← België

Arrest 248838 - Overheidsopdrachten - 05/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

§ 3

, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang. Het verzoek tot schadevergoeding wordt uiterlijk ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. [...] De partij die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, kan geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering meer instellen om het herstel van hetzelfde nadeel te bekomen. Elke partij die een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering instelt of heeft ingesteld, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak geen vergoeding voor hetzelfde nadeel meer vragen.” XII-8735-20/35 Artikel 25/1 van het algemeen procedurereglement luidt: “Het in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten bedoelde verzoek tot schadevergoeding tot herstel kan geformuleerd worden: 1° gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring; 2° of tijdens de procedure tot nietigverklaring; 3° of ten laatste binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld.” 19. Krachtens de hiervoor aangehaalde bepalingen kan een verzoe- kende partij “die de nietigverklaring […] vordert met toepassing van artikel 14, §

§ 3

” aan de Raad van State vragen om haar een schadevergoeding toe te kennen, en kan dit verzoek tot schadevergoeding maar worden geformuleerd ofwel gelijktijdig met een beroep tot nietigverklaring, ofwel tijdens de procedure tot nietigverklaring ofwel ten laatste binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld.

  1. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 januari 2014 „met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet‟ die artikel 11bis in de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft ingevoegd, kan worden gelezen dat deze nieuwe bevoegdheid van de Raad van State toelaat dat de partij “die een onwettigheid door de Raad van State heeft laten vaststellen”, kan vermijden vervolgens de zaak bij een burgerlijke rechtbank aanhangig te moeten maken om een vergoeding te verkrijgen voor het geleden nadeel (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2é/1, 6). De vereiste van een arrest waarbij de onwettigheid wordt vastgesteld als voorwaarde voor de toekenning van een schadevergoeding tot herstel, wordt – anders dan de verzoekende partij het ziet – ook reeds door de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies uitdrukkelijk onderschreven. Zoals uitdrukkelijk door het Hof van Cassatie is bevestigd, valt een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel slechts XII-8735-21/35 onder de rechtsmacht van de Raad van State indien, onder meer, een arrest voorligt waarbij de onwettigheid van de bestreden beslissing wordt vastgesteld (zie Cass. 15 september 2017, AR C.15.0465.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.2).
  2. In dit geval heeft de Raad van State bij arrest nr. 243.820 van 28 februari 2019 het beroep ingesteld door de huidige verzoekende partij verworpen bij gebrek aan de vereiste hoedanigheid en het rechtens vereiste persoonlijk en rechtstreeks belang. Aldus heeft de Raad van State in zijn voormelde arrest niet de onwettigheid van de bestreden beslissing vastgesteld, en werd het voorliggend verzoek niet ingediend ten laatste binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest “waarbij de onwettigheid werd vastgesteld”.
  3. De omstandigheid dat artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet vereist dat een vernietigingsarrest is tussengekomen en de bestreden handeling wordt vernietigd, zoals de verzoekende partij bepleit, is weliswaar juist, doch neemt niet weg dat een arrest dient voor te liggen waarbij de onwettigheid van de bestreden beslissing wordt vastgesteld, hetgeen te dezen niet het geval is. De argumentatie van de verzoekende partij kan evenmin steun vinden in de arresten nrs. 241.865 en 241.866 van 21 juni 2018 van de Algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waar de verzoekende partij naar verwijst. In die arresten wordt immers slechts geoordeeld dat “de omstandigheid dat de verzoekende partij in de loop van het geding haar belang bij de vernietiging verloren heeft, de Raad van State, wanneer een onwettigheid wordt vastgesteld, niet belet het verzoek tot schadevergoeding tot herstel te onderzoeken, voor zover voldaan is aan de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring op de dag waarop het wordt ingesteld”. Te dezen echter heeft de Raad van State in het arrest nr. 243.820 reeds XII-8735-22/35 vastgesteld dat het annulatieberoep ab initio onontvankelijk was, zodat deze arresten niet dienstig kunnen worden aangevoerd. In het arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 inzake Moors, waar de verzoekende partij eveneens naar verwijst, bevestigt de voornoemde Algemene Vergadering bovendien uitdrukkelijk het volgende: “
  4. In alle gevallen is voor de toekenning van de schadevergoeding tot herstel vereist dat er een onwettigheid wordt vastgesteld in een arrest van de Raad van State dat uitspraak doet over een beroep tot nietigverklaring bedoeld in artikel 14, §

§ 3, van de Raad van State-wet.

