id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.788 Rolnummer: A. 225456/IX-9316 Zaak: Arrest 248788 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 29/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-09 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.788 van 29 oktober 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.788 van 29 oktober 2020 in de zaak A. 225.456/IX-9316 In zake : Gert HURKMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Noël Devos en Guido Van den Eynde kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de ARTESIS PLANTIJN HOGESCHOOL ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 juni 2018, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van de algemeen directeur van de Artesis Plantijn Hoge- school Antwerpen van 20 april 2018 waarbij de aanstelling van Gert Hurkmans ten belope van 45% in een tijdelijk vacant ambt volledig wordt beëindigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. IX-9316-1/21 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Catharina Diels, die loco advocaten Noël Devos en Guido Van den Eynde verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ann Colsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is ten belope van 45% statutair aangesteld in een tijdelijk vacant ambt bij de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen. Sedert het academiejaar 2008-2009 is hij syndicaal vertegen- woordiger in de werknemersdelegatie in het hoog overlegcomité van de hoge- school en het comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW). 3.
- Voorafgaand aan de thans bestreden beslissing werd verzoekers aanstelling reeds drie keer beëindigd door de verwerende partij, namelijk in okto- ber 2013, april 2017 en december
- De beëindiging werd nadien telkens in- IX-9316-2/21 getrokken. Het eerste ontslag heet “een misverstand” te zijn. Bij het tweede ont- slag wijst de verwerende partij op een procedurefout bij de verzending van het voornemen van ontslag aan de vakorganisatie als motief om haar beslissing in te trekken. Het derde ontslag wordt ingetrokken met als motief dat de verwerende partij nog een bijzondere vergadering van het hoog overlegcomité wil samenroe- pen op vraag van verzoekers vakorganisatie. 3.
- Op vraag van verzoekers vakorganisatie vergadert het hoog overlegcomité overeenkomstig de bepalingen van artikel 89 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 „tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel‟ op 28 maart
- Blijkens het verslag van die vergadering stemt de werkgevers- delegatie in met het voornemen van ontslag omdat het voldoende is gesteund op redenen die vreemd zijn aan de vakbondsactiviteiten van verzoeker. De afgevaar- digde van het COC en de afgevaardigde van het VSOA vinden dat er onvoldoen- de redenen zijn om het ontslag te wijten aan redenen die vreemd zijn aan verzoe- kers vakbondsactiviteiten. De afgevaardigde van het ACOD stelt dat er voldoen- de redenen zijn om aan te nemen dat het ontslag van verzoeker te wijten is aan zijn vakbondsactiviteiten en stelt bijkomende vragen, die vervolgens worden be- antwoord. 3.
- Bij beslissing van de algemeen directeur van 20 april 2018 wordt aan de aanstelling van verzoeker een einde gesteld op 30 april
- Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Wij verwijzen naar ons schrijven van 12-12-2017 waarbij wij u ons voor- nemen hebben kenbaar gemaakt uw aanstelling te beëindigen. Dit ontslag - Betreft de volledige beëindiging van uw opdracht ten belope van 45% in een tijdelijk vacant ambt; - Wordt uitgevoerd conform art. V 110 en 116 van de Codex Hoger On- derwijs; - Gaat in d.d. 1 mei 2018, de opzeggingstermijn bedraagt 15 maanden. IX-9316-3/21 Uw aanstelling binnen de hogeschool eindigt d.d. 30 april
- Er wordt u in toepassing van art. V.116 Codex Hoger Onderwijs een vergoeding uitbe- taald die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. De sociale documenten bij uitdiensttreding worden u bezorgd per post. Zoals blijkt uit hoger vermeld schrijven, i.c. het bijgevoegd overzicht en uit de relevante stukken uit uw personeelsdossier, die u andermaal in bijlage aantreft, zijn de redenen voor dit ontslag vreemd aan uw syndicale activi- teit. De oorzaak van de voorgenomen beëindiging van uw aanstelling is te vin- den in het feit dat de opleiding Grafische en Digitale Media waar u tot het academiejaar 2012-2013 uw lesopdracht vervulde een negatieve beoorde- ling heeft gekregen. Hierdoor werd het curriculum van deze opleiding grondig gewijzigd, met het verdwijnen van de vakken, waaruit uw lesop- dracht bestond, tot gevolg. Er wordt sindsdien gefocust op vakinhouden specifiek aan de afstudeerrichtingen. U heeft echter geen concrete praktijk- ervaring buiten het onderwijs in het domein van Grafische en digitale me- dia, waardoor een andere lesopdracht binnen het gewijzigde curriculum niet mogelijk was. Sedert het academiejaar 2014-2015, en de herstructureringen die de hoge- school ingevolge de fusie moest doorvoeren, is het niet mogelijk gebleken om voor u een gepaste taakstelling te vinden. In bijlage „Overzicht van de tewerkstelling van Gert Hurkmans (stamboek- nummer 17002110385), tijdelijk lector (45%) m.i.v. 01-10-2013.