id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.921 Rolnummer: A. 232170/XIV-38520 Zaak: Arrest 248921 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 13/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-20 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.921 van 13 november 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 248.921 van 13 november 2020 in de zaak A. 232.170/XIV-38.520 In zake: 1. de CONFEDERATIE VAN IMMOBILIËNBEROEPEN (CIB) VLAANDEREN 2. FEDERIA ABSL 3. Nico NEVEJANS 4. Chantal BEINE 5. de NV DEWAELE VASTGOEDDIENSTEN 6. de BVBA CRYPTX IMMOBILIËN 7. de NV HILLEWAERE VASTGOED 8. de NV ERA BELGIUM 9. de NV CENTURY 21 BENELUX 10. de NV AGENCE ROSSEEL 11. TREVI SA 12. de CVBA EV BRUGGE 13. de BV VANSWEEVELT MAKELAARS 14. de NV DE BOER & PARTNERS IMMOBILIËN GROEP 15. IMMO DE LAET 16. LIVING STONE 17. IMMO VERCAMMEN 18. de BVBA IMMO POINT NETWORK 19. IMMO FRANÇOIS 20. de NV DERMUL VASTGOED EN BEHEER 21. VASIR SA 22. de BVBA SINJOOR MAKELAAR 23. de BV VASTGOED GILLIS & PARTNERS 24. de BV JANSSEN EN JANSSEN IMMOBILIEN 25. SPRL PATRIMOINE ET PROPRIETE 26. de BV IMMO TOYE 27. de BV ERA SERVIMO 28. de BV IMMO FRATI 29. de BV DACO INVEST 30. de BVBA INNOA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hanna BIEBAUW en Meindert GEES kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen XIV-38.520- 1/21 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 4 november 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “1. [d]e mededeling van het kabinet van de minister van Binnenlandse zaken van 1 november 2020 om 17u39 met de vermelding: ‘Immos moeten dicht enkel online’; 2. [d]e frequently asked questions zoals van toepassing vanaf 2 november 2020 waar zij verzoekers viseren; 3. [het] [m]inisterieel besluit van 1 november 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken”.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november 2020 om 14.30 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. XIV-38.520- 2/21 Advocaten Hanna Biebauw en Meindert Gees, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaten Simon Claes, Thomas Eyskens en Junior Geysens, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met het dispositief overeenstemmend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Zoals de verzoekende partijen uiteenzetten, wordt België sedert medio maart 2020 geconfronteerd met de wereldwijde coronaviruspandemie. De verwerende partij wordt ertoe genoodzaakt, zoals de overheden in vele andere landen, om de noodzakelijke, bijwijlen ingrijpende en drastische maatregelen te nemen om die pandemie in te dijken. Bij artikel 1 van het ministerieel besluit van 13 maart 2020 ‘houdende de afkondiging van de federale fase betreffende de coördinatie en het beheer van de crisis coronavirus COVID-19’ is de federale fase van het nationaal noodplan afgekondigd. Dit ministerieel besluit is diezelfde dag in werking getreden. Om deze pandemie te bestrijden, werd in de maanden maart, april en mei 2020 in België een algemene lockdown afgekondigd. Deze lockdown heeft geleid tot een totale sluiting van de meeste bedrijfssectoren, waaronder de vastgoedsector. Bij een ministerieel besluit van 18 maart 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ wordt een “thuisblijfplicht” afgekondigd, niet-essentiële winkels en XIV-38.520- 3/21 ondernemingen moeten sluiten, telethuiswerk voor niet-essentiële bedrijven wordt (in regel) verplicht, enzovoort. Concreet leidt dit ertoe, wat de vastgoedsector betreft, dat geen huisbezoeken meer kunnen plaatsvinden. Het genoemde ministerieel besluit van 18 maart 2020 wordt meermaals gewijzigd respectievelijk vervangen, maar de lockdown-maatregelen blijven in essentie ook gehandhaafd in april en (deels) mei 2020 en hebben gemeen, variërend in functie van de ernst en omvang van de pandemie, het aantal menselijke verplaatsingen en contacten tijdelijk te beperken om de verspreiding van het virus tegen te gaan. 3.2. Na die periode van strikte lockdown in het voorjaar kon de sociale, culturele en economische activiteit vanaf mei geleidelijk en gradueel worden hervat, in verschillende mate en met verschillende ritmes. De principiële sluiting van de ondernemingen en dienstverleners wordt vervangen door een voorwaardelijke toelating om diensten aan