← België

Arrest 248850 - Varia (onderwijs en cultuur) - 09/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.850 Rolnummer: A. 224517/IX-9241 Zaak: Arrest 248850 - Varia (onderwijs en cultuur) - 09/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-20 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.850 van 9 november 2020 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.850 van 9 november 2020 in de zaak A. 224.517/IX-9241 In zake : Ward ROBBEN woonplaats kiezend te 3270 Scherpenheuvel Albertusplein 27 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning gevestigd te 1210 Brussel Koning Albert II-laan 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 12 februari 2018, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de Vlaamse reaffectatiecommissie van 7 december 2017 waarbij het bezwaarschrift van Ward Robben tegen zijn reaffec- tatie naar het CVO BVS te Elsene wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. IX-9241-1/18 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. De verzoekende partij en adviseur Frederik Stevens, die ver- schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker, die beschikt over een diploma van licentiaat in de rechten en een bewijs van pedagogische bekwaamheid, is sinds 1 januari 2006 vast benoemd in het ambt van leraar TV voor een opdracht van 4/20 in de catego- rie economisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie bij het CVO Mobyus te Leuven. 3.
  6. Bij aanvang van het schooljaar 2017-2018 wordt verzoeker bo- ventallig voor die opdracht. 3.
  7. Op 17 november 2017 beslist de Vlaamse reaffectatiecommissie verzoeker met ingang van 1 december 2017 te reaffecteren in de betrekking van “1/20 Transportverzekeringen”, “0,5/20 Tussenpersonen” en “3/32 administratie- ve ondersteuning (niet organiek ambt elektronisch doorsturen met code 165)” IX-9241-2/18 naar het CVO BVS te Elsene. Zowel verzoeker als het CVO BVS worden van die beslissingen op dezelfde dag in kennis gesteld. 3.
  8. Naar eigen zeggen heeft verzoeker daags na de ontvangst van de reaffectiebeslissingen – op 23 november 2017 – telefonisch contact opgeno- men met de Vlaamse reaffectatiecommissie om bijkomende informatie te verkrij- gen over de betrekkingen, waarna hem werd gemeld dat hij daartoe contact moest opnemen met het CVO BVS. Daarop zou hij hebben gebeld met het CVO dat hem echter evenmin toelichting over de betrekkingen heeft verschaft daar het CVO niet op de hoogte zou zijn geweest van verzoekers reaffectatie. 3.
  9. Op 24 november 2017 dient verzoeker vervolgens een bezwaar- schrift in tegen zijn reaffectatie bij de Vlaamse reaffectatiecommissie. 3.
  10. Op 7 december 2017 beslist de Vlaamse reaffectatiecommissie het bezwaarschrift van verzoeker niet te aanvaarden en de gedane toewijzingen te behouden. Dat is de bestreden beslissing, die luidt: “Tijdens de vergadering van 7 december 2017 van de kamer voor het ge- subsidieerd onderwijs van de Vlaamse reaffectatiecommissie werd het be- zwaar betreffende uw reaffectatie van 1/20 Transportverzekeringen en 0,5/20 Tussenpersonen en 3/32 administratieve ondersteuning naar CVO BVS, Pleinlaan VUB te 1050 Elsene, aan de vergadering voorgelegd. Het feit dat u aangeeft niet de vaardigheden en kennis te hebben om de toe- gewezen module te doceren, en het feit dat de toegewezen module geen uit- staans heeft met de vakken die u gedurende 25 jaar heeft gegeven, kan de commissie niet aanvaarden als reden om de reaffectatie niet te laten door- gaan, aangezien u een vereist bekwaamheidsbewijs heeft voor de modules Transportverzekeringen en Tussenpersonen. Aangezien er voor u niet voldoende organieke uren ter beschikking waren, kreeg u ook nog 3/32 administratieve ondersteuning conform artikel 17 en 47bis van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffen- de de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ont- stentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toe- kenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage ‘… 5° na de toepassing van de procedure, vermeld in dit besluit, vastbe- IX-9241-3/18 noemde personeelsleden die geheel of gedeeltelijk ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking en voor wie geen reaffectatie of wedertewerkstelling mogelijk is, beschikbaar stellen als administratieve ondersteuning onder de voorwaarden vermeld in artikel 47bis.’ Hier is geen specifieke kwalificatie voor vereist. Het schoolbestuur kan in overleg met u beslissen voor welke aspecten u het meest zinvol kan ingezet worden. Een toewijzing gebeurt in een betrekking en niet in een vestigingsplaats. De commissie neemt als plaats van tewerkstelling de hoofdschool, in dit geval dus Pleinlaan 2 te Elsene. Voor de berekening van de afstand woon-werk gaat zij ook uit van de afstand woonplaats-plaats hoofdschool, in casu 52 km. In de toewijzingsbrief staat dus wel degelijk voldoende informatie. De aangehaalde verplaatsingsduur van meer dan 2 uur kan dan ook niet aan- vaard worden als geldige reden om het bezwaar te aanvaarden vermits de afstand van de woonplaats naar de school de 60km niet overschrijdt. U kan zich ook niet beroepen op het feit dat u gereaffecteerd werd in een ander net aangezien zowel het CVO Mobyus als het CVO BVS tot het ge- subsidieerd vrij onderwijs behoren. De commissie doet immers reaffectaties per karakter in het gesubsidieerd onderwijs. ‘2.
