← België

Arrest 248923 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 16/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.923 Rolnummer: A. 230509/XIV-38314 Zaak: Arrest 248923 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 16/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-01 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.923 van 16 november 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.923 van 16 november 2020 in de zaak A. 230.509 /XIV-38.314 In zake: Alex VOSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dimitri Dedecker en Rob Trips kantoor houdend te 8000 Brugge Maria Van Bourgondiëlaan 33 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL-HOOFDSTAD-ELSENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie Claeys kantoor houdend te 1742 Ternat Heidestraat 28 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 april 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de korpschef van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene van 28 februari 2020, betekend op 17 maart 2020, tot kennisgeving van een ordemaatregel op basis van artikel 44 WPA, houdende herplaatsing van [verzoeker] van de dienst „FOR‟ naar de dienst „GZW/Mercure‟”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.314-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rob Trips, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Kristof Lauwers, die loco advocaat Sophie Claeys verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is eerste inspecteur bij de verwerende partij waar hij een functie uitoefent als „specialist geweldbeheersing-dwang met vuurwapen‟ en als „wapenmaker‟ bij de dienst „FOR‟, cel geweldbeheersing. 3.
  6. Op 28 oktober 2019 betekent HCP [F.M.], dienstdoende korpschef, een voorstel van maatregel tot herplaatsing van verzoeker naar de dienst „Mercure/GZW‟ op grond van artikel 44 van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ (hierna: de WGP). Dit voorstel is in essentie ingegeven door enerzijds een gebrek aan flexibiliteit van verzoeker naar de dienst en anderzijds zijn gezondheidstoestand (rugproblematiek) waardoor hij een aantal vrijstellingen geniet waaronder geen lasten dragen van meer dan 10 kilo, geen dracht van een kogelwerende vest. XIV-38.314-2/10 3.
  7. Op 31 oktober 2019 dient verzoeker een verweerschrift in tegen de voorgestelde maatregel tot herplaatsing en vraagt hij om te worden gehoord. 3.
  8. Op 28 november 2019 wordt verzoeker gehoord en op 28 februari 2020 beslist HCP [M.G.], korpschef van de politiezone “de verplaatsing van de [verzoeker], inspecteur van politie, naar de dienst Mercure te bevestigen.” Verzoeker ondertekent deze beslissing op 17 maart 2020 voor kennisname. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  10. Inzake het spoedeisend karakter zet verzoeker in zijn verzoekschrift uiteen dat de herplaatsing voor hem tot de volgende nadelige gevolgen leidt zodat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep af te wachten. Vooraf wijst hij er op dat de korpschef nalaat uiteen te zetten waarom de herplaatsing naar de dienst „Mercure‟ de minst ingrijpende XIV-38.314-3/10 maatregel is. Als nadelig gevolg verwijst verzoeker vooreerst naar het “verlies van inconveniënten”: zijn herplaatsing leidt ertoe dat hij geen opleidingen meer mag verstrekken. Verzoeker heeft de sleutels die toegang verlenen tot de verdieping van de cel opleidingen en het bureau van de cel „dwang met vuurwapen‟ reeds moeten inleveren, wat leidt tot het verlies van de premie „opleider‟, dit is, in het concrete geval, een nettoverlies van 248,83 euro per maand. Vervolgens verwijst hij naar de “extra sociale belasting”: bij de dienst „FOR‟ werkte verzoeker volgens een regelmatig uurrooster (38-urenstelsel, overwegend van 07.30 tot 15.36 uur, terwijl hij bij de dienst „Mercure‟ in een ploegenstelsel werkt, waarbij prestaties worden verricht in wisselende diensten van acht uur, zowel in de week als in het weekend, hetgeen een onmiskenbare weerslag op zijn sociale leven heeft. Verzoeker wijst tevens op het “verlies van opgebouwde expertise” binnen de cel „geweldbeheersing‟ omdat hij deze niet kan aanwenden binnen de dienst „Mercure‟ zodat hij zijn geattesteerde kennis