id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.804 Rolnummer: A. 232043/IX-9787 Zaak: Arrest 248804 - Examens (onderwijs) - 30/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-03 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.804 van 30 oktober 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.804 van 30 oktober 2020 in de zaak A. 232.043/IX-9787 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Fien Van Daele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 19 oktober 2020, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de be- slissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 9 oktober 2020 waarbij het beroep van XXXX ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat hij 136 op 240 punten behaalde en niet gunstig is gerangschikt, wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9787-1/24 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2020, om 11.30 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger On- derwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toela- tingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en IX-9787-2/24 wiskunde (KIW)’ (hierna: ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepsprak- tijk van artsen (GC)’ (hierna: ‘generieke competenties’) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de be- haalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quo- tum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2020 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Wer- kingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2020’ (hierna: het werkings- en examenreglement 2020). IX-9787-3/24 3.
- Verzoeker neemt op 25 augustus 2020 deel aan het toelatings- examen voor de opleiding tot arts. Omwille van de maatregelen ter beperking van de verspreiding van COVID-19, vindt het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts plaats op 105 verschillende locaties verspreid over Vlaanderen en Brussel. Verzoeker legt het examen af in het Heilige Drievuldigheidscollege te Leuven. 3.
- Na beraadslaging kent de examencommissie hem de volgende punten toe: 67 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 69 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke compe- tenties’ en 136 op 240 punten in het totaal. De cesuur is door de examencommissie bepaald op 158 op 240 punten. De examencommissie besluit dat verzoeker niet gunstig ge- rangschikt is om te worden toegelaten tot de beoogde opleiding. 3.
- Verzoeker stelt op 10 september 2020 tegen die beslissing van de examencommissie een beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de be- roepsinstantie), die luidens artikel 65 van het werkings- en examenreglement 2020 is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencom- missie als voorzitter”. Verzoeker voert in zijn beroepschrift aan (met weglating van de voetnoten): “Verzoeker behaalde 136/240 op zijn ingangsproef arts. Verzoekende partij klaagt onder meer een ongelijke behandeling aan van de kandidaten van hetzelfde toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts. Niet alle studenten kregen gelijke kansen om te slagen op het examen dit jaar. IX-9787-4/24 Er dient een niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling tussen de kandi- daten te worden vastgesteld. Dat verschil in behandeling doet zich in concreto als volgt voor: Verzoeker legde het toelatingsexamen af op 25 augustus
- Zijn eigen computer bleek op een bepaald ogenblik te zijn vastgelopen en hij heeft dit gemeld aan de aanwezige verantwoordelijke. Men wist niet hoe het kwam of hoe het opgelost moest worden. Er zou een IT-specialist moeten komen. Het bleek dat er nog andere stu- denten eveneens problemen hadden. Dit alles heeft behoorlijk wat tijd in beslag genomen. Uiteindelijk werd verzoeker meegedeeld dat hij zijn computer moest her- starten. Hierna bleef verzoeker nog steeds echter in een zeer stressvolle situatie. De angst om met een nieuwe technische fout te worden geconfronteerd bleef spelen in het achterhoofd van verzoeker. Hij panikeerde ook doordat hij zoveel tijd was verloren. De gevolgen hiervan waren nefast gezien het feit dat ver- zoeker lijdt aan faalangst en angststoornissen (Stuk 2). Verzoeker is door deze situatie in paniek geraakt. Er waren ook andere stu- denten bij wie de computer telkens vastliep waardoor het ook moeilijker werd zich te blijven concentreren op zijn eigen computer gezien de hectische situatie. De verantwoordelijken liepen continu heen en weer en probeerden de proble- men op te lossen. Zich zo concentreren was absoluut niet evident. Bij de student die voor verzoeker zat, is men meerdere keren heen en weer geweest en heeft men zijn computer vervangen. Dergelijke hectiek die ontstaat en de niet voor- bereide verantwoordelijken is niet professioneel en heeft een zeer nadelig effect gehad op het prestatievermogen van verzoeker. Daarbovenop kwam nog de locatie waar verzoeker het examen moest af- leggen: Heilige-drievuldigheidscollege, Leuven. Er werd op die dag zelf nog gewerkt met zware machines waarvan het geluid zelfs door de oordopjes te horen was. Aan wat verzoeker van het lawaai kon uitmaken, bleek men aan het dak te werken. Hierdoor was er continu geluid, het was op een gegeven moment zo erg dat de verantwoordelijke er ook van opschrok. In de namiddag bij het lezen van de teksten en vragen had verzoeker opnieuw problemen met zijn computer. Deze kwam opnieuw een aantal keer vast te zitten. Hierdoor stak de angst weer de kop op bij verzoeker. Verzoeker was bang dat zijn computer terug zou blokkeren als hij afwisselend van vragen naar de tekst ging en omgekeerd. Doordat het systeem al haperde in de voormiddag, heeft dit ook een blijvende invloed gehad op het tweede deel. Na het examen vernam verzoeker dat op sommige locaties de studenten extra tijd hadden gekregen. Studenten kregen naar verluidt (tot 1 uur) extra tijd omwille van problemen met de computers. Dit zou eigenlijk niet mogelijk kunnen zijn, want vanuit het toelatingsexamen werd gezegd dat de computers vanzelf zouden afsluiten als de tijd over was. We dienen dan ook te besluiten dat de studenten die allen op via dezelfde methode worden gerangschikt in het kader van de cesuur op tal van verschil- lende wijzen en omstandigheden werden geëxamineerd. In stuk 3 brengt ver- zoeker bewijs bij van deze verschillende beoordelingswijzen. • Zo zijn er studenten die te kampen hadden met technische storingen en IX-9787-5/24 hierdoor veel kostbare tijd en concentratie zijn verloren, maar geen extra tijd gekregen hebben ten opzichte van de oorspronkelijke voorzien timing • Zo zijn er studenten die technische storingen hebben ondervonden, maar de verloren tijd er automatisch terug bij werd gerekend en alsnog extra tijd hebben gekregen. • Zo zijn er studenten die op andere locaties te kampen hadden met techni- sche storingen en geluidsoverlast die hierdoor veel kostbare tijd en con- centratie zijn verloren. • Zo zijn er studenten die op andere locaties