id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.874 Rolnummer: A. 232175/VII-40948 Zaak: Arrest 248874 - Natuurbehoud - Vergunningen - 10/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-13 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.874 van 10 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 248.874 van 10 november 2020 in de zaak A. 232.175/VII-40.948 In zake: de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse Steenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 november 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de adjunct-directeur adviezen & vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos van 14 september 2020 houdende een kapmachtiging in openbaar bos. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 november
- VII-40.948-1/9 Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Stijn Van Hulle, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 10 september 2020 dient een regiobeheerder een aanvraag tot kapmachtiging in voor de boomsoorten grove den, Amerikaanse vogelkers en eik, tamme kastanje en esdoorn op een perceel gelegen in het Heverleebos, kadastraal gekend als Oud-Heverlee, afdeling 1, sectie B, nr.
- De aanvraag vermeldt dat het om een dunningskap van 15¨% gaat en verwijst naar de bijgevoegde tabel waarin de te kappen bomen zijn opgenomen." 3.
- Het betrokken perceel is gelegen in het Habitatgebied “Valleien van de Dijle, Laan en IJse met aangrenzende bos- en moerasgebieden” (hierna: SBZ). Volgens de partijen ligt het perceel ook in VEN-gebied. 3.
- Bij besluit van 14 september 2020 verleent de adjunct-directeur adviezen & vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos de gevraagde kapmachtiging op grond van de volgende motieven: VII-40.948-2/9 “- Het betreft een bos in eigendom van Agentschap voor Natuur en Bos, Havenlaan 86, 1000 Brussel, recentelijk aangekocht en daardoor niet opgenomen in het beheerplan van Heverleebos; - Een aanvraag werd ingediend op 10/09/2020, door voormelde eigenaar, vertegenwoordigd door Patrick Huvenne, regiobeheerder, geregistreerd onder dossiernummer 20-217775 - Deze kapmachtiging heeft betrekking op Heverleebos, deel waarvoor geen goedgekeurd beheerplan is. Het betreft een kapping in het kader van regulier bosbeheer. - overwegende dat de voorziene kappingen niet zijn opgenomen in het goedgekeurde beheerplan maar aansluiten bij dat beheerplan; - overwegende dat de kappingen bijdragen aan de doelstellingen van het beheerplan en aan de instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone - overwegende dat de bestanden inderdaad zijn gelegen in de speciale beschermingszone Valleien van de Dijle, Laan en IJse met aangrenzende bos- en moerasgebieden. Overwegende dat de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit van 23 april 2014 de volgende bosdoelen aangeven voor het gebied: behoud en waar mogelijk uitbreiding van de bestaande habitatvlekken. Verbeteren van de horizontale en verticale structuur, met bijzondere aandacht voor open plekken en interne en externe bosranden. De betreffende percelen bevinden zich in zone met habitat. De kapping betreft geen ontbossing maar omvat een weloverwogen dunning die zich kadert binnen een verder omvormingsbeheer om het tot doel gestelde habitat te ontwikkelen. De kapping heeft dan ook geen negatieve impact op het bereiken van de habitatdoelen, noch wat betreft de aanwezige of tot doel gestelde soorten, noch wat betreft het foerageergebied van de aanwezige of tot doel gestelde soorten. Er kan mogelijk een tijdelijk effect zijn op de broed- of rustplaatsen van de tot doel gestelde beschermde soorten. Dit effect wordt als niet-significant beschouwd indien de milderende maatregelen opgenomen als voorwaarden in dit besluit worden opgevolgd. De aangevraagde kapmachtiging zal geen betekenisvolle aantasting veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van de SBZ, ze zal in tegendeel bijdragen aan de gestelde opgaven. - Overwegende dat de bestanden zijn gelegen in een VEN gebied. - overwegende dat de voorziene kappingen geen wijziging in de vegetatie tot gevolg zullen hebben (‘vegetatiewijziging’ in juridische zin zoals bedoeld in het Natuurdecreet en bijhorende uitvoeringsbesluiten), noch een ruimtebeslag vertegenwoordigen, noch een ontbossing inhouden, noch een omgevingsvergunningsplichtige activiteit, noch een andere activiteit die een voortoets vereist; - overwegende dat uit vorige beide punten volgt dat een passende beoordeling niet nodig is; - overwegende dat de kappingen niet waren voorzien in het beheerplan omdat het perceel toen nog geen eigendom was/pas later verworven werd; VII-40.948-3/9 […] Artikel
- Aan het Agentschap Natuur en Bos wordt machtiging verleend om kappingen uit te voeren als voorzien in de tabel: Kadastrale Oppervlakte Soort Aard Motivatie ligging Oud-Heverlee, 1,4 ha Grove den, Amerikaanse Dunningskap Dunningskap in het kader afdeling 1, vogelkers en van regulier bosbeheer als sectie B nr 328 Amerikaanse eik, tamme selectieve hoogdunning kastanje, esdoorn Art.
