id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.793 Rolnummer: A. 222987/VII-40075 Zaak: Arrest 248793 - Voedselveiligheid (FAVV) - 29/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-13 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.793 van 29 oktober 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VII KAMER nr. 248.793 van 29 oktober 2020 in de zaak A. 222.987/VII-40.075 In zake : de VZW G.A.I.A. (Global Action in the Interest of Animals) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Vandamme en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van “het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) van 30 augustus 2017 houdende het in toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, de toelatingen en de voorafgaande registraties afgeleverd door het FAVV erkennen van het (tijdelijk) slachthuis gelegen te Lange Lobroekstraat 61 te 2060 Antwerpen”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 238.996 van 31 augustus 2017 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-40.075-1/20 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Charlotte Ponchaut, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Isabelle Lindskog, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De vzw Islamitisch Offerfeest Antwerpen dient op 1 juli 2017 bij de verwerende partij een aanvraag in voor de erkenning van een slachthuis aan de Slachthuislaan te Antwerpen. Zij licht hierin toe dat het gaat om “de erkenning van een slachthuis dat uitsluitend zal functioneren voor de rituele slacht van VII-40.075-2/20 schapen tijdens de dagen van het Islamitisch offerfeest” en dat naar schatting de eerste dag 700 schapen en de tweede dag 500 schapen zullen worden geslacht. 3.
- In het licht van deze aanvraag voert de verwerende partij op 28 augustus 2017 een inspectie uit van “infrastructuur, inrichting en hygiëne”. De beoordeling hiervan is “gunstig met opmerkingen”, waarbij een aantal concrete tekortkomingen worden vermeld. 3.
- Op 30 augustus 2017 houdt de verwerende partij een “hercontrole na inspectie voor het bekomen van voorwaardelijke erkenning”. Na een aantal concrete vaststellingen betreffende het verhelpen van de tekortkomingen, is de evaluatie “gunstig”, wordt de infrastructuur voldoende bevonden “om schapen adequaat te kunnen slachten”, en wordt het verlenen van een voorwaardelijke erkenning geadviseerd. 3.
- Eveneens op 30 augustus 2017 beslist de verwerende partij in hoofde van de vzw Islamitisch Offerfeest Antwerpen tot een voorwaardelijke erkenning voor een “inrichting 1.1.1 Slachthuizen vanaf 30/08/2017 tot 30/11/2017 - AC2: Slachten en uitslachten Schapen en geiten”. De vzw Islamitisch Offerfeest Antwerpen dient binnen de drie maanden een nieuw bezoek door de verwerende partij te vragen “om na te gaan of uw inrichting voldoet aan de andere in de geldende regelgeving vastgelegde voorschriften”, bij gebreke waaraan de erkenning van rechtswege zal worden opgeheven. Dit is de bestreden beslissing. IV. Voorwerp van het beroep Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij voert aan dat het beroep tegen een onbestaande beslissing is gericht omdat de verzoekende partij zich richt tegen de erkenning van een slachthuis aan de “Lange Lobroekstraat 61” te Antwerpen voor VII-40.075-3/20 het “burgerplatform offerfeest Antwerpen”, terwijl de verwerende partij noch voor dit platform, noch voor dit adres, een erkenning heeft verleend. Beoordeling
- Uit het stuk dat de verzoekende partij voorlegt en dat als de bestreden beslissing wordt aangeduid, blijkt dat het beroep is gericht tegen de beslissing van het FAVV van 30 augustus 2017 waarbij aan de vzw Islamitisch Offerfeest Antwerpen een erkenning wordt verleend voor haar inrichting gelegen te 2060 Antwerpen, Slachthuislaan
- De exceptie wordt verworpen. V. Exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partij bij het beroep omdat de duizend schapen in het weekend van 2-3 september 2017 hoe dan ook onverdoofd zullen worden geslacht, met het risico op veel slechtere omstandigheden dan in een erkend slachthuis. In ondergeschikte orde stelt zij dat de verzoekende partij geen belang zou hebben omdat er geen slachtactiviteiten meer plaatsvinden. De verwerende partij nodigt de verzoekende partij uit om duidelijk standpunt in te nemen over de vraag of het om een exploitatie op permanente basis gaat, dan wel om een tijdelijke slachtvloer. Beoordeling