‟ vindt u meer informatie over de betrachtingen van de hogeschool, via o.a. vacatu- res, om een taakstelling te geven die aansluit bij uw opleiding en uw be- roepservaring. Daaruit blijkt dat de hogeschool niet in de mogelijkheid is om u een gepaste taakstelling te geven. In bijlage vindt u conform artikel 89, § 9, al. 2 van het KB van 28 septem- ber 1984 tevens: - de notulen van het Hoogoverlegcomité dd. 28 maart 2018; - het antwoord op de in de notulen vermelde vragen en argumenten die te- gen de voorgenomen beëindiging van de aanstelling ingaan.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de materië- lemotiveringsplicht “doordat de motieven aangehaald in de bestreden beslissing niet stroken met de realiteit en verwerende partij zich om andere – ongeoorloof- IX-9316-4/21 de – redenen van verzoeker wenst te ontdoen”. In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de in de bestreden beslissing aangehaalde redenen tot beëindiging van zijn aan- stelling niet zijn bewezen en niet in rechte ter verantwoording van die beëindi- ging in aanmerking kunnen worden genomen. Verzoeker argumenteert dat hij, in tegenstelling tot wat in de bestreden beslissing wordt overwogen, wel over voldoende praktijkervaring be- schikt om een andere lesopdracht binnen het gewijzigde curriculum op zich te kunnen nemen. Hij verwijst naar het feit dat hij van 1995 tot 2005 in het ambt van lector in de opleiding Chemie HBO5 van het cvo Horito de vakken Organi- sche chemie, Analytische chemie, Labo analytische chemie en Waterbehandeling en scheidingstechnieken heeft gedoceerd. Verzoeker merkt daarbij op dat er van- af 2011 nooit een leidinggevende heeft gevraagd wat zijn formele en informele bijscholingen of trainingen zijn geweest in functie van zijn aanstellingen of toe- komstperspectieven. Wel heeft hij zijn ervaring als lector in de opleidingen PBa Chemie kunnen toelichten tijdens een interview van 29 augustus
- Voorts betoogt verzoeker dat de opleidingsonderdelen waarvan hij titularis was wel nog na 2012 werden gegeven, hoewel de verwerende partij beweert dat deze uit het curriculum werden verwijderd. Hij licht toe dat voor het academiejaar 2013-2014 de opleidingsonderdelen Professionalisering (groepen 1, 2 en 3) en Veiligheid en milieu in zijn opdracht zijn opgenomen en hij stelt dat er heel wat andere opleidingsonderdelen niet zijn toegewezen waarop in augustus en september 2013 nieuwe lectoren extern zijn aangeworven en dit zonder een ge- sprek met verzoeker over zijn inzetbaarheid in het nieuwe curriculum. Verzoeker doet ook gelden dat de verwerende partij zelfs niet heeft getracht om voor hem een gepaste taakstelling te vinden, maar dit integen- deel heeft tegengewerkt. Hij stelt dat de uitnodiging, het verloop en de communi- catie na de feiten met betrekking tot het interview van 29 augustus 2018 voor IX-9316-5/21 vacature „WT-OP-vac17-32 Lector wetenschappen 20%‟ exemplarisch zijn voor de houding van het bestuur tegenover zijn persoonlijk dossier. Voor het overige meent de verwerende partij, aldus verzoeker, in alle vrijheid en willekeur zijn sollicitaties steevast en zonder meer te kunnen afwijzen, zonder motivering en zonder een aanstellingsregeling die hieraan ten grondslag ligt. Verzoeker wijst er ook op dat hij steevast heeft aangeboden zich nog bij te scholen in functie van het nieuwe curriculum en dat hij dit ook deed. Hij herhaalt dat er vanaf 2011 nooit een leidinggevende heeft gevraagd wat zijn bijscholingen of trainingen zijn ge- weest in functie van zijn aanstellingen of toekomstperspectieven. Volgens ver- zoeker kon er wel nog een gepaste taakstelling voor hem worden gevonden. Ten slotte betoogt verzoeker dat de redenen voor zijn ontslag niet vreemd zijn aan zijn syndicale activiteit. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de werkelijke motieven van de verwerende partij elders zijn te situeren. Verzoeker argumenteert dat dit vooreerst blijkt uit de vier op- eenvolgende ontslagen waarvan de inhoudelijke motivering werd aangepast. Vol- gens verzoeker toont dit aan dat de huidige motivering niet strookt met de reali- teit. Voorts stelt hij dat zijn verwezenlijkingen en tussenkomsten als syndicaal afgevaardigde niet in goede aarde zijn gevallen bij de verwerende par- tij. Hij verwijst naar het verslag van het hoog overlegcomité van 28 maart 2018 waarin dit meermaals zou zijn bevestigd. De vragen van de vakorganisaties ble- ven volgens verzoeker zonder redelijk antwoord, hetgeen erop wijst dat de verwe- rende partij bij het nemen van de bestreden beslissing niet is uitgegaan van de correcte feitelijke gegevens. IX-9316-6/21 5.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker met be- trekking tot het eerste middelonderdeel dat hij voldoende praktijkervaring heeft om een andere lesopdracht te kunnen opnemen en dat de redenen voor zijn ont- slag niet vreemd zijn aan zijn syndicale activiteit. Hij benadrukt voorts dat de opleidingsonderdelen waarvan hij titularis was wel nog na 2012 werden gegeven. Volgens verzoeker zijn deze op- leidingsonderdelen deels herschikt in opleidingsonderdelen met nieuwe namen maar met dezelfde inhoud en deels behouden maar door de verwerende partij toegewezen aan andere lectoren, hoewel verzoeker ze initieel had toegewezen gekregen in het voorlopige dienstrooster van
