← België

Arrest 248803 - Examens (onderwijs) - 30/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.803 Rolnummer: A. 232042/IX-9786 Zaak: Arrest 248803 - Examens (onderwijs) - 30/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.803 van 30 oktober 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.803 van 30 oktober 2020 in de zaak A. 232.042/IX-9786 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Fien Van Daele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 oktober 2020, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de be- slissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 9 oktober 2020 waarbij het beroep van XXXX ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij 165 op 240 punten behaalde en niet geslaagd is voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9786-1/21 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2020, om 11.30 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  3. III. Regelgeving en feiten 3.
  4. De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger On- derwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toela- tingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en IX-9786-2/21 wiskunde (KIW)’ (hierna: ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepsprak- tijk van artsen (GC)’ (hierna: ‘generieke competenties’) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de be- haalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quo- tum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). 3.
  5. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2020 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Wer- kingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2020’ (hierna: het werkings- en examenreglement 2020). IX-9786-3/21 3.
  6. Verzoekster neemt op 25 augustus 2020 deel aan het toela- tingsexamen voor de opleiding tot arts. Omwille van de maatregelen ter beperking van de verspreiding van COVID-19, vindt het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts plaats op 105 verschillende locaties verspreid over Vlaanderen en Brussel. Verzoekster legt het examen af in het college Don Bosco te Hechtel-Eksel. 3.
  7. Na beraadslaging kent de examencommissie haar de volgende punten toe: 59 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 106 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke com- petenties’ en 165 op 240 punten in het totaal. De examencommissie besluit dat verzoekster niet gunstig ge- rangschikt is, omdat zij niet geslaagd is voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’. 3.
  8. Verzoekster stelt op 8 september 2020 tegen die beslissing van de examencommissie een beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de beroepsinstantie), die luidens artikel 65 van het werkings- en examenregle- ment 2020 is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voorzitter”. Verzoekster voert in haar beroepschrift aan: “Ik heb tijdens het examen echter een probleem ondervonden waarvan ik denk dat het van grote invloed is geweest op mijn resultaat van het KIW-gedeelte van mijn examen en dus ook op mijn volledige examenresultaat. Tijdens het begin van het KIW gedeelte van het examen is 4 of 5 keer het internet op mijn computer weggevallen, of kreeg ik een foutmelding, waardoor het online examen niet meer reageerde en ik me elke keer opnieuw moest aanmelden op het platform en de toets. De eerste keer dat dit gebeurde is iemand van de ICT-dienst mij een USB-stick komen brengen, met daarop verscheidene bestanden, waarop ik de link naar het online platform moest zoeken en me dan zo opnieuw kom aanmelden op de toets. Om deze USB-stick te gebruiken moest ik telkens het toetsenbord van IX-9786-4/21 mijn PC uittrekken, wat nog verdere hinder veroorzaakte. Ik heb me toen op- nieuw kunnen aanmelden op het platform en de toets waar zich, na het invullen van één verdere vraag, terug dezelfde situatie voordeed. Dit is dus meerdere keren gebeurt tot ten slotte iemand tijdens het examen de internet kabel van de computer is komen vervangen waardoor de proef nogmaals gesloten werd en ik opnieuw moest inloggen. Door dit voorval ben ik zeker 25-30 minuten kostbare tijd verloren, waardoor ik een deel van de oefeningen niet heb kunnen invullen, namelijk elf vragen, en waardoor ik aanzienlijk veel stress kreeg wat het beantwoorden van de vragen nog moeilijker heeft gemaakt. Nu ben ik dus niet geslaagd op het eerste deel van het examen met 1 punt te kort, terwijl ik natuurlijk als ik alle vragen naar behoren, met de normale tijdsduur van het examen en zonder bijkomende stress, had kunnen invullen, ik zeker geslaagd zou zijn. En buiten dit punt zou ik gunstig gerangschikt zijn aangezien de cesuur 158 op 240 punten bedraagt en ik nu al over 165 punten beschik, wat dus buiten de punten die ik bijkomend behaald zou hebben in de normale tijd, al ruimschoots genoeg zou moeten zijn om aan de studie te be- ginnen. U kan deze punten nakijken op mijn resultatenformulier in bijlage. Verder heb ik vernomen dat in andere examenfaciliteiten waar gelijkaardige problemen zijn ontstaan, de leerlingen extra tijd hebben gekregen. Maar dit was bij mij dus niet het geval, waardoor ik het examenresultaat dus niet heel eerlijk vindt.” 3.