- De bewering van de verwerende partij dat de bestreden beslissing slechtere slachtomstandigheden zou vermijden, leidt er niet toe dat de verzoekende partij geen belang meer zou hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing. VII-40.075-4/20 In zoverre de exceptie kan worden begrepen als zou de bestreden beslissing volledig uitwerking hebben gehad, volstaat de opmerking dat de wetgever beslissingen met een beperkte geldingsduur niet van het vernietigingscontentieux heeft uitgesloten. Het moreel belang ter ondersteuning van het annulatieberoep volstaat. Gelet ook op de argumentatie van de verwerende partij dat de bestreden beslissing betrekking heeft op een slachthuis en niet op een tijdelijke slachtplaats, kan immers worden aangenomen dat het onderzoek van het beroep van belang kan zijn voor toekomstige beslissingen inzake vergelijkbare inrichtingen. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 2 en 4 en overweging 59 van Verordening (EG) van de Raad nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (hierna: Verordening (EG) nr. 1099/2009), van de artikelen 4, 5 en 6 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: koninklijk besluit van 16 januari 2006), van artikel 16, § 2, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: wet van 14 augustus 1986), samen gelezen met de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen (hierna: koninklijk besluit van 11 februari 1988), en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. VII-40.075-5/20 De verzoekende partij leidt uit de samenlezing van de voormelde bepalingen af dat onverdoofd slachten voor religieuze riten slechts kan plaatsvinden volgens specifieke voorwaarden in een slachthuis wanneer indeling, bouw en apparatuur van dit slachthuis een langetermijnplanning en langetermijninvesteringen impliceren. Tijdelijke slachtvloeren die worden geëxploiteerd gedurende enkele dagen, zonder langetermijnplanning en langetermijninvesteringen, kunnen volgens haar niet worden aangemerkt als een slachthuis waarbinnen het verbod op onverdoofd slachten niet geldt. De Europese regelgeving vereist trouwens een commercieel karakter opdat sprake zou zijn van een slachthuis. Te dezen gaat het volgens de verzoekende partij niet om een slachthuis, zodat de erkenning ervan moet worden vernietigd. Wat de Europese regelgeving betreft, wijst de verzoekende partij op de definitie van een slachthuis in artikel 2, k, van Verordening (EG) nr. 1099/2009: “elke voor het slachten van landdieren gebruikte inrichting die onder Verordening (EG) nr. 853/2004 valt”. Deze definitie wordt verduidelijkt in overweging 59 van diezelfde Verordening en door de definitie die reeds werd gegeven in de voorgaande Richtlijn 93/119/EG, die werd ingetrokken door Verordening (EG) nr. 1099/
- Overweging 59 van Verordening (EG) nr. 1099/2009 stelt het volgende: “De indeling, bouw, en apparatuur van slachthuizen vergt een langetermijnplanning en langetermijninvesteringen. Deze verordening moet dan ook in een adequate overgangsperiode voorzien in verband met de tijd die de sector nodig heeft om zich aan de desbetreffende voorschriften van deze verordening aan te passen. Gedurende die periode dienen de voorschriften die in Richtlijn 93/119/EG zijn vastgelegd voor de indeling, bouw en apparatuur van slachthuizen, van toepassing te blijven”. VII-40.075-6/20 Richtlijn 93/119/EG van de Raad definieert een slachthuis nader: “slachthuis: elke inrichting of installatie, met inbegrip van voorzieningen voor het verplaatsen of onderbrengen van dieren, die wordt gebruikt voor het commercieel slachten van de in artikel 5, lid 1, genoemde dieren”. Uit overweging 59 kan volgens de verzoekende partij duidelijk afgeleid worden dat een slachthuis een permanente installatie vergt. Volgens haar is er te dezen geen sprake van langetermijnplanning noch langetermijninvesteringen en wordt er ook geen commercieel