← België

Arrest 248784 - Milieuvergunningen - 29/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.784 Rolnummer: A. 222449/VII-40021 Zaak: Arrest 248784 - Milieuvergunningen - 29/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-12 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.784 van 29 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.784 van 29 oktober 2020 in de zaak A. 222.449/VII-40.021 In zake : 1. Jules DHOOGHE 2. Evelyne VAN GRONINGE 3. Peter VAN DEN CORPUT 4. Alice AERDEN 5. Toon VAN DEN CORPUT 6. Machteld BREBELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47a bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Maarten VISSERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout Collegestraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 17 april 2017 waarbij de bestuurlijke beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 29 september 2016, VII-40.021-1/29 houdende het verlenen aan Maarten Vissers van de milieuvergunning voor het exploiteren van een slachtkippenbedrijf, gelegen aan de Holleweg te Essen, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 239.673 van 26 oktober 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. VII-40.021-2/29 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 27 mei 2016 dient Maarten Vissers bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuw slachtkippenbedrijf, gelegen aan de Holleweg te Essen. Het voorwerp van de aanvraag bestaat concreet uit: - een brandstofverdeelslang; - plaatsen voor 83.000 slachtkippen; - het stallen van 25 bedrijfsvoertuigen; - de bovengrondse opslag van 2,125 ton (2.500 liter) mazout en 8,5 ton (2 x 5.000 liter) petroleum; - de opslag van 400 kg diverse gevaarlijke producten in kleine verpakkingen; - een noodstroomgenerator van 50 kW; - 8 heaters van elk 80 kW; - een grondwaterwinning met een opgepompt debiet van 7.100 m³/jaar (19,5 m³/dag) op een diepte van 155 meter. 3.2. Tijdens het openbaar onderzoek worden 75 bezwaren ingediend, ook door de verzoekende partijen die woonachtig zijn in de onmiddellijke omgeving van de geplande inrichting. 3.3. Bij besluit van 29 september 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning grotendeels. Enkel de vergunning voor het winnen van meer dan 6.000 m³ grondwater per jaar wordt geweigerd. Aan de verleende milieuvergunning wordt een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden verbonden. VII-40.021-3/29 3.4. Tegen deze vergunningsbeslissing wordt onder meer door de verzoekende partijen bestuurlijk beroep ingesteld bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt advies uitgebracht door:

  1. a)de afdeling Operationeel Waterbeheer op 13 december 2016 (deels gunstig);
  2. b)de dienst Integraal Waterbeleid op 14 december 2016 (voorwaardelijk gunstig);
  3. c)de dienst Milieueffectenrapportage op 21 december 2016 (gunstig);
  4. d)het Agentschap voor Natuur en Bos op 5 januari 2017 (gunstig);
  5. e)Ruimte Vlaanderen op 5 januari 2017 (voorwaardelijk gunstig);
  6. f)de afdeling Milieuvergunningen op 5 januari 2017 (voorwaardelijk gunstig);
  7. g)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 10 januari 2017 (deels gunstig). 3.6. Met het thans bestreden besluit van 17 april 2017 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de ingediende beroepen in die mate gegrond dat de in eerste aanleg opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden. De overige bepalingen van de beroepen deputatiebeslissing worden bevestigd. Het bestreden besluit steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat de beroepen ingediend door omwonenden betrekking hebben op het verlenen van de milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuw pluimveebedrijf met plaatsen voor 83.000 slachtkuikens in twee ammoniakemissiearme stallen (P-6.4 Warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag); dat er eveneens een landbouwloods wordt voorzien; Overwegende dat in een straal van 100 m rondom de perceelgrens van de inrichting vijf woningen zijn gelegen; dat de dichtste woning een landbouwwoning is (ten westen); dat de niet-landbouwwoning die het dichtst tegen de stallen komt te liggen, gelegen is op circa 110 m (ten westen); Overwegende dat de inrichting gelegen is op circa 290 m (NW), op circa 420 m (ZW) en op circa 680 m (ZO) van een woongebied met landelijk karakter, op circa 850 m van een woonuitbreidingsgebied en op circa 1,2 km van een woongebied; […]; VII-40.021-4/29 Overwegende dat de gemeente in haar advies van 10 augustus 2016 stelde dat zij niet gunstig of ongunstig kan adviseren omdat voor de advisering van dit dossier de te voorziene concrete impact op een aantal punten onvoldoende onderzocht en gekend is; dat het college in haar advies aan de provinciale milieuvergunningscommissie en de deputatie vroeg om in hun beoordeling uitdrukkelijk rekening te houden met enkele aandachtspunten en deze bijkomend te onderzoeken; dat deze aandachtspunten betrekking hebben op de opmaak van een project-MER, de inplanting van de geplande exploitatie, het erfbeplantingsplan, de geur-, stof- en ammoniakimpact en het veelvuldig gebruik van de Holleweg als fietsverbinding; Overwegende dat de inrichting overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies een GPBV (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)-installatie betreft waarvoor in toepassing van artikel 2.1.1 van titel III van het VLAREM uitdrukkelijk is gesteld dat alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging moeten getroffen worden door toepassing van de beste beschikbare technieken zodat geen belangrijke verontreiniging veroorzaakt kan worden; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III van het project-m.e.r.-besluit, meer bepaald in de categorieën „Intensieve veeteeltbedrijven‟ en „Werken voor het onttrekken van grondwater‟; dat de aanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota bevat en werd getoetst aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage II bij het DABM, namelijk aan de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiel effect, zoals hierna zal worden beoordeeld; Overwegende dat er twee nieuwe ammoniakemissiearme stallen worden gebouwd van circa 90 m op 22 m met plaats voor in totaal 83.000 slachtkippen en een loods van 20 m op 35 m; dat de inrichting gelegen is in een gebied zonder wettelijk beschermde schoonheidswaarde en niet gelegen is in de nabijheid van een beschermd landschap of een stads- of dorpsgezicht; dat een erfbeplantingsplan is opgemaakt zodat het bedrijf wordt geïntegreerd in het landschap; dat er bijgevolg geen aanzienlijke effecten op het landschap worden verwacht; Overwegende dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied; dat in de buurt nog twee landbouwgerelateerde bedrijven gelegen zijn; dat de dichtste niet-landbouwwoning gelegen is op circa 110 m van de stallen (ten westen); dat wordt voldaan aan de afstandsregel opgenomen in artikel 5.9.5.3, §5, van titel II van het VLAREM; dat de inrichting gelegen is op circa 1,8 km van beschermde natuurwaarden; Overwegende dat in de project-m.e.r.-screeningsnota verwezen wordt naar een geurstudie, een stofstudie en het resultaat van de voortoets met betrekking tot verzurende en vermestende effecten; dat er geen negatief effect wordt verwacht op het vlak van geur of stof; dat uit de voortoets blijkt dat er geen aanzienlijke effecten zijn op speciale beschermingszones; dat er bijgevolg geen aanzienlijke effecten zijn op het vlak van verzuring en vermesting; Overwegende dat een klein deel van het perceel is ingekleurd als effectief overstromingsgevoelig gebied; dat het regenwater van de daken wordt gebufferd in een regenwaterbuffer van 83 m³ met een overloop naar een infiltratievoorziening op het eigen terrein met een volume van 360 m³ en een VII-40.021-5/29 oppervlakte van 157,5 m²; dat er bijgevolg geen aanzienlijke effecten zijn op het vlak van waterhuishouding en waterberging; Overwegende dat het bedrijf niet gelegen is in een beschermingszone voor waterwingebieden; dat het grondwater wordt gebruikt voor hoogwaardige toepassingen; dat de invloedstraal van de grondwaterwinning is bepaald in worst case omstandigheden; dat deze invloedstraal 127 m bedraagt; dat binnen deze invloedstraal louter een actief uitgebaat agrarisch gebied is gelegen; dat er volgens de biologische waarderingskaart waardevolle elementen voorkomen binnen deze invloedstraal; dat deze elementen weinig kwetsbaar zijn tot kwetsbaar; dat de effecten slechts zeer beperkt zullen zijn; dat het grondwater wordt gewonnen op een diepte van 155 m uit een afgesloten laag; dat bijgevolg de invloed aan de oppervlakte minimaal is; dat er