- Over de herverdeling van de opleidingsonderdelen die daarna gebeurde, heeft de verwerende partij ook nooit met hem een gesprek gevoerd. Verzoeker herhaalt ook zijn kritiek dat de verwerende partij niet heeft getracht om voor hem een gepaste taakstelling te vinden, maar dit zelfs heeft tegengewerkt. In dat verband merkt hij nog op dat het gegeven dat curricula van opleidingen in het hoger onderwijs onderhevig zijn aan wijzigingen, op zich geen aanleiding mag geven tot willekeur in het respecteren van de regelgeving inzake het aanstellen, functioneren, nascholen, evalueren en ontslaan van perso- neelsleden in het hoger onderwijs en evenmin tot het bemoeilijken van het uitoe- fenen van de prerogatieven van vakorganisaties tijdens vergelijkende examens of het negatief behandelen van het persoonlijke dossier van personeelsleden met een syndicaal mandaat. 5.
- Met betrekking tot het tweede middelonderdeel herhaalt ver- zoeker dat zijn syndicale mandaat een rol speelde bij het nemen van de bestreden beslissing en dat hij deze problematiek reeds in een schrijven aan de personeels- directeur van 6 oktober 2013 heeft aangekaart. De verwerende partij heeft daar nooit op gereageerd, tot vijf jaar later op het hoog overlegcomité van 28 maart
- Verzoeker doet gelden dat hij in zijn rol van syndicaal afgevaardigde als klokkenluider heeft opgetreden met betrekking tot de problemen betreffende de IX-9316-7/21 inzet van personeel binnen de opleiding in de aanloop naar de onderwijsvisitatie. De visitatiecommissie heeft vervolgens deze personeelsproblemen ook vastge- steld en beschreven in het visitatierapport en daarop werd verzoekers persoonlijk dossier door zijn directe leidinggevende negatief behandeld.
- In verband met zijn kritiek dat bepaalde opleidingsonderdelen waarvan hij titularis was ook nog na 2012 werden gegeven, stelt verzoeker in zijn laatste memorie nog dat het antwoord van het hoog overlegcomité zijn kritiek niet weerlegt. Hierin wordt immers verwezen naar het tijdelijk inrichten van bepaalde opleidingsonderdelen om cursisten de mogelijkheid te geven op reglementaire wijze hun diploma te behalen. Verzoeker merkt op dat hij niet op deze tijdelijke maatregel doelt, maar wel op het gegeven dat de bewuste opleidingsonderdelen deels werden herschikt in opleidingsonderdelen met nieuwe namen maar dezelfde inhoud en deels werden behouden maar door de verwerende partij werden toege- wezen aan andere lectoren hoewel verzoeker ze initieel toegewezen had gekre- gen. Verzoeker merkt op dat ook de afgevaardigde van zijn vakorganisatie stelt dat de opleidingsonderdelen nog werden gegeven na
- Hij stelt dat de motie- ven over de hervormingen van het curriculum en de verdwenen vakken pertinent onjuist zijn en dat deze onjuiste motivering ook samenhangt met “diverse merk- waardigheden in dit dossier, te weten het verloop van de sollicitaties en de syndi- cale activiteiten van verzoeker alsook de opeenvolging van ontslagen”. Het ver- loop van de aanstellingen van andere docenten kan volgens verzoeker het bewijs van de ondeugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing mee onder- bouwen. Ten slotte stelt verzoeker nog dat de omstandigheid dat hij reeds op 6 oktober 2013 melding heeft gemaakt van de problematiek van de syn- dicale activiteiten van belang is, gezien het concrete tijdsverloop van zijn vier opeenvolgende ontslagen waarbij telkens de inhoudelijke motivering werd aan- gepast. Volgens verzoeker blijkt het doel om hem te treffen eveneens vanaf okto- ber 2013 en doet de omstandigheid dat de thans bestreden beslissing dateert van enkele jaren later daaraan geen afbreuk aangezien dit enkel te wijten is aan de IX-9316-8/21 opeenvolging van ontslagen en intrekkingen ervan door de verwerende partij. Beoordeling
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat elke administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven die in feite juist en in rechte aan- vaardbaar zijn en die daarom in het kader van het wettigheidstoezicht gecontro- leerd moeten kunnen worden aan de hand van het administratief dossier. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht vermag de Raad van State zijn oordeel omtrent de feiten niet in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij vermag enkel na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen.
