id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.790 Rolnummer: A. 230339/XIV-38290 Zaak: Arrest 248790 - Tucht (openbaar ambt) - 29/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.790 van 29 oktober 2020 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.790 van 29 oktober 2020 in de zaak A. 230.339/XIV-38.290 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de stad ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Els Gypen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 27 februari 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 30 december 2019 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.290-1/38 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020, om 16.30 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gert Op De Beeck, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor verzoeker, en advocaten Chloé Van Landeghem en Anton Geerts, die loco advocaten Gitte Laenen en Els Gypen verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eerste inspecteur van politie bij de lokale politie- zone Antwerpen (PZ 5345). 3.
- Met het inleidend verslag van 4 juli 2019 stelt de hogere tucht- overheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, de om- standigheden en de gevolgen ervan, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. 3.
- Op 9 augustus 2019 stelt de hogere tuchtoverheid voor om aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. XIV-38.290-2/38 Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverwe- ging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 17 december 2019 adviseert de Tuchtraad dat het aan verzoeker tenlastegelegde feit “zoals omschreven in punt 5.2”, bewezen is en aan verzoeker dient te worden toegerekend, dat het feit een tuchtinbreuk uitmaakt in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware straf van ontslag van ambtswege voor de bewezen feiten een gepaste straf is. Punt 5.2 van het advies luidt: “5.2 Tenlastelegging Op basis van het dossier oordeelt de Tuchtraad dat aan verzoeker door de tucht- overheid het volgende tuchtvergrijp wordt ten laste gelegd: De verzoeker heeft de waardigheid van het ambt in gedrang gebracht doordat hij begin maart 2019 in uniform in de cafetaria van het gerechtsgebouw aan de Boli- varplaats te Antwerpen een ongepaste en beledigende uitspraak maakte over een medewerker van allochtone origine ([XX]). Hij stelde aan de kassa tegen een me- dewerkster, doelend op [XX]: ‘Hoelang gaat dat vies ventje hier nog staan?’ 3.
- De hogere tuchtoverheid beslist op 30 december 2019 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…]
- Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen Begin maart 2019 was u in uniform aanwezig in de cafetaria van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen aan de Bolivarplaats te Antwerpen. U stond aan te schuiven in de cafetaria en stelde ten aanzien van iemand van het personeel de vraag: ‘Hoelang gaat dat vies ventje hier nog staan?’ doelend op de heer [XX], een andere medewerker die achter de toog werkzaam was. Uw uitspraak was hoorbaar voor andere mensen. Deze opmerking is volstrekt ongepast en kwetsend. U wekte hiermee de indruk dat u schijnbaar een probleem had met de schijnbare afkomst of mogelijk met de schijnbare geaardheid van de medewerker. […].
- Analyse van het verweer Gelet op de analyse van het verweer werd kennis genomen van de argumenten als volgt. In het proces-verbaal van hoorzitting van 2 augustus 2019 werd het volgende XIV-38.290-3/38 genoteerd: ‘Betrokkene en zijn verdediger dienden een verweerschrift in en leggen deze nogmaals ondertekend ter zitting neer voor het dossier. De elementen uit het verweerschrift worden ter zitting mondeling hernomen. Ver- der verklaren zij dat: • indien de tuchtoverheid alsnog zou overwegen […] om een sanctie op te leggen en niet gaat voor de vrijspraak dan wordt gevraagd om een straf op te leggen die ook gunstig is voor de burger (inhouding 2 maanden, 10% en hierbij de gunst om gratis te komen werken). • Er nooit de intentie was om homofobe of racistische uitspraken te doen. Een en ander gebeurde in een ludieke sfeer. Er waren geen slechte bedoelingen.’ […]. 5.2 Tweede middel Ik stel vast dat het verweer onduidelijk is geformuleerd daar het niet naar een dui- delijk geschonden norm verwijst noch een geschonden wetsbepaling inroept. Ik interpreteer op basis van uw verweer dat u meent dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden nu u een aantal elementen uit het tuchtdossier aanhaalt die volgens u een ander licht op de feiten doet schijnen. U stelt in uw verweerschrift dat u niet ‘vettig ventje’ hebt gezegd maar wel ‘Dat is een vies man’. Deze uitspraak was ludiek bedoeld en u had zeker niet de bedoeling om hier iemand mee te schofferen. U wilde hiermee zeggen dat u de medewerker in de cafetaria raar vond. Beoordeling Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat de tuchtoverheid zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldig- heid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid onder meer om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. In casu werden de feiten zorgvuldig onderzocht en meen ik dat het tuchtvergrijp zoals weergegeven in mijn inleidend verslag, punt 4, bewezen en aan u toerekenbaar is. Uit het tuchtdossier blijkt onomstotelijk dat u een ongepaste reactie maakte over [XX], een medewerker van de cafetaria van het gerechtsgebouw. Tijdens uw ver- hoor stelt u zelf: ‘Ik heb niet ‘vettig’ maar ‘vies ventje’ gezegd, de Antwerpse uitdrukking om aan te geven dat je iemand raar vindt, op komische manier zelfs...Dat heeft dus niets te maken met origine, dat is haar interpretatie echter blijkbaar.’ Op de vraag ‘Waarom stelde je de vraag of hij er nog lang ging staan/werken?’ antwoordde u tijdens uw verhoor: ‘Dat was nieuwsgierigheid, meer niet, ik bedoel, ik weet dat die daar met een spe- ciaal contract stond te werken, zoals er daar geregeld al gepasseerd zijn in het ver- leden, meestal voor kortere duur, maximum een jaar. Ik was gewoon nieuwsgierig.’ U ontkent derhalve niet te hebben gezegd dat u de medewerker van allochtone ori- gine een ‘vies ventje’ vond en de vraag hebt gesteld hoelang hij daar nog ging blijven. Ook de uitdrukking ‘Dat is een vies man.’, zoals u nu in uw verweerschrift aanhaalt, blijft een ongepaste uitspraak. Dergelijke uitspraken zijn zeer ongepast en beledigend en allesbehalve ludiek te noemen, en werden bovendien uitgesproken in uniform in de cafetaria van het gerechtsgebouw tegen een medewerkster aan de kassa. Voor deze feiten ontving u ook een functioneringsnota d.d. 11 maart 2019 waarbij uw evaluator stelde: ‘(hij) maakte de opmerking dat er een vies ventje achter de toog stand. Ik heb [verzoeker] hierover aangesproken en hij zegt geen XIV-38.290-4/38 slechte bedoelingen gehad te hebben. Volgens zijn eigen zeggen, maakt hij steeds grapjes met het personeel achter de toog (...).’ U reageerde op de functioneringsnota met volgende opmerking: ‘Het was geenszins mijn bedoeling iemand te schofferen of te kwetsen. Waarvoor mijn verontschuldigingen.’ Uw argument dat u met deze uitspraak bedoelde dat u de medewerker raar vond, kan moeilijk aangenomen worden, nu uit het dossier blijkt dat u de uitspraak dit zonder reden of aanleiding hebt gezegd. U kende de medewerker niet, er was geen voor- afgaande woordenwisseling of contact geweest. Dit is allesbehalve een gepaste of respectvolle reactie. Zelfs indien er van kan worden uitgegaan dat de uitspraak ludiek bedoeld was, dan doet dit nog geen afbreuk aan het gepleegde tuchtvergrijp. Het gegeven dat de feiten in een ludieke context zouden zijn gebeurd, ontneemt immers niet het karakter van het tuchtvergrijp. Niet de intentie waarmee u deze feiten stelde, bepalen het al dan niet gepast karakter ervan. Dit wordt ook door de Tuchtraad bevestigd. In het jaarverslag 2017 van de Tucht- raad (VTH/016 - 025 van 8 maart 2017) wordt immers het volgende gestipuleerd: ‘... Het gegeven dat alle feiten onder de noemer ‘ongepaste en seksueel getinte uitspraak/gedraging’ gebeurden ‘als grap’ ontneemt echter niet het karakter van het tuchtvergrijp. Niet de intentie waarmee de verzoeker deze feiten stelden bepalen het al dan niet ‘gepast’ karakter ervan. Ook het feit dat de collega’s nooit klacht hebben ingediend wegens seksuele inti- midatie conform de ‘Wet betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk’ ontneemt het ‘ongepast’ karakter van deze uitspraken/gedragingen. Terecht stelde de Inspecteur-generaal in het deskundigenverslag dat: - de overheid de grenzen kan bepalen waarbinnen de betrokken politiemedewerker zich had moeten bewegen wat zijn seksuele ‘aandacht’ voor collega’s betreft; - het ongewenste karakter ervan voor degene die er het voorwerp van is en die dat duidelijk heeft laten verstaan, de grens tussen de toegelaten seksuele ‘aandacht’ en de verboden seksuele ‘intimidatie’ bepaalt. Het is inderdaad zo dat de betrokken collega’s niet onmiddellijk hebben gereageerd maar ze deden dit wel door de door verzoeker gedane uitspraken te vermelden in het kader van het onderzoek. Terecht wijst de Inspecteur-generaal op het feit dat ... de kwestieuze tekeningen wel heeft bijgehouden. Daarenboven doet het feit dat verklaarde dat voor haar de verzoeker ‘nooit een persoonlijke grens heeft overschreden’ daaraan geen afbreuk nu dergelijke verkla- ring gegeven kan zijn op grond van andere overwegingen. Een feit is dat ... de verzoeker duidelijk een halt heeft toegeroepen toen voor haar ‘de maat vol was’ (hetgeen ze zelf verklaarde op 17 full 2016) door te insinueren dat ze op zijn vraag zou ingaan. Het gegeven dat AP XXXX verklaard heeft dat er voor haar geen sprake was van ‘seksuele intimidatie’ doet geen afbreuk aan het ongepast karakter van de seksueel getinte uitspraak/gedraging jegens haar. Uit de verklaring van ... blijkt duidelijk dat XXXX kwaad was, nadat verzoeker haar het bundel met de kwestieuze tekeningen had overhandigd, en dat ze ermee verveeld zat en het bundel niet aan haar man durfde te laten zien. Wat het feit ten aanzien van ... betreft blijkt duidelijk uit diens verklaring alsook uit de verklaring van … dat beiden vonden dat de e-mail vanwege verzoeker ‘erover was’. Volgens de Wet betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk is het ‘ongewenst seksueel gedrag’ elke vorm van XIV-38.290-5/38 verbaal, niet verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarvan degene die er zich schuldig aan maakt, weet of zou moeten weten, dat het afbreuk doet aan de waardigheid van mannen en vrouwen op het werk. Ook de verzoeker, die toch een volwassen man is en deel uitmaakt van een poli- tie-eenheid, ook al bedoelde hij dit alles als een grap had moeten weten dat de door hem uitgehaalde grappen afbreuk deden aan de ‘waardigheid’ van de dames …’. U had als volwassen man en deel uitmakend van een politie-eenheid moeten be- seffen dat de door u gedane uitspraak afbreuk doet aan de waardigheid van de be- trokken medewerker van de cafetaria en deze uitspraak dan ook als volstrekt on- gepast moet beschouwd worden, ook al bedoelde u dit als grap. Dit is niet het gedrag dat van een politieambtenaar kan worden verwacht. Het tweede middel is niet gegrond. 5.3 Derde middel U acht dat het proportionaliteitsbeginsel is geschonden omdat de voorgestelde tuchtstraf onredelijk is en het bewezen feit niet in verhouding staat met mijn voornemen u een ontslag van ambtswege op te leggen. Uw tuchtverdediger verzoekt namelijk u geen tuchtstraf op te leggen en u eventueel in ondergeschikte orde een inhouding van wedde van 10% gedurende 2 maanden op te leggen. Dit rekening houdend met het feit dat u uw werk goed doet, zoals ook blijkt uit het schrijven van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en uit een positieve functione- ringsnota. Beoordeling In mijn hoedanigheid van tuchtoverheid beoordeel ik discretionair de zwaarte van de tuchtstraf die ik wens op te leggen. Zoals uit titel 4 ‘Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten’ van het inleidend verslag blijkt, berust mijn beslissing om u een tuchtstraf op te leggen op deugdelijke en draagkrachtige motieven. Bij de oplegging van de tuchtstraf wordt steeds rekening gehouden met de feiten zelf maar ook met de staat van dienst, de evaluatie- en functioneringsstukken en het tuchtverleden. Er werd derhalve reeds rekening gehouden met uw staat van dienst en de positieve functioneringsnota van 10 april 2019 zoals blijkt uit mijn inleidend verslag. Er dient echter rekening te worden gehouden met de verzwarende om- standigheid dat u op korte tijd ernstige tuchtvergrijpen pleegde. Zoals blijkt uit uw tuchtstraffenblad gevoegd in het tuchtdossier en vermeld in mijn inleidend verslag, werden u volgende zware tuchtstraffen opgelegd: - burgemeester dd. 26 juli 2017: inhouding van wedde 5% gedurende 1 maand; - burgemeester dd. 12 mei 2015: terugzetting in weddeschaal; - burgemeester dd. 11 februari 2014: 1 maand schorsing; - burgemeester dd. 19 juni 2013: 2 weken schorsing. De tuchtstraf van 19 juni 2013 werd u onder meer opgelegd voor een positieve ademtest tijdens de dienst en het besturen van uw persoonlijk voertuig in staat van alcoholintoxicatie. De tuchtstraf van 11 februari 2014 werd opgelegd voor het niet inleveren bij het DIV van een gevonden nummerplaat en deze op uw persoonlijk voertuig te beves- tigen om vervolgens te parkeren op de openbare weg. De tuchtstraf van 12 mei 2015 werd u opgelegd omdat u tijdens de dienst een al- cohollucht verspreidde en hierop een alerte ademtest aflegde. Hierdoor bedroeg het alcoholgehalte ten minste 0,22 mg/liter uitgeademde alveolaire lucht maar onder 0,35 mg/L. Bovendien had u tijdens de dienst onder invloed van alcohol een dienstvoertuig bestuurd en was u niet gehoorzaam doordat u de opdracht van uw hiërarchische meerdere om uw dienst te beëindigen, ingevolge uw alerte ademtest, weigerde. In het tuchtbesluit werd uitdrukkelijk gestipuleerd dat u een allerlaatste kans werd geboden waardoor het destijds initieel voorgestelde ontslag van ambts- wege werd omgezet naar de zware tuchtstraf terugzetting in weddeschaal. XIV-38.290-6/38 De tuchtstraf van 26 juli 2017 werd u opgelegd omdat u, nadat u twee minderjarigen had begeleid terwijl ze werden vervoerd met een taxi van het justitiepaleis te Ant- werpen naar de jeugdinstelling te Mol, op de terugweg gestopt bent in een taverne om iets te eten en/of te drinken en de taxi onnodig hebt laten wachten en door na het uitvoeren van een medische uithaling met een taxi, de taxi de opdracht te geven om vanuit de Begijnenstraat niet naar het gerechtshof te rijden, maar naar het Centraal Station, waar u in het station in een bar iets bent gaan drinken en dit tijdens de diensturen. U werd in het verleden reeds gewezen op uw gedrag en ook een laatste kans ge- boden. Gelet op voorgaande kan bezwaarlijk worden aangenomen dat u over de vereiste ingesteldheid beschikt waarover een politieambtenaar dient te beschikken. Het verder laten functioneren van een politieambtenaar die dergelijke feiten pleegde, zou de geloofwaardigheid en het imago van de politiedienst ernstig scha- den. Als politieambtenaar hebt u steeds een voorbeeldfunctie. Door dergelijke on- gepaste en onrespectvolle uitspraak te doen in uniform in de cafetaria van het ge- rechtsgebouw naar een medewerkster toe, hebt u op zeer ernstige wijze uw voor- beeldfunctie geschonden. Als tuchtoverheid meen ik dat het vertrouwen onherroe- pelijk is geschonden. Om deze redenen ben ik van oordeel dat de voorgestelde tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ aldus in verhouding staat met de bewezen feiten. U bracht in uw ver- weer geen nieuwe elementen naar voor die van aard zijn om van de voorgestelde tuchtstraf af te wijken. Het derde middel is niet gegrond. […].
