id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.773 Rolnummer: A. 232029/IX-9784 Zaak: Arrest 248773 - Zeevaart - 28/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-29 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.773 van 28 oktober 2020 Economische zaken - Zeevaart Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.773 van 28 oktober 2020 in de zaak A. 232.029/IX-9784 In zake: de BV SECURITY MASTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, belast met Noordzee bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ciska Servais en Ruud De Houwer kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Paul WAUTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ciska Servais en Ruud De Houwer kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 oktober 2020, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het mi- nisterieel besluit van 6 oktober 2020 „houdende de intrekking van de veiligheids- beoordeling en het veiligheidsplan van de havenfaciliteit BEANR-0506, Mexico Natie‟. IX-9784-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 22 oktober 2020 heeft Paul Wauters gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020, om 12.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaten Thomas Eyskens en Maartje Jongbloet, die ver- schijnen voor de verzoekende partij en advocaten Ciska Servais en Ruud De Houwer, die verschijnen voor de verwerende partij en voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De bv Security Masters levert diensten zoals bepaald bij de wet van 2 oktober 2017 „tot regeling van de private en bijzondere veiligheid‟. Zij stelt sinds 1 januari 2013 bewakingsagenten ter beschikking van de nv Mexico Natie. 3.
- De nv Mexico Natie baat de havenfaciliteit met referentie BEANR-0506 uit. IX-9784-2/14 3.
- Op 2 oktober 2020 wordt de veiligheidsbeambte van de nv Mexico Natie gearresteerd op grond van een vermoeden van betrokkenheid bij grootschalige drugshandel. 3.
- Op 5 oktober 2020 brengt de Nationale Autoriteit voor Mari- tieme Beveiliging een gemotiveerd advies uit. 3.
- Bij het bestreden ministerieel besluit van 6 oktober 2020 van de minister belast met Noordzee wordt beslist de veiligheidsbeoordeling van 20 september 2018, het veiligheidsplan van 20 februari 2019 en het beveiligings- certificaat van 20 februari 2019, uitgereikt door de Nationale Autoriteit voor Ma- ritieme Beveiliging, in te trekken voor havenfaciliteit BEANR-0506, uitgebaat door de nv Mexico Natie (artikel 1). Artikel 2 van het bestreden ministerieel besluit bepaalt evenwel dat de intrekkingen bedoeld in artikel 1worden opgeschort tot en met 30 november 2020 indien de havenfaciliteit cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden: “1° de veiligheidsbeambte van de havenfaciliteit moet vervangen worden door een persoon uit het bestuur van Mexico Natie NV en een adjunct veiligheidsbeambte van de havenfaciliteit moet worden aangeduid; 2° de aangestelde veiligheidsbeambte en de adjunct veiligheidsbeambte moeten het bewijs leveren van bekwaamheid en bewijzen dat voldoende tijd aan de taak van veiligheidsbeambte kan worden besteed; 3° te allen tijde moeten twee bewakingsagenten van erkende beveili- gingsorganisaties op het terrein aanwezig zijn zodat er te allen tijde toe- gangscontrole kan worden gegarandeerd en er extra bewakingsrondes kunnen worden georganiseerd; 4° tijdens de aanwezigheid van een zeeschip aan de kade moet naast de bewakingsagenten in de bepaling onder 3°, één extra bewakingsagent van een erkende beveiligingsorganisatie worden voorzien die toezicht houdt in de buurt van het zeeschip tijdens de laad- en losoperaties van het schip; 5° de bewakingsagenten uit de bepalingen onder 3° en 4° moeten werk- nemers zijn van een erkende beveiligingsorganisatie die op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit geen werkzaamheden verricht voor Mexico Natie NV; 6° een veiligheidsinspectie zoals bedoeld in artikel 17.2.4 van Bijlage II van Verordening (EG) Nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de IX-9784-3/14 Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, moet worden uitgevoerd; 7° bij het aanmeren van een zeeschip moet de veiligheidsbeambte of de adjunct veiligheidsbeambte bedoeld in 1°, een veiligheidsverklaring, be- doeld in artikel 5 van Bijlage II van Verordening (EG) Nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, aan boord van het zeeschip opstellen waarin alle opgelegde maatregelen worden op- genomen; 8° een systeem van registratie van inkomende en uitgaande personen en voertuigen moet worden ingevoerd en dat te allen tijde ter beschikking is van het Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging en de Nationale Auto- riteit voor Maritieme Beveiliging; 