slachten beoogd. Om die reden kan een tijdelijk slachthuis onmogelijk als slachthuis worden beschouwd zoals bedoeld in de Europese regelgeving, die rechtstreekse werking heeft en van dwingend recht is. Aangezien het FAVV niet kon vastellen dat de inrichting een slachthuis is dat in overeenstemming is met de Europese Verordeningen, kon het volgens de verzoekende partij geen erkenning verlenen. Tijdelijke slachtvloeren kunnen niet beschouwd worden als tijdelijke slachthuizen omdat de zware vereisten in verband met de organisatie van een slachthuis zich in de praktijk verzetten tegen een tijdelijk karakter van de activiteit. De verzoekende partij verwijst voorts naar advies nr. 57.522/3 van de afdeling Wetgeving van 11 juni 2015 en naar een vonnis van 16 september 2015 van de kortgedingrechter te Brussel. Volledigheidshalve wijst zij op nog een aantal aanvullende overwegingen in Verordening (EG) nr. 1099/2009 die er alle op duiden dat de EU enkel permanente slachthuizen voor ogen had. Er staat volgens haar vast dat er geen sprake is van een slachthuis in de zin van de Europese Verordening, nu deze enkel slachthuizen beoogde waarvoor een langeterrnijnplanning en langetermijninvestering vereist is, alsook een commercieel karakter. Gelet op de exploitatietermijn van slechts drie dagen, “de inrichting, de verliezen die men tijdens deze drie dagen draait en het ontbreken van permanent en professioneel personeel”, is dit volgens haar kennelijk VII-40.075-7/20 niet het geval zodat kan besloten worden dat het slachthuis te Antwerpen niet voldoet aan het begrip slachthuis in de Europese regelgeving. Een erkenning door het FAVV zou haaks staan op deze regelgeving. De verzoekende partij voert tot slot de schending aan van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel omdat het FAVV een beslissing heeft genomen die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
- Als exceptie van gebrek aan belang bij het middel wijst de verwerende partij er opnieuw op dat de verzoekende partij “het telke(n)male heeft over de zogenaamde erkenning van een tijdelijke slachtvloer, die volgens haar inmiddels haar functie heeft verloren”. Na het Offerfeest 2017 zouden immers volgens de verzoekende partij in het slachthuis geen slachtactiviteiten meer zijn uitgevoerd, en werd de inrichting terug aangepast. Hieruit blijkt volgens de verwerende partij dat de verzoekende partij niet meer beschikt over een actueel belang. De verwerende partij merkt op dat zij binnen het kader van haar bevoegdheden en van de Europese regelgeving die het verlenen van erkenningen organiseert, “geen erkenning geeft om onverdoofd te gaan slachten”, maar dat zij wel erkenningen en voorwaardelijke erkenningen geeft aan de slachthuizen. Aspecten van dierenwelzijn en dierenleed kunnen daarbij niet in aanmerking worden genomen. Zij verwijst naar arrest nr. 238.996 van 31 augustus 2017, waarbij de Raad van State in het kader van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft geoordeeld dat het eerste middel “prima facie” niet ernstig is. De verwerende partij stelt dat er een duidelijk onderscheid dient te worden gemaakt tussen “de voorheen gekende tijdelijke slachtvloeren en een ‘slachthuis’”. De tijdelijke slachtvloeren zijn volgens haar inrichtingen, “die op VII-40.075-8/20 geen enkele wijze voldoen aan de geldende inrichtings- en hygiënevoorschriften voor een erkend slachthuis, doch voorheen door de bevoegde instanties werden erkend teneinde er de rituele onverdoofde slachtingen door moslims te laten plaats vinden”. Zij vervolgt: “Aldus, kenmerkend voor de tijdelijke slachtvloeren is de non-conformiteit met de geldende infrastructuur- en hygiënevoorschriften voor een erkend slachthuis. Een ‘slachthuis’ daarentegen, is aan een heel arsenaal van wettelijke bepalingen onderworpen vooraleer de inrichting als dusdanig kan worden erkend [...]”