  9. Op 9 oktober 2020 beslist de beroepsinstantie dat verzoeksters beroep ontvankelijk, maar niet gegrond is en dat de eerder door de examencom- missie genomen beslissing dat zij een score van 165 op 240 punten behaalt en niet geslaagd is voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, gehandhaafd blijft. Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven: “De beroepsinstantie heeft geen opmerkingen wat de ontvankelijkheid be- treft van uw beroepschrift. Het beroep is ontvankelijk. U motiveert uw klacht ten gronde met argumenten dat u niet gunstig ge- rangschikt bent omdat u door storingen bent tijd bent verloren waardoor u niet kon beschikken over de 180 minuten examentijd voor het onderdeel KIW. De beroepscommissie heeft integraal kennisgenomen van de argumenten zoals die zijn opgenomen in het beroepschrift en formuleert hiernavolgende beschouwingen. IX-9786-5/21 Uit de getailleerde logs van het digitale examen blijkt het volgende: U bent ingelogd in het examen om 10:00:39 uur, u heeft toen vraag l tot 4 be- keken waarbij de laatste klik geregistreerd werd om 10:01:07 uur. Vervolgens heeft u opnieuw moeten inloggen wat u gelukt om 10:05:11 uur. Intussen werd de toetstijd automatisch stopgezet. Vervolgens heeft u doorge- werkt tot 10:16:07 uur. U heeft dan opnieuw de toets verscheidene malen moeten starten tussen 10:18:01 uur en 10:19:11 uur. Vanaf 10:19:11 uur heeft u ongestoord kunnen doorwerken tot het einde van de toets. Om 13:04:57 uur is uw toets geëindigd. De examentijd bedroeg bijgevolg 3 uur 4 minuten en 18 seconden. Echter, u bent bij aanvang maximaal 3 minuten en 36 seconden kwijtgeraakt en in een tweede instantie 3 minuten en 5 seconden wat een totaal maakt van 6 minuten en 41 seconden. Uit deze vaststelling blijkt dan dat u maximaal 2 minuten en 23 seconden bent kwijt geraakt. Vooreerst dient gesteld te worden dat in tegenstelling tot wat u in het beroep stelt, u wel degelijk extra examentijd heeft gekregen, met name 4 minuten en 18 seconden. Ook stelt de commissie vast dat er een discrepantie is tussen uw beroep dat een tijdsverlies van ‘zeker 25-30 minuten’ vermeldt en de geregistreerde tijdsmomenten die een maximaal tijdsverlies van 2 minuten en 23 seconden aangeven. Verder schrijft u dat u ten gevolge van het beweerde tijdsverlies van 25 tot 30 minuten ‘een deel van de oefeningen niet hebt kunnen invullen, namelijk elf vragen’. U heeft inderdaad in het KIW-onderdeel voor elf vragen geen ant- woord aangeduid, met name de vragen l, 2, 4, 7, 8, 9, 10, 12, 19, 20 en 27 van KIW. Uit de computerlogs blijkt dat u in totaal ongeveer één uur tijd aan deze vragen hebt besteed. 10 van deze vragen heeft u verschillende malen bekeken zonder een antwoord in te geven; voor één vraag

(27)heeft u in de loop van het examen een antwoord ingegeven en het dan nadien naar blanco omgezet. Het KIW-onderdeel telt 40 vragen voor een tijdsduur van 180 minuten wat neerkomt op een gemiddelde van 4,5 minuut per vraag. Voor de onbeantwoorde vragen heeft u gemiddeld 5,5 minuut per vraag besteed wat in de lijn ligt van het theoretisch gemiddelde per vraag. De stelling dat u geen tijd had om die 11 vragen te beantwoorden, kan dus niet bevestigd worden. Bijkomend tonen de computerlogs dat u vlak voor het einde van het examen (vanaf 13:00:05 tot einde om 13:04:57) uitsluitend naar reeds beantwoorde vragen hebt gekeken waarbij u één beantwoorde vraag naar blanco antwoord hebt omgezet (vraag 27) en een beantwoorde vraag naar onbeantwoord en vervolgens opnieuw naar beantwoord hebt omgezet (vraag 31). De 10 andere onbeantwoorde vragen heeft u in deze periode niet aangeklikt. Dit suggereert op zijn minst een bewuste keuze om op het einde van het examen niet meer naar de onbeantwoorde vragen te kijken eerder dan de onmogelijkheid om deze vragen te beantwoorden ten gevolge van een tekort aan tijd. Uit verklaringen van toezichthouders blijkt ook niet dat u in onmiddellijke afloop van het examen (na het KIW onderdeel of na beëindiging in de namid- IX-9786-6/21 dag) hebt aangegeven dat u minder tijd zou gehad hebben voor het KIW on- derdeel noch dat u door tijdsverlies niet klaar was met het KIW onderdeel. Tot slot is de commissie niet overtuigd van uw argumentering dat u met de normale tijdsduur van het examen zeker zou geslaagd zijn. Er is immers geen strikt lineair verband tussen meer examentijd en een hogere score voor dat examenonderdeel. Inderdaad, een langere examentijd kan ook tot gevolg heb- ben dat op het einde foute antwoorden worden ingegeven. Ter illustratie hier- van: het laatste antwoord dat u op het examen hebt ingegeven en bevestigd is tussen 13:02:33 en 13:04:39 waarbij u voor vraag 31 een fout antwoord, eerst naar blanco antwoord hebt omgezet en uiteindelijk terug naar een fout antwoord hebt omgezet. Het middel is niet gegrond.” IV. Voorwaarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende nood- zakelijkheid
  1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen
  2. Om redenen van logica en proceseconomie acht de Raad van State het verkieslijk het tweede door verzoekster aangevoerde middel eerst te onderzoeken en vervolgens het eerste middel. A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  3. Verzoekster formuleert het tweede middel als volgt: IX-9786-7/21 “Schending van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel Doordat verzoekster mag verwachten dat er een pertinent antwoord volgt op haar ernstige grieven zoals zij deze heeft geformuleerd in het kader van haar beroep en verzoekster tevens mag verwachten dat een beslissing wordt geba- seerd op correcte feiten. Terwijl de bestreden beslissing vertrekt vanuit manifeste onjuiste feitelijke gegevens en men in het geheel geen afdoende antwoord geeft op de aange- brachte grieven.”