9° het organiseren van een bewustwordingssessie voor het personeel van de havenfaciliteit; 10° een nieuwe veiligheidsbeoordeling wordt opgesteld uiterlijk op 23 oktober 2020 en een nieuw veiligheidsplan uiterlijk op 6 november 2020; 11° volgende documenten moeten elektronisch aan het Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging worden meegedeeld: a. wekelijks een samengevat rapport afkomstig van de bewakingsagenten bedoeld in 3° en 4°; b. een rapport van elke incident onmiddellijk na de vaststelling; c. een kopie van elke veiligheidsverklaring bedoeld in 9° binnen 6 uur na het aanmeren van het zeeschip; d. het bewijs dat de bepalingen onder 1° tot en met 5° werden uitgevoerd en dit binnen één week na de inwerkingtreding van dit besluit; e. het resultaat van de veiligheidsinspectie bedoeld in 6° binnen de twee weken na de inwerkingtreding van dit besluit; f. het bewijs dat de bewustwordingssessie bedoeld in 7° werd georgani- seerd binnen één maand na de inwerkingtreding van dit besluit.” Het bestreden ministerieel besluit is gesteund op de volgende motieven: “Overwegende dat op 2 oktober 2020 de veiligheidsbeambte van de ha- venfaciliteit BEANR-0506, uitgebaat door Mexico Natie NV, werd gear- resteerd op grond van vermoedens van betrokkenheid bij grootschalige drugshandel; Overwegende dat de veiligheidsbeambte van de havenfaciliteit verant- woordelijk is krachtens Verordening (EG) Nr. 725/2004 voor de beveili- ging van de havenfaciliteit door onder meer zorg te dragen voor de ont- wikkeling en onderhoud van het veiligheidsplan van de havenfaciliteit en ervoor te zorgen dat passende veiligheidsmaatregelen gehandhaafd blijven; IX-9784-4/14 Overwegende dat door de arrestatie van de veiligheidsbeambte niet langer kan gegarandeerd worden dat elementen van het veiligheidsplan niet door derden kunnen worden misbruikt; Overwegende dat de huidige veiligheidsbeoordeling werd uitgevoerd op 20 september 2018 en het veiligheidsplan werd goedgekeurd op 20 februari 2019; dat de Voorzitter van de Nationale Autoriteit op 20 februari 2019 het certificaat dat bevestigt dat de havenfaciliteit over een goedgekeurd vei- ligheidsplan beschikt, heeft uitgereikt; Overwegende dat de veiligheidsbeambte deel uitmaakt van de Raad van Bestuur van de havenfaciliteit; Overwegende dat jaarlijks ongeveer 90 zeeschepen bij de havenfaciliteit aanmeren voor schip/haven raakvlak interacties; Overwegende dat er slechts bewakingsagenten aanwezig zijn tussen 06.00 en 17.00 uur maar er operationele operaties worden uitgevoerd tussen 06.00 en 21.30 uur.” 3.
- Op 8 oktober 2020 brengt de nv Mexico Natie de verzoekende partij op de hoogte van het bestreden ministerieel besluit en deelt zij mee dat zij ingevolge dit besluit de samenwerking met de verzoekende partij zou moeten beëindigen. IV. Tussenkomst
- Paul Wauters, in zijn hoedanigheid van havenkapitein bij het Havenbedrijf Antwerpen, nv van publiek recht, blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet zijn verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij en de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uit- spraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. IX-9784-5/14 VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting
- De verzoekende partij motiveert de uiterst dringende noodzake- lijkheid van haar vordering als volgt: “
- Vooreerst staat vast dat verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie heeft gehandeld. Verzoekende partij heeft, na op 8 oktober 2020 kennis te nemen van het bestaan van de bestreden beslissing, onmiddellijk het nodige gedaan om: - een kopie van het Ministerieel Besluit dd. 6 oktober 2020 en bijhorend administratief dossier te bekomen vanwege de Minister (8 oktober 2020). Ingevolge een telefonisch contact met [J.B.], werkzaam bij de FOD Mobi- liteit, heeft verzoekende partij de openbaarheidsvraag gericht aan [G.v.L.] (9 oktober 2020), doch vergeefs. Uiteindelijk heeft verzoekende partij, na het weekend van 10 en 11 oktober 2020, via de raadsman van de Mexico Natie een afschrift van het Besluit ontvangen. Pas dan krijgt verzoekende partij voor het eerst kennis van de werkelijke draagwijdte van het Besluit, in het bijzonder ook van het art. 2, 10° en 11° van het Besluit en de daarin begrepen temporele methodiek. Enig administratief dossier of welke reactie dan ook op het openbaar- heidsverzoek blijft echter uit. Gegeven enerzijds het tijdsverloop, en anderzijds de vaststelling dat ver- werende partij toch geen administratief dossier lijkt te bezorgen, en dus bij gebreke aan afdoende kennis van de motivering van het bestreden besluit, ziet verzoekende partij zich verplicht om de procedurele keuze van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te maken.