. Te dezen gaat het volgens de verwerende partij echter niet om een tijdelijke slachtvloer. Zij argumenteert dat in de aanvraag gebruik werd gemaakt van het standaard aanvraagformulier voor de erkenning van een slachthuis, overeenkomstig het ministerieel besluit van 8 augustus 2008, en dat bij de aanvragen steevast alle vereiste investeringen werden verricht teneinde de locaties te laten voldoen aan de ter zake geldende inrichtings-, hygiëne- en milieuverplichtingen en om aldus het pand als “slachthuis” te zien erkennen. De verwerende partij wijst erop dat “artikel 2 (k) van de Verordening (EG) nr. 1099/2009, als slachthuis definieert, elke voor het slachten van landdieren gebruikte inrichting die onder Verordening (EG) nr. 853/2004 (valt)”, en dat de laatstgenoemde Verordening, die specifieke hygiënevoorschriften oplegt aan exploitanten van levensmiddelenbedrijven, als slachthuis eveneens beschouwt “een inrichting voor het slachten of uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie”. In de wettelijke definitie van een “slachthuis” valt volgens haar dan ook geen enkele vereiste van langetermijnplanning of langetermijninvesteringen te bespeuren. Ook uit artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1099/2009 kan de verwerende partij “geen enkele tijdsvereiste destilleren op basis waarvan rituele slachtingen slechts in de slachthuizen die op permanente wijze slachtactiviteiten uitoefenen, (zouden) kunnen worden uitgevoerd”. VII-40.075-9/20 De woorden langetermijnplanning en langetermijninvesteringen worden volgens de verwerende partij door de verzoekende partij totaal uit hun context gerukt. Met de overweging 59 in Verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt volgens haar enkel, in functie van de aanpassing aan die Verordening, aan de exploitant een overgangstermijn gegund voor de implementatie van de nieuwe voorschriften. Zij stelt dat die overgangsperiode door de regelgevers noodzakelijk wordt geacht nu veelal de indeling, bouw en apparatuur van slachthuizen langetermijnplanning en langetermijninvesteringen vergen. Uit advies 57.522/3 van 11 juni 2015 van de afdeling wetgeving van de Raad van State, dat de verzoekende partij aanhaalt, kan volgens de verwerende partij “alleen worden afgeleid dat de tijdelijke slachtvloeren niet als slachthuis in de zin van de Verordening kunnen worden aanzien en er dient sprake te zijn van een duurzame inrichting die voldoet aan de talrijke infrastructuur voorschriften”. Daarenboven zou het slachthuis aan de voorschriften terzake voldoen en kan er volgens de verwerende partij “bijgevolg geen sprake […] zijn van ‘tijdelijk door de regering erkende inrichting’”. Voorts geven ook de overige nationale wetgevende of reglementaire bepalingen die in het middel geschonden worden geacht, volgens de verwerende partij geen afwijkende definitie voor het begrip “slachthuis” en wordt er ook geen tijdsvereiste verbonden aan het begrip slachthuis. De enige erkenning die de verwerende partij verleent is volgens haar ofwel een “voorwaardelijke” (en niet “tijdelijke”) erkenning, wanneer voldaan is aan de vereisten van infrastructuur en uitrusting, zoals voorzien bij Verordeningen (EG) 853 en 854/2004, ofwel een definitieve erkenning, wanneer tevens voldaan is aan de exploitatievoorwaarden.
- In de laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat de schending van Verordening nr. 853/2004, waarvan sprake in het vernietigingsarrest van de Raad van State nr. 241.786 van 14 juni 2018, in het voorliggend beroep niet door de verzoekende partij wordt ingeroepen, zodat deze schending dan ook niet kan leiden tot een gegrond verklaren van het eerste middel. VII-40.075-10/20 Voorts bekritiseert de verwerende partij het “duurzaam karakter” van een inrichting -dat volgens haar maar kan worden aangetoond “eens er gedurende een bepaalde tijd activiteit is”- als criterium voor de kwalificatie “slachthuis”. Volgens de verwerende partij is niet de erkenning als slachthuis op zich een probleem, maar wel het feit “dat in het (voorwaardelijk erkend) slachthuis dan rituele slachtingen zouden plaatsvinden”. Zij merkt op dat zij geen bevoegdheid heeft inzake dierenwelzijn. Beoordeling
- De exceptie van de verwerende partij als zou de verzoekende partij het wettelijk vereiste belang bij het middel ontberen, wordt verworpen om dezelfde redenen, als deze ter verwerping van de exceptie van gebrek aan belang bij het beroep. De exceptie is niet gegrond.