  4. Zij betoogt dat de motieven waarop de bestreden beslissing steunt, niet naar behoren bewezen zijn en dat er “tal van foutieve elementen” in opgenomen zijn, die de beslissing niet kunnen verantwoorden. Zo wordt volgens verzoekster haar verloren tijd foutief geschetst. Het louter verwijzen naar de loggegevens is volgens haar niet voldoende om de verloren tijd te kunnen inschatten. Zij betwist dat zij tussen 10:05:11 uur en 10:16:07 uur heeft doorgewerkt. Tijdens die elf minuten was haar pc geblokkeerd op een vraag. Haar tijd is blijven doorlopen, omdat zij nog aangemeld was, maar zij heeft in deze tijdspanne niet kunnen voortwerken. Verzoekster stelt dat zij een “veelvuldigheid van […] storingen en […] moeilijkheden” heeft ondervonden, wat “haaks staat op een normale concentratie en rust die de bestreden beslissing voorhoudt”. Zij wijst erop dat tussen het begin van de test en het oplossen van het internetprobleem bijna twintig minuten gelegen zijn, zodat de conclusie van de bestreden beslissing dat zij maximaal 2 minuten en 23 seconden heeft verloren, manifest onjuist is. Dat zij extra tijd zou hebben gekregen, klopt volgens haar niet, aangezien alle kandidaten die hebben gekregen. Verzoekster wil ook “aankaarten” dat op verscheidene locaties extra tijd aan de deelnemers is verleend, zelfs na een kleine technische storing, maar dat dit voor haar niet is gebeurd. Zij heeft de beroepsinstantie daarop gewe- zen, maar de bestreden beslissing geeft geen antwoord. Zelfs indien zij slechts 2 minuten en 23 seconden zou hebben verloren, dan had zij deze volgens het re- glement extra moeten krijgen. IX-9786-8/21 Verzoekster bekritiseert voorts het standpunt van de beroepsin- stantie dat zij aan de niet beantwoorde vragen gemiddeld 5,5 minuten heeft be- steed, wat in de lijn ligt van het theoretisch gemiddelde van 4,5 minuten per vraag. Zij wijst erop dat die vaststelling van de beroepsinstantie niet impliceert, gelet op de aard van die vragen die meestal vraagstukken zijn, dat zij met die 5,5 minuten voldoende tijd heeft gehad om de vragen te beantwoorden. Volgens verzoekster heeft zij op het einde van het examen be- wust ervoor gekozen geen volledige wiskunde- of fysicavraagstukken meer op te lossen, maar de reeds ingevulde vragen waaraan zij nog een beetje twijfelde te overlopen, om “toch zo zeker mogelijk” te zijn van haar antwoorden. Wel heeft zij bij de laatste vraag die zij heeft ingevuld zeer lang getwijfeld, maar heeft zij uit- eindelijk gekozen voor “de 50% kans op een goed antwoord”, aangezien zij “al maar zo weinig had ingevuld”. “Volstrekt foutief”, zo omschrijft verzoekster de vermelding in de bestreden beslissing dat uit de verklaringen van toezichthouders blijkt dat zij onmiddellijk na de afloop van het examen niet heeft aangegeven minder tijd te hebben gekregen voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de weten- schappen’. Zij wijst erop dat de toezichthouder en de persoon van de ICT-dienst op de hoogte waren van haar computerproblemen, dat zij meteen na het examen heeft getelefoneerd naar “de overheidsdienst voor onderwijs” en dat zij dezelfde en de volgende dag verscheidene e-mails heeft verzonden naar het agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de Vlaamse overheid, alsook naar het kabinet van de Vlaamse minister van Onderwijs en naar “het toelatingsexamen zelf” om haar klacht te melden. Ten slotte doet verzoekster gelden dat de beroepsinstantie de essentie van haar grieven mist, waar deze stelt niet overtuigd te zijn door ver- zoeksters standpunt dat zij met een normale tijdsduur van het examen zeker ge- slaagd zou zijn geweest. Zij argumenteert: IX-9786-9/21 “Zoals verzoekster bovenstaand reeds vermeldde, zou