- Ten overvloede verwijst verzoeker naar de rechtspraak van Uw Raad omtrent de diligentievereiste in zaken met een gelijkaardig tijdsverloop: IX-9784-6/14 - RvS 27 september 2017, nr. 239.229, Vandoorne: „Alleszins is „een hele week en een weekend‟ geenszins een tijdsverloop dat de uiterst dringende noodzakelijkheid tegenspreekt. Verzoeker heeft op een voldoende diligente wijze zijn vordering ingesteld.‟ - RvS 3 november 2016, nr. 236.347, Stamatapoulos: „Hoe een verzoeker, die binnen twaalf dagen na de bestreden evaluatiebe- slissing in rechte treedt, verweten kan worden niet diligent te handelen, is de Raad een raadsel. In zoverre mist het verweer alle ernst.‟ - RvS 17 maart 2006, nr. 156.542, Slootmans: „dat de vordering tot schorsing werd ingesteld op 4 maart 2006, d.i. 9 dagen na de kennisgeving van het bestreden besluit; dat de vordering tot schorsing met een voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed werd ingesteld;‟
- Een gewone schorsingsvordering zou bovendien te laat komen. In ieder geval wordt bij een gewone vordering tot schorsing voorzien in vijftien dagen tijd na ontvangst van de kennisgeving door de griffie van de indiening van het verzoekschrift om tussen te komen in de rechtspleging en voor de toezending van het administratief dossier en de nota van de ver- werende partij en eventueel van de tussenkomende partij. Hoewel er ver- volgens weliswaar acht dagen zijn voorzien voor het verslag van het Au- ditoraat, behoort het tot de algemene praktijk dat het auditoraat meerdere maanden nodig heeft om een verslag op te stellen, zodat deze ordetermijn zelfs niet richtinggevend kan worden beschouwd te zijn. Bovendien wordt pas na kennisneming van dit verslag door de Voorzitter van de Kamer de datum voor de behandeling vastgesteld. Krachtens art. 17, § 5 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State doet de Kamervoorzitter of de Staatsraad die hij aanwijst, weliswaar binnen 45 dagen uitspraak over de vordering tot schorsing. Maar ook deze termijn van 45 dagen is een termijn van orde, die in praktijk niet worden nageleefd. Zelf in het meest optimistische geval, leidt een uitspraak over een gewoon verzoek tot schorsing niet tijdig tot een uitspraak om de nadelen die uit de bestreden beslissing voortvloeien, te voorkomen. Deze uitspraak zou immers manifest vallen na 30 november 2020, terwijl hoger is aangetoond dat uiterlijk op deze datum een beslissing zal worden genomen die de voorlopige strekking van het art. 2.5° als het ware defini- tief verankert, met alle gevolgen vandien voor de reputatie en contractuele betrekkingen van verzoekende partij.
