id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.917 Rolnummer: A. 230452/XIV-38308 Zaak: Arrest 248917 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 13/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-01 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.917 van 13 november 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.917 van 13 november 2020 in de zaak A. 230.452 /XIV-38.308 In zake: Johan RENDERS woonplaats kiezend te 3360 Bierbeek Molensteenstraat 2 tegen: de POLITIEZONE 5391 BIERBEEK-BOUTERSEM- HOLSBEEK-LUBBEEK, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Gendt kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Hans VANDERVEKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Antwerpen Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 30 maart 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de politieraad van de politiezone Bierbeek-Boutersem-Holsbeek-Lubbeek om “[de tussenkomende partij] te benoemen tot commissaris van politie”. XIV-38.308-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 29 mei 2020 heeft de tussenkomende partij gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt, advocaat Pomelien Vancaudenberg, die loco advocaat Tom De Gendt verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Valérie De Bruyckere, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de Politiezone Bierbeek-Boutersem-Holsbeek-Lubbeek. Hij beschikt over een brevet van officier XIV-38.308-2/12 en heeft zich reeds meermaals kandidaat gesteld voor het ambt van commissaris van politie. Een eerste keer in het kader van de mobiliteitscyclus 2016-01, reeksnummer 0759 van 26 mei 2016 waarbij hij “ongeschikt” werd bevonden, beslissing waartegen verzoeker het beroep tot nietigverklaring gekend onder het nummer A. 219.468/XIV-37.069 heeft ingediend en dat geleid heeft tot „s Raads arrest nr. 244.849 van 19 juni
- Een tweede keer in het kader van de mobiliteitscyclus 2017-03, reeksnummer 0763 van 26 oktober 2017, waarbij hij “ongeschikt” werd bevonden, beslissing waartegen verzoeker een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend dat bij de Raad van State is gekend onder het nummer A. 224.515/XIV-37.
- 3.
- In het kader van de mobiliteitsoproep 2018-03, reeksnummer 0681 van 20 juni 2018 stelt verzoeker zich opnieuw kandidaat voor de vacature van commissaris van politie. Verzoeker is de enige kandidaat. Hij wordt op 9 november 2018 door de selectiecommissie ongeschikt bevonden, wat hem bij aangetekend schrijven van 20 november 2018, waarbij het proces-verbaal van de selectie is gevoegd, wordt meegedeeld. Daarbij wordt hem tevens meegedeeld, met verwijzing naar artikel VII.III.28 RPPol, dat een gemotiveerd bezwaarschrift kan worden ingediend bij de selectiecommissie, hetgeen verzoeker ook doet. Op 3 december 2018 neemt de politieraad kennis van de beslissing van de selectiecommissie dat deze verzoeker ongeschikt heeft bevonden en dat verzoeker hiertegen een bezwaarschrift heeft ingediend. Op 14 februari 2019 heeft de selectiecommissie verzoekers bezwaarschrift ontvankelijk bevonden doch verworpen. Deze beslissing wordt XIV-38.308-3/12 diezelfde dag nog aan verzoeker betekend. Er wordt in gesteld dat de selectiecommissie beslist, eensdeels, om (1.) haar eerdere beoordeling niet te wijzigen en bij haar beslissing te blijven dat verzoeker ongeschikt is voor de vacante betrekking van commissaris, coördinator operaties en, anderdeels, (2.) dat het dossier met negatieve beoordeling zal worden voorgelegd aan de politieraad, “die discretionair en autonoom, op basis van de stukken in het dossier, uiteindelijk een beslissing zal nemen. Het bezwaar en antwoord op dit bezwaar maken deel uit van dit dossier.” 3.
- Vervolgens, zoals blijkt uit het uittreksel van de notulen van de vergadering van de politieraad van 5 juni 2019 dat de politieraad, wat de mobiliteitsoproep 2018-03, reeksnummer 0681 betreft, “besluit” dat hij “kennis [neemt] van de beslissing van de selectiecommissie d.d. 14.02.2019” en dat hij er tevens kennis van neemt “dat er geen geschikte kandidaat is”. 3.
- Verzoeker is opnieuw kandidaat voor het ambt van commissaris van politie in het kader van de mobiliteitsoproep 2019-03, reeksnummer
- Zowel verzoeker als de tussenkomende partij, die aspirant-commissaris is, stellen zich kandidaat. Beide kandidaten worden gehoord door de selectiecommissie, die op 24 september 2019 de tussenkomende partij “geschikt”, en verzoeker “ongeschikt” beoordeeld voor de vacante functie “officier operaties”. Met een brief van 7 oktober 2019 van de voorzitter van de selectiecommissie die aan verzoeker wordt betekend met een aangetekende zending van 16 oktober 2019 en waarbij het beoordelingsverslag van de selectiecommissie is gevoegd, wordt aan verzoeker meegedeeld dat de selectiecommissie hem “ongeschikt” heeft bevonden, dat de politieraad hiervan op 27 november 2019 in kennis zal worden gesteld en dat verzoeker binnen de tien dagen een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij de selectiecommissie. XIV-38.308-4/12 Verzoeker dient tegen deze beslissing van de selectiecommissie geen bezwaarschrift in. 3.
