id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.772 Rolnummer: A. 232013/IX-9783 Zaak: Arrest 248772 - Zeevaart - 28/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-29 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.772 van 28 oktober 2020 Economische zaken - Zeevaart Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.772 van 28 oktober 2020 in de zaak A. 232.013/IX-9783 In zake: de NV MEXICO NATIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, belast met Noordzee bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ciska Servais en Ruud De Houwer kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Paul WAUTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ciska Servais en Ruud De Houwer kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 oktober 2020, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het mi- nisterieel besluit van 6 oktober 2020 „houdende de intrekking van de veiligheids- beoordeling en het veiligheidsplan van de havenfaciliteit BEANR-0506, Mexico Natie‟. IX-9783-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 22 oktober 2020 heeft Paul Wauters gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020, om 12.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaten Peter Flamey en Evi Mees, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaten Ciska Servais en Ruud De Houwer, die ver- schijnen voor de verwerende partij en voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De nv Mexico Natie baat de havenfaciliteit met referentie BEANR-0506 uit. 3.
- Op 2 oktober 2020 wordt de veiligheidsbeambte van de nv Mexico Natie gearresteerd op grond van een vermoeden van betrokkenheid bij grootschalige drugshandel. IX-9783-2/11 3.
- Op 5 oktober 2020 brengt de Nationale Autoriteit voor Mari- tieme Beveiliging een gemotiveerd advies uit. 3.
- Bij het bestreden ministerieel besluit van 6 oktober 2020 van de minister belast met Noordzee wordt beslist de veiligheidsbeoordeling van 20 september 2018, het veiligheidsplan van 20 februari 2019 en het beveiligings- certificaat van 20 februari 2019, uitgereikt door de Nationale Autoriteit voor Ma- ritieme Beveiliging, in te trekken voor havenfaciliteit BEANR-0506, uitgebaat door de nv Mexico Natie (artikel 1). Artikel 2 van het bestreden ministerieel besluit bepaalt evenwel dat de intrekkingen bedoeld in artikel 1worden opgeschort tot en met 30 november 2020 indien de havenfaciliteit cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden: “1° de veiligheidsbeambte van de havenfaciliteit moet vervangen worden door een persoon uit het bestuur van Mexico Natie NV en een adjunct veiligheidsbeambte van de havenfaciliteit moet worden aangeduid; 2° de aangestelde veiligheidsbeambte en de adjunct veiligheidsbeambte moeten het bewijs leveren van bekwaamheid en bewijzen dat voldoende tijd aan de taak van veiligheidsbeambte kan worden besteed; 3° te allen tijde moeten twee bewakingsagenten van erkende beveili- gingsorganisaties op het terrein aanwezig zijn zodat er te allen tijde toe- gangscontrole kan worden gegarandeerd en er extra bewakingsrondes kunnen worden georganiseerd; 4° tijdens de aanwezigheid van een zeeschip aan de kade moet naast de bewakingsagenten in de bepaling onder 3°, één extra bewakingsagent van een erkende beveiligingsorganisatie worden voorzien die toezicht houdt in de buurt van het zeeschip tijdens de laad- en losoperaties van het schip; 5° de bewakingsagenten uit de bepalingen onder 3° en 4° moeten werk- nemers zijn van een erkende beveiligingsorganisatie die op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit geen werkzaamheden verricht voor Mexico Natie NV; 6° een veiligheidsinspectie zoals bedoeld in artikel 17.2.4 van Bijlage II van Verordening (EG) Nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, moet worden uitgevoerd; 7° bij het aanmeren van een zeeschip moet de veiligheidsbeambte of de adjunct veiligheidsbeambte bedoeld in 