- Verzoeker betwist niet dat hij tijdelijk voor onbepaalde duur aangesteld was in een vacante betrekking en dat de tijdelijke aanstelling van een personeelslid in beginsel beëindigd wordt wanneer de opdracht waarvoor dat per- soneelslid werd aangesteld eindigt of vervalt.
- Volgens de bestreden beslissing is de oorzaak van de beëindi- ging van verzoekers aanstelling te vinden in het feit dat de opleiding Grafische en digitale media waar hij tot het academiejaar 2012-2013 zijn lesopdracht vervulde een negatieve beoordeling heeft gekregen, waardoor het curriculum van deze opleiding grondig werd gewijzigd met het verdwijnen van de vakken waaruit verzoekers lesopdracht bestond tot gevolg. Hieraan wordt toegevoegd dat sinds- dien gefocust wordt op vakinhouden specifiek aan de afstudeerrichtingen en dat verzoeker geen concrete praktijkervaring heeft buiten het onderwijs in het domein van Grafische en digitale media, waardoor een andere lesopdracht binnen het gewijzigde curriculum niet mogelijk was. Voorts wordt in de bestreden beslissing gesteld dat het sedert het academiejaar 2014-2015 en de herstructureringen die de hogeschool ingevolge de fusie moest doorvoeren niet mogelijk is gebleken om voor verzoeker een gepaste taakstelling te vinden. Als bijlage zijn het “Overzicht IX-9316-9/21 van de tewerkstelling van Gert Hurkmans […], tijdelijk lector (45%) m.i.v. 01-10-2013”, de notulen van het hoog overlegcomité van 28 maart 2018 en het antwoord op de in de notulen vermelde vragen en argumenten die tegen de voor- genomen beëindiging van de aanstelling ingaan, toegevoegd.
- Verzoeker betwist niet dat de opleiding waar hij zijn lesop- dracht vervulde een negatieve beoordeling heeft gekregen, waardoor het curricu- lum voor deze opleiding is gewijzigd en dat sindsdien wordt gefocust op vakin- houden specifiek aan de afstudeerrichtingen.
- Verzoeker betwist wel het motief dat hij onvoldoende concrete praktijkervaring buiten het onderwijs in het domein Grafische en digitale media heeft om een andere lesopdracht binnen het gewijzigde curriculum op te nemen. Verzoeker verwijst daarbij louter naar zijn ervaring in de oplei- ding Chemie HBO5 van 1995 tot 2005 in het ambt van lector, ervaring die hij ook heeft toegelicht tijdens het interview van 29 augustus
- Hij toont op deze wijze evenwel niet aan dat hij over praktijkervaring buiten het onderwijs beschikt en toont hiermee bijgevolg niet de onjuistheid aan van dit motief.
- Verzoeker kan het de leidinggevenden ook niet verwijten niet uit eigen beweging naar zijn bijscholingen te hebben gevraagd of hem hierover te hebben geïnformeerd. Verzoeker kon dit immers zelf naar aanleiding van een concrete vacature in zijn sollicitatiebrief in de verf zetten en hij beschikte als per- soneelslid over alle informatie om bijscholingen te volgen.
- De kritiek van verzoeker dat de opleidingsonderdelen waarvan hij titularis was na 2012 nog wel werden gegeven, wordt door de verwerende partij beantwoord. In het antwoord op de in de notulen van 28 maart 2018 van het hoog overlegcomité vermelde vragen valt daaromtrent het volgende te lezen: “Door wijziging van het curriculum van de opleiding betekent dit dat er vanaf het academiejaar 2013-2014 geen toegepaste wetenschappen meer in IX-9316-10/21 het curriculum voorkomen en bijgevolg de lesopdracht die betrokkene ver- vulde volledig verdwenen is. De vakken die betrokkene gaf nl Toegepaste wetenschappen 3 (onderdeel van Grafimediatechnologie 3), Toegepaste we- tenschappen 4 (onderdeel van Druktechnologie 4) en veiligheid en milieu (onderdeel van Druktechnologie 5) zijn afgeschaft in de opleiding vanaf het academiejaar 2013-
- Aangezien de opleiding Grafische en Digitale Media een driejarige oplei- ding is en cursisten die de opleiding voor de curriculumwijziging hebben aangevat nog de mogelijkheid dienden te krijgen om op reglementaire wijze hun diploma te behalen werd het opleidingsonderdeel waarnaar verwezen werd nog eenmaal ingericht. Ten gevolge van deze wijziging van curricu- lum en ten gevolge van de fusie van de hogeschool, zijn er veel opleidings- onderdelen samengevoegd, gewijzigd en/of verdwenen. Het gevolg hiervan was dat de hogeschool voor vast benoemde lectoren, nieuwe taakinvullin- gen diende te voorzien. Ter informatie: De hogeschool heeft de verplichting om voor vast benoemde personeelsleden een garantie van betrekking te voorzien. Bijgevolg werd het opleidingsonderdeel éénmalig gegeven door […] die een vaste benoeming heeft aan de hogeschool.” Verzoeker – die deze antwoorden aan het hoog overlegcomité eveneens heeft ontvangen – toont op geen enkele wijze aan dat deze redengeving onjuist is. Voor zover hij aanvoert dat de desbetreffende opleidingsonderdelen na 2012 deels werden herschikt in opleidingsonderdelen met nieuwe namen maar met dezelfde inhoud en deels werden behouden maar door de verwerende partij toegewezen aan andere lectoren, hoewel hij ze initieel had toegewezen gekregen in het voorlopige dienstrooster van 2013, moet worden vastgesteld dat verzoeker niet verder komt dan die loutere bewering, zonder te concretiseren welke van de opleidingsonderdelen waarvan hij titularis was, louter een nieuwe naam zouden hebben gekregen en aan welke andere lectoren welke opleidingsonderdelen wer- den toegewezen, laat staan dat hij hiervan enig bewijs levert. Verzoeker slaagt er dan ook niet in de ondeugdelijkheid van dit motief aan te tonen. Overigens weer- spreekt verzoeker evenmin het argument dat de verwerende partij bij het samen- voegen van opleidingsonderdelen voorrang moest geven aan vast benoemde lec- toren.