te bieden aan consumenten, in overeenstemming met een hele reeks gezondheidsregels die worden vastgesteld bij opeenvolgende ministeriële besluiten, genomen na advies van adviesorganen en na beraadslaging in onder meer de Ministerraad. De in acht te nemen sanitaire voorzorgsmaatregelen worden veelal per bedrijfssector in een zgn. sectorprotocol nader bepaald, ook wat de vastgoedsector betreft. Met het ministerieel besluit van 5 juni 2020 wordt de eerdergenoemde veralgemeende “thuisblijfplicht” (na enkele eerdere gerichte versoepelingen) opgeheven waardoor - niet-essentiële - verplaatsingen weer mogelijk worden, althans in zoverre die niet leiden tot door het ministerieel besluit verboden samenscholingen of activiteiten. Wat de vastgoedsector betreft kunnen de activiteiten, met inbegrip van plaats- en huisbezoeken, dan ook worden hervat op voorwaarde dat de strikte gezondheidsmaatregelen worden nageleefd om de verspreiding van het virus te beperken. XIV-38.520- 4/21 3.3. Bij de aanvang van de zomervakantie brengt het ministerieel besluit van 30 juni 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ - in het licht van de zgn. exit-strategie - verdere versoepelingen, steeds met inachtneming van de vereiste sanitaire maatregelen. Na het zomerreces blijkt echter dat de epidemiologische situatie opnieuw zorgen baart. Sedert eind september heeft de steeds snellere toename van het aantal besmettingen de verwerende partij ertoe aangezet om opeenvolgende nieuwe en strengere noodmaatregelen te nemen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, wat onder meer gebeurt bij ministeriële besluiten van 18, 23 en 28 oktober 2020. Beoogd wordt te vermijden dat de ziekenhuizen en meer in het bijzonder de diensten voor intensieve zorg niet langer in staat zouden zijn om in de vereiste gezondheidszorgen te voorzien. 3.4. Omdat er na de maatregelen genomen bij het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 nog steeds geen noemenswaardige verbetering was waar te nemen van de epidemiologische situatie en die door de adviserende organen, mede gelet op de druk op de ziekenhuizen, als “dramatisch” wordt aangezien, neemt de minister van Binnenlandse Zaken op 1 november 2020 een nieuw ministerieel besluit ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna: het ministerieel besluit van 1 november 2020). De maatregelen zijn overeenkomstig artikel 12 van toepassing tot en met 13 december 2020. Het ministerieel besluit van 1 november 2020 voert een zgn. ‘lockdown light’ in wat onder meer inhoudt dat een huishouden in huis maximaal één persoon tegelijk mag ontvangen, dat die persoon een duurzaam onderhouden nauw contact is dat minstens zes weken dezelfde blijft, dat handelszaken en winkels (in beginsel) gesloten zijn, dat bedrijven en openbare diensten open blijven, mits naleving van de verplichtingen inzake telewerk, mondmasker en XIV-38.520- 5/21 social distancing, dat huis-aan-huis verkoop verboden is, dat niet-medische contactberoepen dienen te sluiten, dat telethuiswerk opnieuw verplicht is bij alle ondernemingen, verenigingen en diensten voor alle personeelsleden, tenzij dit onmogelijk is omwille van de aard van de functie of de continuïteit van de bedrijfsvoering, de activiteiten of de dienstverlening, enzovoort. 3.5. Wat de vastgoedsector betreft, zijn vooral van belang de artikelen 3 en 6 van het genoemde ministerieel besluit van 1 november 2020 waarbij artikel 5 respectievelijk artikel 8 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 worden gewijzigd. Artikel 3 van het ministerieel besluit van 1 november 2020 wijzigt artikel 5 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 als volgt: “Onverminderd artikel 8, oefenen de ondernemingen en verenigingen die goederen of diensten aanbieden aan consumenten hun activiteiten uit overeenkomstig het protocol of de daartoe op de website van de bevoegde overheidsdienst bekendgemaakte minimale algemene regels. [...]" Bij artikel 6 van het ministerieel besluit van 1 november 2020 wordt in artikel 8 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 een paragraaf 3 toegevoegd die luidt: “[…] § 3. De onderdelen van ondernemingen en verenigingen die diensten aanbieden aan consumenten zijn gesloten voor het publiek, met inbegrip van dienstverlening aan huis, zoals