geen risico is op verdroging zodat er geen aanzienlijke effecten zijn op het grondwatersysteem, veroorzaakt door de grondwaterwinning; Overwegende dat het aantal transporten beperkt is tot circa 347 per jaar; Overwegende dat zoals bovenvermeld blijkt, de aanvraag afdoende werd getoetst aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage II bij het DABM; dat werd vastgesteld dat in het licht van de kenmerken van het project, de plaatselijke omstandigheden en de kenmerken van zijn potentiële effecten, er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn; dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn om de vergunningsaanvraag te beoordelen en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten, conform artikel 35, 1°bis, van titel I van het VLAREM; dat bijgevolg voor onderhavige aanvraag geen milieueffectenrapport moet worden opgemaakt; Overwegende dat in de onderstaande overwegingen de aanvaardbaarheid van de mogelijke hinder en de effecten op mens en milieu en de risico's voor de externe veiligheid veroorzaakt door de gevraagde inrichting wordt beoordeeld; […]; Overwegende dat een geurstudie is opgemaakt; dat in de geurstudie een inschatting wordt gemaakt van de te verwachten geurhinder afkomstig van de exploitatie; dat het bedrijf een geuremissie heeft van 19.920 OUe/s; dat deze geurstudie is opgemaakt conform de richtlijnen opgenomen in het MER-richtlijnenboek Landbouwdieren

(2011); dat de inschatting wordt gemaakt aan de hand van een aantal modelmatige aannames en inputgegevens (emissiekengetallen, gemiddelde meteogegevens); dat het gebruikte IFDM-model zijn deugdelijkheid heeft bewezen in andere (landbouw)dossiers en bijgevolg kan worden aanvaard; dat er bijgevolg geen aanleiding toe bestaat om het gebruik van een ander model te eisen; Overwegende dat een cumulatieve geurstudie is uitgevoerd waarin rekening gehouden wordt met twee andere relevante landbouwbedrijven (gemend bedrijf met 1.997 vleesvarkens, 300 zeugen, 3 beren en 263 runderen en een pluimveehouderij met 19.500 slachtkuikens) in de omgeving; dat de geurimmissie is berekend voor 24 relevante woningen; dat er binnen een straal van 300 m rond de stallen vijf woningen zijn gelegen; dat deze woningen gelegen zijn in agrarisch gebied; dat deze woningen de grootste impact zullen hebben op het vlak van geur veroorzaakt door de geuremissie van het bedrijf; […]; VII-40.021-6/29 Overwegende dat ter hoogte van de woningen in agrarisch gebied in de nabije omgeving van het bedrijf de geurimmissie in de gewenste situatie maximaal 5,5 OUe/m³ bedraagt; dat in agrarisch gebied een negatief effect bereikt wordt vanaf 10 OUe/m³; dat deze drempel duidelijk niet wordt bereikt in de gewenste situatie; dat ter hoogte van de meest relevante woningen in woongebied met landelijk karakter, de geurimmissie in de gewenste situatie maximaal 3,9 OUe/m³ bedraagt; dat in een woongebied met landelijk karakter een negatief effect bereikt wordt vanaf 5 OUe/m³; dat deze drempel duidelijk niet wordt bereikt in de gewenste situatie; dat op basis van deze studie kan gesteld worden dat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat er fasevoedering wordt gebruikt om de voederconversie zo laag mogelijk te houden; dat een type strooisel wordt gekozen met een hoge absorptiecapaciteit, zoals een mengeling van houtkrullen en stro; dat samengeklit strooisel bij de dagelijkse controle zal worden verwijderd; dat de drinknippels dagelijks worden gecontroleerd om waterverlies te beperken; dat de stal, inclusief warmtewisselaar, na iedere ronde wordt gereinigd; dat deze maatregelen voorkomen in Omzendbrief LNE2012/1 „Milderende maatregelen voor geuremissies die afkomstig zijn van bestaande varkens- en pluimveestallen in Vlaanderen‟, zodat kan worden aangenomen dat deze een gunstig effect kunnen hebben op de geuremissie; dat in Omzendbrief LNE2012/1 een geurreductie van 5% wordt toegekend indien deze maatregelen worden toegepast; dat deze reductie niet kan worden doorgerekend omdat Omzendbrief LNE2012/1 alleen van toepassing is op traditionele stallen; dat deze reductie in de geurstudie dan ook niet werd meegenomen, zodat in de geurstudie de worst-case werd beschouwd; Overwegende dat de PM10-stofemissie 1.660 kg/j bedraagt en de PM2,5-stofemissie 132,8 kg/j; dat de gemiddelde achtergrondconcentratie in 2014 voor PM10 tussen de 16 en 20 µg/m³ bedraagt; dat er voor zes woningen in de buurt een stofimmissie tussen 0,4 µg/m³ en 1,2 µg/m³ wordt verwacht; dat gelet op de achtergrondconcentratie en de berekende stofimmissie er kan gesteld worden dat de wettelijke norm van 40 µg PM10/m³ niet zal overschreden worden door de stofemissies afkomstig van het bedrijf; Overwegende dat de warmtewisselaars een stofreducerend effect hebben; dat in het bestreden besluit is opgelegd dat de lamellen regelmatig moeten worden gereinigd, zodat de goede werking gegarandeerd blijft; Overwegende dat bijgevolg de stofhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat de deputatie in het bestreden besluit stelde dat de stallen van een stofbak moeten worden voorzien; dat de beroepsindieners echter in het beroepschrift aanhalen dat het voorzien van een stofbak een ontoereikende maatregel is om geurhinder tegen te gaan en dat het effect te vergelijken is met een windsingel; dat dergelijke maatregel pas toegepast kan worden als er binnen een straal van 100 m geen woningen voorkomen aangezien er kort na de windsingel een zone met potentieel hogere geurconcentraties voorkomt; dat een gelijkaardig negatief effect wordt bekomen met een stofbak; dat hieruit dus blijkt dat de beroepsindieners geen voorstander zijn van de opgelegde maatregel; dat gezien het bedrijf ook zonder het plaatsen van een stofbak geen onaanvaardbare geur- en stofhinder veroorzaakt, de stofbak geschrapt kan worden; […]; VII-40.021-7/29 Overwegende dat de inrichting gelegen is in het „Maasbekken‟; dat het perceel deels gelegen is in effectief overstromingsgevoelig gebied (noordwestelijke hoek) en deels in niet overstromingsgevoelig gebied; dat het bedrijf deels gelegen is in een recent overstroomd gebied (november 2010); dat het recent overstroomd gebied op het perceel van de aanvraag overeenkomt met het effectief overstromingsgevoelig gebied; dat dit deel van het perceel circa 0,16 ha groot is; dat het totale perceel 2,24 ha groot is; Overwegende dat in totaal circa 6.033 m² verharde oppervlakten worden voorzien, bestaand uit 1.373 m² verharde oppervlakte en 4.660 m² dakoppervlakte; dat een deel van de verhardingen uitgevoerd zal worden in doorlatende materialen of zal afwateren naar de omliggende natuurlijke bodembedekking; Overwegende dat alleen verhardingen worden voorzien die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering; Overwegende dat het perceel 40 cm lager ligt dan de Holleweg; dat er 60 cm opgehoogd zal worden, zodat 20 cm boven straatniveau wordt gebouwd; dat dit een gebruikelijke hoogte is; dat alleen de plaatsen waar de stallen en de loods komen te staan opgehoogd zullen worden; dat de andere delen van het perceel niet opgehoogd zullen worden; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5, 6°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid het hemelwater zoveel mogelijk moet worden verdampt of nuttig aangewend of geïnfiltreerd en dat het overtollig hemelwater en effluentwater gescheiden van het afvalwater en bij voorkeur op een vertraagde wijze via het oppervlaktewaternet moet worden afgevoerd; Overwegende dat het hemelwater afkomstig van de daken van de stallen en de loods wordt opgevangen in een regenwateropvang van in totaal 83 m³ onder de loods met overloop naar een infiltratievoorziening; dat dit regenwater zal gebruikt worden voor de reiniging van het sanitaire sas in de loods; dat er ook een infiltratievoorziening wordt voorzien onder de vorm van een aarden gracht met een volume van 360 m³ en een oppervlakte van 157,5 m² (ten noorden van de stallen); dat het water afkomstig van de betonverharding zal infiltreren in naastliggend groen; dat de voorziene hemelwateropvang (83 m³) groter is dan de vereiste 10 m³ volgens de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; dat de inrichting dus voldoet aan deze verordening; dat het aangewezen is om de hemelwateropvang met infiltratievoorziening op te leggen in een bijzondere voorwaarde; Overwegende dat er geen bedrijfsafvalwater wordt geloosd; dat een minieme hoeveelheid huishoudelijk afvalwater afkomstig is van het sanitaire sas; dat het bedrijf volgens de zoneringsplannen niet is ingedeeld in één van de zuiveringszones; dat volgens artikel 6.2.2.1.1, §2, van titel II van het VLAREM de lozingsvoorwaarden voor individueel te