← België

Arrest 248891 - Jacht - Vergunningen - 12/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.891 Rolnummer: A. 232131/VII-40943 Zaak: Arrest 248891 - Jacht - Vergunningen - 12/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-13 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:21 Fiche Arrest nr 248.891 van 12 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 248.891 van 12 november 2020 in de zaak A. 232.131-VII-40.943 In zake:

  1. de VZW WILDBEHEEREENHEID DE REYNAERT
  2. Lionel DEFININ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten An-Sofie Debersaques en Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jannick Poets en Joris De Pauw kantoor houdend te 3500 Hasselt Kempische Steenweg 303, bus 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 2 november 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de administrateur-generaa1 van het Agentschap voor Natuur en Bos van 23 oktober 2020 waarbij de jacht op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs wordt verboden vanaf 23 oktober 2020 op alle jachtterreinen van de wildbeheereenheid De Reynaert tijdens het jachtseizoen 2020-2021 dat aanvangt op 1 juli 2020 en eindigt op 30 juni
  4. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.943-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november
  6. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaten An-Sofie Debersaques en Sven Boullart, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaten Jannick Poets en Britt Vanherck, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De eerste verzoekende partij is een, op grond van artikel 12, eerste lid van het Jachtdecreet van 24 juli 1991, erkende wildbeheereenheid (hierna: WBE) waarvan het werkingsgebied jachtterreinen in Gent, Lochristi, Lokeren, Wachtebeke en Zelzate omvat. 3.
  9. Artikel 29 van het Jachtdecreet bepaalt dat het te allen tijde verboden is wild uit te zetten tenzij de Vlaamse regering hierop met het oog op het behoud van wildsoorten uitzonderingen toestaat. Overeenkomstig artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 „houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend’ (hierna: Jachtvoorwaardenbesluit) kan het Agentschap voor Natuur en Bos beslissen om de jacht op een kleinwildsoort te sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde WBE, onder meer - in het eerste lid, 3° - “als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE”. VII-40.943-2/7 3.
  10. Op 14 oktober 2020 stelt de natuurinspectie van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat Roy Raemdonck in zijn bestelwagen 100 fazanten en 25 patrijzen vervoert. Betrokkene verklaart dat hij de bedoeling had om de fazanten en patrijzen uit te zetten op het jachtterrein waarvan zijn vader Joeri Raemdonck, lid van de eerste verzoekende partij, jachtrechthouder is. 3.
  11. Op 23 oktober 2020 neemt de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos de thans bestreden beslissing waarbij op alle jachtterreinen van de WBE De Reynaert tijdens het jachtseizoen 2020-2021 de jacht op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs wordt verboden vanaf 23 oktober
  12. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  13. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de verzoekende partijen
  14. De eerste verzoekende partij zegt als erkende wildbeheereenheid te handelen “vanuit de aard van haar statutair doel”, te weten het bijdragen aan “de handhaving en de ontwikkeling van een ecologisch verantwoord wildbestand als onderdeel van een rationeel verantwoord faunabeheer”, waarbij wordt gestreefd naar “het behoud van het evenwicht van het bestand binnen elk type aan wildsoort, maar ook naar het behoud van het evenwicht van het bestand en leefgebied van het ene type aan wildsoort ten opzichte van het ander type aan wildsoort” en naar een “gezond evenwicht van de populaties t.o.v. de menselijke actoren die wildschade VII-40.943-3/7 kunnen lijden”. Zij vervolgt dat de bestreden beslissing er aan in de weg staat dat haar goedgekeurd faunabeheerplan kan worden gerealiseerd, inzonderheid wat betreft de populaties haas, patrijs en fazant. In dit verband wijst zij erop dat de bejaging van voormelde soorten slechts “zeer kortstondig” mag plaatsvinden, voor patrijs uiterlijk tot 14 november 2020, voor haas en fazanthen uiterlijk tot 31 december 2020 en voor fazanthaan uiterlijk tot 31 januari
