← België

Arrest 248786 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.786 Rolnummer: A. 229392/VII-40667 Zaak: Arrest 248786 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.786 van 29 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.786 van 29 oktober 2020 in de zaak A. 229.392/VII-40.667 In zake : Gerda VERCAMMEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe De Smet kantoor houdend te 1180 Brussel Winston Churchill laan 250 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partijen :

  1. Eduard PEETERS
  2. Hilde DE GEEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 22 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0041 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 september 2019 in de zaak 1617-RvVb-00314-A. VII-40.667-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 4 december
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eduard Peeters en Hilde De Geest hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 4 februari
  6. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 oktober
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe De Smet, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Eline Schroyens, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.667-2/12 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  8. Bij arrest nr. 213.544 van 30 mei 2011 vernietigt de Raad van State op vordering van Vercammen het besluit van 5 mei 2009 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) waarbij aan Peeters en De Geest de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het slopen van een woning en het bouwen van een appartementsgebouw. 3.
  9. De deputatie verleent bij een beslissing van 19 april 2012 aan Peeters en De Geest een stedenbouwkundige vergunning “voor het regulariseren van het bouwen van een appartementsgebouw na het slopen van een woning in gesloten bebouwing”. Het arrest nr. A/2015/0443 van 28 juli 2015 van de RvVb verklaart het beroep van Vercammen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 19 april 2012 onontvankelijk. Bij arrest nr. é.969 van 1 maart 2016 vernietigt de Raad van State voormeld arrest van de RvVb. Het arrest nr. RvVb/A/1516/1230 van 14 juni 2016 vernietigt de vergunningsbeslissing van 19 april 2012 van de deputatie. 3.
  10. Met een besluit van 6 oktober 2016 verleent de deputatie andermaal een stedenbouwkundige vergunning aan Peeters en De Geest “voor het regulariseren van het bouwen van een appartementsgebouw na het slopen van een woning in gesloten bebouwing”. VII-40.667-3/12 Het bestreden arrest verwerpt de vordering van Vercammen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 6 oktober 2016 van de deputatie. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  11. Vercammen heeft een procedurestuk met de titel “opmerkingen van de verzoekende partij” ingediend. Het cassatieprocedurebesluit voorziet ná de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van Vercammen. De laatste memorie van Vercammen wordt dan ook uit het debat geweerd. V. Onderzoek van het middel Voorafgaandelijke opmerking
  12. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat de Raad van State noopt tot het overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb is niet ontvankelijk. Het middel wordt hierna onderzocht zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden. VII-40.667-4/12
  13. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. Het middel dat de “schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht inzake bestuurshandelingen, overschrijding van discretionaire bevoegdheid, gebrekkige marginale toetsing, gebrekkig wettigheidstoezicht, schending van het redelijkheidsprincipe, niet respecteren van het gezag van het gewijsde, gebrekkige motivering, schending van de motiveringsplicht, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, onjuiste feitenvinding, veelvoudige intern strijdige motiveringen die moeten gelijk gesteld worden aan een gebrekkige motivering, schending van artikel 149 GW, schending van het gelijkheidsbeginsel” aanvoert, is niet ontvankelijk bij gebreke van een voldoende omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel, dan wel van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door het bestreden arrest worden miskend. Het middel wordt hierna onderzocht in de mate het ontvankelijk is. VII-40.667-5/12 Standpunt van Vercammen