ze liever een extra vraag hebben ingevuld met 50% kans op een goed antwoord (aangezien ze zeker was dat ze twee antwoorden kon schrappen) dan zo weinig vragen te hebben ingevuld. Verzoekster had dit waarschijnlijk beter niet gedaan, maar dit was een keuze die zeker beïnvloed was door de stress die ze heeft gekregen door het tijdsgebrek, want had ze deze vraag op blanco laten staan, was ze nu na- tuurlijk geslaagd geweest. Het feit dat ze met een normale tijdsduur meer fouten had kunnen maken is misschien wel waar maar dan had ze geen keuzes moeten maken onder invloed van deze bijkomende stress en had ze beter nagedacht over het blanco laten van deze laatste vraag waar ze zo over twijfelde aangezien ze dan meerdere vragen had kunnen invullen waar ze wel goed over had kunnen nadenken.” Beoordeling
  5. Verzoekster bekritiseert in haar toelichting van het tweede middel de motieven van de bestreden beslissing. Aldus legt zij uit hoe de mate- riëlemotiveringsplicht, waarop zij het middel steunt, volgens haar geschonden is. Zij verduidelijkt evenwel niet precies hoe het zorgvuldigheidsbeginsel en het re- delijkheidsbeginsel op zich geschonden zouden zijn. In zoverre het middel mede op die twee laatstgenoemde beginselen steunt, lijkt het samen te vallen met de ingeroepen schending van de materiëlemotiveringsplicht.
  6. Verzoekster voert vooreerst aan dat de bestreden beslissing haar verloren tijd foutief schetst. De bestreden beslissing stelt in dit verband: “Uit de getailleerde logs van het digitale examen blijkt het volgende: U bent ingelogd in het examen om 10:00:39 uur, u heeft toen vraag l tot 4 bekeken waarbij de laatste klik geregistreerd werd om 10:01:07 uur. Vervolgens heeft u opnieuw moeten inloggen wat u gelukt om 10:05:11 uur. Intussen werd de toetstijd automatisch stopgezet. Vervolgens heeft u doorge- werkt tot 10:16:07 uur. U heeft dan opnieuw de toets verscheidene malen moeten starten tussen 10:18:01 uur en 10:19:11 uur. Vanaf 10:19:11 uur heeft u ongestoord kunnen doorwerken tot het einde van de toets. Om 13:04:57 uur is uw toets geëindigd. De examentijd bedroeg bijgevolg 3 uur 4 minuten en 18 seconden. IX-9786-10/21 Echter, u bent bij aanvang maximaal 3 minuten en 36 seconden kwijtgeraakt en in een tweede instantie 3 minuten en 5 seconden wat een totaal maakt van 6 minuten en 41 seconden. Uit deze vaststelling blijkt dan dat u maximaal 2 minuten en 23 seconden bent kwijt geraakt.” Hieruit blijkt dat de beroepsinstantie haar beslissing steunt op de geregistreerde loggegevens, die als zodanig objectief zijn en waaruit het tijdverlies van verzoekster dat in aanmerking mag worden genomen, kan worden afgeleid. Verzoekster ontkracht die gegevens in de huidige stand van de rechtspleging niet. Dat haar pc ook tussen 10:05:11 uur en 10:16:07 uur geblokkeerd zou zijn geweest, blijkt vooralsnog nergens uit. Ook blijkt niet dat verzoekster toen van de beweerde onderbreking van 11 minuten melding heeft gemaakt aan de toezichthouder. Zij stelt in haar inleidend verzoekschrift in dit verband alleen dat zij in die tijdsperiode “uit haar herinnering, niet veel vragen heeft ingevuld aangezien de toets dus weer is blijven hangen”. Met betrekking tot wat verzoekster toen niet onder de aandacht van de examencommissie heeft gebracht, mag zij deze commissie niet verwijten er niet gepast op te hebben gereageerd en mag zij ook de beroepsinstantie niet ver- wijten er geen rekening mee te hebben gehouden. Op grond van de gegevens die bij haar voorlagen, lijkt de beroepsinstantie te hebben kunnen besluiten dat verzoek- ster maximaal 2 minuten en 23 seconden is verloren, in tegenstelling tot de “25-30 minuten” waarvan zij gewag maakte in haar beroepschrift.