13. Werd geen vordering tot schadevergoeding tot herstel aangespannen in de loop van de procedure tot nietigverklaring, dan moet die vordering, om ontvankelijk te zijn, worden ingesteld „zestig dagen na de kennisgeving van het arrest [over een beroep tot nietigverklaring] waarbij de onwettigheid werd vastgesteld‟ – wat veronderstelt dat een dergelijk arrest reeds voorhanden is (artikel 11bis, tweede lid, van de Raad van State-wet; artikel 25/3 van het algemeen procedurereglement).” Het standpunt van de verzoekende partij dat het zou volstaan dat zij de nietigheid heeft “benaarstigd” en erom heeft “verzocht” vindt dan ook geen grondslag in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 25/1 van het algemeen procedurereglement, noch in de parlementaire voorbereiding, noch in de rechtspraak van het Hof van Cassatie en de Raad van State. 23. Het voorliggend verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel voldoet bijgevolg niet aan de voorwaarden die vervuld dienen te zijn opdat de Raad van State zich over dit verzoek zou mogen uitspreken. 24. Wat de argumentatie van de verzoekende partij betreft dat de interpretatie en rechtspraak van de Raad van State omtrent artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in casu niet ter zake doen omdat de artikelen 16 en 24 van de rechtsbeschermingswet een aparte en voldoende XII-8735-23/35 rechtsgrond zouden bieden voor het onderhavig verzoek tot schadevergoeding tot herstel, kan deze geen steun vinden in de tekst van deze bepalingen zelf. Beide bepalingen werden gewijzigd bij wet van 16 februari 2017 „tot wijziging van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten‟ (hierna: wet van 16 februari 2017) om “de gevolgen in aanmerking [te nemen] van de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State voor de bepalingen van dezelfde wet betreffende de rechtsmiddelen en de verhaalinstanties en, met name, de bepalingen betreffende de schorsing, de schadevergoeding en de bevoegde verhaalinstanties”. Nergens uit deze bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepalingen, blijkt dat de wetgever, wanneer er een schadevergoeding tot herstel voor de Raad van State wordt gevorderd, beoogde af te wijken van de vereiste, overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat een arrest dient voor te liggen waarbij de onwettigheid van de bestreden beslissing wordt vastgesteld en dat de vordering tot schadevergoeding tot herstel dient te worden ingesteld uiterlijk binnen een termijn van 60 dagen na de kennisgeving van het arrest waarin de onwettigheid wordt vastgesteld. Integendeel wordt dit in de parlementaire voorbereiding bij de wet van 16 februari 2017, waarbij de rechtsbeschermingswet werd gewijzigd, uitdrukkelijk bevestigd (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2168/001). Aldus dient rekening te worden gehouden met artikel 25, eerste lid, van de rechtsbeschermingswet dat bepaalt: “Tenzij de bepalingen van deze wet hiervan afwijken, worden de bevoegdheids- en procedurevoorschriften voor de verhaalinstantie bepaald door de wetten en besluiten betreffende de verhaalinstantie”. Dat dit anders is wat het aanvangspunt van de beroepstermijn betreft, zoals de Raad van State heeft bevestigd in zijn arrest nr. é.367 van 29 december 2015, waar de verzoekende partij naar verwijst, doet geen afbreuk aan hetgeen hiervoor is vastgesteld, namelijk dat de wetgever in de XII-8735-24/35 rechtsbeschermingswet, wat het instellen van een vordering tot schadevergoeding tot herstel voor de Raad van State betreft, niet beoogde af te wijken van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 25. De verzoekende partij betoogt voorts dat ook artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in een grondwets- en richtlijnconforme interpretatie, tot de ontvankelijkheid van het voorliggend verzoek tot schadevergoeding tot herstel moet leiden, gelet op de volgens haar opkomende rechtspraak van de burgerlijke rechtbanken die tot de onontvankelijkheid besluit van schadeclaims indien deze niet worden voorafgegaan door een effectieve nietigverklaring. Zij benadrukt in de laatste memorie dat dit een omstandigheid uitmaakt waarmee rekening moet worden gehouden in het licht van de naleving van het recht op toegang tot de rechter. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, verschilt de voorliggende zaak wel degelijk van de zaak die geleid heeft tot het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 mei 2010, nrs. C-145/08 en C-149/08 inzake Club Hotel Loutraki. Artikel 5 “Vordering tot schadevergoeding” van de Griekse wet 2522/1977 bepaalt immers uitdrukkelijk dat “2. Voor de toekenning van schadevergoeding is vereist dat het bevoegde gerecht het onrechtmatige besluit of het onrechtmatige verzuim om een besluit te nemen vooraf nietig heeft verklaard of de nietigheid ervan heeft vastgesteld”. Overeenkomstig artikel 2.6 van de richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 „houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken‟ en artikel 2.1 van de richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 „tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer XII-8735-25/35 en telecommunicatie‟ kunnen de lidstaten bepalen dat, wanneer schadevergoeding wordt gevorderd omdat het besluit onwettig is genomen, het aangevochten besluit eerst nietig moet worden verklaard door een instantie die daartoe bevoegd is. De voormelde bepalingen van de rechtsbeschermingsrichtlijnen bevatten aldus uitsluitend een mogelijkheid om te eisen dat in geval van een vordering tot schadevergoeding het betrokken besluit eerst nietig moet worden verklaard, doch geen verplichting hiertoe. Vastgesteld dient echter te worden dat de Belgische wetgeving, anders dan de Griekse wetgeving, geen vergelijkbare bepaling bevat. De verzoekende partij steunt haar argumentatie bovendien louter op een bepaalde rechtspraak, die uitgaat van eenzelfde afdeling van een rechtbank van eerste aanleg, doch legt geen rechtspraak voor van andere rechtbanken, laat staan van hoven van beroep en van het Hof van Cassatie die deze visie zouden bevestigen. De verwerende partij van haar kant verwijst in haar laatste memorie integendeel naar een arrest van 20 september 2019 van het Hof van beroep te Gent waarin deze argumentatie aangaande de noodzakelijkheid van een voorafgaande nietigverklaring door de Raad van State, wordt ontkracht, en ook in het arrest van 13 december 2019 van datzelfde Hof waar de verzoekende partij zelf naar verwijst in haar pleitnota, neemt het Hof uitdrukkelijk afstand van de voormelde alleenstaande lagere rechtspraak. Ook blijkt niet dat in de voormelde vonnissen reeds rekening werd gehouden met de artikelen 16 en 24 van de rechtsbeschermingswet, zoals gewijzigd bij wet van 16 februari 2017, gelet op de nieuwe bevoegdheid van de Raad van State inzake de schadevergoeding tot herstel. In de memorie van toelichting bij de wet van 16 februari 2017 wordt onder meer uitdrukkelijk bevestigd dat “schadevergoeding tot herstel steeds afhankelijk [is] van het bestaan van een verhaal tot vernietiging, terwijl de vordering tot schadevergoeding niet noodzakelijk daarmee verband moet houden” (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2168/001, 29). XII-8735-26/35 Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet blijkt ook duidelijk dat de wetgever bij de invoeging van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitdrukkelijk beoogde om de partijen die dit wensen de mogelijkheid te laten behouden om zich, zoals dat voorheen het geval was, tot de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde te wenden om een herstel te krijgen op grond van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek. Ook het Grondwettelijk Hof heeft bevestigd dat een vordering tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel op meerdere punten verschilt van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering, en een eerste verschil betrekking heeft op het toepassingsgebied: “een gemeenrechtelijke schadevergoeding [kan] ten laste van de overheid worden gevorderd ongeacht de grondslag van de procedure bij de Raad van State en zelfs los van enige procedure bij de Raad van State” (GwH 23 mei 2019, nr. 70/2019, overweging B.7.2). Anders dan de verzoekende partij het ziet, is deze overweging ook relevant in het overheidsopdrachtencontentieux. 26. In het arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 inzake Moors oordeelde de Algemene Vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bovendien reeds dat er geen sprake is van een ongelijke behandeling van verzoekende partijen die er zelf voor kiezen om geen vordering tot schadevergoeding tot herstel in de loop van hun beroep tot nietigverklaring in te dienen. Ook bevestigde de Raad in dit arrest dat een verzoekende partij die hangende haar beroep tot nietigverklaring geen vordering tot schadevergoeding instelt, na de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring ten minste over de mogelijkheid blijft beschikken om een schadevergoeding bij de rechtbanken van de rechterlijke orde op te eisen. Het standpunt van de verzoekende partij dat het voornoemde arrest Moors strijdig zou zijn met het arrest van het Hof van Cassatie van 7 mei XII-8735-27/35 2018, AR C.16.0516.