- Met zijn kritiek dat de verwerende partij niet heeft getracht om voor hem een gepaste taakstelling te vinden en dit zelfs heeft tegengewerkt, gaat verzoeker eraan voorbij dat de verwerende partij in 2013 heeft getracht hem een IX-9316-11/21 nieuwe taakinvulling te geven die aansloot bij zijn beroepservaring. Hij werd tijdelijk en deeltijds belast met een opdracht voor preventie en milieu. Deze op- dracht kon echter niet worden verlengd, zoals ook is uiteengezet in het antwoord op de vragen, gesteld in het hoog overlegcomité van 28 maart
- Verzoeker betwist de juistheid van dit gegeven niet.
- Ten slotte slaagt verzoeker er niet in aan te tonen dat zijn ont- slag is ingegeven door syndicale redenen. De loutere verwijzing naar de notulen van het hoog overlegcomité van 28 maart 2018 waarin de verklaringen van de vakbondsafgevaardigden zijn opgenomen, toont dit in ieder geval niet aan. Het verslag geeft immers louter de standpunten weer van de vakbondsafgevaardigden die op algemene wijze stellen dat onvoldoende is aangetoond dat het ontslag niet te wijten is aan syndicale activiteiten. Het feit dat hij de problematiek reeds in oktober 2013 had aangekaart bij de personeelsdirecteur en dat hij vier opeenvol- gende keren werd ontslagen, waarbij de ontslagen drie keer werden ingetrokken, toont op zich evenmin aan dat verzoekers syndicale activiteiten aan de basis lig- gen van zijn thans bestreden ontslag. Dat ontslag is immers ingegeven door de negatieve beoordeling die de opleiding heeft gekregen waardoor het curriculum van deze opleiding grondig werd gewijzigd. Overigens en ten overvloede mag worden vastgesteld dat het eerste ontslag vreemd is aan de huidige betwisting, volgens de stukken waarop de Raad van State acht kan slaan ook geen motivering bevat en dadelijk als een mis- verstand werd erkend. De daaropvolgende ontslagbeslissingen werden ingetrok- ken wegens procedurefouten en het voornemen tot ontslag verwijst, in tegenstel- ling tot wat verzoeker beweert, steeds naar de herstructureringen en het ontbreken van een gepaste taakinvulling.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. IX-9316-12/21 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de artike- len V.93, § 2, V.129 en V.137, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs (VCHO), van artikel 17, 3°, van de wet van 19 december 1974 „tot regeling van de betrekkin- gen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel‟ (hierna: de wet van 19 december 1974) en van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbegin- sel. In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker de schending aan van artikel V.93, § 2, VCHO doordat de verwerende partij heeft nagelaten hem minstens vijfjaarlijks te evalueren ondanks zijn expliciete vraag hiertoe. Verzoeker argumenteert dat zijn laatste evaluatie dateert van 30 mei 2005 en dat dit hem in zijn belangen schaadt aangezien hieruit blijkt dat de verwerende partij heeft nagelaten om na te gaan wat zijn werkelijke mogelijkheden en be- kwaamheden zijn. In de bestreden beslissing overweegt de verwerende partij dat verzoeker geen concrete praktijkervaring heeft buiten het onderwijs in het domein Grafische en digitale media en dat een andere lesopdracht of een gepaste taakstel- ling voor verzoeker niet mogelijk was. Verzoeker vraagt zich af hoe de verwe- rende partij dit gegeven met de vereiste redelijkheid en zorgvuldigheid kon be- oordelen nu zij heeft nagelaten om enige interesse te tonen in zijn bekwaamhe- den. Volgens verzoeker had de verwerende partij bij een tijdige evaluatie op- nieuw kunnen vaststellen wat zijn ruime bekwaamheden zijn en hij merkt daarbij op dat hij ook steeds gunstige studentenevaluaties heeft ontvangen. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker de schending aan van artikel V.129 VCHO doordat de verwerende partij voor hem in geen opdracht of taakomschrijving heeft voorzien gedurende vijf academieja- ren. De verwerende partij heeft aan deze verplichting voor het laatst voldaan in het academiejaar 2012-