  11. Karakter Het begrip ‘karakter’ wordt ingevoerd in functie van de werkzaamheden van de Vlaamse reaffectatiecommissie en wordt als volgt gedefinieerd: ‘indeling van instellingen en scholen naargelang ze behoren tot het gesub- sidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs naargelang van de onderscheiden godsdiensten of levensbeschouwingen, of tot het ge- subsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs’.’ (omzendbrief PERS/2003/08) Er worden geen andere redenen aangehaald die door de commissie kunnen aanvaard worden als geldige reden om het bezwaarschrift te aanvaarden conform artikel 45 van het voornoemde besluit van 29 april
  12. Het bezwaarschrift wordt bijgevolg niet aanvaard. De in de eerste alinea opgenomen toewijzingen blijven behouden.” Verzoeker wordt op 19 december 2017 van die beslissing in kennis gesteld. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  13. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 45, IX-9241-4/18 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 ‘betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage’ (“reaffectatiebesluit”), van artikel 25 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 ‘houdende toepassingsmaatregelen van de werkloosheidsreglementering’ (“ministerieel besluit van 26 november 1991”), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uit- drukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het verbod van willekeur. Verzoeker voert aan dat op grond van artikel 45, 1°, van het reaffectatiebesluit iuncto artikel 25 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 een dienstbetrekking als niet passend wordt beschouwd indien de dagelijkse duur van de verplaatsing meer dan vier uur bedraagt, hetgeen wordt herleid naar twee uur indien de betrokkene ouder is dan vijftig jaar zoals in casu het geval is. Hij stelt vast dat in de bestreden beslissing niet wordt betwist dat zijn verplaat- singsduur naar Elsene langer is dan twee uur en dat de modules ‘Transportverze- keringen’ en ‘Tussenpersonen’ niet worden onderwezen in de hoofdschool in Elsene. Vervolgens wordt evenwel toch de hoofdschool beschouwd als de plaats van tewerkstelling en wordt de afstand van zijn woonplaats naar de hoofdschool in aanmerking genomen, terwijl geen enkele bepaling stipuleert dat de hoofd- school als plaats van tewerkstelling moet worden beschouwd en ook geen enkele bepaling een administratieve overheid machtigt om te oordelen over het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 45, 1°, van het reaffectatiebe- sluit iuncto artikel 25 van het ministerieel besluit van 26 november 1991, zonder enige kennis van de werkelijke plaats van tewerkstelling. Verzoeker stelt dat de Vlaamse reaffectatiecommissie in strijd met de voornoemde bepalingen van oor- deel is dat de beoordeling van de weigeringsgrond kan geschieden op basis van een fictieve plaats van tewerkstelling en dat enig onderzoek naar de werkelijke plaats van tewerkstelling niet vereist is. Voorts is verzoeker van oordeel dat de bestreden beslissing ge- IX-9241-5/18 brekkig is gemotiveerd doordat niet blijkt niet op grond van welke redengeving of berekening de bedoelde tewerkstellingsplaats kan worden bereikt binnen de gren- zen vastgelegd in de reglementering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Hij doet ook gelden dat uitgaan van een fictieve plaats van te- werkstelling niet alleen in strijd is met de letterlijke bewoordingen van de regle- mentaire bepalingen, maar ook met de geest ervan nu deze bepalingen onmisken- baar verwijzen naar een reële en niet naar een fictieve toestand. Een dergelijke fictieve beoordeling leidt volgens verzoeker in casu ook tot willekeur, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat het CVO BVS nog op andere locaties haar on- derwijsactiviteit ontwikkelt. Verzoeker benadrukt dat noch de Vlaamse reaffecta- tiecommissie, noch het betrokken CVO hem hebben meegedeeld op welke locatie de opgelegde reaffectatie zou moeten worden uitgevoerd en hij merkt op dat de Vlaamse reaffectatiecommissie het evenmin nodig heeft gevonden om in het ka- der van het onderzoek van het bezwaarschrift hieromtrent enig onderzoek uit te voeren. Het is voor verzoeker dan ook duidelijk dat de werkelijke plaats van te- werkstelling niet gekend is en dat zijn argumentatie op willekeurige en onjuiste gronden is afgewezen.