met geluidsoverlast te kampen hadden, maar geen technische storingen hebben gehad en alsnog (soms tot één uur) extra tijd verkregen. • Zo zijn er studenten zonder technische storingen op andere locaties die het examen hebben kunnen afleggen en toch extra tijd hebben gekregen. • Er zijn studenten die een ruime pauze hebben kunnen genieten, en er zijn studenten die quasi geen pauze hebben gekregen, laat staan om behoorlijk te eten. Begrijpe wie begrijpen kan… Het is evident dat studenten die ongestoord hebben kunnen werken en zich geen zorgen dienden te maken over de beschikbare tijd een onaanvaardbaar voordeel hebben verkregen ten opzichte van de andere kandidaten. Dit geldt des temeer voor de studenten die geen enkele hinder ondervonden hebben, maar toch extra tijd hebben gekregen. Alleen al de onderbreking op zich – nog afgezien van het tijdstekort – ver- oorzaakt een belangrijke verstoring van de concentratie. Het niet duidelijk communiceren na de technische incidenten of er wel of niet, dan wel hoeveel, tijd bijkomend wordt toegestaan, levert bijkomende stress en mogelijks haastwerk op. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat binnen de groep kandidaten er kandidaten zijn die uit deze verschillende omstandigheden – wel of geen lawaai, kortere timing (lunchpauze) tussen de onderdelen, alsook duurtijd voor het af- leggen van het examen, en het al dan niet ervaren van een technische onder- breking – daaruit een voordeel hebben gehaald, méér zelfs die mede daaraan hun geslaagd zijn te danken hebben. Er zijn dan ook diverse verschillende categorieën. Zelfs bij de kandidaten die geen problemen hebben gekend zijn er die desalniettemin extra tijd hebben gekregen en zij die dat niet hebben gekregen. Dat voordeel (de extra tijd) wordt bij de ranking volstrekt ontzegd aan de niet-geslaagde kandidaten die het slachtoffer zijn van deze omstandigheden. Er moet dan ook worden besloten dat de verschillende categorieën van kandidaten niet dezelfde kansen hebben gehad om te slagen. Het gelijkheidsbeginsel sluit een onderscheiden behandeling van bepaalde categorieën van personen niet uit, voor zover althans voor dat onderscheid een objectieve, pertinente en redelijke verantwoording bestaat. Dit criterium is hier afwezig: er is geen enkele reden om de ene kandidaat meer tijd te gunnen dan de andere. Net zoals er geen reden is om de ene wel en de andere quasi geen pauze te gunnen, etc.. De ranking/inschrijving is derhalve niet gebeurd op grond van een gelijke of een gerechtvaardigde ongelijke behandeling van de kandidaten, maar wel op IX-9787-6/24 grond van een niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling van de kandidaten. Dat er een anomalie is ontstaan bij het examen blijkt ook uit de uitzonderlijk hoge resultaten dit jaar, die de cesuur verstrengen. Deze resultaten zijn het gevolg van het feit dat bepaalde kandidaten zonder enige problemen hebben kunnen werken en bovendien extra tijd hebben gekregen. Het chaotische verloop van het examen, de ad hoc communicatie n.a.v. de problemen en de verschillende behandelingen van studenten per locatie, maar ook de verschillende behandeling tussen de verschillende locaties is stuitend en wijst op een verregaande onzorgvuldigheid Men is niet enkel verantwoordelijk voor een behoorlijke informatie omtrent het examen, maar ook voor de goede praktische organisatie ervan. Hieraan werd echter schromelijk tekort geschoten. Het feit dat men met deze ongelijkheid ook geen rekening houdt in de ran- king behelst een bijkomende onzorgvuldigheid De apodictische schending van het gelijkheidsbeginsel brengt dus tevens schendingen van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel met zich mee. Het Hof van Cassatie stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden, wat onder meer betekent dat het alle voor de beslissing relevante feiten met zorgvuldigheid moet vaststellen, en dat het met deze feiten ook rekening moet houden bij het nemen van de beslissing. Zo worden de bepalingen van de materiële zorgvuldigheidsnorm geschonden wanneer de administratieve overheid bij de uitvoering van haar taak onnodig de belangen van diegenen die bij hierbij betrokken zijn schaadt. We dienen dan ook te besluiten dat er in casu geen rekening wordt gehouden met bovenstaande rechtspraak. Het is niet ernstig te noemen dat tal van kandidaten met eenzelfde probleem worden geconfronteerd. Het betreft dus een ongelukkig toeval of overmacht, maar een gevolg van onzorgvuldig handelen alsook onzorgvuldig reageren op het ogenblik dat het probleem zich manifesteert. Alleszins heeft de beslissing tot ranking op geen enkele wijze rekening ge- houden met alle relevante feiten uit het dossier. Indien men de beoordeling op zorgvuldige wijze had voorbereid waren de bijzondere omstandigheden van onder meer verzoekster aan het licht gekomen en had men hiermee rekening kunnen houden. De handelswijze waarbij bij tientallen personen weldegelijk schade berok- kend ten voordele van vele anderen impliceert een manifeste schending van de materiële zorgvuldigheidsnorm. Het redelijkheidsbeginsel is nauw verbonden met het zorgvuldigheidsbe- ginsel. Bij de behandeling van de overheidsaansprakelijkheid zal het gedrag van de overheid immers worden vergeleken met dat van enig andere normaal voorzichtige en redelijk handelende overheid. Zoals hierboven werd aangetoond kan de handelswijze waarbij er een tal van problemen (falende computers, onhandige interventies en communicatie en onzorgvuldige keuze van locaties) niet worden vergeleken met dan van enig andere normaal voorzichtige en redelijk handelende overheid. De kandidaten hebben vaak een jaar lang uitgekeken en gestudeerd voor het examen en er staat voor hen vaak bijzonder veel op het spel. Dat dit alles dan ontaardt in een onnavolgbare improvisatie met manifeste IX-9787-7/24 discriminatie tussen de studenten grenst aan het stuitende. Het is alleszins kennelijk onredelijk om hieromtrent dan in alle talen te zwijgen en deze problemen te negeren zodat er geen motivering voorligt om- trent waarom met heeft besloten geen rekening te houden met alle uitzonderlijke omstandigheden die hebben plaatsgevonden. We dienen dan ook te besluiten dat er sprake is van een schending van zowel het gelijkheids-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Tot slot dient er opgemerkt te worden dat er sprake is van een schending van het patere legem-beginsel. De vaste rechtspraak stelt dat de instelling gebonden is door de voorschriften die zijzelf heeft vastgelegd. Artikel 51 van het examenreglement bepaalt de tijdsduur van het examen: […] Artikel 56 vermeldt: […] In strijd met deze twee bepalingen hebben de kandidaten die geen technische problemen hebben gekend toch bijkomende tijd gekregen. Anderzijds werd de per reglement vastgelegde tijdstippen niet gerespecteerd en golden voor ver- schillende kandidaten en voor verschillende locaties verschillende aanvangs- tijdstippen (veroorzaakt door de problemen). I.
