id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.751 Rolnummer: A. 215274/IX-8635 Zaak: Arrest 248751 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 27/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-05 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.751 van 27 oktober 2020 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.751 van 27 oktober 2020 in de zaak A. 215.274/IX-8635 In zake: Eline JANSEGERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lode Van De Vyver kantoor houdend te 1050 Brussel Bosstraat 22 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: NET BRUSSEL, GEWESTELIJK AGENTSCHAP VOOR NETHEID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Levert kantoor houdend te 1060 Brussel Defacqzstraat 78 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Alain MARTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Menno Meeldijk kantoor houdend te 1980 Zemst Schoolstraat 75 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 maart 2015, strekt tot de nietigver- klaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 december 2014 waarbij Alain Martens wordt bevorderd tot directeur in het tweetalige kader van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid. IX-8635-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 240.342 van 4 januari 2018 werd het debat hero- pend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lode Van De Vyver, die verschijnt voor de verzoe- kende partij, advocaat Daisy Daniels, die loco advocaat Philippe Levert verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Menno Meeldijk, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in tus- senarrest nr. 240.342 van 4 januari
- IX-8635-2/12 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens afwe- zigheid van belang in hoofde van verzoekster
- De tussenkomende partij en de verwerende partij hebben res- pectievelijk in hun verzoekschrift tot tussenkomst en memorie van antwoord op- geworpen dat het beroep niet ontvankelijk is wegens het ontbreken van het rech- tens vereiste belang in hoofde van verzoekster, nu zij niet voldoet aan één van de bevorderingsvoorwaarden voor de vacante betrekking van directeur, waardoor zijzelf niet in aanmerking kan komen voor de beoogde bevordering. Luidens de bijlage bij het besluit van de Brusselse Hoofdstede- lijke Regering van 29 oktober 2011 ‘houdende vaststelling van het reglement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid’ geldt im- mers als voorwaarde voor een bevordering tot de graad van directeur dat de kan- didaat “adjunct-adviseur met 9 jaar anciënniteit in niveau 1” is, terwijl verzoekster niet de graad van adjunct-adviseur, maar van eerstaanwezend ingenieur heeft. Repliek van verzoekster
- Verzoekster heeft daarop in haar memorie van wederantwoord de onwettigheid opgeworpen van het voornoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011, als volgt: “Verzoekende partij stelt dat zij wel degelijk diende te worden beschouwd als behorende tot de categorie van ‘benoembare ambtenaren’ overeenkomstig artikel 2, § 1, van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 houdende vaststelling van het reglement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid. In de mate dat tegenpartij en verzoekende partij [versta: tussenkomende partij] zich beroepen op vermeld besluit om verzoekende partij uit te sluiten van be- paalde bevorderingsmogelijkheden zonder objectieve gronden, discrimineren zij verzoekende partij die schade lijdt door de beperkingen in haar loopbaan. IX-8635-3/12 Dat tegenpartij en tussenkomende partij een ‘enge’ interpretatie voorstaan van voornoemd besluit en de bijlage, waaruit zij besluiten dat verzoekende partij, als eerstaanwezend ingenieur niet kan worden bevorderd tot Directeur – maar wel tot de ‘specifieke’ graad van Industrieel Ingenieur of van Hoofdingeni- eur-directeur –. Tegenpartij zaait daarbij verwarring tussen de hoofdingenieur-directeurs die industrieel ingenieur zijn (schaal 13/4) en de hoofdingenieur-directeurs die burgerlijk ingenieur zijn. Deze laatsten worden in het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26/09/2002 houdende het administratief statuut en de bezoldigingregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut, wel degelijk vermeld in de gemeenschappelijke graden, in tegenstelling tot het besluit van de Brus- selse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 tot vaststelling van de weddenschalen van het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid (cfr. artikel 2 en 3 van stuk 14) en in tegenstelling met het artikel 6 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 houdende vaststelling van het reglement van het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid (stuk 4), waardoor een eerstaanwezend ingenieur (burgerlijk – schaal 11/6) enkel bevordering kan maken door direc- teur te worden (schaal 13/2). Dat daarbij vastgesteld [dient] te worden dat in de bijzondere graden, de hoogste graad Hoofdingenieur-directeur is (schaal 13/4), waardoor de personeelsleden die in die graad ingeschaald zijn, niet meer in aanmerking komen om bijvoor- beeld Inspecteur-generaal te worden (schaal 15/1). Terwijl dit in tegenspraak is met de bepalingen van de Bijlage van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van het re- glement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid van 29 oktober 2011 (stuk 4 verzoekende partij), dat de voorwaarden bepaalt voor benoeming in de graden van het begeleidingspersoneel en van het meester- en werkliedenpersoneel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid. Kolom 7: bijzondere vereisten voor Inspecteur-Generaal: 1 betrekking wordt voorbehouden voor de titularis van een diploma van burgerlijk ingenieur – en overigens eveneens voor