  14. Voor zover de verwerende partij doet gelden dat het aan ver- zoeker toeviel om contact op te nemen met het CVO om de precieze plaats van tewerkstelling te vernemen, repliceert verzoeker in de memorie van wederant- woord dat hij al het mogelijke heeft gedaan om te worden geïnformeerd door contact op te nemen met de Vlaamse reaffectatiecommissie en met het betrokken CVO, maar dat die hem geen bijkomende informatie konden verschaffen omtrent de betrekkingen, de werkelijke plaats van tewerkstelling en het tijdstip van te- werkstelling. Voorts merkt verzoeker op dat de verwerende partij niet betwist dat de Vlaamse reaffectatiecommissie enkel rekening heeft gehouden met een fictieve plaats van tewerkstelling en geen enkel onderzoek heeft gevoerd naar de werkelijke plaats van tewerkstelling. Verzoeker stelt dat een dergelijke handel- IX-9241-6/18 wijze een behoorlijk functionerende administratie onwaardig is en in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat de werkelijke plaats van tewerkstelling niet was gekend, kan enkel tot het besluit leiden dat de bestreden beslissing willekeurig is aangezien ze niet is gesteund op de juiste feitelijke gegevens. Er anders over oor- delen zou inhouden dat verzoeker elke rechtsbescherming wordt ontnomen. In de mate dat de verwerende partij betoogt dat na contact met het CVO is gebleken dat Vilvoorde de plaats van tewerkstelling is, dat de afstand tussen verzoekers woonplaats en het CVO 53 kilometer is en dat verzoeker de reaffectatie in geen enkele vestiging van het CVO kon weigeren omwille van de afstand, repliceert verzoeker dat een dergelijk verweer een argumentatie post fac- tum is die het ongemotiveerd, willekeurig en onzorgvuldig karakter van de be- streden beslissing niet kan wegnemen. Verzoeker voegt daaraan toe dat het ver- weer bovendien niet is onderbouwd en dat uit eigen berekeningen blijkt dat de afstand tussen zijn woonplaats en Vilvoorde meer bedraagt dan 60 kilometer.
  15. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker dat de interpre- tatie van het begrip ‘plaats van het werk’ als ‘plaats van de hoofdschool’ door niets wordt ondersteund. Artikel 25, § 4, van het ministerieel besluit van 26 no- vember 1991 is duidelijk en dient niet te worden geïnterpreteerd. Er wordt ver- wezen naar de plaats van het werk en dat is waar verzoeker zijn les- of admini- stratieve opdracht moet uitvoeren en niet de plaats van de hoofdschool waar hij niet aanwezig moet zijn. Dit impliceert ook dat moet worden meegedeeld waar de tewerkstelling concreet moet worden uitgeoefend. Er anders over oordelen zou volgens verzoeker leiden tot een uitholling van de rechten van de gereaffecteerde en het criterium van de maximale afstand tot het werk zinledig maken. Het zou, aldus verzoeker, ook leiden tot een ongeoorloofde discriminatie tussen een gere- affecteerde die wordt gereaffecteerd in een school met slechts een vestigings- plaats en een gereaffecteerde die wordt gereaffecteerd in een betrekking die wordt uitgeoefend in een school met meerdere vestigingsplaatsen, terwijl het feit dat een school meerdere vestigingen heeft een dergelijk onderscheid niet kan ver- antwoorden, temeer daar artikel 25, § 4, van het ministerieel besluit van 26 no- IX-9241-7/18 vember 1991 niet verwijst naar de schoolinstelling maar naar de plaats van het werk. De omstandigheid dat de reaffectatiecommissie reaffecteert in een betrekking en niet in een vestigingsplaats acht verzoeker niet relevant voor de interpretatie van artikel 25, § 4, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 aangezien dit niets zegt over de wijze waarop de plaats van het werk moet worden begrepen. Verzoeker wijst er tot slot op dat het begrip ‘hoofdschool’ geen decretale, wettelijke of reglementaire grondslag heeft en dat het bijgevolg niet duidelijk is hoe die term moet worden begrepen. Beoordeling
  16. Artikel 44 van het reaffectatiebesluit luidt: “§
  17. Het personeelslid dat gereaffecteerd of wedertewerkgesteld wordt, kan binnen een termijn van vijf werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het aanbod, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een bezwaar- schrift indienen tegen : […] 4° de reaffectaties en de wedertewerkstellingen door de Vlaamse reaffecta- tiecommissie bij de voorzitter van de Vlaamse reaffectatiecommissie. […] §