- De machtiging is geldig vanaf de datum van ondertekening tot en met 31 maart
- Art.
- De machtiging kan worden uitgeoefend onder de volgende voorwaarden: 1° Tijdens het uitvoeren kopie van deze machtiging bij zich hebben; 2° Om verstoring van broedgevallen te vermijden, mag niet worden geveld of geruimd tijdens de standaard schoontijd van 1 april tot en met 30 juni; 3° Tijdens het vellen en ruimen moet het overige loofhout, de onderetage en de inheemse natuurlijke verjonging maximaal gespaard blijven; 4° De kapping mag in geen geval leiden tot een vermindering van de huidige bosoppervlakte; 5° Om schade bij de velling te beperken zal een verbod gelden op vellen van loofhout van 1 juli tot en met 31 augustus; 6° als door de dunningskapping open plaatsen ontstaan in het bos dienen deze beschouwd te worden als tijdelijke open plekken die spontaan opnieuw kunnen toegroeien door een natuurlijke verjonging. De dunning wordt door het Agentschap zo aangetekend dat dergelijke plekken beperkt in omvang zullen zijn. 7° Het is verboden om ingrijpende wijzigingen en beschadigingen aan de bodem, de strooisel- en kruidlaag toe te brengen; [...]”. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-40.948-4/9 Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij zet uiteen dat zij bij toeval kennis heeft genomen “van het feit dat er een openbare houtverkoping is voorzien op 22 oktober 2020, ondertussen is doorgegaan en dat er een kapmachtiging werd verleend voor een bosperceel gelegen in het Heverleebos […] nr 328, met een oppervlakte van 1,4 ha”. Zij stelt dat de kapmachtiging vermeldt “dat de kappingen zullen worden uitgevoerd als voorzien in de tabel” maar dat “niet duidelijk blijkt over welke tabel, gevoegd bij de houtverkoop van 22 oktober 2020 het gaat, aangezien de kadastrale nummering niet terug te vinden is in de tabellen en ook niet op de bijgevoegde kaarten van de houtverkoop in het Heverleebos” en dat de houtverkoop “ondertussen blijkbaar reeds [is] doorgegaan”. Zij merkt op dat de schoontijd “ten einde [loopt] op 30.06.2020” en “vreest dat na 30.06.2020 de kap van de bomen binnenkort zal doorgaan […] met onherstelbare schade tot gevolg”. Zij besluit dat een gewone vordering tot schorsing niet zal leiden tot een arrest “nog vooraleer er mogelijks zal gekapt worden” omdat de “exploitatietermijn volgens de verkoopsvoorwaarden […] geen begindatum voorop[stelt], doch enkel een einddatum, zijnde 31.12.
- Er kan derhalve onmiddellijk worden gekapt”.
