id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.828 Rolnummer: A. 232087/IX-9793 Zaak: Arrest 248828 - Examens (onderwijs) - 04/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.828 van 4 november 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.828 van 4 november 2020 in de zaak A. 232.087/IX-9793 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie, Fien Van Daele en Lene De Vlieger kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 oktober 2020, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de be- slissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 7 ok- tober 2020 waarbij het beroep van XXXX wordt verworpen. In fine van haar verzoekschrift vraagt de verzoekende partij de “[v]erwerende partij op te leggen om op zeer korte termijn, en uiterlijk binnen de 7 dagen vanaf het tussen te komen arrest, opnieuw samen te komen teneinde een nieuwe beslissing te nemen”. IX-9793-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020, om 12.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Sofie Logie en Fien Van Daele, die verschijnen voor de ver- werende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger On- derwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toela- IX-9793-2/16 tingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, VCHO). Het examen bestaat uit twee onderdelen: een onderdeel ‘weten- schappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde (KIW)’ en een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen (GC)’ (artikel II.187, § 5, VCHO en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 2 februari 2018, hierna “toelatingsexamenbesluit”). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het toelatingsexamenbesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de be- haalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tand- arts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, VCHO). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het toelatingsexamenbesluit). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2020 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Wer- kingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2020’ (“examenreglement”). IX-9793-3/16 3.
- Verzoekster neemt op 25 augustus 2020 deel aan het toela- tingsexamen voor de opleiding tot arts. 3.
- Na beraadslaging kent de examencommissie haar de volgende punten toe: 57 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 100 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke com- petenties’ en 157 op 240 punten in het totaal. De examencommissie besluit dat verzoekster niet gunstig ge- rangschikt is, omdat zij niet geslaagd is voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’. 3.
- Verzoekster stelt op 8 september 2020 tegen die beslissing van de examencommissie het georganiseerd beroep in bij de “interne beroepsinstan- tie”, bedoeld bij artikel 33 van het toelatingsexamenbesluit. Verzoekster voert in haar beroepschrift aan: “Mijn naam is XXXX, in juni 2020 studeerde ik met grootste onderschei- ding af als master in de lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen aan de universiteit Gent, een opleiding binnen de faculteit geneeskunde en gezondheidswetenschappen. Op 25 augustus nam ik deel aan het toelatings- examen arts. Op 4 september heb ik vernomen dat ik niet slaagde voor het onderdeel kennis en inzicht in de wetenschappen en bijgevolg niet gunstig gerangschikt ben om te starten met de opleiding geneeskunde. Ik behaalde op dit onderdeel 57/120 (19/40). Ik vulde 28 vragen in en na mijn deelname heb ik dan ook een ontvangstbe- vestigingsmail ontvangen met 28 als ‘aantal beantwoorde vragen’. Tijdens het examen heb ik geconcludeerd dat ik om te slagen zes vragen fout mocht beantwoorden. Hierdoor heb ik op het einde nog drie vragen extra ingevuld waar ik mijn twijfels over had. Echter, in het achterhoofd houdend dat ik zes fouten mocht maken waren dit risicovolle antwoorden. Ik was dan ook verrast toen ik bij mijn resultaat slechts 27 ingevulde vragen telde. Na opzoekingswerk blijkt dat ik op één vraag ‘ik weet het niet’ heb aangeduid. Dit werd als een ingevulde vraag meegeteld, waardoor mijn redenering qua gepermitteerde fouten verkeerd bleek. Ik vind dit op zijn minst misleidend. Er is immers geen verschil tussen een niet ingevulde vraag en een vraag beantwoorden met ‘ik weet het niet’. In beide gevallen worden IX-9793-4/16 geen (negatieve) punten toegekend waardoor mijn redenering betreffende de drie risicovol ingevulde vragen niet meer klopte. Indien dit duidelijk in de blokinstructies had gestaan had ik de drie vragen niet ingevuld en was ik bijgevolg geslaagd geweest voor het eerste deel én bovendien gunstig ge- rangschikt geweest gezien mijn resultaat op het tweede onderdeel (100/120). Gezien de onvolledige blokinstructies en misleidend eindoverzicht teken ik formeel beroep aan tegen de beoordeling van het eerste onderdeel. Ik ga ervan uit dat we minstens kunnen verwachten dat de examens, met ondubbelzinnig