  18. Het personeelslid moet zijn bezwaarschrift omstandig motiveren. […].”
  19. Artikel 45, 1°, van het reaffectatiebesluit bepaalt als geldige reden voor het niet aanvaarden van een reaffectatie of wedertewerkstelling: “wanneer het gereaffecteerde of weder te werk gesteld personeelslid de te- werkstellingsplaats niet kan bereiken binnen de grenzen vastgelegd in de reglementering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Met uitzondering van het volwassenenonderwijs geldt dit niet als een per- soneelslid wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in de eigen instel- ling, met inbegrip van alle vestigingsplaatsen van deze instelling. Dit geldt evenmin als een personeelslid wordt gereaffecteerd of wederte- IX-9241-8/18 werkgesteld in een instelling of vestigingsplaats gelegen in dezelfde ge- meente als die waar het personeelslid op de vooravond van zijn terbeschik- kingstelling tewerkgesteld was;”
  20. In de artikelen 22 tot 32ter van het ministerieel besluit van 26 november 1991 worden de ‘criteria van de passende dienstbetrekking’ be- paald. Artikel 25 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 luidt: “§
  21. Een dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien zij een dagelijkse afwezigheid uit de gewone verblijfplaats ten gevolge heeft van meer dan 12 uur of indien de dagelijkse duur van de verplaatsing meer dan 4 uur bedraagt. Om de duur van de afwezigheid en van de verplaatsing te bepalen wordt re- kening gehouden met de gemeenschappelijke vervoersmiddelen en eventu- eel met de persoonlijke vervoersmiddelen die de werknemer normaal kan gebruiken. […] §
  22. Indien de afstand tussen de verblijfplaats van de werknemer en de plaats van het werk 60 km niet overschrijdt, wordt geen rekening gehouden met de duur van de afwezigheid en van de verplaatsing. […]”. Artikel 32ter van het ministerieel besluit van 26 november 1991 bepaalt: “Het passend karakter van een dienstbetrekking in hoofde van een werkloze die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft, wordt bepaald rekening houdend met de criteria opgenomen in de onderhavige afdeling en met de navermel- de bepalingen. […] In afwijking van artikel 25, § 1, eerste lid, wordt een aan een werknemer van 50 jaar of meer aangeboden dienstbetrekking als niet passend be- schouwd indien zij een gewone dagelijkse afwezigheid uit de gewone ver- blijfplaats ten gevolge heeft van meer dan 10 uur of indien de dagelijkse duur van de verplaatsing meer dan 2 uur bedraagt. […].”
