← België

Arrest 248849 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 09/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.849 Rolnummer: A. 230986/IX-9719 Zaak: Arrest 248849 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 09/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-20 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.849 van 9 november 2020 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.849 van 9 november 2020 in de zaak A. 230.986/IX-9719 In zake: de VZW KOERDISCH INSTITUUT woonplaats kiezend te 1210 Brussel Bonneelstraat 16 en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Fermon kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Ian Arnouts en Niels Tack kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 10 juni 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse regering van 10 april 2020 waarbij de vzw Koerdisch Instituut niet langer wordt erkend als soci- aal-culturele volwassenenorganisatie vanaf 1 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. IX-9719-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Jan Fermon, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Niels Tack, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  5. III. De bestreden beslissing
  6. Bij het bestreden besluit van 10 april 2020 beslist de Vlaamse regering om verzoekster niet langer te erkennen en te subsidiëren als soci- aal-culturele volwassenenorganisatie. In de kennisgeving van het besluit aan verzoekster staat het volgende: “Uw organisatie wordt gesubsidieerd en erkend als een sociaal-culturele volwassenenorganisatie die een werking ontplooit in het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of als een soci- aal-culturele volwassenenorganisatie die een werking ontplooit in het Nederlandse taalgebied, zoals vermeld in artikel 4 van het decreet van 7 juli 2017 houdende de subsidiëring en erkenning van het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Overeenkomstig artikel 19 van het decreet bracht een visitatiecommissie in 2018 een bezoek ter plaatse met het oog op de evaluatie van de werking van de organisatie als sociaal-culturele volwassenenorganisatie. Het resultaat IX-9719-2/8 van deze visitatie was „negatief met aanbevelingen‟ (artikel 23, §3, tweede lid, 3°). Conform artikel 60, § 13 eerste lid van het decreet diende uw organisatie een remediëringsrapport in aan de hand waarvan kan aangetoond worden hoe de organisatie omgaat met de geformuleerde aanbevelingen. De visitatiecommissie bracht dan ook een tweede bezoek ter plaatse [noot RvS: op 13 februari 2020] en formuleerde naar aanleiding daarvan een negatief advies aan de Vlaamse Regering (artikel 60, §13, 3e lid). De Vlaamse Regering besliste op 10 april dit advies te volgen en het door uw organisatie ingediende beleidsplan voor de komende beleidsperiode (2021-2025) zal dan ook niet aan de beoordelingscommissie worden voorgelegd (art. 30, §13, 6e lid). Dit betekent dat de subsidiëring van uw organisatie als organisatie vermeld in artikel 4 van het decreet vanaf 1 ja- nuari 2021 stopt. Het definitieve rapport naar aanleiding van het tweede bezoek ter plaatse kan u terugvinden in KIOSK in uw dossier inzake de lopende beleidsperiode bij „documenten huidig dossier‟. Uw organisatie is ook niet langer erkend als sociaal-culturele volwassen- organisatie. De subsidies voor werkjaar 2020 worden uitbetaald zoals eerder gecom- municeerd. Over de verantwoording voor deze middelen zal begin 2021 communicatie volgen.” IV. Schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Standpunt van verzoekster
  8. In het inleidend verzoekschrift argumenteert verzoekster over “[de] hoogdringendheid die de schorsing noodzakelijk maakt” als volgt: “Door de bestreden beslissing verliest de organisatie elke kans op subsi- diëring door de Vlaamse overheid vanaf 1 januari
  9. Dat heeft onder- IX-9719-3/8 meer dramatische gevolgen voor de tewerkstelling en bijgevolg voor de hele werking van de vzw waarin de tewerkgestelde personeelsleden een absoluut onmisbare rol spelen. De schade die zou toegebracht worden door een definitief gedwongen ontslag van de personeelsleden zou voor de or- ganisatie ook het verlies betekenen van de opgebouwde knowhow en de inspanningen ondermeer op het vlak van opleiding van dit personeel die hierna beschreven zijn. Schorsing van de bestreden beslissing zou verzoekster opnieuw toegang verlenen tot de verdere procedure. Gezien de korte periode tussen het moment waarop de beslissing werd genomen en de aanvang van de vijfjarige beleidsperiode 2021-2025 waarop de beslissing betrekking heeft kan niet gehoopt worden een defi- nitieve beslissing inzake de nietigverklaring te bekomen binnen een nuttige termijn.” Beoordeling
  10. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden on- derbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan af- toetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoed- eisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteen- gezet én gestaafd. IX-9719-4/8
  11. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de ver- zoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietig- verklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Overigens moet die verzoekende partij zich er re- kenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van RvS-Wet, mag worden ingesteld “op elk moment”.