Hoofdingenieur-Directeur – en vermeld staat dat men titularis moet zijn van een diploma van burgerlijk ingenieur, van handelsingenieur of gelijkgesteld. Door de hoofdingenieur in te delen bij de bijzondere graden, kan die dus geen bevordering via graad meer krijgen, aldus wordt verzoekende partij benadeeld in haar loopbaan (zie eveneens besluit stuk 14 zoals hierboven vermeld). Terwijl het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 houdende vaststelling van het reglement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid (stuk 4) in haar bijlage vermeldt: - voor bevordering in de graad hoofdingenieur-directeur: ‘Toegang tot rang 13: eerstaanwezend ingenieur met 9 jaar anciënniteit in ni- veau 1’, met als bijzondere vereiste ‘Titularis zijn van een diploma van burgerlijk ingenieur, van handelsingenieur of gelijkgesteld’ IX-8635-4/12 - voor bevordering in de graad van Directeur: ‘Toegang tot rang 13: adjunct-adviseur met 9 jaar anciënniteit in niveau 1’, zonder bijzon- dere vereiste. Aldus dient te worden besloten dat toegang tot rang 13 kan voor eerstaanwe- zend ingenieurs en voor adjunct-adviseurs, op voorwaarde dat ze 9 jaar anci- ënniteit hebben in niveau 1, voorwaarde waaraan verzoekende partij beant- woordt. De stelling dat het verschil in behandeling verantwoord wordt door het verschil in uitoefening van taken uitgeoefend door de adjunct-adviseurs, zoals de tus- senkomende partij, en de taken uitgeoefend door de eerstaanwezend ingenieurs, zoals verzoekster, is volledig achterhaald en manifest op verkeerde argumenten gesteund (infra eerste middel en derde middel 3.3). Door de ‘enge’ interpretatie van tegenpartij, die inhoudt dat alle universitairen Directeur kunnen worden met uitzondering van ingenieurs, sluit zij verzoe- kende partij uit van bepaalde bevorderingsmogelijkheden in haar loopbaan. Bovendien benadeelt tegenpartij zodoende niet enkel verzoekende partij, maar discrimineert zij tevens een volledige beroepsgroep. Dat verzoekende partij zal aantonen in de uitwerking van haar middelen dat de verschillende besluiten van 29 oktober 2011 met betrekking tot het Gewestelijk Agentschap voor Netheid onzorgvuldig werden genomen en tal van onduide- lijkheden en tegenstrijdigheden bevatten (infra eerste middel) en zonder reke- ning te houden met de gemeenschappelijke graden van het Ministerie (Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de oudere versie uit 2002). Dat dient te worden besloten dat het besluit […] van de Brusselse Hoofdstede- lijke Regering van 29 oktober 2011 houdende de vaststelling van het reglement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid een volledige beroepscategorie weert, met name de houders van een diploma bur- gerlijk ingenieur, zonder enige objectieve reden. Verzoekende partij werpt dan ook de exceptie van nietigheid op in toepassing van artikel 159 uit de Grondwet, en verzoekt uw Raad geen rekening te houden met het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 houdende de vaststelling van het reglement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid, minstens in de mate dat vermeld besluit verzoekende partij uitsluit van de graad van Directeur. Hierdoor is het belang van verzoekende partij aangetoond.” Tussenarrest
- In tussenarrest nr. 240.342 van 4 januari 2018 heeft de Raad van State geoordeeld dat verzoekster de exceptie van onwettigheid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 ‘houdende vaststel- ling van het reglement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agent- IX-8635-5/12 schap voor Netheid’ tijdig heeft opgeworpen en dat deze exceptie noopte tot een aanvullend onderzoek van de zaak. Laatste memorie van verzoekster na het aanvullend audito- raatsverslag
- Verzoekster herhaalt in haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag vooreerst wat zij in haar memorie van wederantwoord als re- pliek op de opgeworpen exceptie van afwezigheid van belang heeft doen gelden (zie hiervóór sub 5). Voorts vermeldt zij dat “bijzondere voorwaarden” weliswaar kunnen worden opgelegd “wanneer de aard van het ambt zulks vereist”, maar dat dit “in de realiteit” niet het geval is, aangezien “de aard van het ambt dat [zij] momenteel uitoefent […] louter administratief [is] en […] door iedereen uitge- voerd [kan] worden”. Zij wijst erop dat zij naast het diploma van burgerlijk inge- nieur ook het diploma van “master” in het overheidsmanagement bezit. Zij merkt tevens op “dat specifieke graden werden ingevoerd met als doel een vlakke loopbaan op te vangen” en “dat in Vlaanderen al lang het pad is verlaten waar men algemene en specifieke graden bewandelde”. Na een onduidelijke en weinig samenhangende uiteenzetting vraagt zij vervolgens nog “de vernietiging van alle besluiten d.d. 29 oktober 2011, aangezien ze in volledige tegenspraak zijn met elkaar en men geen voorrang kan verlenen aan één besluit gezien ze dezelfde datum hebben”. Beoordeling van de exceptie
- Luidens artikel 1 van het besluit van de Brusselse Hoofdstede- lijke Regering van 29 oktober 2011 ‘houdende vaststelling van het reglement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid’ (hierna: het IX-8635-6/12 besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011) ge- schieden de benoemingen in de graden waarin is voorzien in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 december 2008 ‘tot vaststelling van de personeelsformatie van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid ‘Net Brussel’’ volgens de voorwaarden bepaald in de bijgevoegde tabel. De bijgevoegde tabel, waarvan sprake, bepaalt dat een benoe- ming in de graad van directeur (rang 13) gebeurt middels een “[b]evordering door verhoging in graad” en dat toegang daartoe heeft: de “adjunct-adviseur met 9 jaar anciënniteit in niveau 1”.