- Conclusie Uit al het bovenstaande dient er besloten te worden dat verzoekser wel als gunstig gerangschikt dient te worden weerhouden, minstens dat het cijfer van verzoeker verhoogd dient te worden, nl. naar meer dan 158/240 waardoor zij de cesuur wel haalt. Ondergeschikt dient het hele toegangsexamen en de ranking vernietigd te worden voor alle kandidaten. Er werd immers duidelijk aangetoond dat verzoekster door de ongelijke behandeling niet dezelfde kansen heeft gekregen dan de andere studenten en haar resultaat bijgevolg niet representatief is, minstens een louter gevolg is van een discriminiatoir behandeling.” 3.
- Op 9 oktober 2020 beslist de beroepsinstantie dat verzoekers beroep ontvankelijk, maar niet gegrond is en dat de eerder door de examencom- missie genomen beslissing dat hij een score van 136 op 240 punten behaalt en niet gunstig gerangschikt is, gehandhaafd blijft. Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven: “De beroepsinstantie heeft geen opmerkingen wat de ontvankelijkheid be- treft van uw beroepschrift. Het beroep is ontvankelijk. U motiveert uw klacht ten gronde met volgende argumenten die een schen- ding van de gelijke examencondities door technische problemen betreffen. U IX-9787-8/24 zou niet de tijd gekregen hebben waarop u recht had. U maakt ook melding van geluidsoverlast door dakwerken. Vervolgens motiveert uw klacht ten gronde met argumenten met betrekking tot de gelijke examencondities: extra tijd die andere deelnemers zouden hebben toegekend gekregen op andere locaties zonder dat ze geïmpacteerd werden door een technische storing, en dus meer tijd beschikten dan wat is opgenomen in het werkingsreglement. De beroepscommissie heeft integraal kennisgenomen van de argumenten zoals die zijn opgenomen in het beroepschrift en formuleert hiernavolgende beschouwingen. Middel 1 U stelt dat u een storing hebt ondervonden tijdens het toelatingsexamen arts. De commissie stelt enerzijds inderdaad in de logs een inactiviteit vast tussen 11:22:44 uur en 11:33:49 uur, waarna u zich opnieuw hebt moeten inloggen. De commissie stelt anderzijds vast dat u voor KIW hebt kunnen werken van 09:31:38 uur tot en met 13:04:04 uur. De commissie stelt tenslotte vast dat u 8 minuten minder tijd heeft gekregen dan de vooropgestelde 210 minuten tijd én dat uw totaalscore zich 22 punten onder cesuur bevindt. U zou dus nog 22 punten behaald moeten hebben op een tijdspanne van 8 minuten tijd. De resultaten zijn van die aard dat u in geen enkele realistische hypothese gunstig gerangschikt zou zijn. De middelen die u in uw klacht aanhaalt kunnen geen voldoende impact hebben op uw resultaten om tot een andere beslissing te komen. De commissie heeft zich bij de siteverantwoordelijke, de ICT-verantwoordelijke en een toezichter van de examenlocatie waar u het examen hebt afgelegd, geïnformeerd. Zij hebben verklaard dat er effectief een wifiprobleem was, dat niet langer dan 5 minuten heeft geduurd. Als de uitval minder dan 5 minuten duurt en wordt opgenomen door het systeem, moet er geen verdere actie worden ondernomen. 2 deelnemers hebben een langere uitval gekend en hebben dit ter plaatse gemeld aan de toezichters. U heeft niet gemeld dat u na de storing niet alle tijd heeft bijgekregen. Ook bij het afsluiten van het examen KIW heeft u niet gemeld dat u geen gebruik heeft kunnen maken van de 210 minuten waarop u recht had. De commissie werd niet op de hoogte gesteld en heeft geen beslissing kunnen nemen om de toetsperiode te verlengen. Uit de logs is tenslotte ook af te lezen dat u het examen zelf beëindigd hebt om 13:04:04 uur. Dit was ongeveer 1 minuut (56 seconden om precies te zijn) vooraleer u automatisch zou worden gestopt door het examenplatform. De commissie stelt dus vast dat het niet opnemen van de volledige examen- tijd alsook toe te schrijven is aan het feit dat u zelf de toets voor het voorziene einde heeft afgesloten. Dit middel is dus ongegrond. Middel 2 U vermeldt in uw beroep dat er continu geluid was door dakwerken. Het geluid was zelfs door de oordoppen te horen. De commissie heeft zich ook hiervoor bij de siteverantwoordelijke, de ICT-verantwoordelijke en een toezichter van de examenlocatie waar u het examen hebt afgelegd, geïnformeerd. Zij bevestigen dat er werken aan het dak aan de overkant, dat de lawaaihinder telkens van korte duur was en dat het niet IX-9787-9/24 van die aard was dat het de voortgang van het examen gehypothekeerd kan hebben. De dakwerkers werden er ook over aangesproken. De deelnemers hebben van de organisatie oordoppen ter beschikking ge- kregen. Een examen zal nooit in een steriele omgeving plaatsvinden. Dit geldt des te meer voor het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts waaraan enkele duizenden studenten terzelfder tijd deelnemen. Gelet op dit gegeven is het niet onredelijk om ervan uit te gaan dat niet elke verstoring van het examengebeuren van aard is een impact te hebben op de resultaten van de deelnemer. Een deelnemer aan het