- Op 27 november 2019 beslist de politieraad dat “[de tussenkomende partij] in plaats [wordt] gesteld in de politiezone Lubbeek in het kader van de mobiliteitscyclus 2019-03 reeksnummer 0667 als commissaris van politie, officier operaties”, met dien verstande dat deze zijn ambt zal opnemen na het beëindigen van zijn opleiding, ten vroegste op 1 maart
- Dit is de bestreden beslissing waarvan verzoeker de schorsing vordert. Verzoeker kreeg kennis van deze beslissing door een interne e-mail van 2 maart 2020 van de tussenkomende partij die zijn eerste werkdag in zijn nieuwe functie als commissaris van politie meldt, evenals via een dienstmededeling van 6 maart 2020 betreffende de “[t]aakinvulling officieren binnen PZ Lubbeke” waarbij de aanstelling van de tussenkomende partij tot commissaris wordt bekendgemaakt. Op 6 april 2020, dit is na het indienen van de voorliggende vordering tot schorsing, betekent de verwerende partij deze beslissing nog aan verzoeker, met vermelding van de modaliteiten waaronder en de termijn waarbinnen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingediend. 3.
- Nog op 6 april 2020 wordt met een afzonderlijk schrijven van de verwerende partij aan verzoeker alsnog kennis gegeven van de sub 3.
- vermelde beslissing van de politieraad van 5 juni 2019 in het kader van de mobiliteitsronde 2018-03 en worden hem tevens de modaliteiten waaronder en de termijn waarbinnen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingediend, meegedeeld. XIV-38.308-5/12 IV. Tussenkomst
- De tussenkomende partij blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek worden ingewilligd. V. Precisering van het voorwerp van de vordering tot schorsing
- Met zijn op 30 maart 2020 ingediende enig verzoekschrift benaarstigt verzoeker de nietigverklaring door de Raad van State zowel van “1) het besluit van de politieraad van de politiezone Bierbeek-Boutersem-Holsbeek -Lubbeek om stilzwijgend te weigeren [verzoeker] te benoemen tot Commissaris van politie” (dit is de sub 3.
- vermelde beslissing die hem inmiddels, dit is op 6 april 2020, is meegedeeld (cfr. sub 3.6.)) als van “2) het besluit van de politieraad van de politiezone Bierbeek-Boutersem-Holsbeek-Lubbeek om [de tussenko- mende partij] te benoemen tot Commissaris van politie.” ” (dit is de sub 3.
- vermelde beslissing) Met hetzelfde verzoekschrift vordert verzoeker enkel de schorsing van de tenuitvoerlegging van de sub 3.
- vermelde beslissing van de politieraad van de politiezone Bierbeek-Boutersem-Holsbeek-Lubbeek om de tussenkomende partij te benoemen tot commissaris van politie in het kader van de eerdergenoemde mobiliteitsronde
- Deze beslissing wordt hierna aangeduid als “de bestreden beslissing”. Het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing is door verzoeker uitdrukkelijk daartoe beperkt en wordt hierna in die zin behandeld. VI. Ontvankelijkheid van het beroep
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een XIV-38.308-6/12 onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VII. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VIII. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- Verzoeker zet in zijn verzoekschrift uiteen dat het “onder andere gelet op de leeftijd van verzoeker” duidelijk is dat de professionele loopbaan van verzoeker ernstig wordt geschaad “indien de huidige onrechtvaardigheden niet snel worden rechtgezet”. Verzoeker stelt dat de “waarschijnlijke” vernietiging van beide beslissingen van de politieraad “niet [zal] kunnen verhinderen dat verzoeker nog gedurende jaren „Eerste Inspecteur‟ moet blijven in plaats van „Commissaris‟”. Een vernietiging zal evenmin verhinderen dat hij de eerste jaren nog als ondergeschikte van de tussenkomende partij zal moeten werken. Zonder een voorafgaande schorsing zou het tijdsverloop van de vernietigingsprocedure ten gronde “automatisch met zich mee brengen dat de onwettige situatie de facto gedurende jaren blijft bestaan”. Een schorsing van de beslissing van de benoeming van de tussenkomende partij tot commissaris van politie binnen de politiezone Bierbeek-Boutersem-Holsbeek-Lubbeek, “minstens tot op het ogenblik dat [verzoeker] zelf tot commissaris van politie in deze Politiezone benoemd is”, is volgens verzoeker noodzakelijk en verantwoord. XIV-38.308-7/12 Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. XIV-38.308-8/12