- In tussenarrest nr. 240.342 van 4 januari 2018 heeft de Raad van State reeds geoordeeld dat “[d]e voormelde bevorderingsvoorwaarde […] zonder meer duidelijk [is] en [dat] bezwaarlijk [kan] worden betwist dat verzoekster, die eerstaanwezend ingenieur is, er als zodanig niet aan beantwoordt”. De Raad heeft eraan toegevoegd – voorwaardelijk, gelet op de nog te onderzoeken exceptie van onwettigheid die door verzoekster werd opgeworpen – dat zulks zou impliceren dat verzoekster na een eventueel vernietigingsarrest zelf niet in de vacante betrekking van directeur zou kunnen worden benoemd, zodat zij geen belang zou hebben bij het verkrijgen van een dergelijk arrest en dus ook niet bij haar voorliggend annu- latieberoep.
- Zoals hiervóór sub 5 vermeld, betwist verzoekster evenwel de wettigheid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 ok- tober 2011, inzonderheid van de voormelde voorwaarde voor bevordering in de graad van directeur waarin het voorziet. Zij stelt dat in de “enge” interpretatie van de voormelde bevor- deringsvoorwaarde door de verwerende partij en de tussenkomende partij “alle universitairen [d]irecteur kunnen worden met uitzondering van ingenieurs”, waardoor “een volledige beroepscategorie [wordt geweerd], met name de houders van een diploma burgerlijk ingenieur, zonder enige objectieve reden”. IX-8635-7/12 Zonder het met zoveel woorden te zeggen, steunt zij de be- weerde onwettigheid van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 en van de daarin opgenomen bevorderingsvoorwaarde voor de graad van directeur aldus op een schending van het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel.
- Verzoekster heeft de graad van eerstaanwezend ingenieur en is titularis van het diploma van burgerlijk ingenieur. Uit de bijlage bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 blijkt dat op een consistente wijze is voorzien in een loopbaan voor diegenen die beschikken over een diploma of een getuigschrift van niveau 1 (“vereist bij toepassing van artikel 9 van het besluit van 22 decem- ber 2000”) enerzijds en diegenen die beschikken over een diploma van burgerlijk ingenieur anderzijds. Wanneer betrokkenen slagen voor een vergelijkend wervings- examen, worden zij bekleed met de graad van attaché (de eerstgenoemde catego- rie) of ingenieur (de laatstgenoemde categorie) en kunnen zij nadien worden be- vorderd tot adjunct-adviseur en vervolgens tot directeur (de eerstgenoemde cate- gorie) of tot ingenieur en vervolgens tot eerstaanwezend ingenieur (de laatstge- noemde categorie). In tegenstelling tot wat verzoekster aanvoert, kan zij wel in aanmerking komen voor een bevordering tot hoofdingenieur-directeur. De voor- waarden voor een benoeming in die graad zijn immers: eerstaanwezend ingenieur met negen jaar anciënniteit in niveau 1 zijn en titularis zijn van een diploma van burgerlijk ingenieur, handelsingenieur of gelijkgesteld. Daarbij moet worden opgemerkt dat volgens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 de hoofdingeni- eur-directeur en de directeur dezelfde hiërarchische rang 13 hebben. IX-8635-8/12 Dat besluit sluit verzoekster dan ook niet uit van een loopbaan die vergelijkbaar is met deze van een adjunct-adviseur. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, zou zij bovendien nadien in aanmerking kunnen komen voor een bevordering tot de hiërarchische rang
- De bijlage bij het besluit bepaalt immers dat de titularis van een graad van rang 13 met ten minste één jaar graadanciënniteit en twaalf jaar anciënniteit in niveau 1 kan worden bevorderd tot inspecteur-generaal. Er is zelfs expliciet be- paald dat één betrekking wordt voorbehouden voor de titularis van een diploma van burgerlijk ingenieur.