toelatingsexamen moet worden geacht ertoe in staat te zijn zich voor de duur van het examen af te sluiten van omgevings- geluiden of -situaties, althans voor zover ze de grenzen van het normaal ver- draagbare niet te buiten gaan, met andere woorden voor zover ze niet substan- tieel hinderlijk van aard zijn. Een deelnemer die meent dat in zijn geval die grenzen overschreden zijn, moet daarvan het bewijs leveren. Hij moet ele- menten aanbrengen die toelaten om de concrete examenomstandigheden op een objectieve wijze vast te stellen, het substantiële karakter van de verstoring te onderkennen en de impact ervan op de resultaten – minstens als aannemelijk – te doen inzien. De commissie is van oordeel dat de deelnemer niet op afdoende wijze aan- toont dat storingen substantieel/wezenlijk de deelnemer hebben verhinderd om het examen in de voorziene omstandigheden af te leggen en dat de beweerde storingen er ook effectief een impact hebben gehad op het examenresultaat. Dit middel is dus ongegrond. Middel 3 U stelt dat er een ongelijke behandeling was ten gevolge van een technische storing tijdens het examen op andere locaties. Andere deelnemers kregen vol- gens u extra tijd. Soms wel tot 1 uur extra. De commissie bevestigt dat er op sommige examenlocaties een wi- fi-problemen waren. Bij deelnemers die dit probleem hebben ervaren, is het afnamevenster verlengd zodat zij ook de examentijd die voorzien is in het werkingsreglement volledig konden gebruiken. U verwijst naar een locatie waar er wel een uur extra tijd zou geweest zijn. In de loop van de namiddag deed er zich een storing voor, waardoor deelnemers 1 uur en 15 minuten niet konden werken aan het examen. Na die storing, konden ze pas hun examen verder zetten. Ze zijn dus effectief 1 uur en 15 minuten later geëindigd, maar hebben evenveel tijd gekregen om het examen af te leggen. Bij deelnemers die geen technische problemen hadden, stopte het examen na de voorziene examentijd, d.w.z. 180 minuten, onafgezien van een eventuele verlenging van het afnamevenster. Het middel is niet gegrond.” IX-9787-10/24 IV. Voorwaarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende nood- zakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen
- Om redenen van logica en proceseconomie acht de Raad van State het verkieslijk het tweede door verzoeker aangevoerde middel eerst te onderzoeken. A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker formuleert het tweede middel als volgt: “Schending van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbegin- sel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het patere le- gem-beginsel Doordat verzoeker mag verwachten dat er een pertinent antwoord volgt op zijn ernstige grieven zoals hij deze heeft geformuleerd in het kader van haar beroep en verzoeker tevens mag verwachten dat een beslissing wordt gebaseerd op correcte feiten. Terwijl de bestreden beslissing vertrekt vanuit manifeste onjuiste feitelijke gegevens en men in het geheel geen afdoende antwoord geeft op de aange- brachte grieven.” IX-9787-11/24
- Hij betoogt dat de motieven waarop de bestreden beslissing steunt, niet naar behoren bewezen zijn en dat er “tal van foutieve elementen” in opgenomen zijn, die de beslissing niet kunnen verantwoorden. Verzoeker bekritiseert vooreerst het standpunt van de beroeps- instantie dat zijn resultaten – hij zou nog 22 punten behaald moeten hebben op een tijdspanne van 8 minuten – van aard zijn dat ze in geen enkele realistische hypo- these tot een gunstige rangschikking zouden hebben kunnen leiden. Verzoeker stelt dat hij weldegelijk had kunnen slagen door “de combinatie van minder foute vragen (minder punten verliezen t.g.v. giscorrectie) en meer juiste vragen”. Hij benadrukt tevens de nefaste weerslag van de situatie op zijn prestatievermogen en hij verwijst naar stukken die hij zou hebben bijgevoegd omtrent “de faalangst en angststoornis waaraan [hij] lijdt”. Voorts doet verzoeker gelden dat de bestreden beslissing steunt op een nieuwe regel waar ze stelt dat geen actie moet worden ondernomen wanneer de uitval minder dan vijf minuten duurt. Volgens verzoeker schendt de beroeps- instantie daarmee de artikelen 51 en 74 van het examenreglement die respectieve- lijk het verloop van het examen bepalen en erin voorzien dat de deelnemers in elk geval evenveel tijd per onderdeel krijgen als de andere deelnemers om het examen af te werken. Het verlies van vijf minuten wordt niet relevant geacht, terwijl hij heeft aangetoond dat dit in zijn situatie cruciaal is. Verzoeker stelt tevens verbaasd te zijn door de vermelding in de bestreden beslissing dat hij zijn examen heeft beëindigd om 13:04:04 uur, terwijl door de “pseudonimisering” van de persoonsgegevens van de deelnemers na het examen, waarvan sprake in artikel 70 van het werkings- en examenregle- ment 2020, toch geen link meer kan worden gelegd met een individuele deelnemer. Hij betwist ook dat de lawaaihinder van korte duur was en niet van aard de voortgang van