- In september 2013 moet hij vervolgens vaststellen IX-9316-13/21 dat hem geen taakstelling meer mag worden gegeven. Hij stelt dat hem nooit de kans werd geboden om aan te tonen dat hij wel kon voldoen aan een andere taak- stelling, wat gezien zijn scholing en ervaring zeker het geval zou zijn geweest. In het derde onderdeel van het middel voert verzoeker de schending aan van artikel V.137, § 1, VCHO doordat de verwerende partij niet heeft voorzien in een aanstellingsreglement. Volgens verzoeker tast dit zijn be- langen aan omdat hij diverse malen heeft getracht te worden aangesteld in een vacante betrekking en de verwerende partij hierover op willekeurige wijze heeft beslist omwille van het ontbreken van een aanstellingsreglement. Om die reden was het hem ook niet bekend hoe hij tegen deze beslissingen een beroep kon in- stellen. In het vierde onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de wijze waarop de verwerende partij hem heeft behandeld en de opeenvolging van diverse ontslagen met telkens de intrekking ervan een schending vormen van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker merkt op dat hij gedurende al deze tijd in onwetendheid verkeerde over zijn situatie en over de mogelijke stappen van de verwerende partij. Dit maakt, aldus verzoeker, de thans bestreden beslissing gebrekkig en minstens duidt het niet enkel op een gebrekkige motivering, maar ook op een gebrek aan redelijkheid en zorgvuldigheid van de verwerende partij. In het vijfde onderdeel van het middel voert verzoeker de schending aan van artikel 17, 3°, van de wet van 19 december
- Hij argu- menteert dat de verwerende partij zich niet zorgvuldig en redelijk heeft opgesteld door gedurende jaren na te laten op zoek te gaan naar een passende taakstelling voor hem en hem hierin zelfs tegen te werken. Hij verwijst naar tal van vacatures waarvoor zijn kandidatuur niet in aanmerking werd genomen. Volgens verzoeker blijkt uit de motivering van de beslissingen in die sollicitatieprocedures de onwil van de verwerende partij om hem nog een kans op tewerkstelling te bieden. Hij wijst er daarbij ook op dat hij door het ontbreken van een aanstellingsreglement IX-9316-14/21 en het niet tijdig vrijgeven van alle beslissingen betreffende de vacatures niet kon verifiëren of deze beslissingen op een correcte wijze werden genomen om desge- vallend beroep te kunnen aantekenen. Verzoeker verwijst voorts naar het verloop van een sollicitatieprocedure, meer bepaald met betrekking tot vacature „WT-OP- vac17-32‟, waarbij de verwerende partij volgens hem onzorgvuldig heeft gehan- deld en de wettelijke prerogatieven van de representatieve vakorganisaties heeft miskend doordat de afgevaardigde van verzoekers vakorganisatie enkel aanwezig was bij het interview van verzoeker en niet bij dat van andere sollicitanten omdat hij niet tijdig in kennis was gesteld van de gewijzigde locatie. Verzoeker verwijst ook naar het ontbreken van inspanningen voor loopbaanbegeleiding, hetgeen de onzorgvuldige houding van de verwerende partij illustreert. Ten slotte stelt hij dat uit het verslag van het hoog overlegcomité blijkt dat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat zijn ontslag te wijten is aan zijn vakbondsactiviteiten, meer bepaald de succesvolle verdediging van een geviseerde collega en zijn rol als klokkenluider met betrekking tot personeelsproblemen, voorafgaand aan de nega- tieve visitatie van de opleiding. Indien de bestreden beslissing om die reden al niet onwettig of onvoldoende gemotiveerd zou worden bevonden, is ze minstens aangetast door een gebrek aan redelijkheid en zorgvuldigheid, zo stelt verzoeker. 18.
- Voor zover de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij het eerste onderdeel van het middel, repliceert verzoeker in de memorie van wederantwoord dat zij niet betwist dat zij hem niet heeft geëvalu- eerd en dat dit, samen met haar weigering om zijn vermeldingen tijdens het func- tioneringsgesprek op te nemen in het functioneringsverslag, doet vermoeden dat er een bewuste strategie is om zijn persoonlijk dossier niet deugdelijk te behande- len. Verzoeker is van oordeel dat hij een belang heeft bij een correct verloop van zijn evaluatiecyclus met inbegrip van een tijdige evaluatie. Hij argumenteert dat de motivering van de bestreden beslissing verwijst naar de taakomschrijving, hetgeen een onderdeel is van de evaluatiecyclus. Door de weigering van de ver- werende partij om hem te evalueren, tracht zij volgens hem de inhoudelijke mo- tieven van haar beslissing onbeschikbaar te maken. Hij stelt dat indien hij wel was geëvalueerd, zijn bekwaamheden en competenties aan het licht waren geko- IX-9316-15/21 men en dat dan aan de hand van de evaluaties bewezen zou zijn dat de verweren- de partij wel een gepaste taakstelling voor hem kon vinden en dat zij dus thans om een andere en ondeugdelijke reden zijn aanstelling heeft beëindigd. 18.