- Het Besluit is in werking getreden op 7 oktober
- Op 8 oktober 2020 laat Mexico Natie aan verzoekende partij haar intentie weten om de Bewakingsovereenkomst eenzijdig op te zeggen. Krachtens artikel 2, 11°, d van het bestreden besluit dient Mexico Natie tegen 13 oktober 2020 het bewijs mee te delen aan het Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging dat de bepaling onder artikel 2, 5° van het MB van 6 oktober 2020 is uitgevoerd. Tegen 13 oktober 2020 moet Mexico Natie derhalve een andere bewakingsfirma aanstellen voor de bewaking van hun site, en dit zeker tot en met 30 november
- IX-9784-7/14 De voorwaarde van art. 2, 5° maakt dat de bewakingsagenten werknemers moeten zijn van een erkende beveiligingsorganisatie die op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit - 7 oktober 2020 -, geen werkzaamheden verricht voor Mexico Natie NV. Verzoekende partij veronderstelt, nl. op basis van wat zij ter plaatse vaststelt, dat Mexico Natie intussen de bewa- kingsfirma Securitas heeft ingeschakeld op de havenfaciliteit, al is niet geweten op welke wijze deze dienstverlening contractueel is geregeld. Wat er ook van weze, als de uitvoerbaarheid van de Bewakingsovereen- komst met verzoekende partij precair kan worden door de uitvoerbaarheid van art. 2.5° van het Besluit, geldt het omgekeerde ook in geval van een schorsing van die bepaling. Men kan trouwens veronderstellen dat Mexico Natie geen regulier contract met Securitas heeft afgesloten, maar wel één waarin zij op de één of andere wijze heeft geanticipeerd op de schorsing van het Besluit dat zij zelf ook vordert. Minstens is het zo dat verwerende partij op 30 november 2020 een nieuwe overweging dient te maken, nl. omtrent de vraag of er op het ogenblik dat de schorsing van de intrekking volgens het Besluit een einde neemt, nog redenen zijn om de intrekking alsdusdanig te handhaven. Het is immers denkbaar dat de nieuwe veiligheidsbeoordeling en het nieuwe veilig- heidsplan (art. 2, 10° Besluit) tegen dan zijn goedgekeurd, zodat de in- trekkingsbeslissing tegen dan haar voorwerp verliest. De goedkeuring van de veiligheidsbeoordeling en veiligheidsplan - in te dienen op 23 oktober 2020 resp. 6 november 2020, zal logischerwijze ook rekening houden met de voorwaarde van art. 2, 5° van het Besluit. Het is daarom duidelijk dat het risico dat het lot van de bewakingsopdracht van verzoekende partij vanaf 23 oktober 2020 in het gedrang dreigt te komen, manifest is. Enkel een schorsingsarrest kan dit risico op korte termijn voorkomen en kan Mexico Natie ertoe aanzetten om opnieuw en verder uitvoering te geven aan de lopende bewakingsovereenkomst met verzoekende partij.
- De bestreden beslissing werd klaarblijkelijk genomen naar aanleiding van de arrestatie van het bestuurslid van Mexico Natie omwille van diens betrokkenheid bij een grootschalige drugshandel. Om een voor verzoe- kende partij volstrekt onduidelijke reden wordt Mexico Natie, wil zij de intrekking van het beveiligingscertificaat tot en met 30 november 2020 voorkomen, in het besluit de voorwaarde opgelegd andere beveiligings- agenten in te schakelen dan deze die momenteel werkzaamheden voor haar verrichten, en dus om te werken met een andere beveiligingsonderneming dan deze van verzoekende partij. In de aanhef van het bestreden besluit wordt in dit verband als volgt overwogen: „Overwegende dat op 2 oktober 2020 de veiligheidsbeambte van de ha- venfaciliteit BEANR-0506, uitgebaat door Mexico Natie NV, werd gear- resteerd op grond van vermoedens van betrokkenheid bij grootschalige drugshandel; Overwegende dat de veiligheidsbeambte van de havenfaciliteit verant- woordelijk is krachtens Verordening (EG) Nr. 725/2004 voor de beveili- ging van de havenfaciliteit door onder meer zorg te dragen voor de ont- IX-9784-8/14 wikkeling en onderhoud van het veiligheidsplan van de havenfaciliteit en ervoor te zorgen dat passende veiligheidsmaatregelen gehandhaafd blijven; Overwegende dat door de arrestatie van de veiligheidsbeambte niet langer kan gegarandeerd worden dat elementen van het veiligheidsplan niet door derden kunnen worden misbruikt; … Overwegende dat er slechts bewakingsagenten aanwezig zijn tussen 06.00 en 17.00 uur maar er operationele operaties worden uitgevoerd tussen 06.00 en 21.30 uur;‟ Er wordt dus een link gelegd tussen een schandaal van grootschalige drughandel en de beveiligingsagenten van verzoekende partij. Omdat de veiligheidsbeambte onbetrouwbaar is, zou hetzelfde gelden voor de be- wakingsagenten. Bovendien legt art. 2, 5° van het Besluit de verantwoor- delijkheid bij de betrokken „erkende beveiligingsorganisatie‟, en dus rechtstreeks bij verzoekende partij. Dit is uitermate schadelijk voor de re- putatie van verzoekende partij.