geformuleerde spelregels, zorgvuldig georganiseerd en beoordeeld worden. Graag krijg ik verduidelijking of hier al dan niet aan tegemoet is gekomen. De beoordeling voelt immers onrechtvaardig aan. De instructies en het systeem van giscorrectie hebben namelijk mijn aanpak bepaald. Ik hoop uiteraard op een herziening van de beslissing waardoor ik samengeteld met mijn tweede onderdeel boven de door u vastgelegde cesuur van 158 kom waardoor ik gunstig gerangschikt zou zijn. Een herziening van een beslissing die mijn toekomst zal bepalen.” Op 10 september 2020 vult zij haar beroepschrift nog aan met volgende argumentatie: “Graag wil ik nog extra zaken toevoegen aan het formeel aangetekende beroep tegen de beoordeling van het eerste onderdeel van het toelatings- examen arts. In de verspreide informatie omtrent de scoringsregels en antwoordmoge- lijkheden staat namelijk het volgende: ‘Je hebt ook de mogelijkheid om aan te duiden dat je het antwoord niet kent. Als je dit aanduidt, krijg je geen punten voor de vraag, maar verlies je ook geen punten. Dit is hetzelfde als de vraag niet beantwoorden. Aan jou de keuze om vragen open te laten of aan te duiden dat je het antwoord niet kent.’ In deze communicatie staat duidelijk vermeld dat ‘ik weet het niet’ niet wordt meegeteld als een beantwoorde vraag. Deze instructies komen echter niet overeen met de informatie die ik tijdens én na het examen ontving. ‘Ik weet het niet’ werd namelijk wél meegeteld als beantwoorde vraag. Getuige de voortgangsbalk tijdens het examen, waar alle beantwoorde vragen met dezelfde kleur werden aangeduid. Getuige ook de ontvangstbevestigingsmail (met 28 als aantal beantwoorde vragen) die ik als bijlage in mijn eerdere communicatie heb toegevoegd. Het systeem beantwoordt bijgevolg niet aan de instructies die op voorhand werden gegeven. Dit terwijl ik als deelnemende student slechts in een be- perkte tijdsspanne mijn kennis en capaciteiten kan tonen in een examen waarvan het resultaat allesbepalend is voor mijn toekomst. Het systeem zou dit niet mogen dwarsbomen door verkeerde informatie te regist[r]eren. Het zou mij moeten ondersteunen en mijn antwoorden ondubbelzinnig weerge- ven. Ik ben immers uitgegaan van 28 beantwoorde vragen (waar negatieve of positieve punten mogelijk zijn), waardoor ik zes vragen fout mocht beant- woorden. Echter, omwille van de onnauwkeurige registratie van het systeem, IX-9793-5/16 bleek de redenering dat ik drie extra vragen waarover ik mijn twijfels had, risicovol kon beantwoorden onjuist. Ik wens dit nog als extra illustratie toe te voegen aan de eerder tot u gerichte argumentatie in kader van mijn formeel aangetekend beroep.” 3.
- Op 9 oktober 2020 beslist de beroepsinstantie dat verzoeksters beroep ontvankelijk, maar niet gegrond is en dat de eerder door de examencom- missie genomen beslissing gehandhaafd blijft. Dat is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven: “De beroepsinstantie heeft geen opmerkingen wat de ontvankelijkheid be- treft van uw beroepschrift. Het beroep is ontvankelijk. U motiveert uw klacht ten gronde met argumenten dat u niet gunstig ge- rangschikt bent omdat u de uitleg en de giscorrectie in het examenplatform verwarrend vond. De beroepscommissie heeft integraal kennisgenomen van de argumenten zoals die zijn opgenomen in het beroepschrift en formuleert hiernavol- gende beschouwingen. De scoreregels inclusief giscorrectie zijn duidelijk aangegeven in artikel 53 van examenreglement, op het instructiescherm tijdens het examen alsook op het instructieblad dat iedereen kreeg bij aanvang van het examen. Het instructiescherm vermeldt ook duidelijk beide mogelijkheden om blanco te antwoorden, met name niets aankruisen of aanduiden dat u het antwoord niet kent. Voor elke vraag was er dus de keuze tussen vier concrete ant- woordmogelijkheden en de aanduiding dat u niet wenst te antwoorden. De overzichtspagina en de voortgangsbalk geven aan of de deelnemer voor die vraag één van die vijf antwoordopties heeft aangeduid, maar zij geven geen informatie over welke optie concreet werd ingevuld. Bijgevolg kun- nen zij niet gebruikt om het aantal blanco beantwoorde vragen te bepalen. Gezien er sinds 3 augustus 2020, dus ruim 3 weken voor het toelatings- examen, een demo-examen online stond, had u voldoende tijd om de functionaliteiten van het examenplatform uit te testen en u te vergewissen van de betekenis van de voortgangsbalk en de overzichtspagina. De commissie raadt geen antwoordstrategieën aan en kan niet verant- woordelijk gesteld worden voor eventueel gebruikte antwoordstrategieën. U was dankzij het demo-examen in staat om uw strategie op voorhand uit te testen. De commissie is van oordeel dat er duidelijk en zorgvuldig is gecommu- niceerd over de werking van het digitale platform. Evenmin is zij verantwoordelijk voor gebruikte antwoordstrategieën. IX-9793-6/16 Het middel is niet gegrond.” IV. Herinnering aan de voorwaarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5.