1°, een veiligheidsverklaring, be- doeld in artikel 5 van Bijlage II van Verordening (EG) Nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, aan boord IX-9783-3/11 van het zeeschip opstellen waarin alle opgelegde maatregelen worden op- genomen; 8° een systeem van registratie van inkomende en uitgaande personen en voertuigen moet worden ingevoerd en dat te allen tijde ter beschikking is van het Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging en de Nationale Auto- riteit voor Maritieme Beveiliging; 9° het organiseren van een bewustwordingssessie voor het personeel van de havenfaciliteit; 10° een nieuwe veiligheidsbeoordeling wordt opgesteld uiterlijk op 23 oktober 2020 en een nieuw veiligheidsplan uiterlijk op 6 november 2020; 11° volgende documenten moeten elektronisch aan het Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging worden meegedeeld: a. wekelijks een samengevat rapport afkomstig van de bewakingsagenten bedoeld in 3° en 4°; b. een rapport van elke incident onmiddellijk na de vaststelling; c. een kopie van elke veiligheidsverklaring bedoeld in 9° binnen 6 uur na het aanmeren van het zeeschip; d. het bewijs dat de bepalingen onder 1° tot en met 5° werden uitgevoerd en dit binnen één week na de inwerkingtreding van dit besluit; e. het resultaat van de veiligheidsinspectie bedoeld in 6° binnen de twee weken na de inwerkingtreding van dit besluit; f. het bewijs dat de bewustwordingssessie bedoeld in 7° werd georgani- seerd binnen één maand na de inwerkingtreding van dit besluit.” Het bestreden ministerieel besluit is gesteund op de volgende motieven: “Overwegende dat op 2 oktober 2020 de veiligheidsbeambte van de ha- venfaciliteit BEANR-0506, uitgebaat door Mexico Natie NV, werd gear- resteerd op grond van vermoedens van betrokkenheid bij grootschalige drugshandel; Overwegende dat de veiligheidsbeambte van de havenfaciliteit verant- woordelijk is krachtens Verordening (EG) Nr. 725/2004 voor de beveili- ging van de havenfaciliteit door onder meer zorg te dragen voor de ont- wikkeling en onderhoud van het veiligheidsplan van de havenfaciliteit en ervoor te zorgen dat passende veiligheidsmaatregelen gehandhaafd blijven; Overwegende dat door de arrestatie van de veiligheidsbeambte niet langer kan gegarandeerd worden dat elementen van het veiligheidsplan niet door derden kunnen worden misbruikt; Overwegende dat de huidige veiligheidsbeoordeling werd uitgevoerd op 20 september 2018 en het veiligheidsplan werd goedgekeurd op 20 februari 2019; dat de Voorzitter van de Nationale Autoriteit op 20 februari 2019 het certificaat dat bevestigt dat de havenfaciliteit over een goedgekeurd vei- ligheidsplan beschikt, heeft uitgereikt; IX-9783-4/11 Overwegende dat de veiligheidsbeambte deel uitmaakt van de Raad van Bestuur van de havenfaciliteit; Overwegende dat jaarlijks ongeveer 90 zeeschepen bij de havenfaciliteit aanmeren voor schip/haven raakvlak interacties; Overwegende dat er slechts bewakingsagenten aanwezig zijn tussen 06.00 en 17.00 uur maar er operationele operaties worden uitgevoerd tussen 06.00 en 21.30 uur.” IV. Tussenkomst
- Paul Wauters, in zijn hoedanigheid van havenkapitein bij het Havenbedrijf Antwerpen, nv van publiek recht, blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet zijn verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting
- De verzoekende partij motiveert de uiterst dringende noodzake- lijkheid van haar vordering als volgt: “