  7. Verzoekster stelt voorts op het eerste gezicht ten onrechte dat haar argument dat deelnemers op verscheidene locaties extra tijd hebben gekregen, zelfs na een kleine technische storing, en dat dit voor haar niet is gebeurd, geen antwoord van de beroepsinstantie heeft gekregen. In de bestreden beslissing kan immers worden gelezen: “[Er] dient gesteld te worden dat in tegenstelling tot wat u in het beroep stelt, u wel degelijk extra examentijd heeft gekregen, met name 4 minuten en 18 seconden.” IX-9786-11/21 De verwerende partij weerspreekt in haar nota bovendien for- meel het standpunt van verzoekster dat andere deelnemers van het toelatingsexa- men voor de opleiding tot arts die geen technische problemen hebben ondervon- den, ook die tijd zouden hebben bijgekregen. Verzoekster toont in de huidige stand van de rechtspleging het tegendeel niet aan.
  8. Verzoekster bekritiseert tevens het standpunt van de beroepsin- stantie dat zij voldoende tijd zou hebben gehad voor het beantwoorden van de vragen die onbeantwoord zijn gebleven. De beroepsinstantie stelt in dit verband: “Verder schrijft u dat u ten gevolge van het beweerde tijdsverlies van 25 tot 30 minuten ‘een deel van de oefeningen niet hebt kunnen invullen, namelijk elf vragen’. U heeft inderdaad in het KIW-onderdeel voor elf vragen geen ant- woord aangeduid, met name de vragen 1, 2, 4, 7, 8, 9, 10, 12, 19, 20 en 27 van KIW. Uit de computerlogs blijkt dat u in totaal ongeveer één uur tijd aan deze vragen hebt besteed. 10 van deze vragen heeft u verschillende malen bekeken zonder een antwoord in te geven; voor één vraag
(27)heeft u in de loop van het examen een antwoord ingegeven en het dan nadien naar blanco omgezet. Het KIW-onderdeel telt 40 vragen voor een tijdsduur van 180 minuten wat neerkomt op een gemiddelde van 4,5 minuut per vraag. Voor de onbeantwoorde vragen heeft u gemiddeld 5,5 minuut per vraag besteed wat in de lijn ligt van het theoretisch gemiddelde per vraag. De stelling dat u geen tijd had om die 11 vragen te beantwoorden, kan dus niet bevestigd worden. Bijkomend tonen de computerlogs dat u vlak voor het einde van het examen (vanaf 13:00:05 tot einde om 13:04:57) uitsluitend naar reeds beantwoorde vragen hebt gekeken waarbij u één beantwoorde vraag naar blanco antwoord hebt omgezet (vraag 27) en een beantwoorde vraag naar onbeantwoord en vervolgens opnieuw naar beantwoord hebt omgezet (vraag 31). De 10 andere onbeantwoorde vragen heeft u in deze periode niet aangeklikt. Dit suggereert op zijn minst een bewuste keuze om op het einde van het examen niet meer naar de onbeantwoorde vragen te kijken eerder dan de onmogelijkheid om deze vragen te beantwoorden ten gevolge van een tekort aan tijd. Uit verklaringen van toezichthouders blijkt ook niet dat u in onmiddellijke afloop van het examen (na het KIW onderdeel of na beëindiging in de namid- dag) hebt aangegeven dat u minder tijd zou gehad hebben voor het KIW on- derdeel noch dat u door tijdsverlies niet klaar was met het KIW onderdeel. IX-9786-12/21 Tot slot is de commissie niet overtuigd van uw argumentering dat u met de normale tijdsduur van het examen zeker zou geslaagd zijn. Er is immers geen strikt lineair verband tussen meer examentijd en een hogere score voor dat examenonderdeel. Inderdaad, een langere examentijd kan ook tot gevolg heb- ben dat op het einde foute antwoorden worden ingegeven. Ter illustratie hier- van: het laatste antwoord dat u op het examen hebt ingegeven en bevestigd is tussen 13:02:33 en 13:04:39 waarbij u voor vraag 31 een fout antwoord, eerst naar blanco antwoord hebt omgezet en uiteindelijk terug naar een fout antwoord hebt omgezet.” Uit de vaststelling dat verzoekster gemiddeld 5,5 minuten per vraag heeft besteed aan de onbeantwoord gebleven vragen, vermocht de beroeps- instantie redelijkerwijze af te leiden dat verzoeksters bewering dat zij ingevolge het opgelopen tijdverlies de elf opengebleven vragen niet heeft kunnen beant- woorden niet opgaat, des te meer daar verzoekster, zoals hiervóór voorlopig is aangenomen, in tegenstelling tot wat zij beweert, geen “25-30 minuten” heeft verloren, maar slechts 2 minuten en 23 seconden. Dat dit werkelijke verlies van 2 minuten en 23 seconden ver- zoekster geen aannemelijk nadeel heeft toegebracht, vermocht de beroepsinstantie eveneens af te leiden uit de vaststelling dat verzoekster de laatste minuten van het examen geen onbeantwoorde vragen heeft proberen op te lossen, maar uitsluitend reeds beantwoorde vragen heeft overlopen.