- Overweging 18 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (hierna: Verordening (EG) nr. 853/2004) (PB 2004, L 139, blz. 55, met rectificatie in PB 2013, L 160, blz. 15) luidt: “Het is dienstig dat de structurele en hygiënevoorschriften van deze verordening van toepassing zijn op alle soorten inrichtingen, inclusief kleine bedrijven en mobiele slachthuizen”. Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalt het volgende: “Exploitanten van levensmiddelenbedrijven brengen alleen in de [Europese Unie] vervaardigde producten van dierlijke oorsprong in de handel, indien ze uitsluitend bewerkt en gehanteerd zijn in inrichtingen: a) die voldoen aan de toepasselijke voorschriften van verordening (EG) nr. 852/2004 [van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 VII-40.075-11/20 inzake levensmiddelenhygiëne (PB 2004, L 139, blz. 1)], van de bijlagen II en III bij deze verordening en andere toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, en b) die door de bevoegde autoriteit geregistreerd of, indien lid 2 zulks vereist, erkend zijn”.
- Verordening (EG) nr. 1099/2009 stelt voor de lidstaten gemeenschappelijke regels vast ter bescherming van het dierenwelzijn bij het slachten of doden. In de toelichting bij het voorstel van de Commissie dat heeft geleid tot deze verordening wordt vermeld: “De belangrijkste doelstellingen van het voorstel zijn gericht op: 1) het verbeteren van de bescherming van dieren bij het slachten of doden; 2) het bevorderen van innovaties met betrekking tot methoden voor het bedwelmen of doden; 3) het creëren van gelijke mededingingsomstandigheden op de interne markt voor de betrokken exploitanten. Daarnaast is dit voorstel bedoeld om de volgende specifieke doelstellingen te verwezenlijken: 1) het ontwikkelen van een gemeenschappelijke methodologische aanpak ter bevordering van nieuwe bedwelmingsmethoden; 2) het waarborgen van een betere integratie van de zorgpunten met betrekking tot het dierenwelzijn in het productieproces door verplichte standaardwerkwijzen en de benoeming van functionarissen voor dierenwelzijn in slachthuizen; 3) het verbeteren van de normen voor de bouw en uitrusting van slachthuizen; 4) het verhogen van de vakbekwaamheid van de betrokken exploitanten en functionarissen; 5) het verbeteren van de bescherming van dieren tijdens massale slachtoperaties”.
- Overwegingen 4, 8, 15, 18, 43, 44 en 59 van deze verordening luiden als volgt: “
(4)Dierenwelzijn is een van de waarden [van de Unie] en is vastgelegd in het Protocol nr. 33 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren dat aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht [(hierna: ‘Protocol nr. 33’)]. De bescherming van dieren bij het slachten of doden is een publieke zaak, die de houding van consumenten tegenover VII-40.075-12/20 landbouwproducten beïnvloedt. Daarnaast leidt een verbetering van de bescherming van dieren bij het slachten tot een betere vleeskwaliteit en indirect ook tot veiligere arbeidsomstandigheden in slachthuizen. [...]
(8)[...] [D]e communautaire wetgeving inzake de voedselveiligheid die van toepassing is op slachthuizen, [is] ingrijpend gewijzigd door de goedkeuring van [verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB 2004, L 139, blz. 1)] en verordening [nr. 853/2004]. In die verordeningen wordt de verantwoordelijkheid van exploitanten van levensmiddelenbedrijven voor het waarborgen van de voedselveiligheid onderstreept. Daarnaast zijn slachthuizen onderworpen aan een voorafgaande goedkeuringsprocedure waarbij de bouw, indeling en apparatuur door de bevoegde autoriteit worden onderzocht om te waarborgen dat zij aan de toepasselijke technische voorschriften voor de voedselveiligheid voldoen. Er dient bij slachthuizen, bij hun bouw en indeling en bij de gebruikte apparatuur meer rekening te worden gehouden met aspecten die van belang zijn voor het dierenwelzijn. [...]
