id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.831 Rolnummer: A. 231018/VII-40852 Zaak: Arrest 248831 - Natuurbehoud - Vergunningen - 04/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.831 van 4 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 248.831 van 4 november 2020 in de zaak A. 231.018/VII-40.852 In zake: de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse Steenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de adjunct-directeur adviezen & vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos in West-Vlaanderen van 25 maart 2020 houdende een kapmachtiging in openbaar bos „voor het Lot/2020/Edewallebos [...] in bestand 8c en […] in de bestand 8a te Kortemark‟. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 247.936 van 26 juni 2020 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-40.852-1/4 Het genoemde arrest is op 26 juni 2020 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Op 3 september 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de VII-40.852-2/4 rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. De verzoekende partij heeft te dezen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
- Het vermoeden van afstand van het geding is bijgevolg van toepassing. IV. Kosten
- De verzoekende partij vraagt evenwel, gelet op de intrekking van de bestreden beslissing die “dateert van na het indienen van het verzoekschrift schorsing UDN” dat de verwerende partij zou worden veroordeeld tot betaling van de rolrechten en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.
- In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. Er is te dezen tevens grond om met toepassing van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 67 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ de door de verzoekende partij gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen, nu zij door de intrekking van de bestreden beslissing als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. In de beslissing tot intrekking wordt trouwens vermeld dat zij “een materiële vergissing [behelst]”. VII-40.852-3/4 BESLISSING
- De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-40.852-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.831 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div