optimaliseren buitengebied van toepassing zijn, tenzij kan worden aangesloten op een centraal gebied of een collectief geoptimaliseerd buitengebied; dat conform artikel 6.2.2.4.1, §1 en §2, van titel II van het VLAREM het lozen van huishoudelijk afvalwater moet gebeuren via een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater tenzij kan worden aangesloten op een collectief geoptimaliseerd buitengebied; Overwegende dat de waterbeheerder, zijnde de dienst Integraal Waterbeleid van de provincie Antwerpen, een gunstig advies verleende op 14 juli 2016 in VII-40.021-8/29 de stedenbouwkundige procedure; dat hierin gesteld wordt dat de aanvraag verenigbaar is met de doelstellingen van het Decreet Integraal Waterbeleid (artikel 5) aangezien het effect verwaarloosbaar is wanneer men zich houdt aan de algemene wettelijke voorwaarden; dat deze algemene wettelijke voorwaarden de volgende zijn:  niet functionele verharde oppervlakten moeten worden vermeden; eventuele verhardingen zijn bij voorkeur waterdoorlatend; het dakwater moet zoveel mogelijk hergebruikt worden; het overige afstromende hemelwater moet worden geïnfiltreerd en/of, wanneer de bodem geen of slechts beperkte infiltratie toelaat, gebufferd; slechts een zeer beperkte hoeveelheid mag worden afgevoerd; er moet minstens voldaan zijn aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater;  het is verboden afvalwater te lozen in de regenwaterafvoerleiding en regenwater in de droogweerafvoerleiding; het is verboden afvalwater te lozen in oppervlaktewater als er kan aangesloten worden op een droogweerafvoerleiding; de lozing van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren of in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater moet voldoen aan de voorwaarden opgenomen in het VLAREM; Overwegende dat de waterbeheerder, zijnde de dienst Integraal Waterbeleid van de provincie Antwerpen, een gunstig subadvies verleende op 14 december 2016 in deze beroepsprocedure; dat er gesteld wordt dat het project paalt aan en een deeltje ligt in een gebied dat opgenomen werd in de kaarten van recent overstroomde gebieden (november 2010); dat om de overstromingsproblemen in de omgeving niet te verergeren, het verlies van waterbergingsruimte dan ook vermeden moet worden; dat het verlies in waterbergingsruimte gecompenseerd kan worden door een oppervlakkige afgraving op het terrein (afgravingen onder het grondwaterniveau zijn echter niet effectief); dat een ophoging in elk geval alleen toegelaten is ter hoogte van de gebouwen zelf; dat het omliggende terrein in geen geval opgehoogd mag worden; dat doordat het vloerpeil van het toekomstig aan te leggen gebouw voldoende hoog gekozen werd, er overstromingsvrij gebouwd wordt; dat bij de plaatsing van een hemelwaterput, een ondergrondse (mest)kelder, een ondergrondse brandstoftank en een verwarmingsketel er op gelet moet worden dat er geen (verontreinigd) overstromingswater de put kan binnendringen; dat er verwezen wordt naar de algemene wettelijke voorwaarden en naar de volgende specifieke voorwaarden:  de ophoging moet zich beperken tot het gebouw en de toegang tot het gebouw;  er moet overstromingsvrij gebouwd worden; de eigenaar moet alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen om waterschade aan zijn eigen goed te voorkomen; dat het aangewezen is dat deze specifieke voorwaarden opgelegd worden in de bijzondere voorwaarden; Overwegende dat uit bovenvermelde overwegingen blijkt dat de vergunningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en dat er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht; […]; Overwegende dat ter hoogte van het biologisch landbouwbedrijf een geurimmissie wordt gemodelleerd tussen 5 OUe/m³ en 10 OUe/m³; dat dit VII-40.021-9/29 bijgevolg geen negatief effect is; dat een stofimmissie tussen 0,4 µg/m³ en 1,2 μg/m³ wordt verwacht; dat de wettelijke norm van 40 µg PM10/m³ niet zal worden overschreden; dat bijgevolg ook kan gesteld worden dat ter hoogte van het biologisch landbouwbedrijf geen negatieve effecten worden verwacht; […]: Overwegende dat de inrichting gelegen is langs de smalle bitumineus verharde gemeenteweg, met zijdelingse grasverharde bermen; dat dergelijk soort wegenis erg courant voorkomt in landbouwgebieden en op zich derhalve geen bezwaar kan zijn voor de exploitatie; dat het hierbij belangrijk is dat vrachtwagens op het eigen domein kunnen parkeren en manoeuvreren; Overwegende dat mits het voorzien van het groenscherm en de bovenvermelde faciliteiten op het terrein zelf voor het parkeren en manoeuvreren, de goede ruimtelijke ordening van de plaats niet in het gedrang komt; […]”. 3.
  1. De met de milieuvergunning overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning werd op 22 december 2016 verleend door de deputatie van de provincieraad van Antwerpen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft de stedenbouwkundige vergunning in eerste instantie geschorst bij arrest nr. RvVb/S/1718/0042 van 12 september 2017 en vervolgens vernietigd bij arrest nr. RvVb/A/1718/1238 van 28 augustus
  2. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  3. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 17 en 20, zesde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), de artikelen 30bis, § 1, en 52, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, doordat zij in hun bezwaarschrift en beroepschrift hebben VII-40.021-10/29 gewezen op de nadelige effecten van de vergunningverlening voor hun leef-, woon- en werkomgeving vanuit het oogpunt van geur- en stofhinder en vanuit het oogpunt van hun gezondheid als omwonenden. Ter zake verwijzen zij ook naar het ongunstige advies van de gemeente Essen. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen heeft de geopperde onzekerheden onderkend en bijzondere voorwaarden opgelegd, die door de verzoekende partijen werden bekritiseerd als inefficiënt. De gebruikte, zuiver modelmatige benadering van IFDM is immers onzeker en ongenuanceerd. Ondanks deze kritiek werden de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden geschrapt, waardoor de verwerende partij op volstrekt ongemotiveerde wijze voorbijgaat aan de geuite kritiek op de inefficiënte en contraproductieve maatregel van de stofbakken en de louter IFDM-modelmatige beoordeling van de aanvraag, aldus de verzoekende partijen. Daarnaast legt de verwerende partij in het kader van de uitvoering van de watertoets de verplichting op om enerzijds de ophoging van het perceel waarop de inrichting gelegen is, te beperken tot het gebouw en de toegang tot het gebouw. Anderzijds geldt de verplichting voor de tussenkomende partij om “overstromingsvrij” te bouwen en alle mogelijke maatregelen te nemen om waterschade aan haar eigen goed te voorkomen. De beide opgelegde voorwaarden, die noodzakelijk zijn vanuit het oogpunt van de watertoets, blinken uit in vaagheid en vormen een louter vrijblijvend gegeven voor de exploitant. De concrete omvang van de toegelaten ophoging valt niet af te leiden uit de bestreden beslissing en de daarin opgenomen vergunningsvoorwaarde. Wat de concrete verplichtingen zijn van de exploitant met betrekking tot het overstromingsvrij bouwen is evenmin duidelijk. De voorwaarden zijn ook niet voldoende precies geformuleerd in het licht van de aanvraag, aangezien er slechts sprake is van één gebouw, terwijl de door de tussenkomende partij beoogde inrichting meerdere gebouwen omvat (twee kippenstallen en een grote machineloods). Ten slotte merken de verzoekende partijen op dat de vergunningsvoorwaarde die ertoe strekt dat de toegelaten ophoging van het terrein beperkt moet blijven tot het gebouw en de toegang tot het gebouw, tegenstrijdig is met de overwegingen van de bestreden beslissing met betrekking tot de mobiliteitsproblematiek. De bestreden beslissing erkent immers een nijpende VII-40.021-11/29 mobiliteitsproblematiek in de Holleweg, en stelt in die context dat de tussenkomende partij parkeerruimte en manoeuvreerruimte moet voorzien op het eigen terrein en dit om de openbare weginfrastructuur maximaal te ontlasten. De betrokken overwegingen en de opgelegde bijzondere voorwaarde staan op gespannen voet met elkaar gelet op de minimaal toegelaten ophoging en verhardingen in het kader van de watertoets. Volgens de verzoekende partijen bevat het dictum van de vergunningsbeslissing overigens geen bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de op het eigen terrein aan te leggen parkeer- en manoeuvreerruimte, ondanks er zeer duidelijk wordt aangegeven dat de aanvraag slechts verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening indien dergelijke parkeer- en manoeuvreerruimte op het eigen terrein wordt voorzien.