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180507.3 wordt evenmin gevolgd aangezien zij daarbij uit het oog blijkt te verliezen dat de schadevergoeding tot herstel voor de Raad van State een accessorium is van een annulatieberoep. In casu heeft de verzoekende partij geen vordering tot toekenning van een schadevergoeding tot herstel ingesteld in de loop van de annulatieprocedure, zodat zij van de Raad van State hoe dan ook geen beoordeling van haar middelen mag verwachten louter met het oog op het faciliteren van de eventuele toekenning van een schadevergoeding. Ondanks het feit dat de Raad van State in het arrest nr. 243.820 van 28 februari 2019, vaststellende dat de verzoekende partij lopende het annulatieberoep geen schadevergoeding voor de Raad van State heeft gevorderd, uitdrukkelijk opgemerkt heeft dat de verzoekende partij alsnog haar subjectief recht op schadevergoeding bij de gewone rechter kan laten gelden, blijkt de verzoekende partij zich na dit arrest bovendien niet tot de gewone rechter te hebben gericht, maar alsnog een schadevergoedingsvordering tot herstel bij de Raad van State heeft ingesteld die niet inpasbaar blijkt te zijn in de voor de Raad van State geldende toepasselijke regelgeving zoals hiervoor werd uiteengezet. Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat de Raad van State in zijn rechtspraak reeds bevestigd heeft dat de zogenaamde electa-una-viaregel, gelet op de interne samenhang van het bedoelde wetsartikel, slechts toepassing heeft in het geval door de Raad van State bij arrest een onwettigheid is vastgesteld. De Raad van State relativeert het onherroepelijk karakter van het electa-una-viaprincipe indien het annulatieberoep onontvankelijk is. 27. Het is niet mogelijk om via de voorliggende vordering tot schadevergoeding tot herstel, die pas werd ingesteld nadat een eindarrest in het kader van het annulatieberoep werd gewezen, het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het annulatieberoep te herzien. Het annulatieberoep werd definitief beslecht door het arrest nr. 243.820 van 28 februari 2019, dat bekleed is met XII-8735-28/35 gezag van gewijsde, zodat de verzoekende partij op deze zaak niet vermag terug te komen in het kader van de voorliggende zaak. Voor beroepen tot herziening geldt voorts een specifieke procedure. De voorliggende vordering betreft een schadevergoeding tot herstel, geen verzoek tot herziening tegen het arrest nr. 243.820. Overeenkomstig artikel 31 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is een dergelijk beroep tot herziening bovendien slechts ontvankelijk indien sinds de uitspraak van het arrest doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of indien het arrest werd gewezen op als vals erkende of vals verklaarde stukken. De verwijzing naar nieuwe rechtspraak die inmiddels werd gewezen, zoals de verzoekende partij doet in haar verzoekschrift en memorie van wederantwoord, wordt niet als grond tot herziening vermeld. Ook overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019, nr. C-620/17 inzake Hochtief Solutions AG (...), moet enkel van de mogelijkheid om op een in kracht van gewijsde gegaan vonnis terug te komen, teneinde de uit dit vonnis voortvloeiende situatie in overeenstemming te brengen met een eerdere definitief geworden nationale rechterlijke beslissing waarvan de rechter die dit vonnis heeft gewezen en de partijen in de betrokken zaak reeds op de hoogte waren, worden gebruikgemaakt indien de toepasselijke nationale procedureregels de nationale rechter die mogelijkheid bieden. De verzoekende partij beweert niet en toont niet aan dat de toepasselijke nationale procedureregels dergelijke mogelijkheid bieden. In de mate dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog verwijst naar de zaak nr. C-362/18, waarin het Hof van Justitie inmiddels op 18 december 2019 een beschikking heeft gewezen, valt op te merken dat de voorliggende vordering geen beroep tot herziening betreft, noch betrekking heeft op staatsaansprakelijkheid. XII-8735-29/35 28. De exceptie is gegrond. Het verzoek is niet ontvankelijk. VI. Verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen Standpunt van de verzoekende partij 29. Voor het geval dat de Raad van State oordeelt – zoals hiervoor is gebeurd – dat de voorliggende vordering niet ontvankelijk is, vraagt de verzoekende partij om volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen, zoals geherformuleerd in haar memorie van wederantwoord: “Zijn artikelen 16 en 24 van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies, samen genomen met artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer deze laatste optreedt als beroepsinstantie in de zin van artikel 2.2 van de richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, verenigbaar met artikelen 2.1.b), 2.1.