het examen te hypothekeren. Hij stelt dat de dakwerken het hele examen hebben voortgeduurd en hij betwijfelt dat de siteverantwoorde- IX-9787-12/24 lijke, een toezichthouder en de ICT-verantwoordelijke de dakwerkers daarover hebben aangesproken. Volgens verzoeker is de overlast duidelijk aangetoond door de vele verklaringen van de studenten daaromtrent. Hij benadrukt dat de verwe- rende partij er zorg moet voor dragen dat het examen in serene omstandigheden kan verlopen, zonder lawaaioverlast, en dat alle kandidaten in gelijke omstandig- heden kunnen deelnemen. Hij stelt dat het duidelijk is dat andere kandidaten niet met deze geluidsoverlast werden geconfronteerd. Ten slotte betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing de on- gelijke behandeling beoogt te minimaliseren, maar dat de verwerende partij ver- geet dat “er intussen ook berichten in de media en sociale media verschenen zijn waaruit blijkt dat studenten op de verschillende locaties op geen enkele wijze dezelfde behandeling hebben gekregen”. Beoordeling
- Verzoeker bekritiseert in zijn tweede middel de motieven van de bestreden beslissing. Aldus legt hij uit hoe de materiëlemotiveringsplicht, waarop hij het middel steunt, volgens hem geschonden is. Hij verduidelijkt evenwel niet precies hoe het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel op zich ge- schonden zouden zijn. In zoverre het middel mede op die twee laatstgenoemde beginselen steunt, lijkt het samen te vallen met de ingeroepen schending van de materiëlemotiveringsplicht.
- De verwerende partij ontkent niet dat verzoeker tijdens het af- leggen van zijn examen technische problemen heeft ondervonden. De bestreden beslissing stelt in dit verband: “De commissie stelt enerzijds inderdaad in de logs een inactiviteit vast tus- sen 11:22:44 uur en 11:33:49 uur, waarna u zich opnieuw hebt moeten inloggen. De commissie stelt anderzijds vast dat u voor KIW hebt kunnen werken van 09:31:38 uur tot en met 13:04:04 uur. De commissie stelt tenslotte vast dat u 8 minuten minder tijd heeft gekregen dan de vooropgestelde 210 minuten tijd én dat uw totaalscore zich 22 punten onder cesuur bevindt. U zou dus nog IX-9787-13/24 22 punten behaald moeten hebben op een tijdspanne van 8 minuten tijd. De resultaten zijn van die aard dat u in geen enkele realistische hypothese gunstig gerangschikt zou zijn. De middelen die u in uw klacht aanhaalt kunnen geen voldoende impact hebben op uw resultaten om tot een andere beslissing te komen. De commissie heeft zich bij de siteverantwoordelijke, de ICT-verantwoordelijke en een toezichter van de examenlocatie waar u het examen hebt afgelegd, geïnformeerd. Zij hebben verklaard dat er effectief een wifiprobleem was, dat niet langer dan 5 minuten heeft geduurd. Als de uitval minder dan 5 minuten duurt en wordt opgenomen door het systeem, moet er geen verdere actie worden ondernomen. 2 deelnemers hebben een langere uitval gekend en hebben dit ter plaatse gemeld aan de toezichters. U heeft niet gemeld dat u na de storing niet alle tijd heeft bijgekregen. Ook bij het afsluiten van het examen KIW heeft u niet gemeld dat u geen gebruik heeft kunnen maken van de 210 minuten waarop u recht had. De commissie werd niet op de hoogte gesteld en heeft geen beslissing kunnen nemen om de toetsperiode te verlengen. Uit de logs is tenslotte ook af te lezen dat u het examen zelf beëindigd hebt om 13:04:04 uur. Dit was ongeveer 1 minuut (56 seconden om precies te zijn) vooraleer u automatisch zou worden gestopt door het examenplatform. De commissie stelt dus vast dat het niet opnemen van de volledige examen- tijd alsook toe te schrijven is aan het feit dat u zelf de toets voor het voorziene einde heeft afgesloten.” Uit de omstandigheid dat verzoeker op de hem toegekende 210 minuten – “30 minuten meer dan andere kandidaten omwille van bepaalde redelijke aanpassingen omwille van dyslexie”, aldus de verwerende partij – slechts acht minuten heeft moeten inleveren, hij daarenboven bij het einde van de exa- menverrichtingen, dus op een ogenblik dat het nog mogelijk was hem bijkomende tijd te verschaffen, zich bij de toezichthouders niet heeft beklaagd over het feit dat hij niet alle tijd had gekregen en, ten slotte, hij zijn examenverrichtingen reeds vóór het verstrijken van de hem toegestane tijd heeft beëindigd, vermocht de beroeps- instantie op het eerste gezicht in redelijkheid af te leiden dat verzoeker “in geen enkele realistische hypothese” gunstig gerangschikt had kunnen worden, in acht genomen dat hij 22 punten diende op te halen om het cijfer van de cesuur te be- reiken. De beroepscommissie vermocht daaruit ook te besluiten, zo lijkt, dat het opgelopen tijdverlies niet determinerend is geweest voor het examenresultaat dat verzoeker heeft behaald, namelijk dat hij ‘niet gunstig gerangschikt’ is. IX-9787-14/24 Verzoeker beweert weliswaar het tegendeel, maar die bewering is niet onderbouwd en kan in de huidige stand van de rechtspleging niet worden aangenomen.