- In het bestreden besluit worden zeer strikte termijnen gekoppeld aan de zwaarwichtige flankerende maatregelen. De meeste maatregelen moeten reeds zijn uitgevoerd binnen één week, bij gebreke waarvan de intrekking van de beveiligingscertificatie onmiddellijk IX-9783-5/11 van kracht wordt. Gelet op het feit dat deze zwaarwichtige maatregelen disproportioneel zijn (zie derde middel) is het voor verzoekende partij zeer moeilijk, zo niet onmogelijk om ze binnen de […] strike termijnen te verwezenlijken en veroorzaken ze in ieder geval schade. De bedrijfsrevisor van verzoekende partij attesteert dat de gemiddelde kost van de in het bestreden besluit opgelegde bewakingsmaatregelen voor de periode van 14 oktober 2020 tot 30 november 2020 alleen al zal oplopen tot 106.223,15 euro excl. btw. Daartegenover staat de kost van de huidige bewakingsfirma, Security Masters, van 17.779,50 euro voor de periode van 14 oktober 2020 tot 30 november 2020, bij verderzetting van de bewa- kingsactiviteiten en zonder rekening te houden met de verplichtingen in het bestreden besluit. Bijgevolg is er sprake van een geraamde gemiddelde meerkost van maar liefst 88.443,64 euro (stuk 4), hetgeen een substantieel financieel nadeel impliceert voor verzoekende partij, naast de organisato- rische moeilijkheden die zij dient te ondergaan. Dit nadeel is zich inmiddels reeds aan het manifesteren, vermits verzoe- kende partij noodzakelijkerwijze, onder alle voorbehoud en louter teneinde een intrekking van haar beveiligingscertificatie te vermijden, de bewaking heeft gereorganiseerd zoals voorgeschreven in het bestreden besluit, het- geen in geen geval afbreuk doet aan de spoedeisendheid. Wel integendeel, dit toont des te meer aan dat een tussenkomst van Uw Raad dringend en noodzakelijk is om een einde te stellen aan de verdere onderworpenheid van verzoekende partij aan een disproportionele maatregel met zwaar- wichtige gevolgen.
- Vermits aan de niet-naleving van de flankerende maatregelen de on- middellijke inwerkingtreding van de intrekking van de beveiligingscerti- ficatie van verzoekende partij gekoppeld is, spreekt het voor zich dat de gewone schorsingsprocedure te laat zou komen om het gevreesde nadeel (hetzij de financiële/organisatorische impact van de flankerende maatre- gelen, hetzij de sanctionering van de niet-naleving van de maatregelen met intrekking) af te wenden. Doordat aan de niet-naleving van de voorwaarden onmiddellijk de intrek- king van de beveiligingscertificatie van verzoekende partij is gekoppeld, zonder dat verzoekende partij bijv. de kans krijgt om de vermeende niet-naleving van deze of gene voorwaarde te betwisten, is het des te be- langrijker dat er met de nodige spoed gehandeld wordt, teneinde te voor- komen dat de oplegging van de disproportionele maatregelen onmiddellijk, minstens op zéér korte termijn de intrekking van de beveiligingscertificatie van verzoekende partij tot gevolg zou hebben.
- Al het voorgaande klemt des te meer, aangezien het ministerieel be- sluit geen rechtmatige rechtsgrond kent (zie eerste middel), zodat verzoe- kende partij geconfronteerd wordt met een manifest onwettig overheids- optreden dat haar op zeer korte termijn zeer ernstige nadelen zal berokke- nen.
- Bijgevolg is voldaan aan de vereiste spoedeisendheid en uiterst drin- gende noodzaak, met name omdat een onmiddellijke tussenkomst van Uw Raad absoluut noodzakelijk is om de ernstige nadelen van de bestreden beslissing voor verzoekende partij te vermijden, en het resultaat van een IX-9783-6/11 gewone schorsingsprocedure, die al snel 3 à 4 maanden in beslag neemt, niet kan afgewacht worden.
- Verzoekende partij benadrukt dat zij diligent is opgetreden. Zij nam het bestreden besluit op 7 oktober 2020 in ontvangst van de havenkapitein van de Haven van Antwerpen, raadpleegde vervolgens vrijwel onmiddel- lijk haar raadsman en diende daaropvolgend onderhavig verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in binnen enkele dagen na inwerkingtreding van het bestreden besluit (zie RvS 9 oktober 2020, nr. 248.541, Bou-Oudi, waarin Uw Raad bevestigd heeft dat de indiening van een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid binnen tien dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing blijk geeft van een diligent optreden in hoofde van de verzoekende partij).
- Bijgevolg staan de spoedeisendheid en de uiterst dringende noodzaak onbetwistbaar vast.” Beoordeling 7.