- Dit is bovendien volstrekt onbegrijpelijk en manifest onjuist. De bewakingsagenten die verzoekende partij ter beschikking stelt aan Mexico Natie zijn nooit verwikkeld geraakt in eender welke „obscure‟ ac- tiviteit. Steeds heeft Mexico Natie op de integriteit van deze bewakings- agenten kunnen vertrouwen. Bovendien heeft verzoekende partij nooit contacten onderhouden met de gearresteerde veiligheidsbeambte. De ge- arresteerde veiligheidsbeambte is pas sinds begin 2019 aan de slag bij de Mexico Natie, terwijl verzoekende partij reeds sinds 2013 werkt voor de Mexico Natie. Er valt niet in te zien waarom de bewakingsagenten van verzoekende partij worden gerelateerd aan de grootschalige drugshandel, en waarom zij plotseling onbetrouwbaar worden geacht. Zoals hoger al gesteld, heeft verzoekende partij […] enkel proces-verbaal ontvangen en wordt dit al evenmin in het bestreden besluit zelf ter sprake gebracht. Hierbij geldt dat de bestreden beslissing ten onrechte vooropstelt dat de bewakingsopdracht slechts van 6h tot 17h zou lopen. Dit is in werkelijk- heid van 5h tot 22h. Dit geldt des te meer voor de figuur van verzoekende partij zelf. Het be- hoeft geen toelichting dat dit soort verwijten de (haven)klantenportefeuille van verzoekende partij dreigt te treffen.
- Het spreekt voor zich dat het bestreden besluit voor verzoekende partij in dat opzicht een aanzienlijke reputatieschade met zich meebrengt. Het feit dat het besluit verzoekende partij onterecht in verband brengt met een drugsschandaal, doet een enorme afbreuk aan het beeld van haar be- trouwbaarheid. Dit klemt des te meer daar verzoekende partij een bewa- kingsfirma is, en het voor haar van uitermate groot belang is betrouw- baarheid en integriteit aan haar contractspartijen te kunnen garanderen. De bestreden beslissing legt derhalve een ernstige schandvlek op verzoekende partij. Het urgent karakter van de schorsing van een beslissing die de verzoekende partij zulk moreel nadeel berokkent, werd door de Raad van State reeds meerdere malen bevestigd. IX-9784-9/14 De gewone schorsingsprocedure zou te laat komen om aan deze nadelige gevolgen te voorkomen. Het is immers van belang dat de imagoschade die verzoekende partij door het bestreden besluit ondergaat, onmiddellijk wordt hersteld. Indien een gewone schorsingsprocedure zou moeten wor- den afgewacht, zou deze schade reeds een onherstelbaar karakter hebben. Verzoekende partij zal dan door geen enkele huidige of mogelijks toe- komstige contractspartner meer worden vertrouwd, wat logischerwijze een desastreuze impact zal hebben op de werking en financiële draagkracht van verzoekende partij.
- Er wordt terecht een beroep gedaan op de procedure bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid.” Beoordeling 8.
- De Raad van State heeft in zijn rechtspraak met betrekking tot het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid al zo vaak eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure „bij uiterst dringende noodzake- lijkheid‟ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aan- wending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. 8.
- De verzoekende partij heeft te dezen allicht de vereiste spoed en diligentie aan de dag gelegd om de voorliggende vordering binnen een zo kort mogelijke termijn bij de Raad van State in te dienen. Hoewel het diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid een noodzakelijke vereiste is, volstaat het enkel voldoen aan deze eis op zich niet. 8.
- Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereist dat de verzoe- kende partij aantoont het resultaat van de procedure ten gronde niet te kunnen IX-9784-10/14 afwachten, gelet op de aard of de impact van de schadelijke gevolgen die zij bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou ondergaan. Het komt er daarbij op aan voor een verzoekende partij om van de aangevoerde urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijden van de gewone schorsings- en an- nulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedures bijgevolg niet afge- wacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden on- derbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde hoogdringendheid inderdaad verantwoorden. De ur- gentie van de zaak wordt immers niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. 8.
- Door de gemiddelde doorlooptijd van de gewone schorsings- procedure op de korrel te nemen, toont de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering niet aan. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussen- komen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling volledig uitwerking heeft gehad. 8.
- In de mate dat de verzoekende partij de uiterst dringende nood- zakelijkheid steunt op de (mogelijke) beëindiging van de bewakingsovereenkomst IX-9784-11/14 met de nv Mexico Natie die zou voortvloeien uit het bestreden ministerieel besluit, moet vooreerst worden opgemerkt dat de verzoekende partij niet de geadresseerde is van dit besluit. Evenmin grijpt het bestreden ministerieel besluit rechtstreeks in op de bestaande rechtsverhouding tussen de verzoekende partij en de nv Mexico Natie. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, zet dit besluit de nv Mexico Natie er niet toe aan om de bewakingsovereenkomst met de verzoe- kende partij te verbreken. Het bepaalde in 3°, 4° en 5° van artikel 2 van het besluit, gelezen in onderlinge samenhang, lijkt enkel voor te schrijven dat in de periode tussen 6 oktober 2020 en 30 november 2020 de nv Mexico Natie er dient voor de zorgen dat er te allen tijde twee bewakingsagenten op het terrein van de havenfa- ciliteit aanwezig dienen te zijn en tijdens de aanwezigheid van een zeeschip aan de kade daarenboven nog één extra bewakingsagent die toezicht houdt in de buurt van het zeeschip tijdens de laad- en losoperaties van het schip. Die bewakingsagenten moeten werknemers zijn van een erkende beveiligingsorganisatie die op de dag van de inwerkingtreding van het bestreden ministerieel besluit geen werkzaam- heden voor de nv Mexico Natie verricht. De nv Mexico Natie moet bijgevolg op het eerste gezicht de bewakingsovereenkomst met de verzoekende partij niet stopzetten, maar enkel tijdelijk bijkomende bewakingsagenten van een andere erkende beveiligingsorganisatie aanstellen. De mededeling van 8 oktober 2020 van de nv Mexico Natie aan de verzoekende partij dat zij ingevolge het bestreden ministerieel besluit de sa- menwerking met de verzoekende partij zou moeten beëindigen waarnaar de ver- zoekende partij op de terechtzitting verwijst, lijkt daaraan geen afbreuk te doen. Elk initiatief om de bewakingsovereenkomst met de verzoekende partij te beëin- digen – zij het officieel dan wel feitelijk – lijkt dan ook voor rekening te zijn van de nv Mexico Natie. Het feit dat dergelijk initiatief zou zijn ingegeven door een an- dere lezing van de voornoemde bepalingen en van daaruit door de betrachting van de nv Mexico Natie om aldus de in het vooruitzicht gestelde intrekking af te wenden, is daarbij irrelevant. IX-9784-12/14 8.
- In de mate dat de verzoekende partij nog aanvoert dat het be- streden ministerieel besluit voor haar een aanzienlijke reputatieschade met zich meebrengt en haar (haven)klantenportefeuille dreigt te treffen, dient te worden vastgesteld dat in dit besluit nergens als dusdanig wordt geopperd dat ook de be- wakingsagenten van de verzoekende partij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan feiten gerelateerd aan grootschalige drugshandel, alsook dat de gelding van de gewraakte maatregel zeer tijdelijk is, namelijk tot 30 november
- Deze vast- stelling lijkt de ernst van het nadeel te ondergraven. Minstens maakt de verzoe- kende partij niet aannemelijk waarom in dergelijke omstandigheden de reputatie- schade niet zou kunnen worden verholpen door een gebeurlijke latere vernietiging. 8.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de uiterst dringende noodzakelijk- heid niet kan worden aanvaard.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- Het verzoek van Paul Wauters tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9784-13/14 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9784-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div