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de stukken vervat in het dossier; 6.1 meen ik dat de feiten ontegensprekelijk vaststaan en u kunnen worden toege- rekend doordat u begin maart 2019 in de cafetaria van het gerechtsgebouw aan de Bolivarplaats te Antwerpen volgende ongepaste uitspraak deed naar een mede- werkster van de cafetaria, doelend op [XX] eveneens werkzaam in de cafetaria: ‘Hoelang gaat dat vies ventje hier nog staan?’. De uitspraak was hoorbaar voor andere mensen. Mevrouw [X] die werkzaam was in de cafetaria op het ogenblik van de feiten ver- klaart in haar verhoor op 13 mei 2019 dat u, werkend in uniform, haar aansprak toen het uw beurt was om af te rekenen, zeggende: ‘Seg, hoelang gaat dat vettig ventje hier nog staan?’. U herhaalde deze uitspraak en wees haar medewerker, [XX], aan met uw vinger. Deze uitspraak kwam ongevraagd, spontaan van u zonder enig voorgaand incident of probleem. Ze vond deze uitspraak erg ongepast en onpro- fessioneel, waarna zij dit meldde aan haar verantwoordelijke. Zij heeft dit gemeld omdat zij meent dat een politieman voor andere waarden moet staan, andere mensen met respect moet kunnen behandelen, en in hun waardigheid laten, en zich niet mag laten leiden door vooroordelen of discriminerende motieven. In haar verklaring geeft [X] nog aan dat ze u kent als iemand die in het verleden nooit onder stoelen of banken heeft gestoken dat u niet opgezet is met mensen van een andere origine. Dit was echter de eerste keer dat uw uitspraak specifiek naar iemand was gericht en daarom verraste het haar toch. [XX] was zelf geen getuige van het voorval en heeft de uitspraak niet gehoord. Hij stelde tijdens zijn verhoor dat hij merkte dat er iets gebeurd was. Hij vernam pas enkele dagen later van de voorzitter van de rechtbank wat er gebeurd was. [XX] woont hier alleen en wenst hier een leven op te bouwen, hij wil geen problemen. Hij stelde ook zich nu kwetsbaar te voelen en onzeker naar de politie toe omdat de uitspraak door een politieman gebeurde. Hij wil op de politie kunnen vertrouwen. Hij heeft gehoord dat deze politieman bepaalde ideeën zou hebben over mensen van XIV-38.290-7/38 een andere afkomst. Hij vindt het jammer voor de politieman en hoopt dat deze terug beseft hoe hij zijn job correct moet doen door respect te hebben voor andere mensen. Tijdens uw verhoor op 4 juni 2019 geeft u toe aan de kassa in de cafetaria van het gerechtsgebouw te hebben gezegd dat u de medewerker van de cafetaria [XX] een ‘vies man’ vindt. Dit is volgens u echter een typisch Antwerpse uitdrukking, waarmee u bedoelde dat u [XX] een rare vond. Dit heeft niets te maken met afkomst of geaardheid. De vraag of [XX] nog lang bleef werken in de cafetaria was louter uit nieuwsgierigheid, gezien er geregeld personeel met contracten van kortere duur werken. U heeft nooit de intentie gehad om iemand te kleineren. U bent iemand die voortdurend grappen maakt, zonder kwade bedoelingen. Uw woorden werden achteraf gezien volledig verkeerd geïnterpreteerd en u zou hier voortaan erg op letten. Omtrent deze feiten heeft u reeds een functioneringsnota gekregen. 6.2 meen ik dat deze feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: U hebt de waardigheid van het ambt in gedrang gebracht doordat u begin maart 2019 in uniform in de cafetaria van het gerechtsgebouw aan de Bolivarplaats te Antwerpen een ongepaste en beledigende uitspraak maakte over een medewerker van allochtone origine ([XX]). U stelde aan de kassa tegen een medewerkster, doelend op [XX]: ‘Hoelang gaat dat vies ventje hier nog staan?’. Deze uitspraak is volstrekt ongepast, onrespectvol en onprofessioneel. Ze kunnen daarenboven beledigend zijn naar bepaalde bevolkingsgroepen toe. Het moet vanzelfsprekend zijn dat medewerkers van de politie in hun communicatie geen grove en beledigende taal gebruiken, dat ze zakelijk blijven in hun uitspraken en geen persoonlijke meningen delen die ingaan tegen de deontologische code. Als inspecteur van politie heeft u steeds een voorbeeldfunctie. Door uw gedrag hebt u evenwel uw voorbeeldfunctie geschonden. Door uw gedrag werd ook het imago van de politie geschonden en werd bovendien het vertrouwen geschonden dat de burger moet kunnen hebben in de politie. […]
- Advies van de tuchtraad De tuchtraad heeft op 17 december 2019 een advies gegeven. De tuchtraad stelt dat het ten laste gelegde feit, zoals omschreven in punt 5.2, be- wezen is en aan verzoeker dient te worden toegerekend. Dat het feit een tuchtin- breuk uitmaakt in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Wat de straf betreft, stelt de tuchtraad dat de door de hogere tuchtoverheid voorge- stelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf uitmaakt. Ik schaar mij ten volle achter dat advies van de tuchtraad,
- Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 38 tot 38sexies en de artikelen 39 tot en met
- Aangezien ik meen dat de feiten vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 6, een tuchtvergrijp uitmaken. Gelet op de ernst van de feiten. Gelet op het feit dat u een zeer ongepaste uitspraak deed over een medewerker van het gerechtsgebouw van allochtone origine. Deze uitspraken kunnen beledigend zijn ten aanzien van een bepaalde bevolkingsgroep en aldus eveneens ten aanzien van collega’s/leidinggevenden van andere origine. Gelet u een voorbeeldfunctie hebt en u zich in casu allesbehalve voorbeeldig hebt gedragen. Gelet de feiten zeer ernstig zijn vermits ze onverenigbaar zijn met de principes vervat in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde poli- tiedienst, gestructureerd op twee niveaus en in strijd zijn met de meest essentiële deontologische normen waaraan een inspecteur van politie dient te voldoen. XIV-38.290-8/38 Gelet dat het u verder laten functioneren, de geloofwaardigheid en het imago van de politiedienst ernstig zouden schaden. Gelet de feiten dermate ernstig zijn dat het vertrouwen onherroepelijk geschonden is en dat iedere verdere samenwerking onmogelijk is geworden. Rekening houdend met al deze elementen en gezien uw tuchtverleden, is het dui- delijk dat u niet beschikt over de juiste ingesteldheid en evenmin over het juiste normbesef om uw functie van inspecteur van politie uit te oefenen. Gelet men bijgevolg van het andere politiepersoneel niet kan eisen dat zij met u nog samenwerken. Gelet u niet meer op een behoorlijke wijze kan ingeschakeld worden in het poli- tiekorps en dat derhalve de zorgvuldigheidsplicht mij verplicht hier in te grijpen. Gelet dat een ambtshalve ontslag minder ingrijpende gevolgen heeft voor uw pen- sioenrechten. Gelet op het tuchtstraffenblad met vermelding van volgende zware tuchtstraffen: - burgemeester dd. 26 juli 2017: inhouding van wedde 5% gedurende 1 maand; - burgemeester dd. 12 mei 2015: terugzetting in weddeschaal; - burgemeester dd. 11 februari 2014: 1 maand schorsing; - burgemeester dd. 19 juni 2013: 2 weken schorsing. De tuchtstraf van 19 juni 2013 werd u onder meer opgelegd voor een positieve ademtest tijdens de dienst en het besturen van uw persoonlijk voertuig in staat van alcoholintoxicatie. De tuchtstraf van 11 februari 2014 werd opgelegd voor het niet inleveren bij het DIV van een gevonden nummerplaat en deze op uw persoonlijk voertuig te beves- tigen om vervolgens te parkeren op de openbare weg. De tuchtstraf van 12 mei 2015 werd u opgelegd omdat u tijdens de dienst een al- cohollucht verspreidde en hierop een alerte ademtest aflegde. Hierdoor bedroeg het alcoholgehalte ten minste 0,22 mg/liter uitgeademde alveolaire lucht maar onder 0,35 mg/L. Bovendien had u tijdens de dienst onder invloed van alcohol een dienstvoertuig bestuurd en was u niet gehoorzaam doordat u de opdracht van uw hiërarchische meerdere om uw dienst te beëindigen, ingevolge uw alerte ademtest, weigerde. In het tuchtbesluit werd uitdrukkelijk gestipuleerd dat u een allerlaatste kans werd geboden waardoor het destijds initieel voorgestelde ontslag van ambts- wege werd omgezet naar de zware tuchtstraf terugzetting in weddeschaal. De tuchtstraf van 26 juli 2017 werd u opgelegd omdat u, nadat u twee minderjarigen had begeleid terwijl ze werden vervoerd met een taxi van het justitiepaleis te Ant- werpen naar de jeugdinstelling te Mol, op de terugweg gestopt bent in een taverne om iets te eten en/of te drinken en de taxi onnodig hebt laten wachten en door na het uitvoeren van een medische uithaling met een taxi, de taxi de opdracht te geven om vanuit de Begijnenstraat niet naar het gerechtshof te rijden, maar naar het Centraal Station, waar u in het station in een bar iets bent gaan drinken en dit tijdens de diensturen. Gelet op de functioneringsnota’s van 11 maart 2019 en 10 april
- Gelet op de evaluatie van 2 oktober 2017 met als eindvermelding ‘bevredigend’. Gelet op de analyse van uw verweerschrift van 1 augustus
- Gelet op uw verhoor op datum van 2 augustus
- Gelet op mijn besluit voorstel zware tuchtstraf van 9 augustus
- Gelet op het advies van de tuchtraad gegeven op 17 december
- Wat de straf betreft, stelt de tuchtraad dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf uitmaakt. In mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid: Leg ik u, voor de feiten vervat in punt 2, de zware tuchtstraf op van ontslag van ambtswege. […].” XIV-38.290-9/38 Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Regelmatigheid van de nota met opmerkingen van de verwe- rende partij
- De lokale politiezone Antwerpen is een “eengemeentezone” (artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 april 2000 ‘houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones’), zodat de rechts- persoon de stad Antwerpen is. In geschillen voor de Raad van State als het voor- liggende treedt derhalve de stad Antwerpen op als verwerende partij. Luidens artikel 297, § 1 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ vertegenwoordigt het college van burgemeester en schepenen de gemeente in gerechtelijke gevallen. Hieruit volgt dat alle procedu- restukken voor de Raad van State dienen uit te gaan van het college van burge- meester en schepenen.