(15)In Protocol nr. 33 wordt de noodzaak onderstreept om bij het opstellen en uitvoeren van het [...] beleid [van de Unie] inzake onder andere de landbouw en de interne markt, de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten te respecteren met betrekking tot religieuze riten, culturele tradities en regionaal erfgoed. Het is derhalve wenselijk om culturele evenementen van het toepassingsgebied van deze verordening uit te sluiten indien de naleving van de vereisten voor het dierenwelzijn een negatief effect zou hebben op het wezenlijke karakter van het betreffende evenement. [...]
(18)In richtlijn 93/119/EG [van de Raad van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden (PB 1993, L 340, blz. 21)] is een uitzondering toegestaan voor het bedwelmen bij religieuze slachtingen die in slachthuizen plaatsvinden. Aangezien de [...] voorschriften [van het Unierecht] die van toepassing zijn op religieus slachten, afhankelijk van de nationale contexten verschillend zijn omgezet en gezien het feit dat in de nationale regels rekening wordt gehouden met dimensies die verder gaan dan het doel van deze verordening, is het van belang dat de uitzondering op het bedwelmen voorafgaand aan het slachten gehandhaafd blijft; hierbij behouden de lidstaten echter een bepaalde mate van subsidiariteit. Deze verordening respecteert derhalve de vrijheid van godsdienst, evenals het recht voor iedereen om zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften zoals verankerd in artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. [...]
(43)Het slachten zonder bedwelming vereist dat de halssnede accuraat met een scherp mes wordt toegebracht om het lijden zoveel mogelijk te bekorten. Bij dieren die na de uitvoering van de halssnede niet mechanisch gefixeerd zijn, zal het verbloeden bovendien waarschijnlijk langer duren, waardoor hun lijden onnodig wordt verlengd. Vooral runderen, schapen en geiten VII-40.075-13/20 worden volgens deze methode geslacht. Herkauwers die zonder bedwelming worden geslacht, dienen dan ook elk afzonderlijk mechanisch gefixeerd te worden.
(44)Met betrekking tot het behandelen en fixeren van dieren in slachthuizen wordt regelmatig wetenschappelijke en technische vooruitgang geboekt. Het is dan ook van belang dat de [Unie] de Commissie de bevoegdheid geeft om de voorschriften die van toepassing zijn op het behandelen en fixeren van dieren vóór het slachten aan te passen, met inachtneming van een hoog niveau van dierenbescherming.
(59)De indeling, bouw, en apparatuur van slachthuizen vergt een langetermijnplanning en langetermijninvesteringen. Deze verordening moet dan ook in een adequate overgangsperiode voorzien in verband met de tijd die de sector nodig heeft om zich aan de desbetreffende voorschriften van deze verordening aan te passen. Gedurende die periode dienen de voorschriften die in Richtlijn 93/119/EG zijn vastgelegd voor de indeling, bouw, en apparatuur van slachthuizen, van toepassing te blijven”. 15. Artikel 1 van deze verordening bepaalt in lid 3: “Deze verordening is niet van toepassing:
- a)indien dieren worden gedood: [...] iii) tijdens culturele of sportieve evenementen; [...]”. Artikel 2 van deze verordening luidt: “Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: [...]
- f)‘bedwelmen’: iedere bewust gebruikte methode die een dier pijnloos in een staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid brengt, met inbegrip van methoden die onmiddellijk de dood tot gevolg hebben;
- g)‘religieuze rite’: een reeks handelingen die verband houden met het slachten van dieren die voorgeschreven is door een godsdienst; [...]
