← België

Arrest 248844 - Politie - 06/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.844 Rolnummer: A. 227536/XIV-37958 Zaak: Arrest 248844 - Politie - 06/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-20 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.844 van 6 november 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 248.844 van 6 november 2020 in de zaak A. 227.536/XIV-37.958 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Erik Schellingen en Christophe Bodvin kantoor houdend te 3740 Bilzen Stationlaan 45 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Leuven van 21 januari 2019 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 245.156 van 11 juli 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XIV-37.958-1/14 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michiel Steylaerts, die loco advocaat Christophe Bodvin verschijnt voor verzoeker, en advocaat Hans-Kristof Carême die, loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 245.156 van 11 juli
  6. Er wordt naar verwezen. XIV-37.958-2/14 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Aanwijzing van de verwerende partij Standpunt van de verwerende partij
  7. In haar laatste memorie vraagt de verwerende partij, in ondergeschikte orde en in de mate dat de stad Leuven als verwerende partij werd aangeduid, deze buiten de zaak te stellen “aangezien de burgemeester in deze belast is met een eigen autonome opdracht van algemeen belang.” Zelf wijst zij in de aanhef van haar laatste memorie de burgemeester van de stad Leuven en de stad Leuven aan als verwerende partijen. Beoordeling
  8. De rechtspleging voor de Raad van State is van inquisitoriale aard, hetgeen inhoudt dat de organen van de Raad van State de rechtspleging leiden en dat het uiteindelijk de Raad van State is die in zijn arrest definitief beslist. Hieruit volgt dat het niet aan de verwerende partij toekomt te beslissen of zij al dan niet partij is in de zaak. In de mate dat de verwerende partij in haar laatste memorie de burgemeester van de stad Leuven ziet als verwerende partij, bindt zulks de Raad van State niet.
  9. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker, ter uitvoering van artikel 2, § 1, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna : de algemene procedureregeling), in het enig verzoekschrift tot schorsing en tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, de stad Leuven als mogelijke eerste tegenpartij en de politiezone Leuven als mogelijke tweede tegenpartij vermeldt. XIV-37.958-3/14 De auditeur-verslaggever heeft (alleen) de stad Leuven aangewezen als verwerende partij zowel in de schorsingsprocedure als in de procedure ten gronde. Er is geen reden om het thans anders te zien. In een geding voor de Raad van State is de verwerende partij in de regel een rechtspersoon, met name die wiens orgaan de bestreden beslissing heeft genomen. Het is immers de overheid met rechtspersoonlijkheid die de verantwoordelijkheid draagt voor de administratieve rechtshandeling die van één van zijn organen uitgaat. De burgemeester van de stad Leuven heeft te dezen de bestreden beslissing genomen in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid van verzoeker als personeelslid van de lokale politiezone Leuven. Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 april 2000 ‘houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant in politiezones’ is dit een “ééngemeentezone”, zodat de rechtspersoon de stad Leuven is. De stad Leuven is als rechtspersoon derhalve terecht betrokken als verwerende partij in een beroep gericht tegen een bestuurshandeling waarbij de burgemeester is opgetreden als een orgaan van de stad. De door de verwerende partij aan de burgemeester toegeschreven uitoefening van “een eigen autonome opdracht van algemeen belang” doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Los van de vraag of de uitoefening van de tuchtbevoegdheid een “autonome opdracht van algemeen belang” is, oefent de burgemeester de tuchtbevoegdheid uit over politieambtenaren van de eigen “ééngemeentezone”, zijnde van de stad Leuven. Die draagt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor dat optreden van de burgemeester. Zulks volstaat om te oordelen dat alleen de rechtspersoon voor de Raad van State als verwerende partij wordt betrokken en is de omstandigheid dat dit volgens de verwerende partij een “autonome opdracht van algemeen belang” zou zijn geen XIV-37.958-4/14 reden om de burgemeester van de stad Leuven als afzonderlijke verwerende partij in het geding te betrekken.