  23. In omzendbrief PERS/2003/08 van 28 juli 2003 ‘De reaffecta- tie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de perso- neelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs’ (“omzendbrief PERS/2003/08”) is de voormelde reden om een reaffectatie niet te aanvaarden als volgt toegelicht: IX-9241-9/18 “- wanneer het gereaffecteerde of wedertewerkgestelde personeelslid de tewerkstellingsplaats niet kan bereiken binnen de grenzen vastgelegd in de reglementering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening; RVA-regel a. Afwezigheid: ‘Een dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien zij een gewone dagelijkse afwezigheid uit de gewone verblijfplaats ten gevolge heeft van meer dan 12 uur of indien de dagelijkse duur van de verplaat- sing gewoonlijk meer dan 4 uur bedraagt. Om de duur van de afwezigheid en van de verplaatsing te bepalen wordt rekening gehouden met de gemeenschappelijke vervoermiddelen en even- tueel met de persoonlijke vervoermiddelen die de werknemer normaal kan gebruiken.’ Concreet betekent dit dat een personeelslid een reaffectatie of wedertewerk- stelling kan weigeren als hij/zij dagelijks meer dan 12 uur afwezig is of een dagelijkse verplaatsing van meer dan 4 uur heeft. Als het personeelslid 50 jaar is of ouder, kan dit personeelslid een reaffectatie of wedertewerkstel- ling weigeren als hij/zij dagelijks meer dan 10 uur afwezig is of een dage- lijkse verplaatsing van meer dan 2 uur moet maken. b. Afstand: ‘Indien de afstand tussen de verblijfplaats van de werknemer en de plaats van het werk 60km niet overschrijdt, wordt geen rekening gehouden met de duur van de afwezigheid en van de verplaatsing’ De RVA-regel geldt niet wanneer een personeelslid wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in de eigen instelling, met inbegrip van alle vestigings- plaatsen die deze instelling heeft. Hij geldt evenmin wanneer een personeelslid wordt gereaffecteerd of we- dertewerkgesteld in een instelling of een vestigingsplaats gelegen in dezelf- de gemeente als deze waar het personeelslid op de vooravond van zijn ter- beschikkingstelling tewerkgesteld was. De RVA-regel geldt wel in het volwassenenonderwijs voor een personeels- lid dat in een andere vestigingsplaats van het eigen centrum moet worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld. Een personeelslid dat ter beschik- king wordt gesteld in een centrum voor volwassenonderwijs kan m.a.w. een reaffectatie of wedertewerkstelling weigeren in een andere vestigingsplaats van het centrum als het personeelslid de aangeboden betrekking in die ves- tigingsplaats niet kan bereiken binnen de grenzen vastgelegd in de regle- mentering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.”
  24. In zijn bezwaarschrift heeft verzoeker onder meer aangevoerd dat de reaffectatiebeslissingen geen correcte plaats van tewerkstelling bevatten aangezien in Elsene enkel taalcursussen worden gegeven zodat ze gebrekkig ge- motiveerd zijn, dat het betrokken CVO niet op de hoogte was van zijn reaffectatie en hem geen informatie kon verschaffen omtrent de plaats van tewerkstelling en IX-9241-10/18 dat in de foutieve veronderstelling dat de tewerkstelling toch in Elsene is, zijn verplaatsingsduur meer dan twee uren bedraagt hetgeen een geldige reden is om de reaffectatie niet te aanvaarden.
  25. Verzoeker gaat er evenwel aan voorbij dat artikel 25, § 4, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 bepaalt dat geen rekening wordt gehouden met de duur van de verplaatsing indien de afstand tussen de verblijf- plaats en de plaats van het werk 60 km niet overschrijdt. Zoals de verwerende partij terecht stelt, laat artikel 32ter, derde lid, van het voornoemde ministerieel besluit artikel 25, § 4, van dat besluit onverlet.
  26. In het middel betwist verzoeker niet dat de afstand van zijn woonplaats tot de plaats van de hoofdschool van het CVO in Elsene 52 kilometer bedraagt. Verzoeker voert wel aan dat de verwerende partij ten onrechte oordeelt dat de plaats van tewerkstelling de hoofdschool in Elsene is. Volgens verzoeker miskent de verwerende partij hiermee het begrip ‘plaats van het werk’ zoals bedoeld in artikel 25, § 4, van het ministerieel besluit van 26 november
  27. Noch in het ministerieel besluit van 26 november 1991, noch in omzendbrief PERS/2003/08 wordt gedefinieerd wat onder ‘plaats van het werk’ moet worden begrepen. Ook elders in de reglementering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wordt het begrip niet gedefinieerd. Uit artikel 45 van het re- affectatiebesluit en de toelichting in omzendbrief PERS/2003/08 waarin concreet wordt verwezen naar de vestigingsplaats, kan evenwel worden afgeleid dat de ‘plaats van het werk’ begrepen moet worden als de plaats van de daadwerkelijke tewerkstelling, dus daar waar de opdracht effectief wordt uitgevoerd. Het lijkt ook in overeenstemming met de geest van de regelgeving om aan te nemen dat het doel van de regel erin bestaat een te lange reële verplaatsing te vermijden. IX-9241-11/18 In zoverre wordt verzoeker bijgevallen.