  14. Vercammen voert in het eerste middelonderdeel voor het eerst in de memorie van wederantwoord aan dat de RvVb “in gebreke [is] gebleven om [zijn] marginale toetsing uit te voeren” en “geen enkele aandacht [heeft] besteed […] aan het cumulatief effect van al de hinderaspecten”. In een tweede middelonderdeel stelt zij dat de RvVb “geen enkele aandacht [heeft] besteed aan het feit dat de […] deputatie haar discretionaire bevoegdheid in meer dan ruime mate overschreden heeft”, “in gebreke [blijft] om de marginale toetsing waartoe [hij] gehouden is uit te voeren en […] bijgevolg in gebreke [blijft] om [zijn] wettigheidstoezicht uit te oefenen” en “het redelijkheidsbeginsel [heeft] geschonden”. Zij betoogt in een derde middelonderdeel dat de RvVb niet “gemotiveerd [heeft] waarom het cumulatief negatief effect van de hinderlijke aspecten verworpen werd”, “manifest in gebreke [is] gebleven om [zijn] marginale toetsing uit te oefenen”, “een stijlfiguur” hanteert, “nergens gemotiveerd [heeft] waarom [hij] van oordeel was dat de […] deputatie rekening heeft gehouden met [het] cumulatief negatief karakter van al deze hinderaspecten”, “geen enkele aandacht [heeft] besteed aan de aangetekende brief van 21 september 2016 noch aan de begeleidende nota die aan deze brief toegevoegd werd noch aan de 45 argumenten die in de brief en de begeleidende nota verwerkt werden”, “vertrokken [is] van onjuiste of onvolledige feiten en […] op deze foutieve besluiten [heeft] gemaakt”. Zij besluit dat het bestreden arrest daardoor artikel 149 van de Grondwet schendt. In een vierde middelonderdeel licht zij toe dat zij “het volledig oneens [is] met [de] stelling” van de RvVb dat zij “niet heeft aangetoond dat de beoordeling van deze hinderaspecten door de [deputatie] in deze specifieke ruimtelijke context onjuist of kennelijk onredelijk is” en dat “bijgevolg sprake [is] van tegenstrijdigheid in de motivering. [...] Het redelijkheidsbeginsel vereist dat de VII-40.667-6/12 RvVb de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordeelt en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komt”. Zij voert in het vijfde, zesde en zevende middelonderdeel aan dat het bestreden arrest tegenstrijdig gemotiveerd wordt omdat: - de RvVb enerzijds opmerkt dat de deputatie “nalaat om een pertinente overweging” met betrekking tot licht- en zichthinder “in haar betoog met betrekking tot de hinderaspecten te betrekken”, maar anderzijds een drogreden gebruikt om te besluiten dat de deputatie “toch niet in gebreke blijft”, - de “argumentatie van de RvVb niet gestoeld [is] op de juiste feiten”, - de RvVb enerzijds overweegt dat Vercammen “in essentie aan[voert] dat de bestreden beslissing genomen werd met schending van ‘de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving’, van het ‘beginsel van het evenwicht tussen naburige erven’ en van de motiveringsplicht” en anderzijds stelt dat zij “niet aannemelijk [maakt] dat de bestreden beslissing behept is met een motiveringsgebrek op het vlak van de goede ruimtelijke ordening of kennelijk onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening”, - de RvVb “(h)erkent […] dat er dermate veel hinderaspecten zijn zodat het totaal onredelijk is vanwege de RvVb om te stellen dat [Vercammen] het niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing behept is met een motiveringsgebrek”, - de RvVb niet “geoordeeld […] laat staan gemotiveerd [heeft] over het cumulatief karakter van de hinderaspecten” en “vervolgens tot het besluit [is gekomen] dat [Vercammen] niet of onvoldoende gemotiveerd zou hebben”, - de RvVb aan Vercammen “hogere eisen [heeft] gesteld […] dan aan de [provinciale stedenbouwkundige ambtenaar] en aan de […] deputatie”. Beoordeling
  15. Het eerste middelonderdeel waarin voor het eerst in de memorie van wederantwoord kritiek wordt geformuleerd tegen het bestreden arrest, is laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. VII-40.667-7/12
  16. De middelonderdelen die ervan uitgaan dat het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur en dat de motiveringsplicht van bestuurshandelingen toepasselijk zijn op jurisdictionele beslissingen falen naar recht.
  17. De aan de RvVb grondwettelijk opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering, of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. De middelonderdelen die het bestreden arrest bekritiseren omdat de motivering onvoldoende, onvolledig, heel beperkt, een stijlformule, foutief, gebrekkig, onwettig, of onredelijk is, gaat uit van een andere rechtsopvatting en falen derhalve naar recht.