  4. De verwerende partij antwoordt dat zij door de devolutieve werking van het bestuurlijk beroep niet gebonden was door het advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen, noch door de motieven van de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing. Zij stelt dat de verwachte geur- en stofhinder werd onderzocht en aanvaardbaar bevonden en dat de plaatsing van een stofbak niet noodzakelijk werd geacht. De verwerende partij erkent dat een stofbak niet efficiënt is, maar volgens haar betekent zulks niet dat er sprake zal zijn van onaanvaardbare hinder. Voorts spreekt zij tegen dat de opgelegde bijzondere voorwaarden inzake de ophoging en het overstromingsvrij bouwen onduidelijk en louter vrijblijvend zouden zijn. Met betrekking tot de omvang van de vereiste ophoging wordt in de bestreden beslissing duidelijk gesteld dat het gaat over de bebouwde grondoppervlakte van de drie gebouwen op het terrein (twee stallen en een loods). Wat betreft het overstromingsvrij bouwen blijkt volgens de verwerende partij uit de vergunningsaanvraag dat de exploitant de nodige maatregelen in het vooruitzicht stelt. De uitvoering van die maatregelen wordt in de bestreden vergunningsbeslissing als bijzondere voorwaarde opgelegd. Tot slot laat de verwerende partij gelden dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de mobiliteitsproblematiek en de vereiste VII-40.021-12/29 maatregelen in het kader van de beheersing van de overstromingsproblematiek.
  5. De tussenkomende partij betoogt dat uit de bestreden beslissing afdoende blijkt dat de modellering van de te verwachten geurhinder tot zeer gunstige resultaten leidt omdat er sprake is van een significante “onderschrijding” van de geurnormen. In dat verband beklemtoont zij dat de gebruikte IFDM-modellering een wettelijk aanvaarde techniek is en dat zij niet verplicht kan worden om een andere techniek voor de beoordeling van de mogelijke geurhinder te hanteren. Volgens haar wordt ook niet aangetoond dat uit het gebruik van een andere onderzoeksmethode onaanvaardbare geurhinder zou blijken of dat andere bijzondere vergunningsvoorwaarden zouden moeten worden opgelegd. Met betrekking tot het gebruik van stofbakken werpt de tussenkomende partij tegen dat de verzoekende partijen zelf erkennen dat het gebruik ervan precies meer geurhinder in de omgeving kan veroorzaken, zodat vragen rijzen bij het opwerpen van de kritiek dat de bijzondere vergunningsvoorwaarde daaromtrent wordt geschrapt. Zij benadrukt dat in het middel niet wordt weerlegd dat bij de exploitatie van de inrichting zonder stofbakken de geurnormen kunnen worden nageleefd. Voorts zet zij uiteen dat de opgelegde voorwaarden met betrekking tot de ophoging en het “overstromingsvrij bouwen” voldoende duidelijk zijn. Uit de bestreden beslissing kan worden afgeleid dat door de inplanting van de constructies op een vloerniveau (+ 0.20 m) de inrichting overstromingsvrij zal worden gebouwd en dat deze ophoging enkel toegelaten is voor de gebouwen en hun toegang. Deze voorwaarden vloeien trouwens voort uit de verleende stedenbouwkundige vergunning. Volgens de tussenkomende partij is er helemaal geen sprake van onduidelijke voorwaarden omdat de verplichting tot ophoging slaat op alle aangevraagde constructies en hun toegang. Over de beweerde ongerijmdheid tussen de verhardingen en de mobiliteitsproblemen, ontkent de tussenkomende partij dat uit de bestreden beslissing zou blijken dat er sprake is van een mobiliteitsproblematiek. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de ontsluiting van de inrichting VII-40.021-13/29 problematisch zou zijn en evenmin dat de Holleweg het te verwachten verkeer van landbouwvoertuigen niet kan dragen.
  6. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen het volgende: “[…] De stelling van de verwerende partij dat de devolutieve werking van het administratief beroep ertoe zou leiden dat geen rekening moet worden gehouden met in eerste administratieve aanleg afgeleverde adviezen, getuigt van een te ruime invulling van het concept van de devolutieve werking van het administratief beroep. De devolutieve werking van het administratief beroep impliceert dat de beroepsinstantie de aanvraag aan een eigen onderzoek dient te onderwerpen en een eigen oordeel dient te vormen over de aanvraag en dat de beslissing van de administratieve beroepsinstantie de beslissing in eerste administratieve aanleg vervangt, waardoor deze laatste geen rechtsgevolgen meer verleent. De beroepsinstantie is evenwel nog steeds gehouden als zorgvuldig handelende vergunningverlener om rekening te houden met alle elementen van het dossier (waaronder vb. ook het gemeentelijk advies verstrekt aan de deputatie) of vb. bezwaren of andere adviezen die in eerste aanleg zijn verleend. […] De verwerende partij heeft de kritiek van de verzoekers op de voorwaarde van de stofbakken afgeblokt door de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarde zonder meer te schrappen en dit zonder verder te onderzoeken welke betere alternatieven er voor deze vergunningsvoorwaarden handen zou zijn. De stelling van de verwerende partij dat dit eenvoudigweg kon, aangezien nog twee andere bijzondere voorwaarden zouden zijn opgelegd, overtuigt niet. De aangehaalde maatregelen die behouden blijven, met name het ammoniakemissiearme stalsysteem P-6.