- In haar nota met opmerkingen stelt de verwerende partij dat zij zich “gedraagt […] naar de wijsheid van [de] Raad inzake het oordeel of aan de vereiste van ‘uiterst dringende noodzakelijkheid’ voldaan is”. 5.
- De Raad acht het wijs deze voorwaarde vervuld te achten, gelet op zijn vaste rechtspraak over het verlies van een studiejaar waarop verzoekster zich terecht beroept. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 27 van het toelatingsexamenbesluit, van artikel 53 van het examenreglement en van het be- ginsel patere legem quam ipse fecisti, het rechtszekerheids- en vertrouwensbe- IX-9793-7/16 ginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als algemene be- ginselen van behoorlijk bestuur. De beide voormelde artikelen voorzien slechts in drie mogelijke scores per vraag – juist beantwoorden, fout beantwoorden en niet beantwoorden – terwijl op het examen een vierde antwoordoptie bestond, namelijk aangeven dat men het antwoord niet kent. De examenrichtlijnen vermelden uitdrukkelijk dat het niet be- antwoorden van een vraag en het aanduiden dat men het antwoord niet kent exact hetzelfde zijn en beide in een resultaat ‘0’ resulteren voor die vraag. Bij een vraag aanduiden dat men het antwoord niet kent wordt tijdens het afleggen van het examen op de statusbalk weergegeven als een beantwoorde vraag. Het informati- casysteem stemt alzo niet overeen met de examenrichtlijnen die aan de kandidaten worden meegedeeld. Het onderscheid is nochtans van essentieel belang voor de deelnemer om het examen met succes af te ronden en kandidaten moeten kunnen vertrouwen op de gegevens die worden weergegeven tijdens het afleggen van het examen. Verzoekster werd misleid. Verzoekster wijst erop dat zij 25 van de 40 vragen beantwoordde tijdens het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ en dat zij “met de redenering dat, indien zij 28 van de 40 vragen zou invullen, zij hierbij 6 fouten zou mogen maken om geslaagd te zijn” nog drie extra vragen invulde. Later bleek haar antwoord ‘ik weet het niet’ op één van de vragen mee te tellen en op het scherm weergegeven te zijn geweest als een beantwoorde vraag. Zij merkt op dat het systeem, door het gebruiken van een giscorrectie, het aanwenden van antwoordstrategieën stimuleert en dat het haar hoe dan ook vrij staat om een ant- woordstrategie te hanteren. Door de digitale aard van het examen kon verzoekster niet zo- maar terugbladeren naar eerdere examenvragen om na te gaan of vragen effectief werden beantwoord dan wel met ‘ik weet het niet’. IX-9793-8/16 De verwerende partij heeft nagelaten om de examens zorgvuldig op te stellen en te verbeteren. Ten slotte noemt verzoekster nog het gelijkheidsbeginsel ge- schonden omdat een kandidaat die de vraag beantwoordt met ‘ik weet het niet’ anders wordt behandeld dan een kandidaat die de vraag gewoon openlaat. Beide kandidaten geven volgens haar immers identiek hetzelfde antwoord en toch krijgen zij op de voortgangsbalk voor deze vraag verschillende informatie te zien. Voor deze ongelijke behandeling zou geen rechtvaardiging bestaan. Beoordeling 7.