- Verzoeker lijkt verkeerdelijk ervan uit te gaan dat de bestreden beslissing steunt op een nieuwe regel waar ze stelt dat geen actie moet worden ondernomen wanneer de uitval minder dan vijf minuten duurt. De verwerende partij stelt in dit verband in haar nota: “Het gaat hier in casu echter niet om een ‘nieuwe regel’, maar enkel om een instructie aan de toezichthouders. Bij een uitval van minder dan vijf minuten wordt in het computersysteem de verloren tijd automatisch erbij gerekend waardoor toezichthouders geen verdere actie dienen te ondernemen. Als er bijvoorbeeld een storing is van 3 minuten, wordt er 3 minuten bijgerekend op de eindtijd en kan de kandidaat bijvoorbeeld doorwerken tot 13u03 i.p.v. 13u
- Zo wordt er juist gegarandeerd dat er geen schending is van artikel 74 Wer- kingsreglement en dat iedere kandidaat evenveel tijd krijgt.” Verzoeker weerspreekt dit tijdens de terechtzitting niet. Het valt vooralsnog niet in te zien hoe de toepassing van de bedoelde “instructie” zou leiden tot de onwettigheid van de thans bestreden beslissing.
- Verzoeker verbaast zich over de vermelding in de bestreden beslissing dat hij zijn examen heeft beëindigd om 13.04.04 uur. De “pseudonimisering” waarvan sprake in artikel 70 van het werkings- en examenreglement 2020, waarnaar hij verwijst, betreft de verwerking van de persoonsgegevens van de deelnemers na het examen met het oog op “de monitoring van het systeem van de toelatingsexamens arts en tandarts”. Met de verwerende partij lijkt te moeten worden aangenomen dat die bepaling er helemaal niet aan in de weg staat dat de beroepsinstantie bij het beoordelen van een beroep van een deelnemer aan het toelatingsexamen tegen de IX-9787-15/24 beslissing van de examencommissie betreffende zijn examenuitslag, gebruik maakt van de loggegevens van die deelnemer, die werden geregistreerd.
- Voor zover verzoeker doet gelden dat hij tijdens het afleggen van het examen gestoord is geweest door lawaaihinder ten gevolge van dakwerken, brengt de bestreden beslissing terecht in herinnering, wat de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 247.690 van 20 juni 2020 heeft overwogen: “Een examen zal […] nooit in een steriele omgeving plaatsvinden. Dit geldt nog des te meer voor het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts waaraan enkele duizenden studenten terzelfder tijd en op dezelfde lo- catie deelnemen. Gelet op dit gegeven is het niet onredelijk ervan uit te gaan dat niet elke verstoring van het examengebeuren van aard is een impact te hebben op de resultaten van de examinandi. Een deelnemer aan het toelatingsexamen moet worden geacht ertoe in staat te zijn zich voor de duur van het examen af te sluiten van omgevingsgeluiden of -situaties, althans voor zover ze de grenzen van het normaal verdraagbare niet te buiten gaan, met andere woorden voor zover ze niet substantieel hinderlijk van aard zijn. Een examinandus die meent dat in zijn geval die grenzen overschreden zijn, moet daarvan het bewijs leveren. Hij moet elementen aanbrengen die toelaten om de concrete examenomstandigheden op een objectieve wijze vast te stellen, het substantiële karakter van de verstoring te onderkennen en de impact ervan op de resultaten – minstens als aannemelijk – te doen inzien.” De Raad van State bevestigt deze overwegingen voor de voor- liggende zaak – de omstandigheid dat het toelatingsexamen dit jaar op verschil- lende locaties werd georganiseerd doet eraan geen afbreuk, vermits het hoe dan ook een grootschalige organisatie blijft – en stelt vast dat verzoeker in zijn be- roepschrift voor de beroepsinstantie geen gegevens heeft aangebracht die deze commissie ervan hadden moeten overtuigen dat de lawaaioverlast in het Heilige Drievuldigheidscollege te Leuven wezenlijk hinderlijk was en een onmiskenbare impact heeft gehad op het examenverloop. Verzoeker maakt weliswaar gewag van “vele verklaringen van de studenten hieromtrent”, maar het blijkt niet dat hij er aan de beroepsinstantie heeft voorgelegd. In zijn inleidend verzoekschrift voor de Raad van State vermeldt hij één weinigzeggend bericht op de sociale media dat op deze problematiek kan worden betrokken en dat melding maakt van “lawaai van de straat”. De verwerende partij daarentegen legt verklaringen voor vanwege de IX-9787-16/24 ICT-verantwoordelijke, de siteverantwoordelijke en de toezichter, die onder meer stellen dat de lawaaihinder “telkens van korte duur” was, en “vrij snel opgelost”, dat het werd aangekaart bij de dakwerkers, dat bij te veel lawaai de ramen werden gesloten, maar dat “het geluid wel meeviel” en dat geen enkele deelnemer op het moment zelf hierover heeft geklaagd. De Raad van State ziet geen reden om voorbij te gaan aan deze verklaringen, die op het eerste gezicht alle laten blijken dat de geluidsoverlast, voor zover die er geweest zou zijn, de regelmatige voort- gang van het examen niet heeft gehypothekeerd.
- Met betrekking tot de beweerde ongelijke behandeling van de kandidaten kan in de bestreden beslissing worden gelezen: “De commissie bevestigt dat er op sommige examenlocaties een wi- fi-problemen waren. Bij deelnemers die dit probleem hebben ervaren, is het afnamevenster verlengd zodat zij ook de examentijd die voorzien is in het werkingsreglement volledig konden gebruiken. U verwijst naar een locatie waar er wel een uur extra tijd zou geweest zijn. In de loop van de namiddag deed er zich een storing voor, waardoor deelnemers 1 uur en 15 minuten niet konden werken aan het examen. Na die storing, konden ze pas hun examen verder zetten. Ze zijn dus effectief 1 uur en 15 minuten later geëindigd, maar hebben evenveel tijd gekregen om het examen af te leggen. Bij deelnemers die geen technische problemen hadden, stopte het examen na de voorziene examentijd, d.w.z. 180 minuten, onafgezien van een eventuele verlenging van het afnamevenster.” Verzoeker ontkracht dit antwoord van de beroepsinstantie op zijn grief niet. Oncontroleerbare en niet gestaafde berichten op sociale media lijken er geen afbreuk aan te kunnen doen.