- Te dezen vermeldt de nota met opmerkingen uitdrukkelijk dat de stad Antwerpen wordt vertegenwoordigd door de burgemeester in zijn hoedanig- heid van hogere tuchtoverheid. Voorts blijkt uit niets dat dit een materiële vergis- sing betreft zoals de verwerende partij ter terechtzitting betoogt. Het processtuk gaat bijgevolg niet uit van het college van burgemeester en schepenen. Er ligt evenmin een uittreksel voor van de notulen van het col- lege van burgemeester en schepenen waaruit zou kunnen blijken dat het college tijdig zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) de betrokken nota. Het ter terechtzitting overlegde uittreksel doet hiervan niet blijken. Het betreft immers enkel de goedkeuring door het college van burgemeester en schepenen dat er verweer wordt gevoerd in de voorliggende procedure en dat een advocatenkantoor XIV-38.290-10/38 wordt aangesteld “om de rechten van stad Antwerpen/politiezone Antwerpen waar te nemen” in de voorliggende procedure. De nota met opmerkingen gaat derhalve niet uit van het be- voegde orgaan van de gemeente.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat ambtshalve de nota met opmer- kingen uitgaande van de burgemeester, uit het debat wordt geweerd. V. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Ernst van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het enig middel de schending aan van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het proportionaliteitsbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), juncto artikel 38sexies, vijfde lid van de tuchtwet, juncto de materiëlemotiveringsplicht en uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, en uit machtsoverschrijding. XIV-38.290-11/38 Na een duiding in het recht van de geschonden geachte bepalingen en beginselen, licht verzoeker het middel toe, in wat kan worden beschouwd als vijf onderdelen. Een eerste onderdeel betreft de schending van artikel 3 van de tuchtwet. Volgens verzoeker is vooreerst de hem tenlastegelegde uitspraak, hoewel het humoristische en gepaste karakter ervan in twijfel kan worden getrokken, in zijn correcte context geplaatst, niet van aard om te worden gekwalificeerd als een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet, zonder dat de concrete impact op de waardigheid van het ambt of de beroepsplichten wordt aangetoond. Volgens verzoeker kan ongepastheid van een uitspraak in een private conversatie niet worden verward met tuchtrechtelijk handelen en door de beiden gelijk te schakelen schendt de hogere tuchtoverheid de voormelde bepaling. Minstens schendt zij die bepaling door te volstaan met het kwalificeren van het ongepast karakter van een opmerking als tuchtrechtelijk vergrijp zonder dat werd aangetoond hoe deze opmerking een schending uitmaakt van de beroepsplichten, dan wel hoe deze de waardigheid van het ambt in concreto in het gedrang brengt. Volgens verzoeker maakt de correcte context waarin hij zijn uitspraak deed, dat de hogere tuchtoverheid haar besluitvorming diende te steunen op een concrete afweging van de impact die zijn uitspraak heeft gehad op de waardigheid van het ambt of op zijn beroepsplichten, hetgeen te dezen niet is aangetoond. Voorts stelt verzoeker dat het tuchtvergrijp diverse bestanddelen bevat, maar dat de tuchtoverheid oordeelt dat het ongepast karakter van de uitspraak zou hebben volstaan om die als tuchtfeit te kwalificeren. Het gelijkschakelen van een tuchtvergrijp aan het al dan niet gepast zijn van een gedraging miskent artikel 3 van de tuchtwet. Verschillende andere bestanddelen worden vervolgens doelbewust uit de bewijslast gelaten of onder hypothesen bedolven, zodat niet werd aangetoond dat de bewezen feiten daadwerkelijk als een tuchtvergrijp konden worden gekwalificeerd. Een tweede onderdeel betreft de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, waarbij verzoeker verschillende feitelijke grieven uiteenzet. Volgens verzoeker is dit beginsel vooreerst geschonden doordat geen XIV-38.290-12/38 rekening werd gehouden met de omstandigheid dat de raciale en seksistische motieven die hem bij de opstart van de tuchtprocedure werden toegedicht, tijdens de procedure zijn komen te vervallen bij gebrek aan bewijzen, zonder dat de gevorderde strafmaat hier tegenover werd afgewogen. Voorts steunt volgens verzoeker de feitenvinding op “hypothetische veronderstellingen” hetgeen volgens hem blijkt uit de volgende zinsnede in punt 2 “uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen”: “Deze opmerking is volstrekt ongepast en kwetsend. U wekte hiermee de indruk dat u schijnbaar een probleem had met de schijnbare afkomst of mogelijk met de schijnbare geaardheid van de medewerker”. Volgens verzoeker is dergelijk giswerk onverenigbaar met een zorgvuldige feitenvinding. Ook voert verzoeker aan dat het tuchtvergrijp ondubbelzinnig verwijst naar de omstandigheid dat de uitspraak zou zijn gebeurd “over een medewerker van allochtone origine”, terwijl de getuigenis van de cafetariamedewerkster (X) en van de betrokken medewerker (XX) zelf niet in redelijkheid toelaten deze vaststellingen met kennis van zaken te doen. De bestreden beslissing verliest zich voorts in hypothesen, waar ze in de hypothese dat de uitspraak toch als ludiek moest worden opgevat, het gepast of ongepast karakter van de uitspraak voldoende acht om de tuchtrechtelijke tenlastelegging als bewezen te beschouwen, zich hierbij aansluitend bij een misplaatste analogie met een aan hem vreemde tuchtzaak. Ook in de vertaling van de feiten naar een tuchtvergrijp blijft de hogere tuchtoverheid op hypothetische veronderstellingen steunen, waarbij verzoeker verwijst naar de zinsnede: “Deze uitspraak is volstrekt ongepast, onrespectvol en onprofessioneel. Ze kunnen daarenboven beledigend zijn naar bepaalde bevolkingsgroepen toe”. Daarnaast gaat de bestreden beslissing uit van grove en beledigende taal, daar waar dit niet uit een zorgvuldige feitenvinding blijkt nu de context (privaat gesprek met een bekende buiten de dienst) en de gevolgen (werd iemand in concreto beledigd door de uitspraak), laat staan de intenties (grove taal XIV-38.290-13/38 versus misplaatste ironie) binnen de feitenvinding met onvoldoende mate van gerede zekerheid konden worden vastgesteld. Een derde onderdeel betreft, in wezen subsidiair, de schending van het redelijkheidsbeginsel. Volgens verzoeker wordt dat beginsel geschonden doordat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de motieven van de bestreden beslissing en de inhoud ervan. In zoverre de uitspraak als ongepast, grof en onprofessioneel kan worden beschouwd, is volgens verzoeker de zware straf van het ontslag van ambtswege kennelijk onredelijk voor een uitspraak die weliswaar als misplaatst kan worden opgevat, maar die de context van een privaat gesprek buiten de dienst senso strictu niet overschrijdt. De hogere tuchtoverheid heeft voorts onvoldoende rekening gehouden met en gaat gemakshalve voorbij aan de verzachtende omstandigheden en neemt alleen het tuchtverleden van verzoeker in aanmerking als verzwarende omstandigheid, terwijl de impact van de uitspraak op de beroepsplichten en de waardigheid van het ambt niet in concreto worden aangetoond en slechts lippendienst wordt bewezen aan verzoekers staat van dienen. De aan verzoeker ten laste gelegde feiten betreffen ook geen herhaling aangezien verzoeker in het verleden nooit voor dergelijke feiten werd gesanctioneerd. Er werd, volgens verzoeker, door deze relevante elementen niet te betrekken bij de beoordeling, geen redelijke belangenafweging gemaakt. Een vierde onderdeel betreft de schending van het proportionaliteitsbeginsel. Volgens verzoeker wordt dat beginsel geschonden doordat de tuchtstraf niet in verhouding staat tot de negatieve weerslag van het gesanctioneerde gedrag op de openbare dienst. De concrete omstandigheden moeten daarbij in acht worden genomen, zoals het ontbreken van de intentie om te kwetsen, het ontbreken van het publiek karakter van de uitspraak en het feit dat verzoeker bovenmatig werd geapprecieerd door zijn collega’s en personen met wie hij beroepsmatig in contact komt en waarbij zijn staat van dienst en zijn evaluatieverslagen relevant zijn. Het bewuste incident kan voorts niet op dezelfde hoogte worden geplaatst als de gevallen waarin de Raad van State in het verleden het ontslag van ambtswege heeft aanvaard: verzoeker heeft niet moedwillig XIV-38.290-14/38 deontologische regels overtreden, laat staan een strafrechtelijk feit gepleegd. Evenmin is er sprake van een slachtoffer of benadeelde. Er werd eenzijdig de nadruk gelegd op het tuchtrechtelijk verleden, terwijl de beoordeling van de impact van de feiten op het ambt onbestaande is. Een vijfde onderdeel betreft de schending van de materiële- en de formelemotiveringsplicht, juncto artikel 38sexies, vijfde lid van de tuchtwet. Volgens verzoeker worden die beginselen en bepalingen geschonden doordat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering de zware tuchtstraf niet afdoende verantwoordt. Daarbij wordt (1.) opgemerkt dat in het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie een lichtere straf werd voorgesteld die door de hogere tuchtoverheid niet werd aanvaard, hetgeen niet op pertinente en afdoende wijze werd gemotiveerd. Uit de bestreden beslissing blijken (2.) ook een resem tegenstrijdigheden: de uitspraak was hoorbaar door derden, terwijl uit het dossier blijkt dat slechts één persoon de uitspraak heeft gehoord. Voorts (3.) geeft de bestreden beslissing blijk van assumpties waaruit een racistische dan wel homofobe ondertoon wordt verondersteld zonder bewijs. De feiten zoals die onder punt 6.1 van de bestreden beslissing worden weergegeven, zijn niet van aard de omzetting ervan naar een tuchtvergrijp onder punt 6.2, op draagkrachtige wijze te verantwoorden aangezien het raciale aspect, het beledigend karakter en de impact op het ambt niet aangetoond zijn op grond van een draagkrachtige en pertinente motivering. De motivering van de strafmaat op basis van “verlies van vertrouwen” (4.) wordt uitsluitend gemotiveerd op grond van het tuchtverleden, terwijl het een relatief onbeduidend incident betreft. Dit is onvoldoende gelet op de verregaande gevolgen van de beslissing. Het blijkt niet waarom het tuchtverleden nog steeds zo relevant is, gelet op de positieve functioneringsnota’s, de positieve samenwerking en de gunstige evaluaties. Deze positieve elementen blijken ook uit de e-mail van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Uit die e-mail (5.) blijkt ook dat verzoeker wordt afgestraft voor problemen die in het verleden door anderen werden veroorzaakt. XIV-38.290-15/38 Beoordeling Eerste middelonderdeel: betreffende de schending van artikel 3 van de tuchtwet
- Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip “tuchtvergrijp” als volgt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij de handeling of gedraging gepleegd door politieambtenaren, zelfs buiten de uitoefening van hun ambt, als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van, te dezen, de kwalificatie van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- Vooreerst bemerkt de Raad van State dat het aan verzoeker toekomt een voldoende duidelijke concrete betwisting aan te voeren opdat hij kan nagaan of de hogere tuchtoverheid de aan verzoeker verweten handeling naar recht als een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet mocht kwalificeren. XIV-38.290-16/38
- In de bestreden beslissing wordt omstandig uiteengezet waarom volgens de hogere tuchtoverheid het aan verzoeker ten laste gelegde feit wordt gekwalificeerd als een tuchtvergrijp (zie supra, punt 3.5, inzonderheid punt 6.2). Hieruit blijkt dat de feiten die luidens punt 6.1 van de bestreden beslissing vaststaan en aan verzoeker worden toegerekend, het volgende tuchtvergrijp uitmaken: “U hebt de waardigheid van het ambt in gedrang gebracht doordat u begin maart 2019 in uniform in de cafetaria van het gerechtsgebouw aan de Bolivarplaats te Antwerpen een ongepaste en beledigende uitspraak maakte over een medewerker van allochtone origine [XX]. U stelde aan de kassa tegen een medewerkster, doe- lend op [XX]: ‘Hoelang gaat dat vies ventje hier nog staan?’. Deze uitspraak is volstrekt ongepast, onrespectvol en onprofessioneel. Ze kunnen daarenboven beledigend zijn naar bepaalde bevolkingsgroepen toe.” Te dezen brengt verzoeker vooreerst tegen de kwalificatie als tuchtvergrijp van de hem ten laste gelegde uitspraak, in dat de “correcte context” waarin die is gebeurd, niet van die aard is om te worden gekwalificeerd als een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet, zonder dat de concrete impact op de waardigheid van het ambt of de beroepsplichten wordt aangetoond. Verzoeker kwalificeert hierbij de “correcte context” van zijn uitspraak als een (onaangepast) privaat gesprek buiten de diensturen stricto sensu, waarbij geen enkele bemerking publiek werd gemaakt. Verzoeker meent dat de “correcte context” van zijn uitspraak zich “buiten de diensturen sensu stricto” situeert. De hogere tuchtoverheid betrekt de vraag of de feiten zich al dan niet situeren buiten de diensturen “stricto sensu” niet in haar beoordeling of verzoekers handelen een tuchtvergrijp is, maar uit de niet-betwiste feiten blijkt dat verzoeker zijn uitspraak deed “werkend in uniform” en dat de hogere tuchtoverheid die uitspraak beoordeelt als “volstrekt ongepast, onrespectvol en onprofessioneel” waarbij verzoeker zijn voorbeeldfunctie schendt. Uit de enkele lezing van artikel 3 van de tuchtwet blijkt dat elke handeling of gedraging gepleegd zelfs buiten de uitoefening van het ambt, een tuchtvergrijp kan uitmaken, zodat op zich het gegeven of een feit al dan niet buiten de uitoefening XIV-38.290-17/38 van het ambt is gebeurd, niet bepalend is voor de kwalificatie ervan als tuchtvergrijp. Het komt derhalve aan verzoeker toe, ook in zijn hypothese dat zijn uitspraak “buiten de diensturen sensu stricto” zou zijn gebeurd, aannemelijk te maken dat een dergelijke handeling te dezen in rechte niet mag worden gekwalificeerd als een tuchtvergrijp. Verzoeker verzuimt het feit dat ook een handeling of een gedraging buiten de uitoefening van het ambt gepleegd een tuchtvergrijp kan uitmaken, bij zijn kritiek te betrekken, door zich te beperken tot de blote bewering dat zijn uitspraak zou zijn gesteld “buiten de diensturen stricto sensu”. Dat volstaat prima facie niet om te besluiten dat de hogere tuchtoverheid op onjuiste, minstens onredelijke wijze de “correcte situatie” waardeerde waarin de aan verzoeker ten laste gelegde uitspraak gebeurde. Inzake verzoekers contextuele kritiek dat “geen enkele bemerking publiek werd gemaakt” en inzonderheid dat die niet zou zijn gehoord door andere personen van het personeel, blijkt uit de gegevens van de zaak dat de uitspraak gebeurde in de cafetaria (tijdens de bedieningsuren prima facie) waar nog andere personen dan de cafetariamedewerkster (X) aanwezig waren en waarvan de bestreden beslissing stelt dat “de uitspraak […] hoorbaar [was] voor andere mensen”, hetgeen verzoeker in zijn verzoekschrift niet lijkt te betwisten, minstens verzuimt hij dat aspect bij zijn kritiek te betrekken. Uit het aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp blijkt voorts dat de hogere tuchtoverheid de vraag of verzoekers uitspraak al dan niet door anderen dan de adressant (X) werd gehoord, niet als bepalend beoordeelt in haar kwalificatie van verzoekers handelen als tuchtvergrijp. Verzoeker heeft een andere mening ter zake, maar hij zet niet uiteen noch maakt hij aannemelijk waarom de hogere tuchtoverheid de perken van haar appreciatiebevoegdheid te buiten gaat door het feit dat de uitspraak niet werd gehoord door anderen dan de directe adressant ervan (maar wel hoorbaar was voor anderen) niet mee te nemen in haar kwalificatie. Verzoeker maakt aldus niet aannemelijk noch zet hij uiteen waarom het loutere feit dat enkel de medewerkster X. de uitspraak in de cafetaria daadwerkelijk zou hebben gehoord, zou doen besluiten dat de tuchtoverheid niet binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid is. XIV-38.290-18/38 Voorts beoordeelt verzoeker in zijn schets van de “correcte context” dat de hem verweten uitspraak kadert in een private conversatie met X., maar zulks blijkt op het eerste gezicht niet uit de stukken van het dossier, noch maakt verzoeker dit met een voldoende duidelijke concrete betwisting aannemelijk. Het betreft in deze stand van het geding derhalve een loutere bewering waarmee verzoeker de bewijslast die op hem rust, niet kan omkeren. Evenmin lijkt het, naar verzoeker stelt, “humoristische” karakter van de uitspraak noch het gegeven dat hij niet de intentie had om iemand te kleineren of te beledigen, te beletten dat de tuchtoverheid de betrokken uitspraak niet mocht kwalificeren als een tuchtvergrijp: het loutere feit van een tekortkoming aan de beroepsplichten door een handeling of gedraging die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, lijkt immers in rechte voldoende te zijn opdat tuchtrechtelijk kan worden ingegrepen, zonder dat de hogere tuchtoverheid bij haar kwalificatie van verzoekers gedraging als tuchtvergrijp moet aantonen of bewijzen dat verzoeker de wil had om te kleineren of te beledigen. Uit wat voorafgaat, volgt dat de “correcte context” die verzoeker zelf schetst, niet lijkt overeen te stemmen met de gegevens van de zaak, minstens niet van die aard lijkt te zijn dat de hogere tuchtoverheid er in haar appreciatie in rechte niet aan mocht voorbijgaan zonder dat zulks zou inhouden dat zij de perken van haar appreciatieruimte te buiten is gegaan; Zulks lijkt te volstaan om de grief als niet ernstig af te wijzen. Niet moet derhalve worden onderzocht of de hogere tuchtoverheid de impact van de (hiervoor niet relevant bevonden) “correcte situatie” zoals die is geschetst door verzoeker, correct heeft afgewogen en getoetst aan de waardigheid van het ambt. Verzoeker betwist ook dat het ongepast karakter van de uitspraak zou volstaan om het als tuchtfeit te kwalificeren. In deze stand van het geding overtuigt deze grief evenmin. De aan verzoeker verweten feiten zijn nader XIV-38.290-19/38 bepaald in de bestreden beslissing en in het bijzonder onder punt 6.
- Het oordeel van de hogere tuchtoverheid dat de uitspraak van verzoeker, in het licht van die bewezen en vaststaande feiten, “volstrekt ongepast, onrespectvol en onprofessioneel” is en dat hij “daarenboven beledigend [kan] zijn naar bepaalde bevolkingsgroepen toe”, alsook dat verzoeker door zijn gedrag de voorbeeldfunctie schendt, is op het eerste gezicht geen onredelijke beoordeling die niet lijkt te kunnen worden ingepast in de beoordelingsruimte die de hogere tuchtoverheid ter zake heeft. De kritiek van verzoeker die in wezen oordeelt dat het ongepast karakter van zijn uitspraak niet zou volstaan om de feiten als tuchtvergrijp te kwalificeren, doet blijken dat verzoeker het niet eens is met het standpunt van de hogere tuchtoverheid, maar dat volstaat op zich niet om te besluiten dat de beoordeling van de hogere tuchtoverheid onredelijk is. Dat er andere “bestanddelen” van het tuchtvergrijp zouden zijn – in de mate dat dit constitutieve bestanddelen zouden zijn van een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet dat het enkel heeft over een handeling of een gedraging – en die verzoeker er aan toewijst, leidt niet tot een andere conclusie. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker weliswaar een eigen beoordeling geeft van de kwalificatie van zijn uitspraak als tuchtvergrijp, maar dat hij op het eerste gezicht met die eigen beoordeling niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid, door te oordelen dat die uitspraken een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar appreciatieruimte ter zake te buiten gaat.
- Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. Tweede middelonderdeel: betreffende de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de XIV-38.290-20/38 vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
- Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aanne- melijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
- Verzoeker voert verschillende (feitelijke) kritieken aan waaruit volgens hem het onzorgvuldig handelen van de hogere tuchtoverheid moet blijken. Zij worden hierna op hun merites getoetst. Inzake het argument dat de hogere tuchtoverheid heeft veronachtzaamd rekening te houden met de omstandigheid dat de raciale en seksistische motieven die aan de feiten bij de opstart van het dossier werden toegedicht, in de loop van de procedure zijn vervallen, terwijl de opgelegde tuchtstraf niet in het licht van die evolutie wordt afgewogen, blijkt uit het dossier noch uit de bestreden beslissing dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten werden aangepast. Dit volstaat op het eerste gezicht om deze grief als niet ernstig te verwerpen. Inzake de kritiek dat de feitenvinding steunt op hypothetische veronderstellingen, blijkt dat verzoeker een tekstargument afleidt uit punt 2 van de bestreden beslissing. Uit de opbouw van de bestreden beslissing blijkt dat in dat punt de feitelijke toedracht wordt geschetst zoals die is opgenomen in het inleidend verslag, zonder dat uit dat punt 2 blijkt dat die aan verzoeker ten laste wordt gelegd als tuchtvergrijp noch dat die hem wordt toegerekend. De aan verzoeker ten laste gelegde en toegerekende feiten blijken immers duidelijk uit het punt 6 van de XIV-38.290-21/38 bestreden beslissing dat betrekking heeft op het “vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten”. Verzoeker betrekt dit gegeven niet bij zijn kritiek. Het enkel vermelden in de rubriek 2 “Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen” dat verzoeker met zijn opmerking de indruk wekte dat hij schijnbaar een probleem had met de schijnbare afkomst of mogelijks met de schijnbare geaardheid van de medewerker, is op het eerste gezicht te dezen aldus geen afdoende concrete aanwijzing dat de hogere tuchtoverheid op giswerk en hypothetische veronderstellingen heeft gesteund bij het bewezen verklaren van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten. Voorts beperkt verzoeker zich inzake zijn kritiek dat de hogere tuchtoverheid inneemt inzake verzoekers uitspraak, met name dat die daarenboven beledigend kan zijn naar bepaalde bevolkingsgroepen toe, tot een eigen aanname of kritiek zonder enig begin van bewijs, hetgeen niet volstaat om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op dat punt op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het voorgaande volstaat derhalve op het eerste gezicht om deze grief als niet ernstig te verwerpen. In de mate dat verzoeker kritiek uit op het feit dat de bestreden beslissing ondubbelzinnig verwijst naar de omstandigheid dat zijn uitspraak zou zijn gebeurd “over een medewerker van allochtone origine”, gaat verzoeker op het eerste gezicht voorbij aan de uitdrukkelijke verklaring van (X) in haar verhoor tijdens het voorafgaand onderzoek, dat verzoekers uitspraak “onmiskenbaar en zeker op [XX][was] bedoeld, gezien deze aangewezen werd en de enige mannelijke collega was die aan het werk was bij de bediening […]”, alsook aan het feit dat hij zulks niet heeft betwist of ontkend gedurende zijn eigen verhoor tijdens het voorafgaand onderzoek. Voorts wordt niet betwist dat (XX) van allochtone afkomst is. Verzoeker betrekt het voorgaande niet in zijn kritiek. Verzoekers standpunt maakt aldus niet met concrete gegevens aannemelijk dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid doet blijken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het voorgaande volstaat op het eerste gezicht om deze grief als niet ernstig te verwerpen. XIV-38.290-22/38 Voor zover verzoeker stelt dat het feit dat de hogere tuchtoverheid ter weerlegging van verzoekers argument dat zijn uitspraak ludiek bedoeld zou zijn, steunt op een “misplaatste analogie” met een aan hem vreemd zijnde tuchtzaak waarvan de problematiek helemaal niet aan de orde is, blijkt uit de bestreden beslissing duidelijk dat verzoekers kritiek betrekking heeft op een citaat uit het jaarverslag van de Tuchtraad dat de hogere tuchtoverheid heeft aangehaald ter adstructie van haar standpunt dat de intentie waarmee verzoeker de feiten pleegde, het al dan niet strafbaar karakter ervan niet bepaalt. Het citeren uit dat jaarverslag, ook al betreft het een precedent dat feitelijk niet aansluit bij de voorliggende feiten, getuigt niet van onzorgvuldig handelen, te meer dat verzoeker blijkbaar de regel die het betrokken citaat illustreert – de intentie van het feit is niet bepalend voor het strafbaar karakter – niet betwist. Voorts houdt de enkele kritiek dat de hogere tuchtoverheid zich zou “verliezen” in hypotheses door verzoekers verweer dat hij een ludieke bedoeling had met zijn uitspraak, te beantwoorden dat ook in die hypothese, het strafbaar karakter van het gepleegde feit niet wordt ontnomen, geen bewijs of indicatie in van onzorgvuldig handelen. In de mate dat verzoeker aanvoert dat het beledigend karakter van zijn uitspraak zou zijn tegengesproken door het feit dat de betrokken medewerker van allochtone afkomst (XX) geen getuige was van het voorval en de uitspraak niet heeft gehoord, volstaat de vaststelling dat het gegeven dat de onrechtstreekse adressant (XX) van verzoekers uitspraak die niet heeft gehoord, prima facie op zich niet uitsluit dat de hogere tuchtoverheid naar redelijkheid kon oordelen dat die uitspraak gedaan in de cafetaria van het gerechtsgebouw, hoorbaar was voor andere mensen – hetgeen verzoeker niet lijkt te betwisten – en dat die uitspraak beledigend was. Uit het gegeven dat (XX) verzoekers uitspraak niet heeft gehoord, kan derhalve niet wettig worden afgeleid dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest in haar feitenvinding. Wat het bewijs van de “raciale connotatie” betreft van de uitspraak, lijkt te dezen de vaststelling te volstaan dat verzoeker niet tuchtrechtelijk werd vervolgd voor racisme, maar wel voor een uitspraak die, naar de bestreden beslissing stelt, “volstrekt ongepast, onrespectvol en onprofessioneel” is die “daarenboven beledigend [kan zijn] naar bepaalde XIV-38.290-23/38 bevolkingsgroepen toe.” Dit aspect dat niet de vraag betreft of verzoeker al dan niet door racistische doeleinden is ingegeven, betrekt verzoeker niet in zijn middel. Het voorgaande volstaat op het eerste gezicht om deze grief als niet ernstig te verwerpen. In de mate dat verzoeker tot slot doet gelden dat niet uit een zorgvuldige feitenvinding blijkt dat er sprake was van grove en beledigende taal nu volgens hem de context en de gevolgen, laat staan de intenties binnen de feitenvinding met onvoldoende mate van zekerheid konden worden vastgesteld, betreft die kritiek niet het bestaan of het bewijs van het (materiële) tuchtfeit, maar wel de kwalificatie van dat bewezen feit als tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Wat dat betreft, ontneemt, vooreerst en zoals hiervoor reeds is vastgesteld, de intentie niet het strafbaar karakter aan het gepleegde feit. Voorts blijkt uit het eerste middelonderdeel dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat zijn eigen beoordeling van de “correcte context” van zijn uitspraak doet blijken dat de hogere tuchtoverheid haar appreciatieruimte inzake de kwalificatie van het tuchtfeit als tuchtvergrijp te buiten is gegaan, noch maakt verzoeker aannemelijk dat het gevolg dat hij van zijn handelen ziet (“werd iemand in concreto beledigd door de uitspraak”) relevant is voor de kwalificatie door de hogere tuchtoverheid van het tuchtfeit als tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Aldus kan in deze stand van het geding derhalve worden aangenomen dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de beoordeling door de hogere tuchtoverheid van verzoekers uitspraak als “volstrekt ongepast, onrespectvol en onprofessioneel”, waarbij die “daarenboven beledigend [kan zijn] naar bepaalde bevolkingsgroepen toe” en aldus strijdt met de waardigheid van het ambt, doet blijken dat de hogere tuchtoverheid op onzorgvuldige wijze tot haar conclusies is gekomen.
- Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. Derde middelonderdeel: betreffende de schending van het redelijkheidsbeginsel XIV-38.290-24/38
- Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Het komt aan de tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het redelijkheidsbeginsel schendt. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid het ontslag van ambtswege heeft opgelegd voor het erin vermelde tuchtfeit. De strafmaat is voorts uitdrukkelijk gemotiveerd in de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.5, inz. punten 5.3 en 8 van de bestreden beslissing). Er wordt naar verwezen. Uit de bestreden beslissing blijkt aldus dat de hogere tuchtoverheid de straftoemeting specifiek heeft gesteund op vooreerst de ernst van XIV-38.290-25/38 de feiten waaraan zij zeer zwaar tilt omdat die “onverenigbaar zijn met de principes vervat in de wet van 7 december 1998 […] en in strijd zijn met de meest essentiële deontologische normen waaraan een inspecteur van politie dient te voldoen” en omdat het verder laten functioneren van verzoeker, “de geloofwaardigheid en het imago van de politiedienst ernstig zouden schaden”. Ook oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten ernstig zijn “gelet op het feit dat [verzoeker] een zeer ongepaste uitspraak deed over een medewerker van het gerechtsgebouw van allochtone origine” en dat “deze uitspraken […] beledigend [kunnen] zijn ten aanzien van een bepaalde bevolkingsgroep en aldus eveneens ten aanzien van collega’s/leidinggevenden van andere origine.” Voorts houdt zij rekening met het feit dat verzoeker als politieinspecteur, “een voorbeeldfunctie [heeft]” en dat verzoeker zich te dezen “allebehalve voorbeeldig [heeft] gedragen” inzake feiten die volgens de hogere tuchtoverheid zeer ernstig zijn. Ten tweede blijkt de hogere tuchtoverheid, naast de feiten zelf, bij haar beoordeling van de strafmaat, verzoekers “staat van dienst, de evaluatie- en functioneringsstukken en het tuchtverleden”, te hebben betrokken. Wat dit tuchtverleden betreft, wordt expliciet rekening gehouden “met de verzwarende omstandigheid dat [verzoeker] op korte tijd ernstige tuchtvergrijpen pleegde”, te weten vier zware tuchtstraffen opgelegd sinds 2013, alsook dat verzoeker op zijn gedrag werd gewezen en dat hem ook een laatste kans werd geboden. Verzoeker brengt daar vooreerst tegen in dat de strafmaat onredelijk is gelet op de concrete omstandigheden waarin hij, naar zijn mening, zijn uitspraak deed, te weten de reeds hiervoor door hem gesitueerde context van een privaat gesprek buiten de diensturen sensu stricto. Los van de bij de beoordeling van het eerste onderdeel gedane vaststelling dat verzoeker inzake zijn schets van de “correcte context” niet aannemelijk maakt dat de hem verweten uitspraak kadert in een private conversatie met (X) – zodat verzoeker te dezen lijkt uit te gaan van een verkeerde premisse – maakt verzoekers eigen beoordeling van de concrete context van de hem tenlastegelegde feiten op het eerste gezicht de strafmaat niet onredelijk. Verzoeker is politieambtenaar en behoort aldus tot het operationeel kader van de politiediensten. Dat betekent dat kan worden XIV-38.290-26/38 aangenomen dat de hogere tuchtoverheid hoge eisen kan stellen aan verzoekers integriteit en dus ook aan zijn (voorbeeld)gedrag, en zulks ongeacht of dit gedrag binnen dan wel – zoals verzoeker betoogt – buiten de dienstcontext zich stelt. In deze context doet het toekennen van een zwaarder gewicht aan het tuchtfeit en de ernst ervan dan wat verzoeker er op grond van een eigen geschetste concrete context van de uitspraak aan geeft, op zich niet blijken dat de hogere tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsruimte inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. Eenzelfde redenering en conclusie geldt wat verzoekers blote kritiek betreft dat de invloed van de feiten op de openbare dienst en op zijn uitgeoefende takenpakket onbestaande is en niet in concreto is aangetoond. Ook dat doet blijken dat verzoeker een andere mening ter zake is toegedaan dan de hogere tuchtoverheid, maar die eigen feitelijke appreciatie van de weerslag op de beroepsplichten en de waardigheid van het ambt, maakt in het licht van de hiervoor geschetste motieven betreffende de strafmaat, op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheidsprincipe moet blijken. In zoverre dat verzoeker voorts voorhoudt dat de hogere tuchtoverheid is voorbijgegaan aan de verzachtende omstandigheden die volgens hem voorlagen, blijkt op het eerste gezicht uit de bestreden beslissing dat de hogere tuchtoverheid verzachtende omstandigheden zoals verzoekers evaluatie- en functioneringsstukken en zijn staat van dienst mee heeft betrokken bij haar beoordeling, maar dat zij bij het bepalen van de strafmaat een groter belang en gewicht heeft verleend aan het tuchtverleden van verzoeker. De omstandigheid dat verzoeker ter zake een andere mening is toegedaan omtrent de afweging en het gewicht van de door hem aangevoerde omstandigheden, maakt op het eerste gezicht evenwel op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheidsprincipe moet blijken. XIV-38.290-27/38 Eenzelfde redenering en conclusie geldt tot slot wat verzoekers kritiek betreft dat hij in het verleden nog nooit voor gelijkaardige feiten tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd. Op zich getuigt het hechten door de hogere tuchtoverheid van een groter en zwaarder belang aan “de verzwarende omstandigheid dat [verzoeker] op korte tijd ernstige tuchtvergrijpen pleegde” – te weten vier zware tuchtstraffen opgelegd sinds 2013 – en aan het feit dat verzoeker blijkbaar op zijn gedrag werd gewezen en hem ook een laatste kans werd geboden, dan aan het feit dat er geen herhaling is van gelijkaardige feiten, niet van een onredelijke uitoefening van haar beoordelingsruimte inzake de keuze van de strafmaat.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid, door te dezen te oordelen dat voor het aan verzoeker toegerekende tuchtvergrijp de zware straf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan.
- Het derde middelonderdeel is niet ernstig. Vierde middelonderdeel: betreffende de schending van he proportionaliteitsbeginsel
- Verzoeker betwist in het vierde middelonderdeel de proportionaliteit of de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf. Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de (hogere) tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Het evenredigheidsbeginsel in tuchtzaken is geschonden wanneer tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid zou bestaan. XIV-38.290-28/38 Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de (hogere) tuchtoverheid bij haar beoordeling binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Een schending van het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel veronderstelt derhalve dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat voorts bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond.
- Bij de beoordeling van de ernst van het derde middelonderdeel is reeds de in de bestreden beslissing uiteengezette motivering van de keuze van de tuchtoverheid voor de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege aangehaald. (zie supra, punt 3.5, inz. punten 5.3 en 8 van de bestreden beslissing en punt 18). Er wordt naar verwezen. Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoeker in het middelonderdeel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid. XIV-38.290-29/38 Verzoeker doet in wezen gelden dat de ernst van de opgelegde tuchtstraf in verhouding moet zijn tot de negatieve weerslag van het gesanctioneerde gedrag op de openbare dienst. Zulks blijkt volgens hem niet uit de concrete omstandigheden die hij nader detailleert: het feit dat hij niet de intentie had om te kwetsen, het gebrek aan publieke uitingen binnen het incident, het feit dat hij bovenmatig wordt geapprecieerd door collega’s en personen waarmee hij beroepshalve in aanraking komt. Deze eigen opvatting maakt, getoetst aan de beoordeling door de hogere tuchtoverheid van de ernst van de feiten en de weerslag ervan op de openbare dienst, te weten het imago van de politiediensten, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de opgelegde tuchtstraf niet in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten en dat derhalve de hogere tuchtoverheid een beslissing heeft genomen die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Evenmin overtuigt het argument dat het bewuste incident niet vergelijkbaar is met andere gevallen waarin de Raad van State het ontslag van ambtswege heeft “aanvaard”, omdat het aan verzoeker toegerekende tuchtfeit geen moedwillige overtreding inhoudt van een deontologische regel, laat staan van een misdrijf en omdat er volgens verzoeker geen sprake is van een slachtoffer of een benadeelde. Deze eigen beoordeling door verzoeker van de ernst van de feiten toont nog niet de onwettigheid aan van de bestreden beslissing. In het licht van deze beoordeling van de ernst van de feiten zoals die blijkt uit de bestreden beslissing, maakt verzoeker met zijn eigen feitelijke beoordeling van de zwaarwichtigheid van de in aanmerking genomen feiten, niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid een beslissing heeft genomen die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
- Het vierde middelonderdeel is niet ernstig. XIV-38.290-30/38 Vijfde middelonderdeel: betreffende de schending van de materiële- en de formelemotiveringsplicht Vooraf
- Uit de aanhef van het middel blijkt dat verzoeker dit middelonderdeel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, juncto artikel 38sexies, vijfde lid, van de tuchtwet, juncto de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De schending van die bepalingen en dat beginsel worden hierna opeenvolgend getoetst op hun merites. Betreffende de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. XIV-38.290-31/38
