing van artikel 5, § 2, vijfde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet). Beoordeling
  14. Artikel 5, § 2, vijfde lid, van het milieuvergunningsdecreet, bepaalt dat wanneer de stedenbouwkundige vergunning definitief wordt geweigerd, de milieuvergunning van rechtswege vervalt. Deze koppelingsregeling gaat uit van de vooronderstelling dat de milieuvergunning wordt verleend op een ogenblik dat nog geen beslissing is genomen over de aanvraag tot het verkrijgen van de voor het project vereiste stedenbouwkundige vergunning. Ze verhindert in de eerste plaats de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning in afwachting van het verkrijgen van de vereiste stedenbouwkundige vergunning. Waar artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet op dwingende wijze het lot regelt van de verleende milieuvergunning wanneer de bouwaanvraag later resulteert in een definitieve weigering, biedt deze bepaling geen rechtsgrond voor de stelling dat de weigering van de stedenbouwkundige vergunning meebrengt dat een op dat ogenblik onbestaande milieuvergunning van rechtswege vervalt. De exceptie is niet gegrond. VII-40.022-5/10 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunten van de partijen
  15. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 49, § 1, 4°, samen gelezen met artikel 51, § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel. Zij betwist de ontvankelijkheid van het administratief beroep van de tussenkomende partij bij de Vlaamse regering. Deze zou onvoldoende haar financieel belang en haar belang uit mobiliteitshinder hebben aangetoond. Evenmin blijkt volgens de verzoekende partij dat de verwerende partij het belang onderzocht heeft. Beoordeling
  16. Het toepasselijke artikel 24, § 1, 5°, van het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat het administratief beroep bij de Vlaamse regering open staat voor elke natuurlijke en rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden. Diezelfde voorwaarde geldt voor artikel 49, § 1, 4° en artikel 51, § 1, van Vlarem I. In haar beroepschrift voor de minister wijst de tussenkomende partij erop dat zij eigenares is van het naastliggende exploitatieperceel waarop zij zelf een tankstation uitbaat, en dat de bestreden vergunning een bijkomende verkeersstroom met zich mee zal brengen, wat aanleiding zal geven tot een versterking van het mobiliteitsprobleem, waardoor klanten zullen wegblijven en zij financieel verlies zal lijden. Bovendien wordt de vergunning volgens haar onwettig toegekend, wat oneerlijke concurrentie tot gevolg zal hebben. VII-40.022-6/10 De beroepsindiener kan in beginsel als onderneming opkomen tegen een verslechtering van de mobiliteitsproblematiek die het gevolg is van het verlenen van een milieuvergunning. Het is hierbij voldoende dat een rechtspersoon hinder “kan” ondervinden. Er is niet vereist dat hij hinder “moet” ondervinden. In de bestreden beslissing wordt gemeld: “[…] dat voertuigen 7 dagen op 7 en 24 uur op 24 kunnen komen tanken; dat het leveren van brandstof door tankwagens steeds zal gebeuren tussen 7 uur en 22 uur; Overwegende dat wekelijks gemiddeld zeven maal brandstof wordt geleverd; dat het aantal vrachtwagens dat brandstof komt tanken, volgens de milieuvergunningsaanvraag maximaal twaalf per uur zal bedragen op piekmomenten; dat het tankstation gelegen is in een zeer drukke industriezone met druk vrachtverkeer, […]”. Hiervan wordt ook in de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de GMVC gewag gemaakt. Blijkens de uiteenzetting van de feiten in arrest nr. 242.286 van 11 september 2018, ligt het in de bedoeling van de stad “om met het planinitiatief iets te doen aan de wildgroei van tankstations op het industrieterrein die de goede werking van het regionaal bedrijventerrein in het gedrang brengt en mobiliteitsoverlast genereert”. Hierbij dient men wat de mobiliteitshinder betreft tevens voor ogen te houden dat het perceel van de tussenkomende partij grenst aan het perceel waarop de inrichting betrekking heeft. De beroepsindiener moet in het administratief beroepschrift ook niet alle aspecten van en argumenten voor de door hem ingeroepen “rechtstreekse hinder” gedetailleerd uiteenzetten. Het volstaat dat hij redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico bestaat dat hij hinder zal ondervinden van de exploitatie, en het komt vervolgens aan de vergunningverlenende overheid toe om zulks nader te onderzoeken overeenkomstig de door Vlarem I georganiseerde procedure. VII-40.022-7/10 Gelet op de concrete gegevens van de zaak vertoont de vrees van de beroepsindiener voor meer mobiliteitshinder en daaruit voortvloeiende nadelen een voldoende reëel karakter. Aldus kon alleen al wegens het risico op rechtstreekse hinder uit mobiliteit de minister het administratief beroep ontvankelijk achten. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat de minister de ontvankelijkheid niet zou hebben onderzocht. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunten van de partijen
  17. Het tweede middel heeft specifiek betrekking op het gemeentelijk RUP “Standstill tankstations Veurne I”. De verzoekende partij verwijst naar het annulatieberoep in de zaak G/A 219.017/X-16589 en voert aan dat in de mate het gemeentelijk RUP zou worden vernietigd, meteen ook vaststaat dat de bestreden beslissing behept is met een flagrante onwettigheid. Op grond van artikel 159 van de Grondwet moet het gemeentelijk RUP volgens haar buiten toepassing worden gelaten, waardoor de rechtsgrond voor het weigeren van de vergunning wegvalt.
  18. De verwerende en de tussenkomende partij repliceren in eerste instantie dat het middel onontvankelijk is, aangezien het verweer louter hypothetisch is, en niet gericht is tegen de bestreden beslissing.
  19. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie toe dat de gemeente thans “volop bezig [is] een nieuw gemeentelijk RUP op te stellen”, en dat het aanbeveling verdient daarop te wachten om na te gaan of het nieuwe gemeentelijk RUP een substituerende rechtsgrond oplevert. VII-40.022-8/10 Beoordeling
  20. Het middel heeft betrekking op de rechtsgrond van de bestreden beslissing en is ontvankelijk.
  21. Het weigeringsmotief waarop de bestreden beslissing stoelt is dat “de aangevraagde inrichting strijdig is met de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1 van het gemeentelijk RUP „Standstill tankstations Veurne I‟”. Bij arrest nr. 242.286 van 11 september 2018 heeft de Raad van State het meergenoemde besluit van de gemeenteraad van de stad Veurne van 30 november 2015 vernietigd. De vernietiging van het onwettig bevonden gemeentelijk RUP heeft tot gevolg dat de bestreden beslissing zonder rechtsgrond is. Het tweede middel is gegrond. V. Kosten
  22. De verwerende partij vraagt dat de kosten niet ten hare laste worden gelegd aangezien zij zelf het RUP niet bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet “opzij kan schuiven” en het RUP diende te respecteren. Minstens zou dit gegeven volgens haar aanleiding kunnen zijn tot een reductie van de rechtsplegingsvergoeding tot het minimaal bedrag.
  23. De verwerende partij is te dezen te beschouwen als een in het ongelijk gestelde partij. Het gegeven dat de onwettigheid, die aanleiding geeft tot nietigverklaring van de bestreden beslissing te wijten is aan een andere overheid, doet geen afbreuk aan het verschuldigd zijn van de rechtsplegingsvergoeding en creëert geen situatie die “kennelijk onredelijk” is, die een vermindering van het bedrag zou verantwoorden. VII-40.022-9/10 BESLISSING
  24. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 april 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de bvba Evan Furniture voor een tankstation voor vrachtwagens, gelegen aan de Nijverheidstraat te Veurne, gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt opgeheven.
  25. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  26. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.022-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.