  1. Verzoekster beweert dat zij bij de laatste vraag die zij heeft in- gevuld zeer lang heeft getwijfeld en uiteindelijk heeft gekozen voor een antwoord dat een kans van 50% inhield om juist te zijn en dat zij dat beter niet had gedaan, maar dat zij “beïnvloed […] door de stress” die keuze heeft gemaakt, terwijl indien zij die vraag blanco had gelaten zij “nu natuurlijk geslaagd [was] geweest”. De premisse die aan deze bewering ten grondslag ligt – namelijk dat verzoekster bij afwezigheid van technische computerproblemen niet de stress zou hebben ervaren die haar voorbij heeft doen gaan aan de keuze om de desbe- treffende vraag niet te beantwoorden en dat zij dan die “betere” keuze zou hebben IX-9786-13/21 gemaakt – is op het eerste gezicht te hypothetisch om een schorsing van de be- streden beslissing te kunnen verantwoorden.
  2. Ten onrechte, zo lijkt, beschouwt verzoekster ten slotte als fou- tief de vermelding in de bestreden beslissing dat uit de verklaringen van de toe- zichthouders blijkt dat zij onmiddellijk na de afloop van het examen niet heeft aangegeven minder tijd te hebben gekregen voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’. De omstandigheid dat de toezichthouder en de persoon van de ICT-dienst ervan op de hoogte waren dat er bij het begin van het examen techni- sche computerproblemen waren geweest en het feit dat verzoekster ná het examen contact heeft gezocht met onder meer het agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de Vlaamse overheid, nemen niet weg dat op het einde van het examen, dus op een ogenblik dat haar, indien nodig, nog bijkomende tijd kon worden gegeven, verzoekster daarop ten aanzien van de toezichthouder geen aanspraak lijkt te hebben gemaakt. De verwijzing door de beroepsinstantie naar onder meer de ver- klaring van de toezichthouder ter plaatse, is in dit verband verhelderend. Die toe- zichthouder stelt onder meer: “Omdat zij tweemaal een probleem heeft ondervonden, heb ik deze deel- neemster na het einde van KIW gevraagd of alles ok was en ze genoeg tijd had. De deelneemster heeft toen kort gereageerd, maar gaf aan dat het ok was. Ze heeft letterlijk gezegd dat ze klaar was.”
  3. Het tweede middel is niet ernstig. IX-9786-14/21 B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  4. Verzoekster formuleert het eerste middel als volgt: “schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het redelijkheidsbeginsel, het zorg- vuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Doordat verzoekster mag verwachten dat zij in optimale omstandigheden het examen kan afleggen, maar zij desalniettemin tijdens het verloop van het examen werd geconfronteerd met tal van – te voorkomen – technische pro- blemen en (ver)storingen en zij hierdoor veel tijd – die zij niet mocht inhalen – en concentratie verloor. Terwijl het examenreglement nochtans aan elke deelnemer een bepaalde – voor iedere deelnemer gelijke – tijdsduur toekent om het examen af te leggen, maar dat ditzelfde reglement ook toestaat om in geval van technische problemen extra tijd toe te kennen. Terwijl in werkelijkheid deelnemers die geen technische problemen hebben gekend toch extra tijd hebben gekregen en dus meer tijd hebben gekregen – dan de tijdsduur die andere deelnemers hebben gekregen – en die het reglement voorziet, maar dat daarentegen andere deelnemers – waaronder verzoekster – die wel technische problemen hebben ondervonden, dan weer geen extra tijd hebben verkregen. Zodat verzoekster alleszins niet in normale, minstens dezelfde – gunstige – omstandigheden als andere deelnemers – die geen storingen hebben gekend – het examen heeft kunnen afleggen enerzijds, maar zij bovendien anderzijds minder tijd heeft gekregen om het examen af te leggen dan het reglement voorziet, zeker ten opzichte van andere deelnemers.”