- k)‘slachthuis’: elke voor het slachten van landdieren gebruikte inrichting die onder verordening [...] nr. 853/2004 valt; [...]”. Artikel 4 van dezelfde verordening bepaalt: “1. Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals VII-40.075-14/20 beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. [...] 4. Indien dieren worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, zijn de voorschriften van lid 1 niet van toepassing mits het slachten plaatsvindt in een slachthuis”. 16. Artikel 16, § 2, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 stelde ten tijde van de bestreden beslissing: “De Koning kan bepalen dat sommige slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst moeten worden uitgevoerd in erkende slachthuizen of in inrichtingen erkend door de Minister tot wiens bevoegdheid het dierenwelzijn behoort na advies van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, door offeraars die daartoe zijn gemachtigd door de vertegenwoordigers van de eredienst”. 17. Het koninklijk besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen bepaalt: “Artikel 1. De door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen van runderen, schapen en geiten mogen slechts in een openbaar slachthuis of in een particulier slachthuis of in inrichtingen erkend door de Minister tot wiens bevoegdheid de landbouw behoort na overleg met de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid plaatsvinden. Art. 2. § 1. Slachten voorgeschreven door een religieuze ritus mag slechts geschieden: 1° wat de Israëlitische ritus betreft: door offeraars die daartoe door het Centraal Israëlitisch Consistorie van België zijn gemachtigd; 2° wat de Islamitische ritus betreft: door offeraars die daartoe door het representatief orgaan van de Islamieten in België zijn gemachtigd. […]”. 18. Ten slotte bepaalt het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen: “Art. 4.§ 1. Per inrichting dient de exploitant voor alle activiteiten zoals bedoeld in de bijlagen II en III, een aanvraag voor erkenning en/of voor VII-40.075-15/20 toelating in bij het hoofd van de PCE van de plaats waar de inrichting zich bevindt. […] § 3. Het Agentschap voert binnen de dertig werkdagen na ontvangst van deze aanvraag, in zoverre ze volledig is, een administratief en/of technisch onderzoek uit. Ten behoeve van dit onderzoek maakt de exploitant samen met zijn aanvraag alle door het Agentschap gevraagde gegevens en documenten over, meer bepaald met het oog op de vaststelling van de naleving van de voorwaarden voor de erkenning of de toelating. […] Art. 5. De erkenning wordt slechts afgeleverd indien, overeenkomstig het type van activiteit, voldaan is aan de voorwaarden vastgesteld in de wettelijke en reglementaire bepalingen en/of in de Europese verordeningen waarvan de controle tot de bevoegdheid van het Agentschap behoort. Art. 6. § 1. Het Agentschap kan zich beperken tot het toekennen van een voorwaardelijke erkenning wanneer een bezoek ter plaatse toelaat te besluiten dat de inrichting de voorschriften betreffende infrastructuur en uitrusting naleeft. Deze voorwaardelijke erkenning is slechts geldig voor een periode van drie maanden vanaf de dag van de toekenning. § 2. In voornoemd geval gaat het Agentschap in de loop van de drie maanden volgend op de aflevering van de voorwaardelijke erkenning, op vraag van de exploitant, over tot een nieuw bezoek ter plaatse, ten einde na te gaan of de inrichting, overeenkomstig het type van activiteit, beantwoordt aan de andere voorwaarden vastgesteld in de wettelijke en reglementaire bepalingen en/of in de Europese verordeningen waarvan de controle tot de bevoegdheid van het Agentschap behoort. […] § 4. Indien de inrichting niet voldoet aan alle voornoemde voorwaarden, kan het Agentschap de voorwaardelijke erkenning verlengen. De totale duur van de voorwaardelijke erkenning kan in geen geval in totaal zes maanden overschrijden”. 19. In advies nr. 57.522/3 van 11 juni 2015 over een besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering houdende wijziging van het koninklijk besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State overwogen: “Voorts moet, zoals reeds is uiteengezet in opmerking 4.1, uit de duidelijke bewoordingen van de artikelen 4, lid 4, 7, lid 2, g), en 21 van verordening (EG) nr. 1099/2009 worden afgeleid dat het onbedwelmd slachten volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, enkel mogelijk is indien het slachten plaatsvindt in een slachthuis. Uit opmerking 3.2 blijkt bovendien dat de tijdelijk door de Regering erkende inrichtingen niet kunnen VII-40.075-16/20 worden gelijkgesteld met slachthuizen. Deze inrichtingen beantwoorden ook niet aan de definitie van ‘slachthuis’ in artikel 2, k, van de verordening”. Voetnoot 10 bij het advies vermeldt: “In