  10. Uit wat voorafgaat volgt dat het verzoek om de stad Leuven buiten de zaak te stellen wordt afgewezen. Evenmin is er reden om de burgemeester van de stad Leuven als afzonderlijke verwerende partij in het geding te betrekken. B. Regelmatigheid van het verzoek tot voortzetting van de verwerende partij en van de memorie van antwoord Standpunt van de partijen
  11. Verzoeker werpt in de memorie van wederantwoord op dat het verzoek tot voortzetting is ingediend namens de burgemeester van de stad Leuven, terwijl de lokale politiezone Leuven een ééngemeentezone betreft. De rechtspersoon bevoegd om in rechte te treden betreft aldus de stad Leuven. Overeenkomstig artikel 297, § 1 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ vertegenwoordigt het college van burgemeester en schepenen de gemeente in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslist dit orgaan om in rechte op te treden namens de gemeente. Uit de vaste rechtspraak van de Raad van State volgt dat de procedurestukken die niet namens het bevoegde orgaan van de gemeente werden ingediend, uit het debat dienen te worden geweerd. Toegepast op het voorliggende geschil staat volgens verzoeker vast dat noch het verzoek tot voortzetting, noch de hieraan gekoppelde memorie van antwoord werden ingediend namens het orgaan bevoegd om de stad Leuven in rechte te vertegenwoordigen. Beide procedurestukken dienen dan ook uit de procedure te worden geweerd. Verzoeker concludeert dat “het voorgaande […] tot gevolg [heeft] dat er namens de verwerende partij geen tijdig verzoek tot voortzetting werd ingediend waardoor zij wordt geacht te hebben berust in het tussengekomen schorsingsarrest en afstand te hebben gedaan van haar mogelijkheid tot voortzetting van de procedure.” XIV-37.958-5/14
  12. De verwerende partij repliceert in haar laatste memorie dat, in hoofdorde, de vraag wie het verzoek tot voortzetting en de memorie van antwoord heeft ingediend, moet worden uitgemaakt op basis van het dispositief van beide processtukken. Daarin staat vermeld: “Voor verwerende partij, haar raadsman ...”. Het verzoek tot voortzetting en de memorie van antwoord werden dus ingediend door de verwerende partij en door niemand anders. Ze worden dus wel degelijk geacht correct te zijn ingediend. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de mogelijkheid van indiening van een verzoek tot voortzetting raakt aan het grondrecht op toegang tot de rechter en dat om die reden de procedure-eis niet op een overdreven restrictieve of formalistische wijze mag worden toegepast. In ondergeschikte orde en in de mate dat de stad als verwerende partij werd aangeduid, dient volgens de verwerende partij deze buiten de zaak te worden gesteld aangezien de burgemeester in deze belast is met een eigen autonome opdracht van algemeen belang. In nog meer ondergeschikte orde erkent de verwerende partij dat op de eerste bladzijde van het verzoek tot voortzetting en de memorie van antwoord inderdaad wordt vermeld: “VOOR: de burgemeester van de stad Leuven”. Volgens haar is dit conform aan de betekening van het enig verzoekschrift in de brief van de Raad van State van 13 maart
  13. Zodoende werd de nota in de schorsingsprocedure ingediend voor de burgemeester van de stad Leuven en werd deze identificatie verder aangehouden. Het auditoraatsverslag in de schorsingsprocedure identificeert de verwerende partij als “stad Leuven, vertegenwoordigd door de burgemeester” (dus niet: vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen). In het schorsingsarrest wordt er geen woord besteed aan de aanduiding van de verwerende partij in de nota en de nota wordt aanvaard. Hierbij dient er volgens de verwerende partij trouwens te worden opgemerkt dat de burgemeester - die als verwerende partij werd aangewezen in de betekening van het enig verzoekschrift bij schrijven van 13 maart 2019 en die dienovereenkomstig de nota met opmerkingen heeft ingediend - in het schorsingsarrest niet buiten de zaak werd gesteld, net zomin als de heropening van de debatten werd bevolen teneinde de stad alsnog in de zaak te betrekken. Het schorsingsarrest werd betekend aan “[d]e stad Leuven die woonplaats kiest bij XIV-37.958-6/14 Mr. BEELEN B.” (nota bene met de aanspreking “Mijnheer de burgemeester”). Ook zo het auditoraatsverslag in de annulatieprocedure, zoals blijkt uit de betekeningsbrief van 12 november 2019 “[a]an de Stad Leuven die woonplaats kiest bij Mr. BEELEN B., Advocaat ...”. Indien men het standpunt wil aanhouden dat de nota in de schorsingsprocedure, het verzoek tot voortzetting en de memorie van antwoord uitgaan van de burgemeester en niet van de (huidige) verwerende partij, dan moet tevens worden vastgesteld dat de Raad van State geen rechtsgeldige betekening heeft gedaan, noch van het schorsingsarrest, noch van het auditoraatsverslag aan de verwerende partij, aangezien alsdan ook moet worden aanvaard dat de stad Leuven geen keuze van woonplaats heeft gedaan bij mr. Beelen - alleen de burgemeester heeft alsdan keuze van woonplaats gedaan - zodanig dat er diende te worden betekend aan de stad zelf en zodanig dat er bij afwezigheid van rechtsgeldige betekening aan de stad geen termijnen voor indiening van het verzoek tot voortzetting en de memorie van antwoord zijn beginnen te lopen. Beoordeling