- Het tweede middel is niet ernstig. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker formuleert het eerste middel als volgt: IX-9787-17/24 “schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het redelijkheidsbeginsel, het zorg- vuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Doordat verzoeker mag verwachten dat hij in optimale omstandigheden het examen kan afleggen, maar hij desalniettemin tijdens het verloop van het examen werd geconfronteerd met tal van – te voorkomen – technische pro- blemen en (ver)storingen en hij hierdoor veel tijd – die hij niet mocht inhalen – en concentratie verloor. Terwijl het examenreglement nochtans aan elke deelnemer een bepaalde – voor iedere deelnemer gelijke – tijdsduur toekent om het examen af te leggen, maar dat ditzelfde reglement ook toestaat om in geval van technische problemen extra tijd toe te kennen. Terwijl in werkelijkheid deelnemers die geen technische problemen hebben gekend toch extra tijd hebben gekregen en dus meer tijd hebben gekregen – dan de tijdsduur die andere deelnemers hebben gekregen – en die het reglement voorziet, maar dat daarentegen andere deelnemers – waaronder verzoeker – die wel technische problemen hebben ondervonden, dan weer geen extra tijd heb- ben verkregen. Zodat verzoeker alleszins niet in normale, minstens dezelfde – gunstige – omstandigheden als andere deelnemers – die geen storingen hebben gekend – het examen heeft kunnen afleggen enerzijds, maar hij bovendien anderzijds minder tijd heeft gekregen om het examen af te leggen dan het reglement voorziet, zeker ten opzichte van andere deelnemers.”
- Verzoeker licht vooreerst toe dat het “op basis van” de artike- len 51, 56 en 74 van het werkings- en examenreglement 2020 duidelijk is dat de beperkte tijdsduur een belangrijk element is van het toelatingsexamen en dat alle kandidaten over dezelfde tijd moeten kunnen beschikken om het examen af te leggen, opdat hun resultaten achteraf eerlijk zouden kunnen worden vergeleken. Het examen vergt bovendien een opperste concentratie, zodat elke verstoring nefast is en een ongelijk verloop van het examen creëert tussen de deelnemers. De overheid moet het examen dan ook met de meeste zorg voorbereiden, maar in dit geval was er geen sprake van een vlekkeloze organisatie. Voorts betoogt verzoeker dat hij tijdens het afleggen van zijn examen “ernstige en meervoudige technische storingen” heeft ondervonden, ter- wijl andere deelnemers niet zijn gestoord. De examencommissie minimaliseert die storingen, maar kan niet ontkennen dat hij het examen niet in dezelfde omstan- digheden heeft kunnen afleggen als andere deelnemers. De stress, de verstoorde IX-9787-18/24 concentratie, de oplopende tijdsdruk en de onzekerheid over de compensatie van de verloren tijd hebben een nefaste invloed gehad op zijn rust en prestatievermo- gen, zo blijkt alleen al uit een vergelijking van zijn resultaten voor de twee exa- menonderdelen. Verzoeker stelt dat hij niet de tijd heeft gekregen waarin regle- mentair was voorzien en dat hij geen bijkomende tijd heeft gekregen, terwijl kan- didaten zonder technische problemen wel bijkomende tijd hebben gekregen. Ook de reglementair vastgelegde tijdstippen werden niet gerespecteerd. Voor ver- schillende kandidaten en verschillende locaties golden verschillende aanvangs- tijdstippen, zoals blijkt, aldus verzoeker, uit diverse berichten op sociale media. Verzoeker klaagt over de ongelijke behandeling van de kandi- daten, terwijl in een examensituatie alle kandidaten dezelfde kansen moeten krij- gen om te kunnen slagen. De “niet te rechtvaardigen ongelijkheid in het kader van het examen is nochtans groot”, zo betoogt hij: “ Zo zijn er studenten die te kampen hadden met technische storingen en hierdoor veel kostbare tijd en concentratie zijn verloren, maar geen extra tijd gekregen hebben ten opzichte van de [oorspronkelijk voorziene] timing – zoals verzoeker. Zo zijn er studenten die technische storingen hebben ondervonden, maar de verloren tijd er automatisch terug bij werd gerekend en alsnog extra tijd hebben gekregen. Zo zijn er studenten die op andere locaties te kampen hadden met techni- sche storingen en geluidsoverlast die hierdoor veel kostbare tijd en con- centratie zijn verloren. Zo zijn er studenten die op andere locaties met geluidsoverlast te kampen hadden, maar geen technische storingen hebben gehad en alsnog (soms tot één uur) extra tijd verkregen. Zo zijn er studenten zonder technische storingen op andere locaties die het examen vlekkeloos hebben kunnen afleggen en toch extra tijd hebben ge- kregen. Er zijn studenten die een ruime pauze hebben kunnen genieten, en er zijn studenten die quasi geen pauze hebben gekregen, laat staan om behoorlijk te eten.” Volgens verzoeker is het evident dat binnen de groep van kan- didaten er kandidaten zijn die uit deze verschillende omstandigheden voordeel IX-9787-19/24 hebben gehaald, dan wel nadeel hebben geleden en dat sommige kandidaten daaraan zelfs hun geslaagd zijn te danken hebben. Hij besluit daaruit dat “de ver- schillende categorieën van kandidaten niet dezelfde kansen hebben gehad om te slagen”. Dat er “een anomalie” is ontstaan, blijkt volgens hem ook uit “de uit- zonderlijk hoge resultaten dit jaar, die de cesuur verstrengen”. Hij voegt eraan toe dat “[d]eze resultaten […] het gevolg [zijn] van het feit dat bepaalde kandidaten zonder enige problemen hebben kunnen werken en bovendien extra tijd hebben gekregen”. Verzoeker betoogt ten slotte dat “[h]et chaotische verloop van het examen, de ad hoc communicatie [naar aanleiding van] de problemen en de verschillende behandelingen van studenten per locatie, maar ook de verschillende behandeling tussen de verschillende locaties […] stuitend [zijn] en [wijzen] op een verregaande onzorgvuldigheid”. Hij ziet ook een schending van het redelijk- heidsbeginsel, omdat de beschreven handelwijze van de verwerende partij niet kan worden vergeleken met die van “enig andere normaal voorzichtige en redelijk handelende overheid”. Beoordeling