- De verwerende partij werpt de niet-ontvankelijkheid op van het middel voor zover verzoekster zich pas voor de eerste maal voor de Raad van State zou beroepen op een schending van artikel 27 van het toelatingsexamenbesluit en artikel 53 van het examenreglement. 7.
- Geen algemene rechtsregel schrijft voor dat de Raad van State in het kader van beroepen tot nietigverklaring of vorderingen tot schorsing enkel kennis mag nemen van grieven of middelen die reeds tijdens de administratieve procedure door de betrokkene werden opgeworpen. De verwerende partij wijst ook geen specifieke bepaling aan die verzoekster uitdrukkelijk ertoe zou verplichten, op straffe van onontvankelijkheid in de latere rechtsgang, bepaalde middelen voor te dragen in de loop van het ge- organiseerd administratief beroep. Het examenreglement vereist overigens enkel dat het verzoekschrift bij de beroepsinstantie “een feitelijke omschrijving en mo- tivering van de ingeroepen bezwaren” vermeldt. 7.
- Het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatie- middel aan de rechter voor te leggen is een zware sanctie die slechts uitzonderlijk toegepast kan worden, met name wanneer blijkt dat de betrokkene haar rechten IX-9793-9/16 misbruikt. De bewijslast berust daarenboven bij wie zich op de kwade trouw be- roept, namelijk bij het bestuur. Dat bewijs wordt hier vooralsnog niet geleverd. Het blijft bij een feitelijke vaststelling als zou verzoekster dit verweer niet gevoerd hebben bij de beroepsinstantie. Deze exceptie faalt.
- De examenrichtlijnen ‘voor het toelatingsexamen arts’ die ver- zoekster heeft ontvangen, leren haar over de antwoordmogelijkheden en scores het volgende: “Kenmerken van het examen Meerkeuze-examen met giscorrectie Het toelatingsexamen is een meerkeuze-examen met giscorrectie. Per vraag zijn er 4 antwoordmogelijkheden, waarvan slechts 1 antwoord juist is. Je kan per vraag maximaal 1 antwoord aanduiden. Je hebt ook de mogelijkheid om aan te duiden dat je het antwoord niet kent. Als je dit aanduidt, krijg je geen punten voor de vraag, maar verlies je ook geen punten. Dit is hetzelfde als de vraag niet beantwoorden. Aan jou de keuze om vragen open te laten of aan te duiden dat je het antwoord niet kent. Mogelijke scores per vraag: • + 3 punten bij een correct antwoord • 0 punten als je de vraag open laat • 0 punten als je aanduidt dat je het antwoord niet kent • -1 punt bij een fout antwoord Digitaal examen Je kan je vertrouwd maken met het online examenplatform dat op het examen zelf wordt gebruikt via het demo-examen. Bekijk vooraf zeker alle functionaliteiten van het examenplatform.”
- Verzoekster was bijgevolg vooraf op de hoogte gesteld van het feit dat de mogelijkheid bestaat om een vraag open te laten, maar ook om uit- drukkelijk “aan te duiden dat je het antwoord niet kent”. Op zich lijkt dit een functionaliteit die de deelnemer tot voordeel strekt in het kader van het tijdsbeheer van het examenverloop. Elke deelnemer kan immers het afleggen van haar examen zo organiseren dat zij vragen waarvan zij beseft het antwoord nooit te kunnen geven en het niet nuttig vindt om er nog meer IX-9793-10/16 tijd aan te besteden, als zodanig beantwoordt met ‘ik weet het niet’. Het heeft dan ook geen zin om een dergelijke vraag in het examenplatform te bestempelen als een niet-beantwoorde vraag in de veronderstelling dat de mogelijkheid bestaat dat de deelnemer aan het examen later nog op deze vraag wenst terug te komen om ze alsnog juist of fout te beantwoorden. Een vraag daarentegen blanco laten, kan verschillende oorzaken hebben: de deelnemer heeft bijvoorbeeld nog geen tijd gehad om deze vraag grondig te bekijken, laat staan ze met kennis van zaken te beantwoorden, of mis- schien twijfelt zij tussen meer dan één antwoordmogelijkheid en wenst zij op een later tijdstip op deze vraag terug te komen. Als zij op het einde van het examen tijd heeft om terug te keren naar ‘open’ gebleven vragen zonder antwoord, dan verspilt zij geen tijd aan de hopeloze gevallen. Het staat overigens elke deelnemer vrij om deze “examenstrate- gie” al dan niet te gebruiken – “Aan jou de keuze”.