- Volgens verzoekster is de verantwoording van het verschil in behandeling die gezocht zou worden in de verschillende taken van ad- junct-adviseurs enerzijds en eerstaanwezend ingenieurs anderzijds, “volledig achterhaald en manifest op verkeerde argumenten gesteund”. Dit is evenwel niet meer dan een bewering, die door verzoekster niet in het minst wordt onderbouwd of gestaafd. De omstandigheid dat zij in háár functie louter administratieve taken zou uitvoeren en dat zij het diploma van “master” in het overheidsmanagement bezit, draagt daar alvast niet toe bij. Verzoekster verwijst naar “infra eerste middel en derde middel 3.3”, maar ook daarmee toont zij haar bewering helemaal niet aan. In haar eerste middel doet zij gelden dat de vacante betrekking van directeur haar ten onrechte niet ter kennis is gebracht; in het aangewezen punt 3.3 van haar derde middel betoogt zij “dat zij stelselmatig wordt overgeslagen bij de bevorderingsrondes”. Noch het één, noch het ander maakt het beweerde onverantwoord zijn van de onderscheiden, maar vergelijkbare loopbanen aannemelijk. Verzoeksters opmerking “dat specifieke graden werden inge- voerd met als doel een vlakke loopbaan op te vangen” en “dat in Vlaanderen al lang het pad is verlaten waar men algemene en specifieke graden bewandelde”, is louter IX-8635-9/12 beleidskritiek, maar toont de onwettigheid van de betwiste bevorderingsvoor- waarden als zodanig of van de beweerde “enge interpretatie” ervan niet aan.
- Verzoekster stelt dat zij in de uitwerking van haar middelen zal aantonen dat “de verschillende besluiten van 29 oktober 2011 met betrekking tot het Gewestelijk Agentschap voor Netheid onzorgvuldig werden genomen en tal van onduidelijkheden bevatten (infra eerste middel) en zonder rekening te houden met de gemeenschappelijke graden van het Ministerie”. In haar laatste memorie vraagt zij zelfs de vernietiging van “alle besluiten d.d. 29 oktober 2011”. Dit betoog van verzoekster is maar al te vaag en nietszeggend. Voor zover zij in haar laatste memorie de vernietiging vraagt van “alle besluiten”, is het overigens ook laattijdig. De Raad van State kan slechts vaststellen dat verzoekster in geen enkel van haar aangevoerde middelen de onwettigheid inroept van de bevorde- ringsvoorwaarden voor de graad van directeur zoals die zijn bepaald in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 ‘houdende vast- stelling van het reglement voor het personeel van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid’, laat staan dat zij de onwettigheid ervan aantoont. Het blijkt al evenmin hoe verzoekster – overigens zonder enige nadere, begrijpelijke uitleg – dienstig kan refereren aan “de gemeenschappelijke graden van het Mi- nisterie”. Voor zover zij daarmee zou doelen op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut’, dat zij ook vermeldt in haar uiteenzetting, moet worden opgemerkt dat Net Brussel niet is opgenomen in de opsomming van de instellingen op wier ambtenaren het besluit van toepassing is (artikel 2 van het besluit).
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster niet aantoont dat de voorwaarden voor een bevordering tot de graad van directeur, zoals vastgesteld bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011, on- IX-8635-10/12 wettig zijn. Aangezien zij er niet aan beantwoordt, komt zijzelf niet in aanmerking voor een bevordering tot die graad en blijkt niet dat zij het rechtens vereiste belang heeft bij de nietigverklaring van de bevordering van de tussenkomende partij in die graad. Haar voorliggende beroep is derhalve niet ontvankelijk en moet om die reden worden verworpen. V. Kosten
- De Raad van State geeft geen gunstig gevolg aan de vraag van de tussenkomende partij om haar kosten, die zijzelf begroot op een recht van 150 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, ten laste van verzoekster te leggen. Een vrijwillig tussenkomende partij voor de Raad van State dient immers zelf het door haar verschuldigde recht te dragen. Voorts komt zij overeenkomstig artikel 30/1, § 2, laatste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet in aanmerking voor de toekenning van een rechtsplegings- vergoeding. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-8635-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8635-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.751 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.342 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div