die definitie wordt verwezen naar elke voor het slachten van landdieren gebruikte inrichting die valt onder verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong’. In onderdeel 1.16 van bijlage I bij die verordening wordt ‘slachthuis’ gedefinieerd als ‘een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie’. Uit de bewoordingen van die verordening kan eveneens worden opgemaakt dat het gaat om een duurzame inrichting die wordt geëxploiteerd en die moet voldoen aan talrijke voorschriften, vervat in die verordening, waaraan niet lijkt te kunnen worden voldaan door de erkende inrichtingen waarvan gewag wordt gemaakt in artikel 16, § 2, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 en in het koninklijk besluit van 11 februari 1988”. De in het geding zijnde erkenning heeft dus geen betrekking op een “slachthuis” in de zin van bijlage I, onderdeel 1.16, van Verordening (EG) nr. 853/2004. Het gaat onmiskenbaar om “een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie”. Het gebruik van het woord “inrichting” wijst immers op de vereiste van een zeker duurzaam karakter. Die interpretatie kadert volledig binnen de doelstellingen van de regelgever die vooral de bescherming van dieren bij het slachten beoogt. 20. Het duurzame karakter van de inrichting garandeert dat de infrastructuur aanwezig is om het slachten in toegelaten omstandigheden te laten verlopen en om een adequate en permanente opvolging en controle mogelijk te maken. In zijn arrest van 29 mei 2018 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-426/16 dat uit artikel 4, leden 1 en 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van Verordening (EG) nr. 1099/2009 volgt dat ritueel slachten zonder voorafgaande verdoving bij wijze van uitzondering wordt toegestaan in de Unie, mits dergelijke slachtingen plaatsvinden in een inrichting die erkenning behoeft van de bevoegde nationale autoriteiten en met het oog op VII-40.075-17/20 erkenning voldoet aan de in Verordening (EG) nr. 853/2004 gestelde technische eisen op het gebied van bouw, indeling en uitrusting (overweging 55). Door te voorzien in de verplichting om rituele slachtingen te verrichten in een erkend slachthuis dat aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 853/2004 voldoet, beoogt deze bepaling het vrij verrichten van slachtingen zonder voorafgaande verdoving voor religieuze doeleinden te organiseren en hiervoor een technisch kader te scheppen (overweging 58). Krachtens artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van Verordening (EG) nr. 1099/2009 gelden voor rituele slachtingen dezelfde technische voorwaarden als die welke in beginsel voor elke slachting van dieren binnen de Unie bestaan, ongeacht de gevolgde methode. De verplichting om gebruik te maken van een erkend slachthuis dat aan de technische voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004 voldoet, is algemeen en zonder onderscheid van toepassing op alle organisatoren van dierenslachtingen, ongeacht enig verband met een bepaalde godsdienst, en geldt dus op niet-discriminerende wijze voor alle producenten van dierlijk vlees in de Unie (overwegingen 60 en 61). Ook uit deze overwegingen vloeit ondubbelzinnig voort dat het slachten, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State reeds opmerkte, moet gebeuren in een duurzame inrichting. 21. Anders dan de verwerende partij in haar laatste memorie laat uitschijnen belet de verwijzing in arrest nr. 241.786 van 14 juni 2018 naar Verordening (EG) nr. 853/2004 niet dat de bestreden beslissing wordt vernietigd op grond van de door de verzoekende partij ingeroepen schending van Verordening (EG) nr. 1099/2009. Het eerste middel is gegrond. VII. Schadevergoeding tot herstel 22. In haar laatste memorie vraagt de verzoekende partij een schadevergoeding tot herstel, die wordt geraamd op 12.200 euro. VII-40.075-18/20 Het debat wordt heropend om de verwerende partij de gelegenheid te bieden wat dit betreft haar standpunt te bepalen en de auditeur over deze vordering advies te laten verlenen. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) van 30 augustus 2017 houdende het in toepassing van artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, de toelatingen en de voorafgaande registraties afgeleverd door het FAVV voorwaardelijk erkennen van het slachthuis van het Islamitisch Offerfeest Antwerpen nr. 2.254.824.485 gelegen aan de Slachthuislaan te Antwerpen. De Raad van State heropent het debat wat betreft de schadevergoeding tot herstel. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. VII-40.075-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.075-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.793 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.996 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div