- Hieruit volgt ook dat verzoekster zich vergist door in die richt- lijnen te lezen dat de vraag openlaten en aanduiden het antwoord niet te kennen “exact gelijk” is. Als ze volledig identiek zijn, rijst de vraag waarom beide ant- woordopties in het leven werden geroepen en waarom het niet kan volstaan met enkel de optie tot het blanco laten van de vraag. Wat gelijk is, is de score. In de beide gevallen ontbreekt een inhoudelijk antwoord – dat juist of fout kan zijn – en worden 0 punten toegekend. Wie echter invult ‘ik weet het niet’, stelt een uit- drukkelijke handeling: zij duidt iets aan in het systeem, net zoals wanneer zij een antwoordmogelijkheid (goed of fout) aanduidt. Wie een vraag openlaat doet dit eventueel ook bewust, maar blijft passief in het systeem.
- Wat verzoekster dwarszit, is de wijze van verwerking van de keuze ‘ik weet het niet’ via het examenplatform en de weergave ervan in de voortgangsbalk. IX-9793-11/16 Welnu, gelet op het onderscheid tussen de beide opties en het doel ervan, ligt het op het eerste gezicht in de rede dat vragen die openblijven niet worden opgenomen in de voortgangsstatus en dat vragen die een deelnemer bewust en definitief heeft opgegeven met een expliciete keuze ‘ik weet het niet’, wél worden opgenomen in de statusbalk. Gelet op het onderscheid tussen beide opties en in het licht van het doel ervan, lijkt een schending van het gelijkheidsbeginsel niet ernstig te zijn aangevoerd. Zijn de beide opties immers vergelijkbaar in de mate dat de deelnemer telkens nalaat aan te geven wat volgens haar de juiste antwoordmogelijkheid is, dan lijkt de bewuste handeling die de kandidaat stelt een rechtens aanvaardbare verantwoording om het type vraag ‘ik weet het niet’ in de statusbalk als afgehan- deld te beschouwen en het andere type vraag (‘open’) niet, en de beide opties dus in dat opzicht verschillend te behandelen.
- Voorts heeft de beroepsinstantie er terecht op gewezen dat ver- zoekster zich vertrouwd kon maken met deze functionaliteiten via het de- mo-examen. De deelnemers zijn hierop overigens nog tweemaal bijzonder geat- tendeerd met e-mailberichten van 3 augustus 2020 en 10 augustus
- Niets verbiedt een deelnemer om ervoor te opteren examenstra- tegieën te gebruiken, veeleer dan op elke vraag naar best vermogen te antwoorden. Een dergelijke deelnemer is, zo lijkt, wel zelf verantwoordelijk voor haar strategie en lijkt geen aanspraak te mogen maken op hulp van de verwerende partij om die strategieën te faciliteren. Zo had verzoekster tijdens het examen kladpapier ter beschikking dat zij kon gebruiken voor een eventuele strategie, bijvoorbeeld door zelf te noteren welke vragen zij al dan niet had beantwoord en welke vragen zij had beantwoord met ‘ik weet het niet’. Hoe dan ook bestond ruimschoots de moge- lijkheid om elke strategie vooraf uit te proberen via het demo-examen.
- Vanzelfsprekend is “terugbladeren” in een geautomatiseerd examen niet hetzelfde als bij een papieren examen. Verzoekster weerspreekt echter IX-9793-12/16 niet dat het wel degelijk mogelijk was om de vragen in willekeurige volgorde te bekijken en om terug te keren naar vragen die reeds bekeken en beantwoord waren. Ook deze functionaliteit kon ruim vooraf uitgeprobeerd worden via het de- mo-examen. Ook al verloopt het “heen- en terugbladeren” digitaal anders dan bij een papieren versie, dan nog kan verzoekster vooralsnog niet ervan overtuigen dat zij erdoor verschalkt is geworden. Uit de loggegevens blijkt overigens dat ver- zoekster de vragen niet in volgorde heeft overlopen en dat zij regelmatig vragen herbekeek en zelfs gegeven antwoorden heeft aangepast.
- Misschien ware het duidelijker geweest, als de statusbalk om- gekeerd was geprogrammeerd en zou aanduiden hoeveel vragen nog ‘open’ ble- ven. In de gegeven omstandigheden evenwel, lijkt verzoekster in redelijkheid niet te kunnen beweren dat zij verschalkt is geworden door het verloop van het examen. Voor zover verzoekster het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel geschonden noemt, mist het middel ernst.