onder meer: 1° de schoonheidssalons; 2° de niet-medische pedicurezaken; 3° de nagelsalons; 4° de massagesalons; 5° de kapperszaken en barbiers; 6° de tatoeage- en piercingsalons. In afwijking van het eerste lid, mogen de handelszaken, private en publieke bedrijven en diensten die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de vitale belangen van de Natie en de behoeften van de bevolking bedoeld in de bijlage van dit besluit hun dienstverlening fysiek verderzetten, onverminderd de artikelen 2 en 5.” Tot die in de bijlage opgenomen bedrijven en diensten “die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de vitale belangen van de Natie en de XIV-38.520- 6/21 behoeften van de bevolking” behoren onder meer de notarissen, de landmeters-experts en de (erkende) sociale huisvestingsmaatschappijen doch niet de vastgoedkantoren. Dit ministerieel besluit van 1 november 2020 is het derde bestreden besluit. 3.6. Teneinde de bevolking wegwijs te maken in de van kracht zijnde maatregelen, beheert de FOD Volksgezondheid de webpagina "www.infocoronavirus.be". Op deze webpagina wordt een lijst bijgehouden met veelvoorkomende vragen “Frequently asked questions” (hierna ook ‘FAQ’). In deze FAQ, versie van 2 november 2020 om 13.30 uur, zoals van toepassing vanaf 2 november 2020 luidt het antwoord op vraag 13: “13. Mogen immo-agentschappen hun activiteiten verder zetten? Immo-agentschappen zijn niet opgenomen in de bijlage van het ministerieel besluit en mogen dus geen publiek ontvangen. Plaatsbezoeken of huisbezichtingen in het kader van een verkoop of verhuur zijn niet toegestaan.” Dit is het tweede door de verzoekende partijen bestreden besluit. Inmiddels is dit onderdeel van de FAQ als volgt gewijzigd: “13. Mogen immo-agentschappen hun activiteiten verder zetten? Immo-agentschappen mogen geen publiek ontvangen, tenzij in het kader van professionelen en dit enkel op afspraak. Plaatsbezoeken of huisbezichtigingen in het kader van een verkoop of verhuur aan particulieren zijn dus niet toegestaan. Het nakomen van wettelijke verplichtingen, zoals bijvoorbeeld de opmaak van een plaatsbeschrijving bij de aanvang van een huurovereenkomst, blijft wel mogelijk.” 3.7. Tot slot, vorderen de verzoekende partijen de schorsing van “de mededeling van het kabinet van de minister van Binnenlandse zaken van 1 november 2020 om 17u39 met de vermelding “immos moeten dicht enkel online.”. Het betreft in wezen een e-mail die uitgaat van (een medewerkster van) het kabinet van de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, XIV-38.520- 7/21 Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, gericht aan de tweede verzoekende partij, waarin wordt gesteld : “[…] Les FAQ ont été rédigées et le Cabinet intérieur dit ceci: Immos moeten dicht enkel online” [vrij vertaald “[…] De FAQ zijn aangepast en het Kabinet van Binnenlandse Zaken zegt hierover: Immos moeten dicht enkel online.”. Dit is het eerste bestreden besluit. IV. Voorwerp van de vordering 4. De verzoekende partijen bestrijden formeel het integrale ministerieel besluit van 1 november 2020. Rekening houdend met de uiteenzetting van hun belang en in het licht van de aangevoerde middelen, moet evenwel het voorwerp van de vordering, zoals ze is ingesteld, geacht worden in essentie beperkt te zijn tot artikel 6 van het derde bestreden besluit in zoverre het aan artikel 8 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 een nieuwe paragraaf 3 toevoegt, aldus geïnterpreteerd dat deze maatregel inhoudt dat het de vastgoedmakelaar verbiedt “plaatsbezoeken” te verrichten. Het is ook op deze onmogelijkheid om nog langer “plaatsbezoeken” te verrichten of uit te voeren dat de verzoekende partijen het “ernstig, actueel en persoonlijk nadeel” betrekken dat zij ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid aanvoeren. De vordering wordt hierna, aldus begrepen, beoordeeld. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien XIV-38.520- 8/21 de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid 7. In het verzoekschrift wordt uiteengezet, wat zowel de eerste, de tweede als de vijfde tot en met de dertigste verzoekende partij betreft, dat het “geen betoog behoeft dat de vastgoedsector nu al zwaar te lijden heeft onder het maandenlange verbod van hun activiteiten”. Deze verzoekende partijen beroepen zich op een financieel nadeel omdat zij worden geconfronteerd met, eensdeels, een enorme financiële schade en, anderdeels, een acuut gevaar van concurrentievervalsing en een dreigend verlies aan personeel. Wat het aangevoerde omzetverlies betreft brengen zij één stavingsstuk bij dat uitgaat van de vijfde verzoekende partij en cijfers weergeeft die betrekking hebben op die verzoekende partij en “representatief [zijn] voor alle makelaarskantoren”. Daaruit moet blijken dat de omzet van de vijfde verzoekende partij gedurende de lockdown van het voorjaar 2020 terugviel op 20% van de normale omzet. In april 2020 waren er zo goed als geen transacties in de verkoop-portefeuille, wat luidens de uiteenzetting toont dat de mogelijkheid tot “plaatsbezoeken” in rechtstreeks verband staat met de omzet. Het aantal transacties daalde in april met 23% en in XIV-38.520- 9/21 mei met 29,7%. Het verbod van “plaatsbezoeken” maakt het voor makelaars ook onmogelijk om nieuwe panden in portefeuille te nemen zodat dit “naderhand ook niet kan worden hersteld” en resulteert in een definitief omzetverlies, in hoofde van de vijfde verzoekende partij gaat het voor een periode zonder “plaatsbezoeken” zeker om 60% van de omzet die definitief kwijt is. Daarnaast stellen zij dat zij, in vergelijking met notarissen, architecten en landmeters-experts, een concurentieel nadeel lijden omdat zij geen “plaatsbezoeken” kunnen doen voor verkoop, verhuur en taxering met het oog op het aanleggen van nieuwe listings van panden terwijl dergelijke “plaatsbezoeken” aan die andere beroepsgroepen wel zijn toegestaan. Voor verhuurtransacties geldt eenzelfde trend: “geen fysieke “plaatsbezoeken” betekent geen verhuurtransacties”. Derde verzoeker en vierde verzoekster roepen in het ingediende verzoekschrift de nadelige psychische gevolgen in die zij lijden door de onmogelijkheid een “plaatsbezoek” te verrichten waardoor elk perspectief ontbreekt om tijdig een nieuwe, gepaste en betaalbare huurwoning te vinden, dit is vooraleer zij hun huidige woonst moeten verlaten. De onzekerheid over wanneer de vastgoedmarkt zijn normale werking kan hervatten, in combinatie met de onzekerheid over de duurtijd van de coronacrisis verantwoordt de uiterst dringende noodzakelijkheid. Specifiek wat derde verzoeker betreft, wordt aangevoerd dat hij zijn woning moet verlaten tegen uiterlijk 30 november 2020. Omdat er slechts sprake is van “één knuffelcontact buiten eigen gezin” is het voor die verzoeker vóór de afloop van de huidige maatregelen (voorlopig voorzien tot 13 december) en binnen zijn termijn die hem door de nieuwe eigenaars werd gelaten (30 november), onmogelijk om een nieuwe woning te bezichtigen en naderhand effectief ook te huren. Door het voorziene verbod op “plaatsbezoek” met een vastgoedmakelaar die binnen de sanitaire maatregelen van de voorhanden zijnde protocollen plaats kan vinden, staat derde verzoeker voor een onwezenlijk moeilijke taak. Het louter digitaal bezichtigen om nadien een woninghuurovereenkomst af te sluiten, is niet van die aard dat hij zich op een terdege wijze kan vergewissen van de plaatselijke toestand waardoor hij wordt “veroordeeld tot het blind huren of verplicht tot een illegaal “plaatsbezoek” bij een XIV-38.520- 10/21 particulier waarbij hij geen enkele garantie heeft op het respecteren van enige sanitaire maatregel”. Vierde verzoekster bevindt zich in een vergelijkbare situatie met dien verstande dat zij op 30 september 2020 vernam dat zij haar huurwoning moet verlaten tegen uiterlijk 1 januari 2021. Beide verzoekers ervaren “een rechtmatige vrees voor schade van enig belang, waarbij de verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen”. De onzekerheid en volledige disproportionaliteit van de opgelegde maatregel verantwoorden de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering wat hen betreft. Beoordeling 8. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen XIV-38.520- 11/21 om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). 9. Door hun vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen binnen drie dagen na publicatie van de bestreden handeling, hebben de verzoekende partijen de vereiste diligentie betoont. Dit volstaat op zich evenwel niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.