  5. Verzoekster licht vooreerst toe dat het “op basis van” de artike- len 51, 56 en 74 van het werkings- en examenreglement 2020 duidelijk is dat de beperkte tijdsduur een belangrijk element is van het toelatingsexamen en dat alle kandidaten over dezelfde tijd moeten kunnen beschikken om het examen af te leggen, opdat hun resultaten achteraf eerlijk zouden kunnen worden vergeleken. Het examen vergt bovendien een opperste concentratie, zodat elke verstoring nefast is en een ongelijk verloop van het examen creëert tussen de deelnemers. De overheid moet het examen dan ook met de meeste zorg voorbereiden, maar in dit geval was er geen sprake van een vlekkeloze organisatie. IX-9786-15/21 Voorts betoogt verzoekster dat zij tijdens het afleggen van haar examen “ernstige en meervoudige technische storingen” heeft ondervonden, ter- wijl andere deelnemers niet zijn gestoord. De examencommissie minimaliseert die storingen, maar kan niet ontkennen dat zij het examen niet in dezelfde omstan- digheden heeft kunnen afleggen als andere deelnemers. De stress, de verstoorde concentratie, de oplopende tijdsdruk en de onzekerheid over de compensatie van de verloren tijd hebben een nefaste invloed gehad op haar rust en prestatiever- mogen, zo blijkt alleen al uit een vergelijking van haar resultaten voor de twee examenonderdelen. Verzoekster stelt dat zij niet de tijd heeft gekregen waarin reglementair was voorzien en dat zij geen bijkomende tijd heeft gekregen, terwijl kandidaten zonder technische problemen wel bijkomende tijd hebben gekregen. Ook de reglementair vastgelegde tijdstippen werden niet gerespecteerd. Voor verschillende kandidaten en verschillende locaties golden verschillende aan- vangstijdstippen, zoals blijkt, aldus verzoekster, uit diverse berichten op sociale media. Verzoekster klaagt over de ongelijke behandeling van de kan- didaten, terwijl in een examensituatie alle kandidaten dezelfde kansen moeten krijgen om te kunnen slagen. De “niet te rechtvaardigen ongelijkheid in het kader van het examen is nochtans groot”, zo betoogt zij: “  Zo zijn er studenten die te kampen hadden met technische storingen en hierdoor veel kostbare tijd en concentratie zijn verloren, maar geen extra tijd gekregen hebben ten opzichte van de [oorspronkelijk voorziene] timing – zoals verzoekster.  Zo zijn er studenten die technische storingen hebben ondervonden, maar de verloren tijd er automatisch terug bij werd gerekend en alsnog extra tijd hebben gekregen.  Zo zijn er studenten die op andere locaties te kampen hadden met techni- sche storingen en geluidsoverlast die hierdoor veel kostbare tijd en con- centratie zijn verloren.  Zo zijn er studenten die op andere locaties met geluidsoverlast te kampen hadden, maar geen technische storingen hebben gehad en alsnog (soms tot één uur) extra tijd verkregen. IX-9786-16/21  Zo zijn er studenten zonder technische storingen op andere locaties die het examen vlekkeloos hebben kunnen afleggen en toch extra tijd hebben ge- kregen.  Er zijn studenten die een ruime pauze hebben kunnen genieten, en er zijn studenten die quasi geen pauze hebben gekregen, laat staan om behoorlijk te eten.” Volgens verzoekster is het evident dat binnen de groep van kandidaten er kandidaten zijn die uit deze verschillende omstandigheden voordeel hebben gehaald, dan wel nadeel hebben geleden en dat sommige kandidaten daaraan zelfs hun geslaagd zijn te danken hebben. Zij besluit daaruit dat “de ver- schillende categorieën van kandidaten niet dezelfde kansen hebben gehad om te slagen”. Dat er “een anomalie” is ontstaan, blijkt volgens haar ook uit “de uit- zonderlijk hoge resultaten dit jaar, die de cesuur verstrengen”. Zij voegt eraan toe dat “[d]eze resultaten […] het gevolg [zijn] van het feit dat bepaalde kandidaten zonder enige problemen hebben kunnen werken en bovendien extra tijd hebben gekregen”. Verzoekster betoogt ten slotte dat “[h]et chaotische verloop van het examen, de ad hoc communicatie [naar aanleiding van] de problemen en de verschillende behandelingen van studenten per locatie, maar ook de verschillende behandeling tussen de verschillende locaties […] stuitend [zijn] en [wijzen] op een verregaande onzorgvuldigheid”. Zij ziet ook een schending van het redelijk- heidsbeginsel, omdat de beschreven handelwijze van de verwerende partij niet kan worden vergeleken met die van “enig andere normaal voorzichtige en redelijk handelende overheid”. Beoordeling
  6. Artikel 51 van het werkings- en examenreglement 2020 luidt: “Het examen zal in deze volgorde verlopen: - 10.00 – 13.00 uur: KIW: 10 vragen per wetenschappelijke discipline (wis- kunde, fysica, chemie en biologie) - 14.15 – 14.35 uur: CLEAR IX-9786-17/21 - 14.40 – 15.35 uur: VAARDIG deel 1 - 15.40 – 16.00 uur: VAARDIG deel 2.” Dit voorschrift bepaalt de “volgorde” van de examenverrich- tingen. De kandidaten lijken er geen aanspraak uit te kunnen putten dat niet in het minst kan worden afgeweken van het aanvangsuur of van het einduur van elk onderdeel. Het hierna besproken artikel 74 van het werkings- en examenregle- ment 2020 voorziet overigens uitdrukkelijk in een mogelijkheid tot afwijking “in geval van technische problemen met de hardware of software”. Verzoekster doet dan ook ten onrechte gelden dat “de per reglement vastgestelde tijdstippen niet [werden] gerespecteerd”.