- Verzoeker verzuimt concrete gegevens aan te brengen die de spoedeisendheid van de vordering in zijn hoofde aantonen. In zoverre verzoeker ter staving van de spoedeisendheid de “waarschijnlijke” vernietiging betrekt niet alleen van de bestreden beslissing waarvan hij de onmiddellijke schorsing van de tenuitvoerlegging vordert maar ook van de weigeringsbeslissing om hem tot commissaris te benoemen in het kader van de mobiliteitsronde 2018-03 met reeksnummer 0681 - waarvan hij (enkel) de vernietiging benaarstigd -, omwille van hun onwettigheid, betreft dit een argument dat betrekking heeft op de schorsingsvoorwaarde van de ernst van de middelen, terwijl de voorwaarde van de spoedeisendheid een schorsingsvoorwaarde is die afzonderlijk moet worden onderzocht. De onwettigheden die tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de spoedeisendheid te verantwoorden. Bovendien blijkt uit verzoekers uiteenzetting dat hij de spoedeisendheid verantwoord acht door het vooruitzicht op zijn eigen benoeming als commissaris. Hij meent dat een schorsing van de bestreden benoemingsbeslissing tot op het ogenblik dat hijzelf is benoemd “noodzakelijk en verantwoord” is. Nochtans blijkt een spoedige benoeming van verzoeker niet mogelijk. Immers, in zoverre verzoeker nog zou hopen op een benoeming als commissaris van politie in het kader van de mobiliteitscyclus 2019 (waarin de tussenkomende partij tot commissaris van politie werd benoemd), kan hij niet worden bijgevallen. Verzoeker heeft immers nagelaten om in het kader van het georganiseerd bestuurlijk beroep een bezwaarschrift in te dienen tegen de beslissing van de selectiecommissie waarbij deze hem “ongeschikt” heeft bevonden. Deze beslissing van de selectiecommissie van 7 oktober 2019 in het kader van de mobiliteitscyclus 2019 is aldus een eindbeslissing die definitief is. Artikel 54, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ (hierna: de WGP) bepaalt immers dat de niet in artikel 53 bedoelde officieren van de lokale politie worden benoemd door de gemeente- of door de politieraad onder “de door een XIV-38.308-9/12 selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten” zodat verzoeker, die ongeschikt is beoordeeld, niet meer in aanmerking komt voor een benoeming tot commissaris van politie in het kader van de mobiliteitscyclus
- In zoverre verzoeker nog de benoeming als commissaris van politie beoogt in het kader van de mobiliteitscyclus 2018, moet worden vastgesteld dat die benoeming in voorkomend geval evenmin spoedig kan volgen vermits verzoeker niet de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing in het kader van de mobiliteitscyclus 2018 vordert (cfr. supra punt 5.). Een arrest ten gronde in deze zaak kan nog enige tijd op zich laten wachten vermits zij zich nog maar in een beginfase bevindt. Bovendien heeft de gebeurlijk tussen te komen nietigverklaring van de beslissing waarbij verzoeker “ongeschikt” werd beoordeeld in het kader van de mobiliteitscyclus 2018 niet automatisch tot gevolg dat verzoeker dan “geschikt” is en tot commissaris van politie wordt benoemd. Dat verzoeker nog gedurende jaren als „Eerste Inspecteur‟ zal moeten blijven werken is aldus mede veroorzaakt door zijn eigen handelen, enerzijds door in de mobiliteitscyclus 2019 geen bezwaar tegen de beslissing van de selectiecommissie in te dienen, en anderzijds door de beslissing in het kader van de mobiliteitscyclus 2018 niet in zijn voorliggende vordering tot schorsing te betrekken. In de mate waarin uit verzoekers uiteenzetting nog moet worden afgeleid dat verzoeker een nadeel ziet in het feit dat hij in de toekomende jaren als ondergeschikte van de tussenkomende partij zal moeten functioneren, concretiseert hij geenszins waarom hij hierdoor ernstig wordt geschaad. In zoverre hij daarin een moreel nadeel ziet, wordt niet aangetoond waarom een gebeurlijk tussen te komen vernietigingsarrest, de daaruit voortvloeiende genoegdoening en het te verlenen rechtsherstel hem geen genoegdoening zou verschaffen. Elke deelnemer aan een selectie- of mobiliteitsprocedure moet rekening houden met de kans of het risico dat hij niet slaagt of niet geschikt wordt bevonden voor de te begeven functie en dat hij in voorkomend geval een andere wending aan zijn loopbaan moet geven. Dit gegeven op zich toont niet aan dat verzoeker daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. XIV-38.308-10/12
- Besluit van wat voorafgaat, is dat verzoeker nalaat de noodzakelijke specifieke gegevens aan te brengen die in concreto aantonen dat de zaak voor hem spoedeisend is.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. IX. Kosten
- Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
- Het verzoek van Hans Vanderveken tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. XIV-38.308-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien november tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.308-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.917 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.457 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div