- De verwerende partij repliceert dat de verzoekende partij nalaat “uiteen te zetten waarom deze kapping voor haar enig nadeel zou teweegbrengen, dat haar maatschappelijk doel zou in het gedrang brengen. Er kan immers niet zo maar worden aangenomen dat het streven naar het behoud van de natuur en bos, elke dunning of kapping van bomen zou verhinderen of dat dit de verwezenlijking van het maatschappelijke doel van de verzoekende partij zou verhinderen. De verzoekende partij voert niet aan welk belang in het gedrang komt. Des te meer kan dit zo maar niet worden aangenomen wanneer het een deel van een domeinbos betreft dat wordt beheerd door een instelling die specifiek is VII-40.948-5/9 opgericht voor een duurzaam bosbeheer. […] Wanneer een dergelijk nadeel niet op een geloofwaardige wijze wordt aannemelijk gemaakt, of zoals in casu totaal niet wordt uiteengezet door de verzoekende partij, kan er ook geen sprake zijn van enige hoogdringendheid, noch dat de behandeling van de zaak onverenigbaar zou zijn met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging. ”. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 “tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State”, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. VII-40.948-6/9
- Indien kan worden aangenomen dat de verzoekende partij het nodige heeft gedaan om eventuele schade te voorkomen, moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat de verzoekende partij nalaat concreet uiteen te zetten welk nadeel haar treft of dreigt te treffen door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de kapmachtiging. De regel dat zo’n nadeel niet kan worden vermoed, geldt des te meer nu bij eenvoudige lezing van de bestreden beslissing blijkt dat: - het om “een kapping in het kader van regulier bosbeheer” gaat die aansluit bij het goedgekeurd beheerplan waarin het betreffende bosperceel om administratieve reden niet is opgenomen; - de kapmachtiging moet “bijdragen aan de doelstellingen van het beheerplan en aan de instandhoudingsdoelstellingen” voor voormelde SBZ; - de “bosdoelen” volgens voormelde instandhoudingsdoelstellingen zijn: “behoud en waar mogelijk uitbreiding van de bestaande habitatvlekken”, “verbeteren van de horizontale en verticale structuur, met bijzondere aandacht voor open plekken en interne en externe bosranden”; - de kapmachting “geen ontbossing” is maar opgevat wordt als “een weloverwogen dunning die zich kadert binnen een verder omvormingsbeheer om het tot doel gestelde habitat te ontwikkelen” zodat de kapping “geen negatieve impact [heeft] op het bereiken van de habitatdoelen, noch wat betreft de aanwezige of tot doel gestelde soorten, noch wat betreft het foerageergebied van de aanwezige of tot doel gestelde soorten”; - overwogen wordt dat een “mogelijk […] tijdelijk effect op de broed- of rustplaatsen van de tot doel gestelde beschermde soorten […] als niet-significant [wordt] beschouwd indien de milderende maatregelen opgenomen als voorwaarden in dit besluit worden opgevolgd” en dat de kapmachtiging “geen betekenisvolle aantasting [zal] veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van de SBZ, ze zal in tegendeel bijdragen aan de gestelde opgaven”; - de kapmachtiging beperkt wordt tot de soorten grove den, Amerikaanse vogelkers en eik, tamme kastanje en esdoorn op het perceel nr. 328 dat een VII-40.948-7/9 oppervlakte heeft van 1,4 ha en gemotiveerd wordt door “selectieve hoogdunning” in het kader van een regulier bosbeheer; - voorwaarden van de kapmachtiging betrekking hebben op het vermijden van “verstoring van broedgevallen”, het maximaal gespaard blijven van “het overige loofhout, de onderetage en de inheemse natuurlijke verjonging”, het vermijden van “een vermindering van de huidige bosoppervlakte”, het beperken van “schade bij velling […] van loofhout”, het in omvang beperken van open plaatsen zodat “tijdelijke open plekken […] spontaan opnieuw kunnen toegroeien door een natuurlijke verjonging”, en het verbieden van “ingrijpende wijzigingen en beschadigingen aan de bodem, de strooisel- en kruidlaag”. Op basis van deze in de kapmachtiging vervatte gegevens kan, zonder enige concrete toelichting of commentaar hierop van de verzoekende partij die volgens haar statuten “het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden” tot doel heeft, niet worden aangenomen dat de verzoekende partij heeft aangetoond dat de zaak voor haar een uiterst dringend karakter heeft.
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VII-40.948-8/9 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-40.948-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.874 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.474 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div