  1. c)en 2.1.
  2. d)van dezelfde richtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de EU, wanneer deze zodanig worden toegepast dat ze enkel toelaten aan de gezamenlijke leden van een tijdelijke handelsvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid die als zodanig heeft deelgenomen aan een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht en waaraan deze opdracht niet is gegund, om op ontvankelijke wijze een nietigverklaring te kunnen vorderen van een besluit van een aanbestedende overheid in een gunningsprocedure, maar dat dit recht wordt ontzegd aan één van [de] individuele leden van dergelijke tijdelijke handelsvennootschap, terwijl deze nog niet is opgericht, en wanneer dit tot gevolg heeft dat dergelijk individueel lid automatisch ook geen schadevergoeding kan vorderen bij dezelfde beroepsinstantie? Is het antwoord op deze vraag verschillend wanneer het toekennen van een schadevergoeding bedoeld in artikel 2.1,
  3. d)van dezelfde richtlijn ook kan worden gevorderd bij de burgerlijke rechtbanken, in de wetenschap dat (
  4. a)sommige van deze burgerlijke rechtbanken de toegang tot dergelijke vordering afhankelijk maken van een voorafgaande nietigverklaring door de Raad van State en (
  5. b)er relevante verschillen zijn tussen de burgerlijke rechtbanken en de Raad van State wat betreft dubbele aanleg, XII-8735-30/35 vereenzelviging van onwettigheid en fout, doorlooptijd, en cassatiemogelijkheid?” De verzoekende partij betoogt dat er sprake is van een verwijzingsplicht in hoofde van de Raad van State en dat de restrictief te interpreteren uitzonderingen op deze verwijzingsplicht in casu niet van toepassing zijn. Zo is de vraag omtrent de ontvankelijkheid van de voorliggende vordering onlosmakelijk verbonden met de naleving van het relevante EU-recht, en dus wel degelijk pertinent voor de oplossing van het huidig geschil. Voorts betwist zij dat deze vraag een acte éclairé zou betreffen. De vraag die voorligt in de voorliggende casus lijkt in geen enkel relevant opzicht nog op de vraag die voorlag in de zaak Espace Trianon. In casu betreft het immers geen nietigverklaringsprocedure, maar een vordering tot schadevergoeding. Ondertussen zijn er ook talloze nieuwe arresten van het Hof van Justitie over de rechtsbeschermingsrichtlijnen die minstens een toetsing door het Hof van Justitie vereisen alvorens de Raad de voorliggende vordering mag afwijzen wegens onontvankelijk. Ook is deze vraag niet dezelfde als de vraag die voorlag in de voorafgaande procedure tot nietigverklaring, waarin de bestaanbaarheid van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met de rechtsbeschermingsrichtlijnen, zoals toegepast bij het overheidsopdrachten- contentieux met betrekking tot het belang van individuele leden van een tijdelijke handelsvennootschap, aan de orde was. Tevens meent zij dat de nieuwe bevoegdheid van de Raad om een schadevergoeding toe te kennen wel degelijk een pertinent element is dat een nieuwe vraagstelling verantwoordt. De wetgever wenste via deze weg immers te vermijden dat “een nieuwe rechter heel het dossier opnieuw (moet) bestuderen, wat opnieuw gerechtskosten en proceduretermijnen met zich meebrengt”. Ten slotte is er evenmin sprake van een acte clair. Gelet op de uitvoerige uiteenzettingen over de betrokken bepalingen door beide partijen in de nietigheidsprocedure en in de voorliggende procedure tot schadevergoeding tot herstel, is het duidelijk dat deze voorwaarde niet is vervuld om een prejudiciële verwijzing te weigeren. XII-8735-31/35 De verzoekende partij merkt ook nog op dat er momenteel een verzoek hangende is voor het Hof van Justitie dat tevens relevant kan zijn voor de oplossing van onderhavig geschil. Het betreft de zaak nr. C-362/18. 30. Eveneens in ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, zoals geherformuleerd in haar memorie van wederantwoord: “Zijn artikelen 16 en 24 van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies, samen genomen met artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, elk individueel en gezamenlijk bekeken, gelezen in het licht van artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest van de EU, verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer zij zodanig worden toegepast dat één individueel lid van een tijdelijke handelsvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid die als zodanig heeft deelgenomen aan een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht en waaraan deze opdracht niet is gegund, niet op ontvankelijke wijze de nietigverklaring bij de Raad van State kan vorderen van een gunningsbeslissing van een aanbestedende overheid in een overheidsopdrachtenprocedure