- Met betrekking tot het tweede middelonderdeel betoogt verzoe- ker nog dat de verwerende partij steeds verwijst naar zijn gebrek aan ervaring en dat hij er om die reden belang bij heeft een taakbeschrijving te ontvangen waarop hij zich kon ontwikkelen en nascholen. Hij betwist ook dat artikel V.129 VCHO een louter bevoegdheidverdelende rol heeft en stelt dat personeelsleden dienen te weten waar zij aan toe zijn. Minstens getuigt het van onzorgvuldig bestuur, zo stelt verzoeker, om hem gedurende jaren aan te stellen zonder taakomschrijving en vervolgens tot zijn ontslag over te gaan omdat hij over onvoldoende ervaring beschikt. 18.
- Aangaande het derde middelonderdeel betwist verzoeker de door de verwerende partij opgeworpen exceptie dat hij geen belang heeft bij het aanvoeren van het ontbreken van een aanstellingsreglement. Hij is van oordeel dat bij een correcte aanstellingsprocedure die verloopt volgens een aanstellings- reglement er steeds een gepaste taakinvulling voor hem zou zijn gevonden. Nu heeft de verwerende partij echter bij de invulling van vacatures de vrijheid geno- men om stellingen te poneren zoals het haar uitkwam en het zijn die stellingen die thans het bestreden ontslag motiveren. De verwerende partij zou nooit over een dergelijke vrijheid hebben beschikt indien er een aanstellingsreglement zou be- staan, zo meent verzoeker. Minstens zou hij dan ook op de hoogte zijn geweest van de beroepsprocedure om aanstellingen te betwisten. 18.
- Met betrekking tot het vijfde onderdeel van het middel betwist verzoeker de door de verwerende partij opgeworpen exceptie dat het middelon- derdeel onontvankelijk is aangezien hij nooit de aanstelling van een derde in een functie waarvoor hij kandideerde heeft bestreden en die aanstellingen thans defi- nitief zijn. Hij stelt dat hij met het voorliggende beroep niet de vernietiging van die aanstellingen beoogt. Dat hij eerdere aanstellingsbeslissingen niet heeft be- IX-9316-16/21 streden betekent volgens verzoeker echter niet dat het ontslag onder het mom van het niet vinden van een passende betrekking ook een correcte motivering is en het gevolg van zorgvuldig en redelijk handelen.
- In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker nog dat de verwe- rende partij in de bestreden beslissing heeft geoordeeld over zijn mogelijkheden en bekwaamheden, wat impliceert dat de bestreden beslissing is gesteund op zijn functioneren. Omwille van foutieve beweringen over dit functioneren wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat geen gepaste taakstelling voor hem kan wor- den gevonden. Volgens verzoeker strookt dit motief echter niet met de realiteit en is zijn functioneren verkeerd voorgesteld, hetgeen te wijten is aan het in het mid- del aangevoerde ontbreken van de door de regelgeving voorgeschreven procedu- res en documenten. Beoordeling
- In het eerste onderdeel van het tweede middel voert verzoeker aan dat de verwerende partij in strijd met artikel V.93, § 2, VCHO heeft nagela- ten om hem na 2005 te evalueren zodat zijn bekwaamheden en competenties, waaruit duidelijk zou blijken dat er voor hem wel een gepaste taakstelling kon worden gevonden, niet aan het licht zijn gekomen. De bestreden beslissing wordt gemotiveerd door de omstandig- heid dat de opleiding waar verzoeker zijn lesopdracht had, een negatieve beoor- deling heeft gekregen waardoor het curriculum van deze opleiding grondig werd gewijzigd, met het verdwijnen van de vakken waaruit verzoekers lesopdracht bestond tot gevolg. De bestreden beslissing houdt geenszins verband met (het ontbreken van) een evaluatie van verzoeker of zijn concrete functioneren. Een evaluatie had de bestreden beslissing ook niet kunnen voorkomen, aangezien zelfs een gunstige evaluatie niet noodzakelijk tot een taakstelling voor verzoeker leidt. Een evaluatie heeft betrekking op de wijze waarop het personeelslid pres- teert in zijn opdracht, niet op de wijze waarop het mogelijk talenten kan ontplooi- IX-9316-17/21 en in andere opdrachten. Verzoekers kritiek kan dan ook niet tot de nietigverkla- ring van de bestreden beslissing leiden. Het eerste onderdeel van het middel kan niet worden aangeno- men.