  14. Hiervoor (supra, 7) is vastgesteld dat in geschillen als het voorliggende, de stad Leuven optreedt als verwerende partij voor de Raad van State. Luidens artikel 297, § 1, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ vertegenwoordigt het college van burgemeester en schepenen de gemeente in gerechtelijke gevallen. Hieruit volgt dat alle procedurestukken voor de Raad van State dienen uit te gaan van het college van burgemeester en schepenen.
  15. Te dezen gaan zowel het verzoek tot voortzetting en de memorie van antwoord uit van “de burgemeester van de stad Leuven”. Beide processtukken gaan bijgevolg niet uit van het college van burgemeester en schepenen. XIV-37.958-7/14 Er ligt evenmin een uittreksel voor van de notulen van het college van burgemeester en schepenen waaruit zou kunnen blijken dat het college tijdig zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) de betrokken stukken.
  16. Het verzoek tot voortzetting noch de memorie van antwoord gaan derhalve uit van het bevoegde orgaan van de gemeente. De argumenten van de verwerende partij leiden niet tot een andere conclusie. Het in hoofdorde aangebrachte argument dat beide processtukken zijn ingediend door de verwerende partij is te dezen niet relevant, vermits te dezen niet de vraag of de processtukken uitgaan van de verwerende partij aan de orde is, maar wel de vraag of die uitgaan van het correcte orgaan van die verwerende partij. Voorts staat het recht op toegang tot de rechter er niet aan in de weg dat de indiening van een processtuk met het oog op een goed beheer van de justitie, te dezen dus de werking van de Raad van State, aan welbepaalde nadere regels of ontvankelijkheidsvoorwaarden wordt onderworpen. Die nadere regels of voorwaarden mogen echter niet zonder redelijk verband van evenredigheid met het beoogde doel zijn. Te dezen belemmert de eis dat het overgelegde processtuk uitgaat van het daartoe bevoegde orgaan, de verwerende partij niet op een disproportionele wijze de toegang tot de Raad van State. De toepassing ervan is immers uitsluitend afhankelijk van een nalaten door de verwerende partij om zich regelmatig voor de Raad van State te verweren. De eis dat het overgelegde stuk uitgaat van het bevoegde orgaan is voorts aan geen specifieke vormvereiste onderworpen wat de procesvertegenwoordiging van de verwerende partij betreft. Zo is de verwerende partij niet verplicht in het betrokken stuk het orgaan aan te duiden dat haar in gerechtelijke gevallen vertegenwoordigt. Kortom, het is de verwerende partij zelf die instaat voor de redactie en inhoud van het processtuk en aan wie het dus toekomt, desgevallend met toepassing van het vermoeden van het XIV-37.958-8/14 mandaat ad litem, om er over te waken dat het orgaan dat zij als de procesvertegenwoordiger van de rechtspersoon vermeldt correct is indien zij, om redenen die haar eigen zijn, niet de decretale of wettelijke bepaalde procesvertegenwoordiger in het processtuk vermeldt. Voorts sluit de eis dat het processtuk uitgaat van het rechtens correcte orgaan van de rechtspersoon niet uit dat, indien het processtuk uitgaat van een onbevoegd orgaan, dit tijdig kan worden geregulariseerd door naderhand een uittreksel van de notulen van het college van burgemeester en schepenen voort te brengen waaruit blijkt dat het ter zake bevoegde orgaan tijdig zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) de betrokken processtukken. Tot slot sluit de eis dat het processtuk uitgaat van het bevoegde orgaan de eventuele toepassing niet uit van het algemene rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd. Het in ondergeschikte orde opgeworpen argument dat de stad Leuven buiten de zaak moet worden gesteld, betreft niet de eis dat het stuk moet uitgaan van het bevoegde orgaan, maar wel de aanwijzing van de correcte persoon als de verwerende partij. Dit luik van het verweer van de verwerende partij werd hiervoor reeds behandeld (supra, punt 6). Er