- De Raad van State heeft in zijn rechtspraak met betrekking tot het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid al zo vaak eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure „bij uiterst dringende noodzake- lijkheid‟ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aan- wending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. 7.
- De verzoekende partij heeft te dezen allicht de vereiste spoed en diligentie aan de dag gelegd om de voorliggende vordering binnen een zo kort mogelijke termijn bij de Raad van State in te dienen. Hoewel het diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid een noodzakelijke vereiste is, volstaat het enkel voldoen aan deze eis op zich niet. IX-9783-7/11 7.
- Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereist dat de verzoe- kende partij aantoont het resultaat van de procedure ten gronde niet te kunnen afwachten, gelet op de aard of de impact van de schadelijke gevolgen die zij bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou ondergaan. Het komt er daarbij op aan voor een verzoekende partij om van de aangevoerde urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijden van de gewone schorsings- en an- nulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedures bijgevolg niet afge- wacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden on- derbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde hoogdringendheid inderdaad verantwoorden. De ur- gentie van de zaak wordt immers niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. 7.
- Uit haar betoog blijkt dat de verzoekende partij die schade enkel concretiseert voor wat betreft de gemiddelde kost van de in het bestreden besluit opgelegde bewakingsmaatregelen. Het lijken op het eerste gezicht de voorwaarden te betreffen bedoeld in artikel 2, 3° tot 5°, en 11°, d, van het bestreden ministerieel besluit. De verzoekende partij stelt dat zij de bewakingsactiviteiten in- middels heeft gereorganiseerd zoals voorgeschreven door het bestreden ministe- rieel besluit, hetgeen meteen weerspreekt dat de opgelegde bewakingsmaatregelen IX-9783-8/11 onmogelijk kunnen worden verwezenlijkt binnen de voorgeschreven termijn van één week. Het volstaat voorts niet dat de verzoekende partij, die een rechtspersoon is, de financiële implicaties van de gewraakte bewakingsmaatrege- len begroot om de hoogdringendheid te verantwoorden. Het staat aan de verzoe- kende partij om bijzondere redenen aan te voeren waaruit blijkt dat de omvang van dit financieel nadeel op haar situatie een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden gedurende de behandelingstermijnen van een gewone vordering tot schor- sing en een annulatieprocedure. Zoals hiervóór vermeld, valt het aan de verzoe- kende partij toe daarvan in het verzoekschrift zelf het bewijs aan te brengen mid- dels verifieerbare stukken, die inzicht bieden in de verhouding tussen de gemaakte kosten en de globale financiële toestand van de verzoekende partij. De attestering van de bedrijfsrevisor dat de opgelegde bewakingsmaatregelen een meerkost met zich meebrengen van 88.443,64 euro, schiet aldus tekort. 7.
- Door bijkomend de wettigheid van de bestreden beslissing te bekritiseren en de gemiddelde doorlooptijd van de gewone schorsingsprocedure op de korrel te nemen, toont de verzoekende partij de spoedeisendheid van haar vordering evenmin aan. De grondvoorwaarde van het voorhanden zijn van een ernstig middel is te onderscheiden van de grondvoorwaarde van de hoogdringendheid, waaraan afzonderlijk moet zijn voldaan. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan verder niet voortko- men uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling volledig uitwerking heeft gehad. IX-9783-9/11 7.
- De omstandigheid dat de verzoekende partij er gebeurlijk niet in zou slagen de intrekking alsnog af te wenden omdat het onmogelijk is een volledig nieuw veiligheidsplan op te stellen binnen een termijn van een tweetal weken, zoals de verzoekende partij op de terechtzitting aanvoert, komt met inachtneming van de voortgang in dit dossier en de rol van de verschillende actoren in het kader van de totstandkoming van een nieuw veiligheidsplan zoals tevens op de terecht- zitting besproken door de verwerende partij, in deze stand van het geding als hy- pothetisch voor. 7.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de uiterst dringende noodzakelijk- heid niet kan worden aanvaard.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- Het verzoek van Paul Wauters tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-9783-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9783-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.772 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div