  28. Daartegenover staat dat een reaffectatie in een betrekking ge- beurt en dat de reaffectatiecommissie enkel beschikt over de gegevens van de onderwijsinstelling waar de betrekking openvalt. Een vacature bij een onderwijs- instelling gaat uit van de hoofdschool van die instelling en niet van de vestigings- plaats waar de opdracht concreet wordt uitgeoefend. De reaffectatiecommissie beschikt dan ook enkel over de gegevens van de hoofdschool en niet van de ves- tigingsplaats waar de tewerkstelling daadwerkelijk gebeurt. Het valt niet aan de reaffectatiecommissie toe, om na te gaan waar de plaats van het werk zich be- vindt. De plaats van tewerkstelling vormt een onderdeel van de organisatie van het onderwijs, hetgeen toevalt aan de betrokken onderwijsinstelling zonder dat de Vlaamse reaffectatiecommissie hierin kan tussenkomen. Het is om die reden dat in een toewijzingsbrief wordt vermeld dat de gereaffecteerde contact moet opne- men met de school van reaffectatie voor een verdere concretisering van zijn op- dracht. De reaffectatiecommissie kan een reaffectatie doen zonder re- kening te houden met de afstand tussen de woonplaats van de gereaffecteerde en de daadwerkelijke plaats van tewerkstelling. Het ligt dan op de weg van de gere- affecteerde om na contact met de school van reaffectatie, waarbij de details van zijn opdracht worden meegedeeld, na te gaan of er een geldige reden zou zijn om de reaffectatie te weigeren en desgevallend die reden uiteen te zetten in een be- zwaarschrift dat omstandig gemotiveerd moet zijn. Zo kan de betrokkene middels het bezwaarschrift de reaffectatiecommissie ervan in kennis stellen dat de plaats van het werk op meer dan 60 kilometer van zijn woonplaats gelegen is en dat de verplaatsingsduur meer dan twee uren bedraagt. De bewijslast ter zake ligt bij het gereaffecteerde personeelslid. De reaffectatiecommissie dient niet ambtshalve over te gaan tot een onderzoek, in tegenstelling tot wat verzoeker laat uitschijnen.
  29. In casu is verzoeker in de toewijzingsbrieven van 20 november 2017 uitgenodigd om contact op te nemen met het CVO BVS in Elsene. Verzoe- IX-9241-12/18 ker heeft dit naar eigen zeggen daags na de ontvangst van de reaffectatiebeslis- singen – op 23 november 2017 – gedaan en stelt dat het betrokken CVO niet op de hoogte was van verzoekers reaffectatie. Die stelling – waarvan verzoeker niet het bewijs levert – doet vragen rijzen, aangezien de reaffectatiebrieven gelijktij- dig aan de gereaffecteerde en de betrokken onderwijsinstelling zijn verzonden, zodat het CVO gelijktijdig met verzoeker op de hoogte zou moeten zijn van diens reaffectatie. In aanmerking genomen dat de reaffectatie nog geen twee weken later een aanvang zou nemen, lijkt het ook weinig waarschijnlijk dat het betrok- ken CVO verzoeker die dag ook niet in het algemeen kon meedelen in welke ves- tigingsplaats de modules ‘Transportverzekeringen’ en ‘Tussenpersonen’ worden onderwezen en waar dus de tewerkstelling daadwerkelijk zou plaatsvinden. De Raad van State stelt daarbij vast dat zelfs indien verzoekers bewering correct is, verzoeker in ieder geval heeft verzuimd om later het CVO nogmaals te contacte- ren met een vraag om uitleg – hoewel daar nog de tijd voor was alvorens de ter- mijn voor het indienen van een bezwaarschrift verstreken zou zijn – zodat hij met kennis van zaken zijn bezwaarschrift kon opstellen. Verzoeker heeft er daarente- gen voor geopteerd om daags nadien reeds een bezwaarschrift in te dienen bij de Vlaamse reaffectatiecommissie.