- De examenrichtlijnen lijken aldus te zijn nageleefd en in zoverre is het beginsel patere legem niet geschonden. 17.
- Artikel 53 van het examenreglement luidt: “Er wordt een giscorrectie toegepast. De mogelijke scores per vraag zijn: - + 3 punten bij een correct antwoord - 0 punten als de deelnemer de vraag open laat - - 1 punt bij een fout antwoord.” 17.
- Dit artikel bepaalt enkel per vraag de mogelijke scores in functie van de giscorrectie, zo lijkt. Het verbiedt prima facie niet dat een deelnemer de kans gegeven wordt om uitdrukkelijk ervoor te kiezen een antwoord als onbe- antwoord aan te merken. Op het eerste gezicht is de toekenning van een score 0 voor wie expliciet aangeeft de vraag niet te zullen beantwoorden hiermee niet in strijd. IX-9793-13/16 Ook in die mate lijkt het beginsel patere legem, in samenhang met artikel 53 van het examenreglement 2020, niet te zijn geschonden. 18.
- Artikel 27, vierde lid, inleidende zin en 1° en 2°, van het toela- tingsexamenbesluit luidt: “De bepaling van de afrondingsregels en de toetsmethode van elk onder- deel gebeurt op basis van volgende beginselen: 1° Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. 2° Een juist antwoord levert positieve punten op. Een fout antwoord levert negatieve punten op. Positieve en negatieve punten dienen per vraag dui- delijk vermeld te worden. Geen antwoord levert nul punten op.” 18.
- Luidens dit artikel levert “[g]een antwoord” nul punten op. Dat is, zo lijkt, precies het gevolg dat gegeven wordt aan het openlaten van een vraag en aan het bewust aanduiden dat de vraag geen antwoord zal krijgen. De Raad leest die bepaling vooralsnog niet zo dat ze het niet beantwoorden van een vraag als een uitdrukkelijke keuze verbiedt. Ook dit is, zo lijkt, een keuze voor “[g]een ant- woord”. Voormeld artikel 27 leert prima facie niets over de wijze waarop die keuze om niet te antwoorden op het meerkeuze-examen moet – of niet mag – worden aangegeven en geregistreerd. Ook in die mate mist het middel ernst.
- Aan de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel lijkt verzoekster geen draagwijdte te geven die hiervóór onbeantwoord is gebleven.
- Het middel is niet ernstig, zonder dat moet worden onderzocht of het, zoals de verwerende partij opwerpt, onontvankelijk is omdat de feitelijke beweringen van verzoekster over het invullen van haar vragen – en dus over haar antwoordstrategie – niet stroken met de loggegevens. IX-9793-14/16 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Zij meent dat er geen redelijke verhouding bestaat tussen de motieven van de bestreden beslissing en de inhoud ervan. Verzoekster is niet ge- slaagd voor het examen en daarvoor zou de verwerende partij enkel naar de door verzoekster gehanteerde antwoordstrategie verwijzen en naar het al dan niet af- leggen van het demo-examen. Beoordeling
- De beroepsinstantie heeft in de bestreden beslissing uitgelegd waarom de argumentatie van verzoekster haar niet kon overtuigen. Uit de bespre- king van het eerste middel is gebleken dat verzoekster in de huidige stand van de procedure van die motieven niet de onwettigheid aantoont. Het gevolg hiervan is dat de punten die verzoekster behaalde gehandhaafd bleven, zodat de beroepsin- stantie besluit: “Na grondige beraadslaging en heroverweging van het dossier heeft de beroepscommissie beslist de eerder genomen beslissing, namelijk de u eerder toegekende score van 157/240 en niet geslaagd voor het onderdeel KIW, te handhaven. Het intern beroep wordt ongegrond verklaard.”
- Niet het al dan niet afleggen van het demo-examen of de ge- hanteerde strategie motiveert verzoeksters falen, wel haar score van 157/240 en het niet slagen voor het onderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’.
- Het middel mist feitelijke grond en is niet ernstig. IX-9793-15/16 C. Slotsom
- Er is bij gebrek aan een ernstig middel niet voldaan aan de tweede schorsingsvoorwaarde. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9793-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div