  18. Er bestaat tegenstrijdigheid in de motivering wanneer er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de redenen van de beslissing onderling of tussen de redenen en het dictum. De middelonderdelen die tegenstrijdigheid in de motieven van het bestreden arrest aanvoeren omdat de argumentatie van de RvVb niet steunt op juiste feiten, onredelijk is of hogere eisen stelt aan Vercammen dan aan anderen, falen derhalve naar recht. De middelonderdelen die een tegenstrijdigheid aanvoeren tussen de redenen van het bestreden arrest en de argumenten van Vercammen, falen om dezelfde reden naar recht. VII-40.667-8/12
  19. De middelonderdelen die de overweging van het bestreden arrest met betrekking tot het tiende onderdeel van het derde middel van Vercammen dat zij “[g]elet op het voorgaande […] niet aan[toont] dat de aangevoerde hinderaspecten, op zich genomen en cumulatief, de [deputatie] noodzaakte om de vergunning te weigeren” een gemis aan motivering dan wel tegenstrijdige motivering aanwrijven, missen feitelijke grondslag gelet op de daaraan voorafgaande overwegingen van de RvVb met betrekking tot de andere onderdelen van hetzelfde middel: “In het derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat door de nieuwe inneming het evenwicht, dat al meer dan 50 jaar tussen de erven bestond, werd verbroken. Zoals hierboven gesteld, behoort dit onderzoek niet tot de bevoegdheid van de Raad, maar tot die van de gewone hoven en rechtbanken. In zoverre zij aanvoert dat door de oprichting van het appartementsgebouw op geringe afstand van de scheidingslijn zon, licht en zicht ontnomen wordt aan de buur, hetgeen niet in overeenstemming te brengen is met de goede ruimtelijke ordening, moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij wel hinderaspecten aanvoert, maar nalaat om aan te geven op welke manier de verwerende partij haar appreciatiebevoegdheid op het vlak van de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening te buiten is gegaan. Door louter te beweren dat de visuele schade evident is, toont zij allerminst aan dat de beoordeling van de verwerende partij van de goede ruimtelijke ordening kennelijk onredelijk is, dit wil zeggen dat geen enkel ander weldenkend bestuur in dezelfde omstandigheden geplaatst een vergunning zou hebben verleend. Daarbij merkt de Raad op dat de bestreden beslissing eensluidend is met het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar. Dat het uitzicht van de verzoekende partij vanuit de veranda zal wijzigen, en dat er minder lichtinval zal zijn, is een feit, en dat wordt ook door de verwerende partij erkend. De verwerende partij stelt namelijk op blz. 8 van de bestreden beslissing dat er sprake is van een ‘manifeste licht- en zichtderving’ alsook van comfortverlies. De Raad merkt evenwel op dat het woord ‘manifest’ volgens Van Dale betekent dat iets ‘duidelijk’ is. De verwerende partij heeft hiermee in voorliggend geval dus erkend dat er duidelijke licht- en zichtderving is, maar zij heeft zich hiermee niet uitgesproken over de vraag of dit aanvaardbaar is in de specifieke ruimtelijke context. Dat heeft zij wel gedaan op blz. 7 waar onder meer het volgende wordt gesteld: ‘… VII-40.667-9/12 Ruimtelijk dient gesteld te worden dat het om twee aanpalende woningen in gesloten verband gaat en het dus ook gewenst is dat wordt aangesloten op de scheiding.’ De verzoekende partij laat volledig na om deze nochtans pertinente overweging te betrekken in haar betoog met betrekking tot de hinderaspecten, en zij laat zodoende na om wettigheidskritiek te leveren op één van de draagkrachtige motieven van de bestreden beslissing. Door dus louter een opsomming van de mogelijke hinderaspecten te geven, zonder deze te relateren aan de beoordeling ter zake van de verwerende partij, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de bestreden beslissing behept is met een motiveringsgebrek op het vlak van de goede ruimtelijke ordening of kennelijk onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Inzoverre de verzoekende partij tenslotte de schending aanvoert van ‘de bouwreglementering die van toepassing is in de gemeente Steenokkerzeel’ met betrekking tot de minimum oppervlakte van de appartementen en het minimum aantal parkeerplaatsen, moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij nalaat om deze ‘bouwreglementering’ concreet te duiden of als documentatie bij te voegen. Daarenboven heeft de verwerende partij in de bestreden beslissing uitdrukkelijk op dit bezwaar geantwoord, waarbij werd overwogen dat dit bezwaar teruggaat op de weigering van de aanvraag door het college van burgemeester en schepenen en dus gebaseerd is op een interne administratieve regel die geen grond vindt in enig voorschrift of reglement en aldus niet afdwingbaar is. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep dient de verwerende partij de aanvraag opnieuw in zijn totaliteit te beoordelen, waarbij zij niet gebonden is door het standpunt dat in eerste aanleg door het college werd ingenomen. Het onderdeel wordt verworpen. […] In het vijfde onderdeel beperkt de verzoekende partij zich tot de opsomming van de volgende hinderaspecten door de plaatsing van het appartementsgebouw: visuele hinder, beklemmend en ingesloten gevoel, verlies van uitzicht, verdwijnen van natuurlijke lichtinval en schaduw. Hiermee maakt de verzoekende partij duidelijk dat zij een andere opvatting heeft dan de verwerende partij over de goede ruimtelijke ordening, maar maakt zij allerminst aannemelijk de verwerende partij een onjuiste of kennelijke beoordeling heeft gemaakt van de goede ruimtelijke ordening, waarbij hinderaspecten en gebruiksgenot één van de verschillende criteria zijn waaraan moet worden getoetst. […] Dezelfde vaststelling gaat op met betrekking tot de in het zesde onderdeel aangevoerde moeilijkheid om haar veranda te onderhouden. Waar de verzoekende partij aanvoert dat de hinder en nadelen door de Raad van State en de Raad werden (h)erkend, moet herhaald worden dat deze arresten enkel uitspraak hebben gedaan over het rechtens vereiste belang van de verzoekende partij om zich tot de Raad te wenden, maar dat hiermee geen uitspraak werd gedaan over de beoordeling ten gronde van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, die tot VII-40.667-10/12 de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij behoort. Als uit deze arresten al lering moest worden getrokken door de verwerende partij, dan gaat het enkel over de erkenning van de verzoekende partij als ‘betrokken partij’. Dit is ook gebeurd, nu de verzoekende partij voor de verwerende partij werd gehoord. […] Dezelfde vaststelling geldt voor de stelling in het zevende onderdeel dat de muur met een ‘knik’ rond de veranda is gebouwd zodat dit een nog meer beklemmend en ingesloten gevoel geeft. Ook hier gaat de verzoekende partij volledig voorbij aan de ruimtelijke context van de aanvraag van een woning in gesloten verband in een dorpskern, en de pertinente motivering van de verwerende partij ter zake wordt niet bij deze kritiek betrokken. De verzoekende partij toont geenszins aan dat deze uitvoeringswijze, waartoe de tussenkomende partijen zich nota bene gedwongen zagen omdat de veranda van de verzoekende partij over de perceelsgrens werd gebouwd, niet conform de vergunde plannen is gebeurd. Dit betreft overigens een zaak van handhaving, waarvoor de Raad niet bevoegd is. […] Dezelfde vaststelling geldt ook met betrekking tot de in het achtste onderdeel aangevoerde visuele hinder (helblauw) en technische problemen als gevolg van de uitvoeringswijze van de muur (vocht en schimmelvorming). […] Ook met betrekking tot de in het negende onderdeel aangevoerde stijging van het elektriciteitsverbruik en stookkosten wordt de kennelijke onredelijkheid van het oordeel van de verwerende partij niet aangetoond. Waar inderdaad kan worden aangenomen dat er minder zonlicht in de veranda zal vallen door de oprichting van de meergezinswoning, dient te worden opgemerkt dat dit ook niet abnormaal is voor een woning in de rij. Daarenboven merkt de Raad op dat het bouwen in gesloten verband ook voordelen biedt op het vlak van isolatie en warmteverlies, voordelen die de verzoekende partij blijkbaar niet in rekening brengt”. De overweging van de RvVb met betrekking tot het derde onderdeel van het derde middel van Vercammen dat de deputatie “erkend [heeft] dat er duidelijke licht- en zichtderving is, maar zij […] zich hiermee niet [heeft] uitgesproken over de vraag of dit aanvaardbaar is in de specifieke ruimtelijke context” is niet tegenstrijdig.
  20. Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen. VII-40.667-11/12 BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  22. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.667-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.786 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.