- In een tweede onderdeel van het middel voert verzoeker de schending aan van artikel V.129 VCHO, dat bepaalt: “Het hogeschoolbestuur bepaalt de opdracht en de taakomschrijving van de leden van het onderwijzend personeel. De aanwezigheid in de hogeschool is niet vereist gedurende 2 halve dagen per week voor de voltijdse leden van het onderwijzend personeel.” Terecht stelt de verwerende partij dat uit deze bepaling geen verplichting kan worden afgeleid voor het hogeschoolbestuur om verzoeker een taakomschrijving te geven. Wegens het gewijzigde curriculum van de opleiding van verzoeker, beschikte verzoeker vanaf het academiejaar 2013-2014 niet langer over een geschikte lesopdracht zodat hem geen taakomschrijving kon worden gegeven. Van een schending van artikel V.129 VCHO is bijgevolg geen sprake. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond.
- In een derde onderdeel van het middel klaagt verzoeker het ge- brek aan een aanstellingsreglement aan. Artikel V. 137, § 1, VCHO luidt: “Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstel- ling, benoeming en uitbreiding van aanstelling of benoeming.” Verzoeker stelt dat hij diverse malen heeft getracht aangesteld te worden voor een bepaalde vacature en dat de verwerende partij hierover op willekeurige wijze heeft beslist wegens het ontbreken van een aanstellingsregle- IX-9316-18/21 ment. Het louter ontbreken van een aanstellingsreglement toont even- wel niet aan dat de aanstellingen waarvoor verzoeker solliciteerde op willekeuri- ge wijze zijn verlopen. De verwerende partij moet ook zonder aanstellingsregle- ment immers de rechtsregels volgen, inzonderheid de Codex Hoger Onderwijs en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er valt ook niet in te zien hoe het ontbreken van een aanstel- lingsreglement verzoeker zou verhinderen om zijn weg naar de Raad van State te vinden, daargelaten nog dat die kritiek hoe dan ook niet de onwettigheid van de thans bestreden beslissing kan aantonen. Het derde onderdeel van het middel wordt verworpen.
- In het vierde onderdeel van het middel argumenteert verzoeker dat de opeenvolging van diverse ontslagen met telkens de intrekking ervan en de geruime tijd dat dit in beslag nam, wijzen op een gebrek aan redelijkheid en zorgvuldigheid van de verwerende partij. Het mag gewis onzorgvuldig genoemd worden, dat de verwe- rende partij zelfs tot tweemaal toe een ontslag moet intrekken wegens procedure- fouten. Verzoeker weerspreekt echter niet dat die opeenvolging van vormfouten net ingevolge die intrekkingen is rechtgezet en hij toont niet aan dat dit wijst op een gebrek aan redelijkheid en onzorgvuldigheid van de thans bestreden beslis- sing. Het vierde middelonderdeel kan de gevraagde nietigverklaring niet verantwoorden.
- In het vijfde onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de verwerende partij zich niet zorgvuldig en redelijk heeft opgesteld door gedu- IX-9316-19/21 rende jaren na te laten op zoek te gaan naar een passende tewerkstelling voor hem en hem hierin zelfs tegen te werken. Voor zover verzoeker argumenten herhaalt die hij heeft aange- voerd in andere middelonderdelen en waarvan reeds is uiteengezet dat ze niet kunnen worden aangenomen, wordt naar de bespreking ervan verwezen. Dat de verwerende partij in het geheel geen inspanningen heeft gedaan om verzoeker een passende taak te geven, is hiervóór al weerlegd. Verzoeker verklaart voorts zelf dat hij meermaals heeft kunnen deelnemen aan interne vacatures. Ook dit toont aan dat hij kansen had om een andere opdracht te verwerven. Het enkele feit dat er een vacature bestaat waar- voor verzoeker solliciteert, legt de verwerende partij evenwel niet de verplichting op om verzoeker erin aan te stellen. Verzoeker is blijkbaar nooit door de selecties geraakt. Hij heeft die beslissingen niet aangevochten. Als verzoeker van oordeel is dat hem toen en telkenmale ten onrechte een passende taakstelling geweigerd werd, lag het op zijn weg om er op dat ogenblik tegen op te treden. Hij heeft erin berust en moet thans dan ook verdragen dat de beslissingen die de verwerende partij toentertijd heeft genomen in rechte niet meer in vraag gesteld kunnen wor- den. Aangenomen wordt dan ook dat de verwerende partij terecht een andere kandidaat liet prevaleren, zodat de afwijzing van verzoekers kandidaatstellingen niet aantoont dat hem ten onrechte voor die vacatures een passende taakstelling is ontzegd, laat staan dat de thans bestreden beslissing onwettig is. Het vijfde onderdeel van het middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond.
- Geen van de vijf onderdelen van het tweede middel is gegrond. IX-9316-20/21 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwin- tig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samenge- steld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9316-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.788 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.