  30. Verzoeker heeft in dat bezwaarschrift dus niet verduidelijkt waar de plaats van het werk is. Evenmin heeft hij aangevoerd dat de plaats van het werk meer dan zestig kilometer van zijn woonplaats is verwijderd. Hij heeft enkel aangevoerd dat zijn verplaatsingsduur naar Elsene meer dan twee uren be- draagt. In die omstandigheden vermocht de reaffectatiecommissie, uit- gaande van de gegevens waarover zij beschikte en de door verzoeker in zijn be- zwaarschrift voorgelegde gegevens, stellen dat de “toewijzing gebeurt in een be- trekking en niet in een vestigingsplaats”, dat “[d]e commissie […] als plaats van tewerkstelling de hoofdschool [neemt], in dit geval dus Pleinlaan 2 te Elsene”, dat “[v]oor de berekening van de afstand woon-werk […] zij ook [uitgaat] van de afstand woonplaats-plaats hoofdschool, in casu 52 km” en dat “[d]e aangehaalde IX-9241-13/18 verplaatsingsduur van meer dan 2 uur […] dan ook niet aanvaard [kan] worden als geldige reden om het bezwaar te aanvaarden vermits de afstand van de woon- plaats naar de school de 60 km niet overschrijdt”. Zoals reeds uiteengezet diende de reaffectatiecommissie hierbij niet te onderzoeken in welke vestigingsplaats van de onderwijsinstelling de mo- dules ‘Transportverzekeringen’ en ‘Tussenpersonen’ worden onderwezen. Het is de onderwijsinstelling die instaat voor de concrete organisatie en het valt aan ver- zoeker toe om in het kader van zijn bezwaarschrift desgevallend te doen gelden en te bewijzen dat de plaats van het werk zich op meer dan zestig kilometer van zijn woonplaats bevindt, hetgeen verzoeker dus niet heeft gedaan. Vanuit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht, kon de Vlaamse reaffectatiecommissie er in de bestreden beslissing dan ook mee vol- staan, te stellen dat er geen geldige redenen worden aangehaald om het bezwaar- schrift te aanvaarden en dat de opgenomen toewijzingen behouden blijven. Om deze redenen is er evenmin sprake van willekeur door de reaffectatiecommissie.
  31. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  32. Het tweede middel is genomen uit de schending van de artike- len 2 en 3 van de formelemotiveringswet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het verbod van willekeur. Verzoeker voert aan dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat hij een “vereist bekwaamheidsbewijs heeft voor de modules Transportverze- keringen en Tussenpersonen” terwijl nergens wordt uiteengezet welke de vereiste bekwaamheidsbewijzen voor die modules zijn en dit niettegenstaande hij in zijn IX-9241-14/18 bezwaarschrift had uiteengezet dat hij ter zake over geen enkele kwalificatie be- schikt. Voorts doet verzoeker gelden dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat er “geen specifieke” kwalificatie vereist is voor administratieve ondersteuning terwijl nergens wordt uiteengezet welke niet-specifieke kwalifica- tie vereist is – of anders gezegd welke “algemene kwalificatie” – en dit niettegen- staande hij in zijn bezwaarschrift had uiteengezet dat hij ter zake over geen enke- le kwalificatie beschikt. De stelling dat “het schoolbestuur in overleg met u kan beslissen voor welke aspecten u het meest zinvol ingezet kan worden” acht ver- zoeker nietszeggend en een loutere bewering. Hij merkt op dat nergens wordt toegelicht in wiens hoofde het zinvol karakter moet worden beoordeeld. Verzoeker klaagt ook aan dat niets wordt bepaald omtrent het tijdstip waarop de betrekking dient te worden vervuld en evenmin over het on- derwijsniveau van de betrekking zodat hij niet kan nagaan of de combinatie met zijn hoofdberoep mogelijk is. Verzoeker besluit dat hij door het voormeld gebrek aan motive- ring zelf op zoek moet gaan naar het vereist bekwaamheidsbewijs of de algeme- ne kwalificatie om zicht te kunnen krijgen op de beweegredenen van de bestreden beslissing, hetgeen in strijd is met de formelemotiveringswet.
  33. Voor zover de verwerende partij doet gelden dat verzoeker via het internet op zoek kon gaan naar de vereiste bekwaamheidsbewijzen, repliceert verzoeker in de memorie van wederantwoord dat dit een motivering post factum betreft die het ongemotiveerd, willekeurig en onzorgvuldig karakter van de be- streden beslissing niet wegneemt. Er wordt in de bestreden beslissing nergens uiteengezet welke de vereiste bekwaamheidsbewijzen zijn en waarom zijn argu- mentatie werd verworpen. Wat betreft de “administratieve ondersteuning (niet organiek IX-9241-15/18 ambt elektronisch doorsturen met code 165)”, benadrukt verzoeker dat nergens wordt uiteengezet welke algemene kwalificatie vereist is en dat hij geen algeme- ne of specifieke kwalificatie heeft om te worden ingezet in het kader van het in- formaticabeheer.