  7. Artikel 56 van het werkings- en examenreglement 2020 luidt: “Deelnemers die op tijd zijn toegekomen en gestart, hebben recht op de vooropgestelde tijd om het examen af te leggen, zoals bepaald in artikel
  8. Als er sprake is van een technisch probleem in het online examenplatform of met het toestel tijdens een examenonderdeel, kan de commissie beslissen de deelnemer nog na het voorziene einduur te laten verderwerken, zodat de verloren tijd wordt ingehaald.” Artikel 74 van het werkings- en examenreglement 2020 voorziet in mogelijke “afwijkingen van de tijds- en dagindeling” en beslissingen van de examencommissie “in uitzonderlijke omstandigheden of bij overmacht”, onder meer “in geval van technische problemen met de hardware of software”. Daarbij is bepaald dat de organisatie ervoor zal zorgen dat “de deelnemers in elk geval evenveel tijd per onderdeel krijgen als de andere deelne- mers”.
  9. Verzoekster is van oordeel dat zij door ondergane computer- problemen in de aanvangsfase van het eerste examenonderdeel “25-30 minuten” heeft verloren. Zoals bij de beoordeling van het tweede middel op het eerste ge- zicht reeds is gebleken vermocht de beroepsinstantie op grond van de loggegevens IX-9786-18/21 van verzoekster redelijkerwijze te besluiten dat verzoekster slechts 2 minuten en 23 seconden minder tijd heeft gekregen dan de 180 minuten waarop zij krachtens het werkings- en examenreglement 2020 aanspraak kon maken. Dat verzoeksters “rust en prestatievermogen” door het incident werden aangetast, zoals zij beweert, betreft de louter subjectieve ervaring van het examen door verzoekster en lijkt bij de objectieve beoordeling van haar examen- prestatie bezwaarlijk in aanmerking te mogen worden genomen.
  10. Eveneens uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken dat de beroepsinstantie op grond van de gegevens van het dossier, in het bijzonder haar geregistreerde loggegevens en de informatie die daaruit blijkt met betrekking tot haar tijdsgebruik, geredelijk ervan mocht uitgaan dat het kortstondig geleden tijdverlies verzoekster niet dermate kan hebben benadeeld bij het afleggen van het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ dat het noopte tot een aanpassing van haar examenuitslag. De vaststelling dat de uitslag van verzoekster voor het exa- menonderdeel ‘generieke competenties’ beter was, leidt op het eerste gezicht niet naar een ander besluit. Dat examenonderdeel beoogt immers geheel andere com- petenties te toetsen dan het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de weten- schappen’.
  11. Verzoekster argumenteert dat zij aldus ongelijk is behandeld ten aanzien van verscheidene categorieën van andere deelnemers die zij in haar in- leidend verzoekschrift vermeldt, onder wie ook deelnemers aan het toelatings- examen voor arts op andere locaties of aan het toelatingsexamen voor tandarts. Met de verwerende partij moet evenwel worden opgeworpen dat verzoekster geen belang erbij heeft zich te beroepen op nadelen die andere deel- nemers, desgevallend op andere locaties of tijdens het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts, zouden hebben ondergaan. IX-9786-19/21 Gewis kan verzoekster, onder meer op grond van het ingeroepen gelijkheidsbeginsel en – specifiek wat de deelnemers betreft die geconfronteerd werden met technische computerproblemen – het hiervóór vermelde artikel 74 van het werkings- en examenreglement 2020, aanspraak maken op de gelijke behan- deling van alle deelnemers aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Haar beweringen over voordelen die andere deelnemers zouden hebben genoten, zijn evenwel op het eerste gezicht dermate vaag en algemeen en gesteund op oncontroleerbare en alleszins niet gestaafde berichten op sociale me- dia, dat ze op het eerste gezicht niet toelaten aan te nemen dat niet allen in dezelfde situatie wezenlijk gelijk werden behandeld. Zo spreekt de verwerende partij de bewering van verzoekster tegen dat deelnemers die geen technische computer- problemen hebben ondervonden, tijd zouden hebben bijgekregen. Zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel toont verzoekster in de hui- dige stand van de rechtspleging het tegendeel niet aan. Dat het bestaan van “een anomalie” zou blijken uit “de uitzon- derlijk hoge resultaten dit jaar, die de cesuur verstrengen” is niet meer dan een niet-gestaafde bewering.
  12. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel evenmin ernstig is. VI. Slotsom
  13. Aangezien verzoekster geen ernstig middel aanvoert, is er niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. IX-9786-20/21 BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt de vordering.
  15. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  16. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9786-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.803 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.