  7. (warmtewisselaar met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag) en het regelmatig zuiver maken van de lamellen van de warmtewisselaar zijn ammoniakreducerende maatregelen maar geen geurbeperkende maatregelen. […] Uit de bestreden beslissing blijkt zeer duidelijk dat de woningen van de verzoekers allen een grote stijging van de geurimissie ondergaan, zelfs volgens IFDM-modellering. De stelling dat er een onderschrijding zou optreden volgens het geurkader (volgens IFDM), zoals verkondigd door de tussenkomende partij is in die zin ook weinig relevant. Dit geldt des te meer in het licht van de door de gemeente en de deputatie beaamde onzekerheid m.b.t. een zuiver modelmatige benadering van de geur- en stofproblematiek voor wat betreft de omwonenden in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf enerzijds en de door de verzoekende partijen geuitte bezwaren anderzijds. Verzoekers hebben in hun bezwaarschrift ook gevraagd om toepassing te maken van het nieuwe IMPACT-model. […] Klaarblijkelijk is de verwerende partij van mening dat, indien er kritiek komt op de gekozen vergunningsvoorwaarde (om reden dat de door de deputatie noodzakelijk geachte en opgelegde voorwaarde niet efficiënt en zelfs contraproductief is voor de situtatie), er dan maar geen voorwaarden moeten worden opgelegd. De kritiek van de verzoekers impliceert nochtans VII-40.021-14/29 niet dat er geen vergunningsvoorwaarden moeten worden opgelegd, maar wel dat er efficiënte voorwaarden moeten worden opgelegd, of dat de vergunning bij gebrek aan efficiënte vergunningsvoorwaarden, moet worden geweigerd. […] De verwerende partij gaat op een kennelijk onredelijke en onzorgvuldige manier aan deze kritiek voorbij. Dit geldt des te meer in het licht van de door de gemeente Essen uitgebrachte advisering (met name onzekerheid omtrent de juistheid van de inschatting van concrete geurimpact bij een loutere modelmatige beoordeling via IFDM) en gelet op het feit dat de deputatie van de provincie Antwerpen het opleggen van een bijkomende vergunningsvoorwaarden in dit concrete geval wel noodzakelijk achtte. […] Door de voorwaarde van de stofbakken boudweg te schrappen, zonder alternatieve bijzondere vergunningsvoorwaarde te voorzien, heeft de verwerende partij de in dit middel aangehaalde bepalingen geschonden. Alleszins gaat zij op volstrekt ongemotiveerde wijze voorbij aan de door verzoekers geuitte kritiek op de inefficiënte en contraproductieve maatregel van de stofbakken enerzijds en om de louter IFDM-modelmatige beoordeling van de aanvraag anderzijds. […] Het blinde vertrouwen op het IFDM-model van de verwerende partij in de bestreden beslissing is daarenboven des te problematischer aangezien de verwerende partij zelf op de website van het departement Omgeving te kennen geeft dat er sedert 31 januari 2017 gebruik wordt gemaakt van de „Immission Prognosis Air Concentration Tool‟ (IMPACT): „Wat is IMPACT en waarvoor gebruik je het? IMPACT staat voor „Immission Prognosis Air Concentration Tool‟. De tool, gelanceerd op 31 januari 2017, laat toe om concentraties en deposities van polluenten die zich via de lucht verspreiden in de nabijheid van een (agro-)industriële bron te berekenen en op een gebruiksvriendelijke manier te visualiseren. IMPACT is de opvolger van IFDM-PC, de software die sinds 1996 voor dergelijke berekeningen werd gebruikt. IMPACT is een beslissingsondersteunend instrument waarmee je kan nagaan:  wat de impact is van een bron van luchtverontreiniging of geurhinder op haar omgeving,  of er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsdoelstellingen of geurconcentratienormen die van toepassing zijn,  waar een nieuwe inrichting verstandig kan worden ingepland,  hoe hoog een schoorsteen moet zijn voor een aanvaardbare lokale luchtkwaliteit,  hoe groot de bijdrage van een bron van luchtverontreiniging is aan een bestaand luchtkwaliteitsprobleem,  wat het effect is van een emissiereductiemaatregel op een bron op de luchtkwaliteit in de nabije omgeving van de bron,  welke de emissie van de bron is uitgaande van een gekende, gemeten immissie.‟ […] Verzoekers wijzen erop dat de thans bestreden beslissing dateert van 27 april 2017, i.e. meer dan 2 maand na de door departement Omgeving aangekondigde implementatiedatum van het IMPACT-model. […] In het licht van de kritiek van de bezwaarindieners, van de gemeente Essen en van de deputatie op de IFDM-modellering én in de wetenschap dat VII-40.021-15/29 het IFDM-model reeds per 31 januari 2017 was vervangen door de verwerende partij door de „Immission Prognosis Air Concentration Tool‟, is de beoordeling van de verwerende partij onzorgvuldig te noemen in zo verre zij een eerder opgelegde milieuvergunningsvoorwaarde schrapt zonder in een alternatief te voorzien, en dit stellende dat er andere geurbeperkende vergunningsvoorwaarden zouden worden voorzien (quod non) en stellende dat er zich volgens het bekritiseerde IFDM-model geen probleem zou stellen qua geurhinder. […] De verzoekers stellen ook vast dat noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij een duidelijk antwoord kan bieden op de onduidelijkheid van voorwaarde wat betreft de beperking van de ophoging m.b.t. „het gebouw en de toegang‟. De verwerende partij geeft in essentie toe dat de voorwaarde onduidelijk is geformuleerd omdat er in essentie zo bedoeld zijn dat de 3 gebouwen mogen/moeten worden verhoogd. Dit verweer staat evident op gespannen voet met de formulering van de bijzondere vergunningsvoorwaarde zelf, die spreekt van 1 gebouw en toegang. […] Wat volgens de bestreden beslissing de toegelaten omvang van de ophoging voor de toegang is, daarover kan geen van de beide partijen verduidelijking geven. Vruchteloos verwijst de tussenkomende partij naar de stedenbouwkundige vergunning. De verwerende partij zelf heeft immers in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk verwezen naar de voorwaarden opgelegd in de stedenbouwkundige vergunning als motivering voor de in de bestreden beslissing opgelegde bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde. Dergelijke verwijzing zou overigens de wettigheid van de thans bestreden beslissing eerder aantasten dan ondersteunen. De betreffende stedenbouwkundige vergunning werd immers geschorst door de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij arrest van 12 september 2017 met nummer RvVb/S/1718/0042 in de zaak met rolnummer 1617-RvVb-0451-SA. Deze schorsing was net opgelegd om reden dat de plannen, horende bij de stedenbouwkundige vergunning, onvoldoende duidelijk zijn wat betreft de omvang van de uiteindelijk toegelaten reliëfwijziging en om reden van dubbelzinnigheid in de opgelegde voorwaarden omdat de aanvraag betrekking heeft op 3 gebouwen en de toepasselijke voorwaarde slechts spreekt van het gebouw en toegang‟: [...] […] Evident kan de tussenkomende partij haar verweer dat de oplegde bijzondere vergunningsvoorwaarde wel voldoende duidelijk zou zijn thans niet steunen op een reeds geschorste stedenbouwkundige vergunning (en zeker niet indien blijkt dat de reden tot schorsing van de stedenbouwkundige vergunning net bestaat in de onduidelijkheid van de plannen wat betreft de toegelaten reliëfwijziging). […] Wat betreft de voorwaarde van het „overstromingsvrij bouwen‟ stellen verzoekers vast dat de verwerende partij en tussenkomende partij eveneens worstelen met de inhoud en draagwijdte van deze voorwaarde. Beiden stellen dat deze voorwaarde is opgelegd om te benadrukken dat in se de voorgestelde maatregelen in de aanvraag zouden voldoen. Dit verweer staat haaks op wat de essentie is van een bijzondere voorwaarde. Indien de in de aanvraag opgenomen maatregelen volstaan, dienen bijkomend geen bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden te worden opgelegd. Indien de VII-40.021-16/29 aanvraag op zich duidelijk aangeeft welke maatregel er beoogd wordt, hoeft de verwerende partij op dit punt geen bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde op te leggen. Overigens kan de stelling van de tussenkomende partij niet worden gevolgd waar deze stelt dat er louter zou worden bedoeld dat vloerpas 20 cm boven het niveau van de weg zou moeten komen liggen. Indien dit het geval was, dan had de verwerende partij dit ook met zoveel woorden gezegd bij de formulering van de bijzondere vergunningsvoorwaarde in de bestreden beslissing. Uit de memorie van de verwerende partij blijkt dit overigens niet het geval te zijn geweest. De verwerende partij doelt wel degelijk nog op andere bijkomende maatregelen die vervat zitten onder „overstromingsvrij bouwen‟. De verwerende partij bevestigt dit in de memorie van antwoord, waar zij stelt dat er moet worden gewerkt „met de regels uit de praktijk‟ en dat de exploitant „daartoe alle nodige voorzorgsmaatregelen neemt‟. Wat dit concreet inhoudt voor de exploitant, daar hebben verzoekers evenwel het raden naar. […] De voorwaarden zijn volstrekt onduidelijk geformuleerd in het licht van de aanvraag, aangezien er slechts sprake is van 1 gebouw, terwijl de door de belanghebbende partij beoogde inrichting meerdere gebouwen omvat (2 kippenstallen en 1 grote machineloods). Gelet op de onduidelijkheid en vaagheid van de aan de aanvrager opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden dient vastgesteld dat de bestreden beslissing de in dit middel aangehaalde bepalingen schendt en ook om die reden als onwettig moet worden beschouwd. […] De tussenkomende partij slaagt er evenmin in de tegenstrijdigheid in de bestreden beslissing te ontkrachten wat betreft de vereiste om op het eigen terrein maximale manoeuvreerruimte te voorzien enerzijds en de vereiste om de verhardingen en ophogingen op het terrein te beperken anderzijds. De verwerende partij voert op dit punt zelfs geen betwisting. Het klopt geenszins dat het de tussenkomende partij zou toegelaten zijn om bijkomende verhardingen te voorzien zonder ophoging op grond van de actueel aan tussenkomende partij (geschorste) stedenbouwkundige vergunning. Ook in deze stedenbouwkundige vergunning is voorzien dat de ophogingen (en dus de aanleg van manoeuvreer- en parkeerruimte) tot een minimum moeten worden beperkt en dit vanuit het oogpunt van de mobiliteit. […] Anderzijds volstaat een loutere ontkenning van de mobiliteitsproblematiek evenmin om de tegenstrijdigheid in de beslissing te ontkrachten. Uit de in het verzoekschrift tot schorsing en vernietiging geciteerde motieven van de bestreden beslissing […] blijkt onbetwistbaar dat de verwerende partij wel degelijk het nodige belang hecht aan het voorzien van verharde manoeuvreer- en parkeerruimte voor vrachtwagens op het eigen terrein. […] Hieraan wordt uiteindelijk evenwel niet tegemoet gekomen door dergelijke vereiste ook op te nemen in de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden in het dictum van de bestreden beslissing. Ook om die redenen schendt de bestreden beslissing de in het eerste middel aangehaalde bepalingen”. VII-40.021-17/29
  8. De verwerende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat het feit dat sedert januari 2017 een nieuwe methode voor de beoordeling van de geurhinder van landbouwbedrijven wordt gebruikt, niet betekent dat het oude “IFDM-model [dat] jarenlang [is] gebruikt geweest voor de inschatting van geurimmissies in allerhande landbouwbedrijven” niet deugdelijk was. Met betrekking tot de ophoging van de percelen, haalt de verwerende partij de motieven van de bestreden beslissing aan en besluit zij dat er van een tegenstrijdigheid in die motieven geen sprake is. Beoordeling
  9. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken VII-40.021-18/29 kan beslissen.
