← België

Arrest 248847 - Tucht (openbaar ambt) - 09/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.847 Rolnummer: A. 228953/IX-9599 Zaak: Arrest 248847 - Tucht (openbaar ambt) - 09/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-20 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.847 van 9 november 2020 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.847 van 9 november 2020 in de zaak A. 228.953/IX-9599 In zake: Frank MEUBUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vanessa Penninger kantoor houdend te 3600 Genk Aspergerijstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de CV VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van de Directieraad van De Watergroep – Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening cvba dd. 28.06.2019 betreffende een tuchtstraf waarbij [Frank Meubus] in graad werd teruggezet met de salarisschaal U 103”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 247.354 van 31 maart 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-9599-1/5 Het genoemde arrest is op 31 maart 2020 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Op 23 juli 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Vanessa Penninger, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stefano Geebelen, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. Luidens artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of IX-9599-2/5 een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
  6. In dit geval heeft verzoeker op 30 april 2020 binnen de voormelde, hem toegestane termijn schriftelijk een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
  7. De vraag rijst of met dat schriftelijke verzoek rekening mag worden gehouden en het als een regelmatige akte tot voortzetting van de rechtspleging mag worden beschouwd, nu verzoeker zijn inleidend verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft ingediend volgens de elektronische procesvoering zoals ze geregeld is bij artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: het algemeen procedurereglement), waarvan paragraaf 4 luidt: “De keuze voor elektronische procesvoering is in het kader van de betrokken zaak definitief voor een dossierbeheerder van zodra die een processtuk langs elektronische weg heeft gedeponeerd en deze beheerder kan de overige proceshandelingen dan alleen nog op diezelfde manier stellen.”
  8. De Raad van State stelt vast, eensdeels, dat verzoeker weliswaar niet heeft gehandeld zoals hem door de hiervóór aangehaalde bepaling is voorgeschreven – hij heeft namelijk zijn verzoek tot voortzetting schriftelijk ingediend, niet elektronisch zoals zijn eerder ingediend inleidend verzoekschrift – maar, anderdeels, dat die bepaling niet voorziet in een sanctie voor het geval dat, zoals in casu, het voorschrift niet wordt nageleefd. Voorts heeft verzoeker door het indienen van een schriftelijk verzoek tot voortzetting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn wil laten blijken om na ‟s Raads arrest waarbij zijn vordering tot schorsing is verworpen, de rechtspleging voort te zetten, wat zijn beroep tot nietigverklaring betreft. Hij heeft IX-9599-3/5 dat met een ter post aangetekend verzonden schrijven op een rechtszekere manier gedaan binnen de termijn waarover hij krachtens artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beschikte voor het indienen van een dergelijk verzoek. Op grond van die overwegingen oordeelt de Raad van State dat hij op een onevenredige wijze verzoekers recht op toegang tot de rechter zou beperken, indien hij verzoeker de voortzetting van de rechtspleging zou ontzeggen om reden van zijn schriftelijk in de plaats van elektronisch verzoek daartoe.
  9. Derhalve neemt de Raad van State aan dat het vermoeden van afstand van geding zoals bedoeld in artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in dit geval niet van toepassing is. Integendeel moet gunstig gevolg worden gegeven aan verzoekers schriftelijk verzoek tot voortzetting van de rechtspleging en moet de behandeling van de zaak voortgang krijgen met toepassing van de gewone rechtspleging, die wat verzoeker betreft nog steeds elektronisch zal verlopen. BESLISSING
  10. De Raad van State heropent het debat.
  11. De zaak dient verder te worden behandeld volgens de gewone rechtspleging. IX-9599-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen november tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9599-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.847 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.354 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.512 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.753 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.