in toepassing van artikel 24, 1° van de wet van 17 juni 2013 wanneer dit tot gevolg heeft dat dergelijk individueel lid automatisch ook geen schadevergoeding kan vorderen bij dezelfde Raad van State, terwijl dit recht niet wordt ontzegd aan een individueel lid van een tijdelijke handelsvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid die een annulatieberoep instelt bij de burgerlijke rechtbank waarbij de aanbestedende overheid die de bestreden gunningsbeslissing heeft getroffen geen overheid is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, rekening houdende met het bestaan van burgerlijke rechtspraak die een schadevergoeding afhankelijk maakt van een voorafgaandelijke vernietiging?” De verzoekende partij betwist dat de vraag vertrekt van een verkeerde premisse, gelet op het bestaan van vier afzonderlijke vonnissen. Deze burgerlijke rechtspraak, die overigens grondig onderbouwd is en volgens haar ook door sommige rechtsleer wordt ondersteund, dient dus wel degelijk in aanmerking te worden genomen als relevant feit voor een correcte beoordeling van de onderhavige zaak, en moet dus eventueel tevens het voorwerp uitmaken van een prejudiciële verwijzing naar het Grondwettelijk Hof. XII-8735-32/35 Beoordeling 31. Wat de in ondergeschikte orde voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof betreft, dient in de eerste plaats vastgesteld te worden dat de verzoekende partij deze vragen nog beduidend heeft geherformuleerd in haar memorie van wederantwoord, hetgeen afbreuk doet aan een loyale procesvoering. Het is evident dat de verwerende partij zich in haar memorie van antwoord slechts heeft kunnen verweren op de vragen zoals deze in het oorspronkelijk verzoekschrift werden geformuleerd. Van de verzoekende partij mocht dan ook worden verwacht dat zij de voorgestelde prejudiciële vragen reeds in het verzoekschrift zodanig had geformuleerd om deze te laten aansluiten op de voorliggende procedure van een verzoek tot schadevergoeding tot herstel en niet pas in de memorie van wederantwoord. Bovendien steunen zowel de aan het Hof van Justitie als de aan het Grondwettelijk Hof voorgestelde prejudiciële vragen op de premisse dat er voor de verzoekende partij geen beroep tot schadevergoeding voor de gewone hoven en rechtbanken openstond zonder voorafgaandelijke vernietiging. Zoals hiervoor reeds werd uiteengezet, wordt het uitgangspunt waarop de verzoekende partij haar vragen steunt, echter niet aangetoond. Indien een verzoekende partij in een dergelijk geval voor de gewone hoven en rechtbanken alsnog met afwijkende rechtspraak zou worden geconfronteerd, staat het haar bovendien vrij om aldaar vragen voor te stellen aan het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof. De voorgestelde vragen aan het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof zijn ook niet prejudicieel aangezien in het voorliggend beroep geen uitspraak dient te worden gedaan over de ontvankelijkheid van een annulatieberoep, noch over een verzoek tot schadevergoeding tot herstel dat werd ingesteld samen met of gedurende het annulatieberoep. Bovenal is de voorliggende vordering niet ontvankelijk om reden dat ze niet overeenkomstig XII-8735-33/35 voornoemd artikel 25/1 van het algemeen procedurereglement werd ingesteld binnen de zestig dagen na de kennisgeving van een arrest waarbij een onwettigheid werd vastgesteld. Het antwoord op de prejudiciële vragen heeft dan ook geen invloed op de oplossing van het geschil. Overigens is, anders dan de verzoekende partij het ziet, de Raad van State krachtens artikel 26, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 „op het Grondwettelijk Hof‟ niet in elk geval gehouden tot die vraagstelling. De Raad van State beslist te dezen aldus van het verzoek geen kennis te kunnen nemen zodat het onderhavig arrest nog vatbaar is voor een voorziening bij het Hof van Cassatie bij toepassing van artikel 33, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof worden niet gesteld. VII. Slotsom 32. Uit wat voorafgaat, volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden die vervuld dienen te zijn opdat de Raad van State zich over het voorliggend verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel zou mogen uitspreken. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-8735-34/35 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf november tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Pierre Barra, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8735-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.838 Gerelateerde publicatie(
  6. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180507.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.