  10. In hun beroepschrift tegen de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing hebben de verzoekende partijen uitdrukkelijk gevraagd dat bij de beoordeling van de te verwachten geurhinder het zogenaamde IMPACT-model zou worden gehanteerd in de plaats van het IFDM-model. Uit de motieven van de bestreden beslissing kan niet worden afgeleid waarom dat verzoek niet wordt ingewilligd, te meer omdat blijkt dat de verwerende partij sedert 31 januari 2017, dus maanden voor het nemen van de bestreden beslissing, het IMPACT-model gebruikt ter vervanging van het vroegere IFDM-model. Het verweer dat de IFDM-modellering in het verleden zijn deugdelijkheid heeft bewezen, vormt geen afdoende beantwoording van het beroepsargument dat die methode inmiddels werd vervangen door een nieuwe methode die geacht kan worden nauwkeuriger te zijn voor de beoordeling van geurhinder afkomstig van landbouwinrichtingen.
  11. In de bijzondere voorwaarden van de bestreden vergunningsbeslissing wordt gesteld dat de ophoging van het bedrijfsterrein met 60 cm beperkt moet worden tot “het gebouw en de toegang tot het gebouw”. Ook wordt als bijzondere vergunningsvoorwaarde de verplichting opgelegd om overstromingsvrij te bouwen. Tegelijk wordt in de motieven van de bestreden beslissing overwogen dat het “belangrijk is dat vrachtwagens op het eigen domein kunnen parkeren en manoeuvreren” en dat “de goede ruimtelijke ordening van de plaats” niet in het gedrang komt “mits het voorzien van […] faciliteiten op het terrein zelf voor het parkeren en manoeuvreren”. Uit de samenlezing van die bijzondere vergunningsvoorwaarden en de motieven die het opleggen ervan rechtvaardigen, moet geconcludeerd worden dat de parkeergelegenheid en de manoeuvreerbaarheid van de vrachtwagens op het betrokken bedrijfsterrein voor de verwerende partij van doorslaggevend belang waren om te besluiten tot de verenigbaarheid van de inrichting met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. VII-40.021-19/29 Evenwel wordt vastgesteld dat de bestreden vergunningsbeslissing op dit punt verscheidene vragen onbeantwoord laat. Zo is onduidelijk of de bedrijfsoppervlakte die bestemd zal worden om de vereiste parkeer- en manoeuvreerruimte in te richten, al dan niet behoort tot de met het bestreden besluit vergunde ophoging, en evenmin hoe het hoogteverschil van 40 cm tussen de Holleweg en het bedrijfsterrein zullen worden overbrugd, in geval deze parkeer- en manoeuvreerruimtes niet tot de ophoogbare elementen -gebouwen en toegang- behoren. Dit klemt des te meer omdat het bedrijf deels gelegen is in een overstromingsgevoelig gebied en in de bestreden beslissing niet nader wordt ingegaan op de mogelijke effecten van de geplande ophogingswerken op de waterhuishouding in het gebied.
  12. Het eerste middel is gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  13. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 8 juncto artikel 3, § 2, 17°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB) en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Zij betogen dat uit de plannen blijkt dat een aanzienlijke verharding wordt beoogd van het actuele perceel dat bestaat uit drassig weiland in overstromingsgevoelig en biologisch waardevol gebied, waarin de bouw van een pluimveestal wordt voorzien, dat de oprichting van de stallen net voorzien wordt in dit effectief overstromingsgevoelig gebied en dat de aanvrager ook een aanmerkelijke reliëfwijziging zal realiseren door het betrokken overstromingsgevoelige gebied met 40 à 60 cm boven het maaiveld op te hogen. Hierdoor zal de waterbergende capaciteit van het overstromingsgevoelig gebied drastisch verminderen. Volgens de verzoekende partijen is er met zekerheid sprake van een vermindering van de waterbergende capaciteit van het betrokken overstromingsgevoelig gebied hetgeen zich vertaalt in een mogelijk betekenisvol VII-40.021-20/29 nadelig effect op de watersystemen. De ophogingswerken worden verzwegen in de mer-screening en in de toelichtingsnota bij de vergunningsaanvraag. De aanvraag vermeldt enkel dat er voldaan zal worden aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening „Hemelwater‟. Op de ligging van de bouwplaats in effectief overstromingsgevoelig gebied wordt echter niet ingegaan. Het watertoetsinstrument werd evenmin uitgevoerd. De verzoekende partijen menen dat de aanvraag te weinig gegevens bevat om de watertoets deugdelijk te beoordelen, te meer omdat de Vlaamse Milieumaatschappij in haar advies erkent dat het beoogde project ongunstig gelegen is in effectief overstromingsgevoelig gebied en de inrichting een negatieve impact heeft op het overstromingsregime. De verzoekende partijen zetten voorts uiteen dat in de bestreden beslissing slechts zeer selectief rekening wordt gehouden met de beschouwingen van de waterbeheerder. Waar de waterbeheerder stelt dat een verlies aan waterbergende capaciteit slechts toegelaten is indien dit elders gecompenseerd wordt door oppervlakkige afgraving, legt de verwerende partij deze compenserende maatregel niet op in de vergunningsvoorwaarden. In de motieven van de bestreden beslissing wordt evenmin verduidelijkt waarom dergelijke compensatie niet noodzakelijk wordt geacht. Zodoende wordt geen enkele compensatie voorzien om een schadelijk effect aan de watersystemen te voorkomen, terwijl de verplichte watertoets net voorschrijft dat, ofwel een schadelijk effect moet worden voorkomen door het opleggen van gepaste voorwaarden, ofwel als dit niet mogelijk is, een compensatie in de plaats moet worden gesteld. In de bestreden beslissing wordt enkel gesteld dat een beperking van de waterbergende capaciteit toegelaten is indien de ophoging van het terrein met ongeveer 60 cm beperkt blijft “tot het gebouw” en de toegang tot dit “gebouw”. Dit is, zo stellen de verzoekende partijen, in strijd met het advies van de waterbeheerder en met de verplichting tot het uitvoeren van een watertoets, omdat de enige voorwaarde die door de verwerende partij wordt opgelegd ertoe strekt om een schadelijk effect aan het watersysteem, meer bepaald de vermindering van de waterbergende capaciteit ervan, toe te laten zonder in een compensatie te voorzien.