en kunde niet op peil kan houden. Tot slot, zoekt verzoeker de spoedeisendheid te verantwoorden in de “medische belasting” die de herplaatsing voor hem betekent. Hij stelt dat hij na de medische ingreep aan zijn rug wordt opgevolgd. De arbeidsgeneesheer gaf op het ogenblik van zijn werkhervatting op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling onder de rubriek F. „Aanbevelingen en voorstellen van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer in verband met de tewerkstellingsvoorwaarden, de aanpassingen en preventiemaatregelen met betrekking tot de werkpost of activiteit‟ als aanbeveling: “binnendienst. Vermijd manifestaties en elk risico op agressie.”, dit voor de periode vanaf 24 maart 2020 tot 25 mei
  11. De beschrijving van de dienst „Mercure‟ valt met die aanbeveling en derhalve met de bestreden herplaatsing niet te rijmen. Bij de dienst „FOR‟ kon verzoeker zijn taken blijven uitvoeren, volstrekt in de lijn met het medisch advies, terwijl hij binnen de dienst „Mercure‟ blootgesteld wordt aan het risico op agressie en de draagplicht van een kogelwerende vest. XIV-38.314-4/10 Beoordeling
  12. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  13. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. XIV-38.314-5/10
  14. In de mate waarin verzoeker vooraf bemerkt dat de korpschef niet verduidelijkt waarom een herplaatsing naar de dienst „Mercure‟ de minst ingrijpende maatregel is, valt niet in te zien hoe dit argument de spoedeisendheid kan aantonen. De vraag daargelaten of dit niet wordt verduidelijkt, toont zulks nog niet aan dat de herplaatsing verzoeker in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen plaatst. In de mate verzoeker daarin een onwettigheid of onzorgvuldigheid zou ontwaren, moet worden opgemerkt dat een aangevoerde onwettigheid of onzorgvuldigheid niet volstaan om te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarden die moet zijn vervuld.
  15. In zoverre verzoeker het “verlies van inconveniënten” inroept, beroept hij zich op een financieel nadeel. Het inroepen van een financieel nadeel volstaat op zich niet om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders als bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financieel nadeel een zodanige impact heeft op de situatie van verzoeker dat hij deze niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde. Uit de stavingsstukken die verzoeker bijbrengt, blijkt dat hij in de maanden januari en februari 2020 voor zijn prestaties telkens een nettobedrag van 3.039,17 euro ontving, dit is met inbegrip van de premie „opleider‟, en dat hij na zijn herplaatsing voor de maand maart 2020 nog een bedrag van 2.790, 34 euro ontving (zonder premie „opleider‟), hetzij een netto verlies van 248,83 euro per maand, hetzij ongeveer 8% van hetgeen hij voorheen netto verdiende. Men kan bezwaarlijk voorhouden dat een verlies van 8% een zodanige impact heeft op de situatie van verzoeker dat hij deze niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde. Verzoeker toont een dergelijke impact ook niet aan noch waarom dat in zijn geval uitzonderlijk anders zou zijn. Het door verzoeker aangehaalde financieel nadeel toont de spoedeisendheid van de vordering niet aan.
  16. Hetzelfde geldt voor de “extra sociale belasting” waarop verzoeker zich beroept. Wat de overschakeling van een regelmatig uurrooster naar een ploegenstelsel die de herplaatsing voor hem inhoudt, waarbij ook XIV-38.314-6/10 weekenddiensten moeten worden gepresteerd, beperkt verzoeker zich ertoe te stellen dat dit “een onmiskenbare weerslag op zijn sociale leven heeft”. Dat de herplaatsing een weerslag op zijn sociale leven heeft, laat zich verstaan maar toont op zich niet aan dat verzoeker zich door die omschakeling van arbeidsregime in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen bevindt die verantwoorden dat de uitspraak ten gronde niet kan worden afgewacht. Een verzoeker mag zich ter staving van de spoedeisendheid niet beperken tot algemeenheden, maar dient concrete elementen aan te brengen die ook worden gestaafd opdat het de rechter zou toelaten na te gaan of de gevolgen van de bestreden beslissing verzoeker definitief en onherroepelijk ernstige schade berokkenen.