wordt naar verwezen. De omstandigheid, in nog meer ondergeschikte orde, dat de vermelding op het verzoek tot voortzetting conform zou zijn aan de betekening van het enig verzoekschrift “aan de burgemeester van de stad Leuven” leidt evenmin tot een andere conclusie. Los van het feit dat een griffiebrief geen afbreuk kan doen aan hetgeen is gesteld in artikel 297, § 1 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’, kan in hoofde van een gemeente of stad, uit die formele aanschrijving door de griffie redelijkerwijs niet worden afgeleid dat de burgemeester het bevoegde orgaan is om in het voorliggende “gerechtelijke geval” de gemeente of de stad te vertegenwoordigen. Niet alleen is de burgemeester van rechtswege voorzitter van het college van burgemeester en schepenen (artikel 51 van decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’) - zodat een brief aan hem gericht niet uitsluit dat het college ter zake bevoegd is - bovendien maakt de XIV-37.958-9/14 verwerende partij niet aannemelijk dat zij, als een normaal en voorzichtige gemeentelijke overheid, in dezelfde omstandigheden geplaatst, hieruit moest besluiten dat - anders dan het decreet van 22 december 2017 bepaalt - de burgemeester de stad in het voorliggende geschil zou kunnen vertegenwoordigen in plaats van het college van burgemeester en schepenen. Voorts kan de verwerende partij, als normaal voorzichtige en redelijke partij, uit het enkele gegeven dat in het raam van een kortgedingprocedure - die zich per definitie kenmerkt door een prima facie onderzoek zowel van de argumenten ten gronde als van excepties en desgevallende procedure-aangelegenheden - haar nota ingediend in het kader van de schorsingsprocedure werd “aanvaard” en dat het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van dat kort geding ook als bevoegd orgaan de burgemeester zou aanduiden, redelijkerwijs niet afleiden dat de Raad van State - die in het schorsingsarrest de stad Leuven aanwees als de verwerende partij - heeft geoordeeld dat tijdens de navolgende procedure ten gronde en in strijd met de decretale regelgeving, het bevoegde orgaan om de stad Leuven te vertegenwoordigen, niet het college van burgemeester en schepenen was. Inzake tot slot het argument dat er geen woonplaatskeuze zou zijn gebeurd bij de raadsman van de verwerende partij, bemerkt de Raad van State dat de woonplaatskeuze steeds gebeurt door een partij in de procedure. De omstandigheid dat, ten onrechte, de verwerende partij oordeelt dat zij in het voorliggende geschil, vertegenwoordigd moest worden door de burgemeester in strijd met de decretale bepalingen ter zake, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat zij woonplaatskeuze deed bij haar raadsman. Aldus is de betekening aan de gekozen woonplaats bij de mandataris rechtsgeldig gebeurd.
  17. Uit wat voorafgaat, volgt dat de exceptie in de aangegeven mate gegrond is. Het verzoek tot voortzetting en de memorie van antwoord worden uit het debat geweerd. XIV-37.958-10/14 V. Ontvankelijkheid : het belang Uiteenzetting van de exceptie
  18. Ter terechtzitting betwist de verwerende partij het actueel belang van verzoeker, stellende dat die enkel nog een pecuniair belang heeft gelet op het feit dat verzoeker ondertussen is ontslagen wegens beroepsongeschiktheid. Een dergelijk pecuniair belang volstaat niet. Beoordeling
  19. Ter terechtzitting wordt niet betwist dat verzoeker onderwijl is ontslagen wegens beroepsongeschiktheid en dat die beslissing definitief is geworden. De betrokken beslissing wegens beroepsongeschiktheid wordt door de verwerende partij niet bijgebracht. De Raad van State neemt aan dat het een beslissing betreft zoals bedoeld in artikel 83 van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten.’ Deze leidt op grond van artikel 81, 8°, van dezelfde wet ambtshalve en zonder opzegtermijn tot definitieve ambtsontheffing. Een dergelijke beslissing heeft geen tuchtrechtelijk karakter en is derhalve te onderscheiden van het geval van definitieve ambtsontheffing bepaald in artikel 81, 5°, van de voornoemde wet van 26 april
  20. In de gegeven omstandigheden maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat de morele schade en afkeuring besloten in de thans bestreden tuchtrechtelijke beslissing tot ambtshalve ontslag, zich niet onderscheidt van die welke voortvloeit uit de definitief geworden definitieve ambtsontheffing wegens beroepsongeschiktheid, noch dat het morele belang dat verzoeker bij de XIV-37.958-11/14 nietigverklaring van de bestreden beslissing kon laten gelden aldus is teloorgegaan door het ontslag wegens beroepsongeschiktheid.