  14. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing een uitgebreide waterparagraaf bevat, waarin wordt geoordeeld dat mits het opleggen van bepaalde bijzondere voorwaarden geen schadelijke effecten worden verwacht, VII-40.021-21/29 dat voor het uitvoeren van de watertoets rekening moet worden gehouden met het gehele dossier en niet enkel met de vergunningsaanvraag en dat het niet van belang is dat de ophoging, die als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd, al dan niet in de vergunningsaanvraag wordt vermeld. De verzoekende partijen zouden ook niet aantonen dat de waterparagraaf ondeugdelijk is. Immers worden in die paragraaf alle door de verzoekende partijen vermelde aspecten opgenomen en beoordeeld. Tot slot merkt de verwerende partij op dat in het middel ten onrechte wordt aangevoerd dat geen compensatie wordt voorzien.
  15. De tussenkomende partij stelt dat de verwerende partij zeer duidelijk heeft aangegeven dat de beoordeling van de watertoets gunstig is als de opgelegde voorwaarden worden nageleefd, dat het terrein, zoals blijkt uit de watertoetskaart 2014, slechts voor een zeer klein gedeelte gelegen is in overstromingsgevoelig gebied en dat zij precies daarom er voor gekozen heeft om in deze zone zo goed als geen constructies of verhardingen te voorzien. Zij preciseert dat de stallen, loods en verhardingen wegblijven uit deze overstromingsgevoelige zone, de stallen worden voorzien op een afstand van 39,92 meter van de perceelsgrens, terwijl de overstromingsgevoelige hoek gelegen is op een afstand van 53 meter van de perceelsgrens. Teneinde elke mogelijke negatieve impact op de waterhuishouding uit te sluiten, wordt in de bestreden beslissing bepaald dat de ophoging niet mag gebeuren in de zone die niet zal worden gebruikt voor de constructies en de toegang ertoe. De tussenkomende partij ontkent dat de motivering op dit punt gebrekkig zou zijn. Evenmin zouden de verzoekende partijen aantonen dat de waterhuishouding op de aanpalende percelen zal worden verstoord of dat de bevindingen van de dienst Integraal Waterbeleid onjuist zijn. De verwerende partij is er terecht van uitgegaan dat er geen schadelijke effecten op het watersysteem zullen intreden. Hetzelfde geldt voor het gedeelte van de aangevraagde inrichting/constructies dat in effectief overstromingsgevoelig gebied ligt. Zowel de verwerende partij als de dienst Integraal Waterbeleid hebben kennis van dit gegeven en hebben dit in hun beoordeling betrokken. Uit het advies van de dienst Integraal Waterbeleid blijkt bovendien dat de aanvrager overstromingsvrij bouwt en dat mits naleving van de voorwaarde tot beperking van de zones waar VII-40.021-22/29 opgehoogd mag worden, geen overstromingsproblemen zullen optreden. Volgens de tussenkomende partij is de partiële ligging van de infiltratievoorziening in overstromingsgevoelig gebied evenmin problematisch. De ligging van die zone zorgt ervoor dat er geen extra wegname van waterbergend vermogen is. Meer zelfs, de feitelijke toestand toont geen “depressie” in de bodem ter hoogte van het overstromingsgevoelig gebied. Enkele jaren geleden werden de grachten rondom de percelen in de nabijheid geruimd en is er sedertdien geen sprake van enige waterproblematiek. Daarnaast maakt de tussenkomende partij nog de bedenking dat de verzoekende partijen haar ten onrechte beschuldigen van het bewust verzwijgen in de aanvraag van de gedeeltelijke ligging in overstromingsgevoelig gebied. Uit het administratief dossier blijkt immers het tegendeel en de verwerende partij heeft zonder enige discussie kennis genomen van deze ligging in overstromingsgevoelig gebied en daaraan consequenties verbonden door het opleggen van bepaalde vergunningsvoorwaarden.
  16. De verzoekende partijen wederantwoorden: “[…] Uit alle adviezen blijkt dat het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft, gelegen is in een overstromingsgevoelig gebied. De tussenkomende partij erkent zelf dat de infiltratievoorziening gelegen is in het overstromingsgevoelig gebied […]. […] De Vlaamse Milieumaatschappij erkent in haar advies de ongunstig ligging van de aanvraag in effectief overstromingsgevoelig gebied, (vanuit de zijloop van de Vaart De Nol naar Roosdaal, die een waterloop 2de categorie betreft). De VMM verwijst om die reden naar het advies van de waterbeheerder (Provincie Antwerpen). In het advies van de Dienst Integraal Waterbeleid (Provincie Antwerpen) wordt eveneens aanvaard dat de aanvraag een negatieve impact heeft wat betreft de wijziging van het overstromingsregime, aangezien het project deels gelegen is in een effectief overstromingsgevoelig gebied volgens de watertoetskaart. […] De bestreden beslissing houdt punt slechts zeer selectief rekening met de overwegingen van de waterbeheerder in zijn advies. Punt is immers dat terwijl de waterbeheerder stelt dat een verlies aan waterbergende capaciteit slechts toegelaten is indien dit elders gecompenseerd wordt door oppervlakkige afgraving, de verwerende partij deze compenserende maatregel niet oplegt in de bijzondere vergunningsvoorwaarden, en de verwerende partij in de motieven van de bestreden beslissing evenmin verduidelijkt waarom zij dergelijke compensatie in voorliggend geval niet noodzakelijk acht. […] Zodoende laat de bestreden beslissing nog steeds een inperking toe van de waterbergende capaciteit van het recent overstroomde gebied zonder ook maar in enige compensatie te voorzien om een schadelijk effect aan de VII-40.021-23/29 watersystemen te voorkomen. Nochtans is het net dit dat de watertoets vereist, met name ofwel een schadelijke effect voorkomen door het opleggen van voorwaarde, ofwel indien het schadelijk effect niet kan voorkomen worden, toch in een compensatie te voorzien. De verwerende partij doet dit echter niet in de bestreden beslissing. Zij stelt enkel dat een beperking van de waterbergende capaciteit toegelaten is indien de ophoging van het terrein met ongeveer 60 cm beperkt blijft „tot het gebouw‟ en de toegang tot dit „gebouw‟ (cfr. de kritiek dienaangaande m.b.t. het eerste middel). […] De verwerende partij handelt gelet op het voorgaande zeer duidelijk in strijd met de overwegingen van het advies van de waterbeheerder en met de verplichtingen van de watertoets, aangezien de enige voorwaarde die door de verwerende partij wordt opgelegd in het kader van de watertoets er nog steeds toe strekt om een schadelijk effect aan de watersystemen (met name de vermindering van de waterbergende capaciteit van het gebied) toe te laten zonder in een compensatie te voorzien. […] Ter zake wensen de verzoekers de aandacht van uw Raad nog te vestigen op de beoordeling die de Raad voor Vergunningsbetwistingen dienaangaande heeft gemaakt in het arrest van 12 september 2017 met nummer RvVb/S/1718/0042 in de zaak met rolnummer 1617-RvVb-0451-SA. In het betreffende arrest oordeelde de Raad dat een gedeelte van stal en van de infiltratievoorziening gelegen is in overstromingsgevoelig gebied, waardoor er ten onrechte gesteld wordt dat de activiteit - mits naleving van de opgelegde voorwaarden - geen schadelijke effecten op de watersystemen heeft: [...] […] Gelet op dit inhoud van het advies van de dienst Integraal Waterbeleid van de provincie, gelet op de duidelijke en onbetwistbare ligging van de aanvraag in effectief overstromingsgevoelig gebied (wat wordt erkend in alle adviezen) gold er in casu een verstrengde motiveringsplicht. De verwerende partij kan zodoende niet louter poneren door oplegging van onduidelijke voorwaarden (cfr. eerste middel) dat een ophoging weze het lokaal (i.e. beperkt tot het gebouw en de toegang) en een infiltratiebekken in overstromingsgevoelig gebied toch vergunbaar zou zijn. […] Het betoog van de tussenkomende partij […] dat de partiële ligging van de infiltratievoorziening niet problematisch zou zijn, overtuigt niet. Het argument dat er ter plaatse geen depressie aanwezig zou zijn of dat er geen overstromingsproblematiek zou zijn klopt niet. Uit het advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar in het kader van de stedenbouwkundige vergunning blijkt dat het bouwperceel de facto een lager gelegen natte weide betreft, die regelmatig onder water komt te staan: '[…] Nazicht van de watertoetskaart leert dat betreffend perceel gedeeltelijk gelegen is in effectief overstromingsgevoelig gebied. Ook de bezwaren tonen aan dat de omgeving gekenmerkt wordt