  17. Wat het “verlies van opgebouwde expertise” binnen de dienst „FOR‟ betreft, brengt verzoeker attesten bij die getuigen van zijn kennis en kunde en die hij niet zal kunnen op peil houden binnen de dienst „Mercure‟. Zoals verzoeker zelf aangeeft betreft het geattesteerde, verworven kennis en kunde die door zijn herplaatsing niet verdwijnt of ongeldig wordt. Dat hij zijn jarenlange expertise zou verliezen in afwachting van een uitspraak ten gronde, lijkt niet meer dan een loutere bewering. Niet blijkt, minstens concretiseert hij dit niet, dat hij deze kennis en kunde na een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing niet snel kan actualiseren en aldus “op peil” kan brengen. Met de argumentatie die een verzoeker voor het eerst tijdens de terechtzitting aanvoert, mag geen rekening worden gehouden. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. Er mag aldus door de Raad van State enkel rekening gehouden worden met hetgeen een verzoeker in zijn verzoekschrift over de spoedeisendheid uiteenzet én staaft. In de mate verzoeker te dezen ter terechtzitting alsnog tracht te beargumenteren dat “niet te snel mag worden besloten” dat de verworven expertise nadien “zomaar” kan worden heropgenomen omdat de opleidingen die hij heeft gevolgd en de expertise die hij heeft verworven inzake het herstellen van wapens - XIV-38.314-7/10 mede omwille van de technologische evoluties en verregaande specialisatie - precies vereist dat hij daarmee dagdagelijks bezig is, dat hij weliswaar nog kan deelnemen aan schietoefeningen maar niet langer als monitor enzovoort, kan de Raad van State niet anders dan vaststellen dat de concrete, specifieke elementen die de spoedeisendheid beogen te staven in het verzoekschrift zelf moeten worden uiteengezet en niet achteraf. Wanneer een verzoeker er zich, zoals te dezen, in zijn verzoekschrift toe beperkt om in zeer algemene bewoordingen te stellen dat hij door zijn herplaatsing zijn expertise niet kan aanwenden en zodoende zijn geattesteerde kennis en kunde niet op peil kan houden, kan hij een dergelijke vaagheid niet achteraf “invullen” om de spoedeisendheid van de vordering alsnog te verantwoorden. In het licht van wat voorafgaat, de feitelijke gegevens en de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, ziet de Raad van State niet welke “onherroepelijke schadelijke gevolgen” verzoeker inzake “verlies van expertise” te lijden heeft ingevolge de herplaatsing, in afwachting van een uitspraak ten gronde.
  18. In zoverre verzoeker zich tot slot beroept op de “medische belasting” in zijn nieuwe dienst „Mercure‟, verwijst hij naar de aanbeveling van de arbeidsgeneesheer naar aanleiding van zijn werkhervatting na een medische ingreep. In het door verzoeker bijgebrachte stuk 9 “Formulier voor de gezondheidsbeoordeling” van 26 februari 2020 leest de Raad van State niet dat de arbeidsgeneesheer zou hebben aanbevolen onder punt F. “Binnendienst. Vermijd manifestaties en elk risico op agressie”, dit voor de periode van 24 maart 2020 tot 25 mei
  19. In het genoemde formulier leest de Raad van State onder punt F. - anders dan verzoeker doet - dat de aanbeveling luidt: “Vanaf 26/02/2020 Tot 25/05/2020”: “Geen manifestaties” en “Geen ordediensten”. In ieder geval blijkt uit deze aanbeveling niet dat verzoeker “elk risico op agressie” moet vermijden. Uit de functiebeschrijving binnen de dienst „Mercure‟ waarnaar verzoeker verwijst, blijkt dat deze dienst instaat voor de bewaring en bewaking van de arrestanten en gedetineerden, het bedelen van maaltijden, het betekenen van de Salduz-rechten, het afnemen van de gerechtelijke triptiek en dergelijke meer. Hieruit blijkt niet dat zijn werk bij die dienst niet in overeenstemming is met de XIV-38.314-8/10 aanbeveling van de arbeidsgeneesheer. Evenmin blijkt uit dit stuk de draagplicht van een kogelwerende vest; plicht waarvan verzoeker kan worden ontslaan als hij over een medische vrijstelling beschikt, hetgeen kennelijk niet het geval is. Het door verzoeker op de terechtzitting “ter informatie” bijgebrachte “aanvullend stuk horend bij het stuk 9, dat slaat op de periode 24/3-25/5 en waar ook in het verzoekschrift naar wordt verwezen”, doet niet anders besluiten. In de mate daaruit volgens verzoeker alsnog zou moeten blijken dat hij manifestaties en elk risico op agressie moet vermijden, is zijn argumentatie laattijdig. Zoals verzoeker zelf aangeeft, kende hij het stuk en beschikte hij erover op het ogenblik van het neerleggen van zijn verzoekschrift zodat hij het op dat ogenblik had moeten bijbrengen, wat niet is gebeurd en waarvoor evenmin een verantwoording is. Niet blijkt dat hij dat stuk niet eerder kon bijbrengen zodat er geen rekening mee kan worden gehouden ter staving van de spoedeisendheid.
  20. Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid. VI. Kosten
  21. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.314-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien november tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.314-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.923 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.200 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.