- Artikel 51 van het werkings- en examenreglement 2020 luidt: “Het examen zal in deze volgorde verlopen: - 10.00 – 13.00 uur: KIW: 10 vragen per wetenschappelijke discipline (wis- kunde, fysica, chemie en biologie) - 14.15 – 14.35 uur: CLEAR - 14.40 – 15.35 uur: VAARDIG deel 1 - 15.40 – 16.00 uur: VAARDIG deel 2.” Dit voorschrift bepaalt de “volgorde” van de examenverrich- tingen. De kandidaten lijken er geen aanspraak uit te kunnen putten dat niet in het minst kan worden afgeweken van het aanvangsuur of van het einduur van elk onderdeel. Het hierna besproken artikel 74 van het werkings- en examenregle- ment 2020 voorziet overigens uitdrukkelijk in een mogelijkheid tot afwijking “in IX-9787-20/24 geval van technische problemen met de hardware of software”. Verzoeker doet dan ook ten onrechte gelden dat “de per reglement vastgestelde tijdstippen niet [wer- den] gerespecteerd”.
- Artikel 56 van het werkings- en examenreglement 2020 luidt: “Deelnemers die op tijd zijn toegekomen en gestart, hebben recht op de vooropgestelde tijd om het examen af te leggen, zoals bepaald in artikel
- Als er sprake is van een technisch probleem in het online examenplatform of met het toestel tijdens een examenonderdeel, kan de commissie beslissen de deelnemer nog na het voorziene einduur te laten verderwerken, zodat de verloren tijd wordt ingehaald.” Artikel 74 van het werkings- en examenreglement 2020 voorziet in mogelijke “afwijkingen van de tijds- en dagindeling” en beslissingen van de examencommissie “in uitzonderlijke omstandigheden of bij overmacht”, onder meer “in geval van technische problemen met de hardware of software”. Daarbij is bepaald dat de organisatie ervoor zal zorgen dat “de deelnemers in elk geval evenveel tijd per onderdeel krijgen als de andere deelne- mers”.
- Verzoeker wijst erop dat hij door ondergane computerproblemen tijdens het eerste examenonderdeel tijd heeft verloren die hij niet meer heeft bij- gekregen. Zoals bij de beoordeling van het tweede middel op het eerste gezicht reeds is gebleken, vermocht de beroepsinstantie op grond van de gegevens van het dossier redelijkerwijze te besluiten dat verzoeker “in geen enkele realistische hy- pothese gunstig gerangschikt zou zijn”. Dat verzoekers “rust en prestatievermogen” door de technische computerproblemen en door het geluid van dakwerken werden aangetast, zoals hij beweert, betreft de louter subjectieve ervaring van het examen door verzoeker en lijkt bij de objectieve beoordeling van zijn examenprestatie bezwaarlijk in aan- merking te mogen worden genomen. IX-9787-21/24 Een vergelijking van de twee onderdelen van het examen, leidt, anders dan verzoeker het ziet, op het eerste gezicht niet naar een ander besluit. Verzoeker behaalde op beide onderdelen immers nagenoeg dezelfde punten: 67 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ en 69 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’. Hoe dan ook beogen beide examenonderdelen geheel andere competenties te toetsen.
- Verzoeker argumenteert dat hij aldus ongelijk is behandeld ten aanzien van verscheidene categorieën van andere deelnemers die hij in zijn inlei- dend verzoekschrift vermeldt, onder wie ook deelnemers aan het toelatingsexamen voor arts op andere locaties of aan het toelatingsexamen voor tandarts. Met de verwerende partij moet evenwel worden opgeworpen dat verzoeker geen belang erbij heeft zich te beroepen op nadelen die andere deelne- mers, desgevallend op andere locaties of tijdens het toelatingsexamen voor de opleiding tot tandarts, zouden hebben ondergaan. Gewis kan verzoeker, onder meer op grond van het ingeroepen gelijkheidsbeginsel en – specifiek wat de deelnemers betreft die geconfronteerd werden met technische computerproblemen – het hiervóór vermelde artikel 74 van het werkings- en examenreglement 2020, aanspraak maken op de gelijke behan- deling van alle deelnemers aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Zijn beweringen over voordelen die andere deelnemers zouden hebben genoten, zijn evenwel op het eerste gezicht dermate vaag en algemeen en gesteund op oncontroleerbare en alleszins niet gestaafde berichten op sociale me- dia, dat ze op het eerste gezicht niet toelaten aan te nemen dat niet allen in dezelfde situatie wezenlijk gelijk werden behandeld. Zoals reeds vastgesteld bij de beoor- deling van het tweede middel, vermeldt de bestreden beslissing in dit verband dat “[b]ij deelnemers die geen technische problemen hadden, […] het examen [stopte] IX-9787-22/24 na de voorziene examentijd, d.w.z. 180 minuten” en dat verzoeker dit niet ont- kracht. Dat het bestaan van “een anomalie” zou blijken uit “de uitzon- derlijk hoge resultaten dit jaar, die de cesuur verstrengen” is niet meer dan een niet-gestaafde bewering.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel evenmin ernstig is. VI. Slotsom
- Aangezien verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is er niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9787-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9787-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.804 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.