door een waterproblematiek. De aanvraag voorziet in het ophogen van het terrein met 60cm […]. Het is niet duidelijk waarom deze ophoging voorzien wordt (enkel wordt aangegeven dat de straat 40cm hoger ligt dan betreffend perceel). Door het ophogen van de grond zal het water sneller aflopen naar de aanpalende percelen. Op basis van het dossier kan niet vastgesteld worden welke maatregelen hiervoor genomen worden. Ter hoogte van de perceelsgrenzen worden grachten ingetekend, maar het is niet duidelijk of dit om bestaande of VII-40.021-24/29 nieuwe grachten gaat, noch wat de profilering van deze grachten is. Van nature lagergelegen weilanden in landbouwgebied dienen principieel gevrijwaard te blijven van perceelsdekkende ophogingen, mede in functie van het waterbergend vermogen. Indien de reliëfwijziging niet noodzakelijk is voor de inrichting van het gebied als landbouwgebied, dienen dergelijke wijzigingen van het natuurlijk milieu vermeden te worden. In een duurzaam landbouwsysteem moet de landbouwfunctie aangepast worden aan het fysisch milieu en niet' […] Uit de foto's die de verzoekende partijen bijbrengen […] blijkt overigens eveneens onbetwistbaar dat het bouwperceel wel degelijk onder water komt tijdens nattere periodes. Er is dus wel degelijk sprake van een overstromingsproblematiek op het terrein kwestie. […] Dat de partiële ligging van het infiltratiebekken niet problematisch zou zijn, zoals de tussenkomende partij poneert, is overigens ook niet met zoveel woorden gemotiveerd in de bestreden beslissing. Zelfs indien de aannames van tussenkomende partij feitelijk juist zouden zijn, quod certe non, dan zou er op dit punt toch minstens sprake zijn van een schending van de formele motiveringsplicht zoals vervat in de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (formele motiveringswet), en dit omwille van het feit dat de verwerende partij hieromtrent niets heeft vermeld of overwogen in de motieven van de bestreden beslissing. […] De verwerende partij maakt in het licht van het voorgaande niet afdoende aannemelijk dat haar aanpak - die een gedeeltelijke ophoging en dus reductie van de waterbergende capaciteit zou toelaten in effectief overstromingsgevoelig gebied - die ingaat tegen het beleid om lagergelegen weilanden niet op hogen, niet zou leiden tot een negatief effect op de watersystemen. De zeer vrijblijvende en onduidelijke voorwaarde dat er „overstromingsvrij moet gebouwd worden‟ of dat de ophoging beperkt blijft tot „het gebouw en de toegang‟ is evenmin van aard om garanties te bieden dat de aanvraag geen schadelijke effecten op de watersystemen zou hebben”.
  17. De verwerende partij beklemtoont in haar laatste memorie nog dat de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning elk een eigen finaliteit hebben en “dan ook los van elkaar gezien [dienen] te worden”. Uit de waterparagraaf van de bestreden beslissing zou blijken dat “de hinder voor de mens en het leefmilieu tot een aanvaardbaar niveau beperkt wordt, mits het opleggen van bepaalde voorwaarden”. Beoordeling
  18. Artikel 8, § 1, eerste lid, DIWB, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat “[d]e overheid die moet beslissen over een vergunning [...] er zorg voor [draagt], door het weigeren van de vergunning [...] dan wel door het VII-40.021-25/29 opleggen van gepaste voorwaarden [...], dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd”. De watertoets impliceert dat wordt onderzocht of een voorgenomen project een “schadelijk effect” in de zin van de op het geding toepasselijke versie van artikel 3, § 2, 17°, DIWB doet ontstaan. De watertoets strekt derhalve tot het onderzoeken van het causaal verband tussen de gevraagde vergunning en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 2, 17°, te weten “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. Artikel 8, § 2, tweede lid, DIWB, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat de beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een vergunning wordt verleend, een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in voormeld artikel 8, § 1, DIWB bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit het voorwerp van de vergunning geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in voormeld artikel 3, § 2, 17°, DIWB, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat ze door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. VII-40.021-26/29
  19. In de bestreden beslissing wordt aangegeven dat de inrichting “deels gelegen is in effectief overstromingsgevoelig gebied (noordwestelijke hoek) en deels in niet overstromingsgevoelig gebied”, dat het gebied in november 2010 is overstroomd en dat “het recent overstroomd gebied op het perceel van de aanvraag overeenkomt met het effectief overstromingsgevoelig gebied”. Voorts wordt verwezen naar het gunstig advies dat de dienst Integraal Waterbeleid op 14 juli 2016 heeft verleend in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsprocedure. In dit advies wordt gesteld dat “de aanvraag verenigbaar is met de doelstellingen van het Decreet Integraal Waterbeleid (artikel 5) aangezien het effect verwaarloosbaar is wanneer men zich houdt aan de algemene wettelijke voorwaarden”, met name het vermijden van niet-functionele verharde oppervlakten en het verbod om afvalwater te lozen in de regenwaterafvoerleiding en regenwater in de droogweerafvoerleiding. Hetzelfde advies overweegt dat “om de overstromingsproblemen in de omgeving niet te verergeren, het verlies van waterbergingsruimte […] moet [vermeden] worden”, dit verlies “gecompenseerd kan worden door een oppervlakkige afgraving op het terrein” en dat “een ophoging in elk geval alleen toegelaten is ter hoogte van de gebouwen zelf”. Het advies besluit dat het aangewezen is de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
(1)het beperken van de ophoging tot het gebouw en de toegang tot het gebouw, en
(2)de verplichting tot overstromingsvrij bouwen wat betekent dat “de eigenaar […] alle nodige voorzorgsmaatregelen [moet] nemen om waterschade aan zijn eigen goed te voorkomen”. Uit de beschouwingen van voormeld advies concludeert de verwerende partij dat “de vergunningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en […] er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht”.
  1. In de motieven van de bestreden beslissing valt echter nergens te bespeuren dat het schadelijk effect van de voorziene exploitatie in overstromingsgevoelig gebied zou worden beperkt, hersteld of gecompenseerd, door het enkele feit dat een gedeelte van de voorziene exploitatie zal plaatsvinden in effectief overstromingsgevoelig gebied. Op geen enkele manier worden de daartoe vereiste maatregelen aangeduid. Ook hult de verwerende partij zich in VII-40.021-27/29 vaagheid over de precieze omvang van de constructies die in effectief overstromingsgevoelig gebied zullen worden opgericht. In zoverre de bestreden beslissing compensatie voor het verlies van waterbergingsruimte zoekt in “een oppervlakkige afgraving op het terrein”, waarmee de aanleg van een infiltratievoorziening bedoeld wordt, bestaat evenzeer onduidelijkheid over de wijze van aanleg en de wijze van werking van deze infiltratievoorziening, gelet op de ligging van het noordwestelijke deel van het terrein in effectief overstromingsgevoelig gebied.
  2. Het tweede middel is gegrond. V. Kosten
  3. De verzoekende partijen vragen de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding te verhogen tot een bedrag van 1.680 euro (maximumbedrag verhoogd met 20%).
  4. Aangezien geen redenen worden bijgebracht waarom zou moeten worden afgeweken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, wordt niet ingegaan op de vraag tot verhoging ervan. BESLISSING
  5. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 17 april 2017 waarbij de bestuurlijke beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 29 september 2016, houdende het verlenen aan Maarten Vissers van de milieuvergunning voor het exploiteren van een slachtkippenbedrijf, gelegen aan de Holleweg te Essen, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard.
  6. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-40.021-28/29
  7. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 2.400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.021-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.784 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.