  12. Aan verzoekster wordt door de bestreden beslissing niets ont- nomen dat haar voorheen reeds was toegekend: zij blijft voor de lopende subsi- dieperiode de haar toegekende subsidies ontvangen. De beslissing heeft slechts uitwerking vanaf 1 januari 2021, wat hoe dan ook een nieuwe beleids- en subsidieperiode is waarvoor over verzoeksters aanvraagdossier nog een beoordeling en uitspraak moest volgen in het kader van de regelgeving inzake sociaal-cultureel volwassenenwerk.
  13. Dergelijk verlies van een kans op subsidiëring door de Vlaamse overheid vanaf 1 januari 2021 volstaat op zich niet om de spoedeisendheid bij de vordering tot schorsing aan te tonen. Bovendien is verzoekster van de beslissing op de hoogte gebracht in de loop van de maand april 2020, wat haar in beginsel een redelijke termijn gaf om zich aan de nieuwe situatie aan te passen met betrekking tot lopende engagementen, in afwachting van een uitspraak ten gronde.
  14. Verzoekster heeft geen hoedanigheid om op te komen voor de belangen van derden, zoals haar personeelsleden. Voor zover zij wijst op de ge- volgen voor de tewerkstelling, kan dit dus enkel worden beoordeeld uit oogpunt van de consequenties op haar werking. IX-9719-5/8 Verzoekster stelt dat die weerslag “dramatisch” is en dat zij veel knowhow zal verliezen. Zij werkt dit echter op geen enkele manier concreet uit: over hoeveel werknemers gaat het, welke gespecialiseerde knowhow hebben zij opgebouwd die van belang is voor haar werking, waarom zou die knowhow defi- nitief verloren zijn bij ontslag van de betrokkenen, heeft zij nog eigen vermogen om dit ontslag uit te stellen? Verzoekster stelt de Raad in genen dele in staat om de waarachtigheid van haar bewering te toetsen en vervolgens de zwaarwichtigheid ervan als “dramatisch” in te schatten. Zo stelt de verwerende partij in haar nota met opmerkingen dat verzoekster tegenover haar heeft verklaard dat zij nog zeer wel voor een deel van haar activiteiten een tijdlang zou kunnen doorwerken met vrij- willigers. Welnu: waar of niet, verzoekster verschaft in haar uiteenzetting geen enkel gegeven om in haar voordeel die stelling te weerspreken.
  15. Het is aannemelijk dat verzoekster zonder subsidies haar wer- king zal moeten aanpassen. Op zich is ook dat gegeven niet voldoende om de spoedeisendheid aan te tonen. In welke zin dat zal gebeuren en waarom zij onmogelijk haar werking tijdelijk kan terugschroeven in afwachting van een uitspraak ten gronde blijft evenwel een raadsel.
  16. Ofschoon verzoekster in haar uiteenzetting refereert aan “inspanningen ondermeer op het vlak van opleiding van dit personeel” die “hierna beschreven zijn”, heeft de Raad in de uiteenzetting over de spoedeisendheid, noch zelfs elders in het verzoekschrift iets teruggevonden dat in het kader van de spoedeisendheid evident begrepen moet worden als een nadere beschrijving van wat zo-even is aangehaald.
  17. Op de terechtzitting stelt verzoekster dat de Raad van State een en ander kan distilleren uit de bijlagen bij het verzoekschrift en dat van haar niet verwacht mag worden dit nogmaals over te schrijven in het verzoekschrift zelf. IX-9719-6/8 Mocht die stelling waar zijn, dan zou de Raad van State dus in de plaats van verzoekster de omvang en de impact van het tijdelijk moeten ondergaan van het nadeel moeten opsporen. Dat is niet de taak van de rechter. Het valt inte- gendeel aan verzoekster toe om, met de woorden van artikel 17, § 2, RvS-Wet, zelf in het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [te geven] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Dit betekent én dat de verzoekende partij op dit punt een stelplicht heeft én dat de Raad geen eigen inschattingen moet maken van mogelijk te vrezen schade, maar enkel rekening moet houden met de feiten die de spoedeisend staven “volgens de indiener ervan”. Ten overvloede stelt de Raad van State vast dat de meeste bij- lagen bij het verzoekschrift niet uitgaan van verzoekster, maar van de verwerende partij – in het bijzonder haar visitatieverslagen – en voorts de beleidsplannen 2016-2020 en 2021-2025 en dus hoe dan ook niet spontaan en evident dienstig zijn in het kader van de bewijsvoering van de spoedeisendheid.
  18. De spoedeisendheid, kortom, is niet aangetoond. Die vaststelling volstaat om de gevraagde schorsing af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-9719-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen november tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9719-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.849 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.270 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.