  15. De eerste verzoekende partij stelt dat dit jachtseizoen het laatste is om de in het geldende faunabeheerplan, dat loopt tot 1 juli 2021, vooropgestelde evenwichtsdoelstellingen voor de wildsoorten haas, patrijs en fazant te realiseren. Om voormelde redenen besluit zij dat de bestreden beslissing “zeer ingrijpende” nadelige gevolgen heeft voor het nastreven van haar statutaire doelstellingen. Tweede verzoeker stelt dat hij sinds vele jaren de jacht beoefent. Hij wijst op zijn leeftijd van 79 jaar waardoor hij zich “spreekwoordelijk in de herfst van zijn leven” bevindt, terwijl de bestreden beslissing hem de gelegenheid ontneemt om “tijdens de laatste jaren die het hem fysiek nog mogelijk maakt om te jagen op kleinwild” . Volgens tweede verzoeker zou de lopende jachtperiode “door zijn vergevorderde leeftijd wel zijn laatste jachtperiode kunnen zijn”, des te meer wegens het risico op ziekte “door het thans alomtegenwoordige Covid 19-virus [dat] zoals algemeen bekend, sneller aanslaat bij risicopatiënten, waaronder personen op leeftijd”. Het grieft hem verschrikkelijk dat hij zijn jachtpassie tijdens het lopende jachtseizoen niet meer kan uitoefenen “te meer gezien zijn leeftijd hem tot risicopatiënt voor een besmetting met het Covid 19-virus maakt en het net nu in het najaar 2020 door de experten en wetenschappers enorm wordt aangeraden om buiten te recreëren teneinde het risico op besmetting te reduceren”. Beoordeling
  16. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in VII-40.943-4/7 die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging onherroepelijk te laat zal komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
  17. In zoverre de eerste verzoekende partij aanvoert dat zij binnen haar werkingsgebied instaat voor de “handhaving en de ontwikkeling van een ecologisch verantwoord wildbestand als onderdeel van een rationeel verantwoord faunabeheer” en zij luidens artikel 4 van haar statuten onder meer tot doel heeft om “te werken voor het behoud en de verbetering van de wildstand en zijn leefgebied” en “een wildbeheer te realiseren […] mee gekoppeld met het natuurbeleid”, wordt in de eerste plaats vastgesteld dat het uitzetten van wild, in dit geval fazanten en patrijzen, door het Jachtdecreet verboden wordt precies met het oog op “het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden”, zoals vooropgesteld VII-40.943-5/7 door artikel 2 van hetzelfde decreet. De miskenning van dat verbod in het werkingsgebied van de eerste verzoekende partij was voor het Agentschap voor Natuur en Bos de concrete aanleiding om de bestreden beslissing te nemen ten einde de beschermingsdoelstellingen van artikel 2 van het Jachtdecreet te vrijwaren. Bovendien wordt niet ingezien welke onherroepelijke schadelijke gevolgen de WBE zou moeten ondergaan als zij slechts enkele van haar talrijke statutaire doelstellingen (tijdelijk) niet meer zou kunnen nastreven. Waar zij voorts aanvoert dat de bestreden beslissing er aan in de weg staat dat zij de doelstellingen van haar faunabeheerplan tegen de sluiting van het lopende jachtseizoen kan realiseren, inzonderheid op het vlak van het behoud van het evenwicht tussen de diverse wildbestanden door een actief populatiebeheer via bejaging, toont zij niet op overtuigende wijze aan dat een kortstondig jachtverbod op de kleinwildsoorten fazant, haas en patrijs, leidt tot een dermate onevenwichtige toestand in de wildpopulaties die op termijn een onoverkomelijke bedreiging vormt voor de leefgebieden van de betrokken wildsoorten. Voorts belet de bestreden beslissing niet dat de eerste verzoekende partij bij het opmaken van het nieuwe faunabeheerplan voor de periode na 1 juli 2021, rekening houdt met de effecten van het bestreden jachtverbod op de diverse wildpopulaties. Daarbij geldt als slotbedenking dat het niet of niet volledig behalen van een in een faunabeheerplan opgenomen doelstelling, op zich geen onherroepelijk schadelijk gevolg uitmaakt.
  18. De kortstondige onmogelijkheid om een hobby of een vrijetijdsbesteding uit te oefenen is in beginsel geen onherstelbaar schadelijk gevolg dat toelaat beroep te doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het komt aan de verzoeker toe inzichtelijk en aannemelijk te maken dat hij zich een uitzonderlijke situatie bevindt die maakt dat een beroep op die procedure te rechtvaardigen is. Hoewel tweede verzoeker wijst op zijn hoge leeftijd en zijn levensfase omschrijft als “de herfst van zijn leven”, lijkt het de Raad van State ongepast te speculeren over zijn levensverwachting bij de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering. Het volstaat op te merken dat de kans om ingevolge overlijden niet meer aan een volgend VII-40.943-6/7 jachtseizoen te kunnen deelnemen, helaas geldt voor iedere jager ongeacht zijn leeftijd en ongeacht de verspreiding van een dodelijk virus. Tot slot verhindert de bestreden beslissing helemaal niet dat tweede verzoeker aan buitenrecreatie doet, weze het ongewapend en met respect voor de regels van social distancing.
  19. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt de vordering.
  21. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Peter Sourbron VII-40.943-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.891 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.