- De bestreden beslissing steunt op de hiervoor onder punt 3.5 weergegeven motieven. Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt prima facie op afdoende wijze waarom en op grond waarvan de verwerende partij de feiten bewezen acht, op welke bewijsmiddelen zij daarvoor steunt, alsook waarom de tuchtstraf werd opgelegd en waarom, naar het oordeel van de hogere tuchtoverheid, de verdere samenwerking met verzoeker onmogelijk werd geacht en het ontslag van ambtswege wordt bevolen. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht. De formele motivering van de bestreden beslissing gaat derhalve op het eerste gezicht verder dan het formuleren van loutere stijlformules. De enkele omstandigheid dat verzoeker een ander standpunt heeft en zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering maakt die niet onwettig. Uit de behandeling van het enig middel blijkt overigens dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing op het eerste gezicht afdoende kent en er zich heeft kunnen tegen verweren. In zoverre verzoeker de formele motivering van de bestreden beslissing bekritiseert omdat niet is gemotiveerd waarom de hogere tuchtoverheid wat de strafmaat betreft, afwijkt van het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde verleend in zijn hoedanigheid van deskundige in de loop van de procedure voor de Tuchtraad, houdt op het eerste gezicht de geschonden geachte wet van 29 juli 1991 niet de verplichting in om in de bestreden beslissing de redenen aan te geven waarom de hogere tuchtoverheid zich niet aansluit bij het standpunt ingenomen door de inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde voor de Tuchtraad – gehoord door de Tuchtraad op grond van artikel 49, tweede lid, van de tuchtwet – en derhalve voorafgaand aan het advies van de Tuchtraad. Verzoekers standpunt dat lijkt uit te gaan van een andere rechtsopvatting, faalt derhalve in rechte. Dat volstaat om in deze stand van het geding deze grief niet ernstig te bevinden. Verzoeker voert in het middelonderdeel ook aan dat uit de bestreden beslissing “een resem aan tegenstrijdigheden” blijkt. In het middelonderdeel blijkt prima facie dat hij een tegenstrijdigheid ontwaart tussen XIV-38.290-32/38 enerzijds het standpunt in de bestreden beslissing dat de uitspraak van verzoeker hoorbaar was voor derden, en anderzijds het feit dat uit datzelfde tuchtdossier en de verklaringen van betrokkenen blijkt dat slechts één persoon verzoekers uitspraak heeft gehoord. Deze kritiek op de formele motivering overtuigt niet. Vooreerst bemerkt de Raad van State dat hij bij zijn onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht rekening moet houden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere - door verzoeker bekritiseerde - onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. Niet blijkt dat het kwestieuze beperkt fragment afbreuk doet aan de hiervoor gemaakte vaststelling dat de hogere tuchtoverheid duidelijk verantwoordt waarom zij de als ernstig gekwalificeerde feiten sanctioneert met de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Voorts lijkt het feit dat maar één persoon verzoekers uitspraak heeft gehoord, op het eerste gezicht niet tegenstrijdig te zijn met de vaststelling van de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing dat de uitspraak van verzoeker hoorbaar was voor derden: het feit dat slechts één persoon de uitspraak heeft gehoord, sluit niet uit dat het gesprek gevoerd in een cafetaria van het gerechtsgebouw (prima facie tijdens de bedieningsuren) ervan, door anderen kon worden opgevangen en dus hoorbaar was voor derden. Dat volstaat om in deze stand van het geding deze grief niet ernstig te bevinden. In de mate dat verzoeker doet gelden dat de formele motivering van de bestreden beslissing blijk geeft van assumpties, betreft die kritiek op het eerste gezicht niet de formelemotiveringsplicht maar de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker lijkt het ook in die zin te hebben begrepen. Hoe dan ook verschaft de hiervoor weergegeven formele motivering (zie supra, punt 3.5) aan verzoeker voldoende duidelijkheid over de determinerende motieven waarom verzoekers uitspraak een tuchtvergrijp vormt, zodat hij er met kennis van zaken kon tegen verweren en dat ook heeft gedaan in het enige middel. Verzoekers kritiek op het afdoende karakter van de formele motivering van de strafmaat – in die zin dat die niet afdoende is omdat niet is uiteengezet waarom het tuchtverleden nog steeds relevant is en de positieve XIV-38.290-33/38 functioneringsnota’s, de positieve samenwerking en het relatieve gewicht van de voorliggende feiten ver overtreft en waarom de opgelegde tuchtstraf (met zijn verregaande gevolgen voor verzoeker) moet worden opgelegd “voor een relatief onbeduidend incident – gaat op het eerste gezicht uit van het standpunt dat de formelemotiveringsplicht de eis inhoudt om de uitgedrukte motieven inzake de (keuze van de) strafmaat ter zake nog verder te expliciteren en om aldus de “motieven van de motieven” van de opgelegde straf(maat) aan te geven. Deze verplichting is niet vervat in de formelemotiveringsplicht. Voorts maakt de enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, die daarom niet onwettig. Dat volstaat om in deze stand van het geding deze grief niet ernstig te bevinden. Wat tot slot het argument betreft dat verzoeker afgestraft zou zijn voor problemen die in het verleden door anderen werden veroorzaakt, betreft die kritiek op het eerste gezicht niet de formelemotiveringsplicht maar de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker lijkt het ook in die zin te hebben begrepen. Hoe dan ook verschaft de hiervoor weergegeven formele motivering (zie supra, punt 3.5) aan verzoeker voldoende duidelijkheid over de determinerende motieven waarom verzoekers uitspraak een tuchtvergrijp vormt, zodat hij er met kennis van zaken kon tegen verweren en dat ook heeft gedaan in het enige middel.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het middelonderdeel in die mate niet ernstig is. Betreffende de schending van artikel 38sexies van de tuchtwet
- Verzoeker voert ook de schending aan van de formelemotive- ringsplicht zoals die is vervat in artikel 38sexies, vijfde lid, van de tuchtwet. Die bepaling luidt: “Art. 38sexies. Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. XIV-38.290-34/38 De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. […] De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd.” Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of, in het licht van artikel 6 van de wet van 29 juli 1991, de in het laatste lid van die bepaling vervatte motiveringsplicht minder strengere dan wel strengere verplichtingen oplegt als die bepaald in de voornoemde wet, blijkt op het eerste gezicht de be- streden beslissing geen van de in artikel 38sexies, eerste lid van de tuchtwet be- paalde beslissingen te zijn. In zoverre de schending van de laatstgenoemde wet wordt aangevoerd, mist het middel derhalve juridische grondslag.
- Het middelonderdeel is in die mate niet ernstig. Betreffende de schending van de materiëlemotiveringsplicht
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administra- tieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbe- voegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering XIV-38.290-35/38 voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wet- tigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten. De Raad van State is enkel bevoegd om desge- vraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- Verzoeker voert een aantal feitelijke kritieken aan die kunnen worden betrokken op de plicht tot materiële motivering. Een eerste kritiek betreft het eigen standpunt dat de bestreden beslissing blijk geeft van assumpties waaruit een racistische dan wel homofobe ondertoon ten onrechte en op speculatieve grondslag wordt verondersteld. Volgens verzoeker kunnen die begeleidende omstandigheden niet in concreto worden aangetoond. Verzoekers kritiek ter zake lijkt te slaan op de volgende zin uit de rubriek “
- Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen” van de bestreden beslissing: “[…] Deze opmerking is volstrekt ongepast en kwetsend. U wekte hiermee de in- druk dat u schijnbaar een probleem had met de schijnbare afkomst of mogelijk met de schijnbare geaardheid van de medewerker”. Uit van wat hiervoor reeds is gesteld bij de beoordeling van het tweede middelonderdeel (zie supra, punt 15), blijkt de gewraakte zinsnede deel uit te maken van punt 2 van de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.5) en blijkt dat de feitelijke toedracht die in dat punt wordt geschetst, niet zonder meer aan ver- zoeker ten laste wordt gelegd en hem wordt toegerekend. Dat gebeurt in punt 6 van de bestreden beslissing, waar de “assumptie” die verzoeker bekritiseert, niet is opgenomen. Verzoeker betrekt dit gegeven niet in zijn kritiek. Het enkel vermel- den in de rubriek 2 “Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen” dat XIV-38.290-36/38 verzoeker met zijn opmerking de indruk wekte dat hij schijnbaar een probleem had met de schijnbare afkomst of mogelijks met de schijnbare geaardheid van de me- dewerker, is derhalve op het eerste gezicht te dezen aldus geen afdoende concrete aanwijzing dat de hogere tuchtoverheid is uitgegaan van “gratuite assumpties” of speculatieve inzichten. In de mate dat verzoeker voorts zijn kritiek dat “een be- paald gedrag en houding” aan hem wordt toegeschreven dat niet op draagkrachtige, pertinente en correcte motieven zou berusten, steunt op zijn analyse van de “cor- recte context” waarin hij zijn uitspraak deed, wordt deze kritiek niet bijgevallen om de redenen als hiervoor reeds zijn vermeld. Uit wat voorafgaat volgt dat het voorgaande derhalve volstaat op het eerste gezicht om deze grief als niet ernstig te verwerpen. In de mate tot slot dat verzoeker beweert dat hij werd gestraft voor problemen die door andere leden van de lokale politie in het verleden werden veroorzaakt, lijkt deze kritiek een loutere veronderstelling te zijn die geen steun lijkt te vinden in de bestreden beslissing noch in de stukken van het dossier en die aldus geen afbreuk doet aan de motieven die de bestreden beslissing in feite en in rechte verantwoorden.
- Het vijfde middelonderdeel is niet ernstig. Conclusie
- Het enige middel is niet ernstig. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XIV-38.290-37/38 VIII. Rechtsplegingsvergoeding
- Wat de respectieve vraag van de partijen tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigver- klaring. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.290-38/38 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.790 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.