  34. In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog dat het louter ont- kennen van een argument geen toereikende motivering uitmaakt. Hij benadrukt ook dat hij geheel onwetend was wat werd bedoeld met de zinsnede ‘elektronisch doorsturen met code 165’ en dat noch de Vlaamse reaffectatiecommissie, noch het betrokken CVO, hem daaromtrent enige verduidelijking kon verschaffen. Beoordeling
  35. In de toelichting bij het middel verduidelijkt verzoeker niet op welke wijze, naar zijn oordeel, de bestreden beslissing in strijd is met het zorg- vuldigheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Het middel is in die mate onont- vankelijk.
  36. Verzoeker betwist niet dat hij over een diploma van licentiaat in de rechten en een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikt. Overeenkomstig de bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Re- gering van 23 april 2010 ‘betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de salaris- schalen voor de personeelsleden van de centra voor volwassenenonderwijs’, be- schikt verzoeker daarmee over het vereist bekwaamheidsbewijs om de modules ‘Transportverzekeringen’ en ‘Tussenpersonen’ te onderwijzen. Het volstaat dat in de bestreden beslissing wordt uiteengezet naar welke modules verzoeker wordt gereaffecteerd en dat daaromtrent wordt gesteld dat verzoeker “een vereist bekwaamheidsbewijs heeft”. De Vlaamse reaf- fectatiecommissie diende niet bijkomend te verwijzen naar het voormelde besluit van de Vlaamse regering. IX-9241-16/18
  37. De Vlaamse reaffectatiecommissie heeft verzoeker op 20 no- vember 2017 eveneens gereaffecteerd naar het CVO BVS voor “3/32 administra- tieve ondersteuning (niet organiek ambt elektronisch doorsturen met code 165)”. In de bestreden beslissing wordt verzoekers bezwaar hieromtrent als volgt beant- woord: “Aangezien er voor u niet voldoende organieke uren ter beschikking waren, kreeg u ook nog 3/32 administratieve ondersteuning conform artikel 17 en 47bis van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffen- de de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ont- stentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toe- kenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage; ‘... 5° na de toepassing van de procedure, vermeld in dit besluit, vastbe- noemde personeelsleden die geheel of gedeeltelijk ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking en voor wie geen reaffectatie of wedertewerkstelling mogelijk is, beschikbaar stellen als administratieve ondersteuning onder de voorwaarden vermeld in artikel 47bis.’ Hier is geen specifieke kwalificatie voor vereist. Het schoolbestuur kan in overleg met u beslissen voor welke aspecten u het meest zinvol kan ingezet worden.” De Vlaamse reaffectatiecommissie wijst er duidelijk op dat voor deze opdracht geen specifieke kwalificatie – versta: geen kwalificatie waar- van betwijfeld kan worden of verzoeker die heeft – vereist is. Verzoeker kan moeilijk ernstig beweren dat uit de zinsnede ‘elektronisch doorsturen met code 165’ zou blijken dat van hem een specifieke kwalificatie in het informatiebeheer wordt verwacht. Zoals reeds bij de beoordeling van het eerste middel is uiteenge- zet, valt de organisatie van het onderwijs toe aan de betrokken onderwijsinstelling zonder dat de Vlaamse reaffectatiecommissie hierin kan tussenkomen. De reaf- fectatiecommissie had dan ook niet de bevoegdheid om in de plaats van het schoolbestuur uit te maken voor welke taken verzoeker kan worden ingezet. In dit opzicht volstaat de hiervoor vermelde motivering.
  38. Tot slot dient te worden vastgesteld dat verzoeker in zijn be- zwaarschrift geen enkele bezwaar heeft geuit omtrent de onduidelijkheid van het tijdstip waarop de betrekking dient te worden uitgeoefend, noch omtrent het on- IX-9241-17/18 derwijsniveau. Bovendien valt het aan het schoolbestuur toe hieromtrent meer duidelijkheid te verschaffen. In de bestreden beslissing diende hier bijgevolg niet nader te worden op ingegaan.
  39. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
  40. De Raad van State verwerpt het beroep.
  41. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen november tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9241-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.