  21. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker nog steeds getuigt van een moreel belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verzoeker aldus behoeden voor het morele nadeel dat hij lijdt door het ontslag van ambtswege. Zulks volstaat.
  22. De exceptie wordt verworpen. VI. Toepassing van artikel 17, § 6 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 11/2, § 1 van de algemene procedureregeling
  23. Gelet op artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 11/2, § 1, van de algemene procedureregeling kan de beslissing waarvan de schorsing gevorderd wordt volgens een versnelde rechtspleging nietig worden verklaard indien de verwerende partij of degene die belang heeft bij de beslechting van het geschil, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest waarbij de schorsing bevolen wordt.
  24. De voortzetting van het geding moet regelmatig zijn, wat te dezen inhoudt dat ze moet uitgaan van de verwerende partij, vertegenwoordigd op de rechtens vereiste wijze door het daartoe bevoegde orgaan.
  25. In het arrest nr. 245.156 van 11 juli 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bevolen na de vordering tot schorsing spoedeisend te hebben bevonden en te hebben geoordeeld dat het eerste middel ernstig is. De Raad van State heeft, samenvattend, geoordeeld dat, “door het te dezen verplichtend advies van de procureur des Konings in te winnen XIV-37.958-12/14 eenmaal de procedure reeds aanhangig was voor de Tuchtraad, de verwerende partij de in artikel 24 van de tuchtwet vervatte adviesplicht miskent,” het eerste middel in de aangegeven mate ernstig is.
  26. Uit wat voorafgaat en inzonderheid uit het weren uit het debat van zowel het verzoek tot voortzetting als de memorie van antwoord, volgt dat de verwerende partij niet op regelmatige wijze een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend. Er is derhalve reden om toepassing te maken van het in artikel 17, § 6 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingestelde vermoeden, met dien verstande dat, zoals op overeenkomstige wijze is gesteld in het arrest van de algemene vergadering van de Raad van State van 14 december 2018 (RvS (A.V.), nr. 243.249, 14 december 2018), in het voornoemde artikel 17, § 6, en in artikel 11/2 van de algemene procedureregeling slechts een bevoegdheidstoewijzing wordt gelezen om, afhankelijk van de vaststelling van een onwettigheid, via een versnelde rechtspleging tot nietigverklaring over te gaan. Het valt derhalve de kamer toe om te oordelen of in casu het in het schorsingsarrest bevonden eerste middel, in de mate waarin het daarin ernstig wordt bevonden, de vernietiging van de bestreden beslissing verantwoordt en om desgevallend via deze versnelde procedure tot nietigverklaring over te gaan.
  27. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad van State geen reden om geen toepassing te maken van de bevoegdheidstoewijzing in artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en in artikel 11/2 van de algemene procedureregeling. Aldus valt de Raad van State de onwettigheid die in het schorsingsarrest voorlopig is vastgesteld, ten gronde bij. Het eerste middel is gegrond in de mate waarin het eerder in het voornoemde schorsingsarrest ernstig werden bevonden. Het verantwoordt de vernietiging van de bestreden beslissing. XIV-37.958-13/14 BESLISSING
  28. De Raad van State vernietigt de beslissing van de burgemeester van de stad Leuven van 21 januari 2019 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
  29. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro die verschuldigd is aan verzoeker.
  30. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes november tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.958-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.844 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.