id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.950 Rolnummer: A. 232167/XIV-38519 Zaak: Arrest 248950 - Bedrijfsrevisoren - 16/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-25 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.950 van 16 november 2020 Beroepen - Bedrijfsrevisoren Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.950 van 16 november 2020 in de zaak A. 232.167/XIV-38.519 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Hofströssler en Aube Wirtgen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filiep Deruyck kantoor houdend te 2000 Antwerpen Léon Stynenstraat 75C tegen: het COLLEGE VAN TOEZICHT OP DE BEDRIJFSREVISOREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Mr. Maartje Jongbloet kantoor houdende te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 4 november 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren van 26 oktober 2020, waarbij verzoekers hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt ingetrokken. XIV-38.519-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november 2020, om 15.30 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaten Patrick Hofströssler en Aube Wirtgen, die verschijnen voor verzoeker en advocaten Thomas Eyskens en Maartje Jongbloed, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren. 3.
- Op 28 augustus 2020 beslist de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) de hoedanigheid van bedrijfsrevisor van verzoeker niet in te trekken. 3.
- Met een “beslissing tot verzet” tegen de voornoemde beslissing van het IBR,maakt het college van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren op 26 oktober XIV-38.519-2/15 2020 de voornoemde beslissing van het IBR ongedaan en trekt het verzoekers hoedanigheid van bedrijfsrevisor in. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Op 12 november 2020 om 14u02, zijnde minder dan anderhalf uur voor de terechtzitting van 12 november 2020 om 15u30, legt verzoeker via de elektronische procedure op het platform een stuk neer bevattende de stukken 9, 10 en 11, waarmee hij de door hem bij het verzoekschrift gevoegde overtuigingsstukken aanvult. Ter terechtzitting verzet de verwerende partij zich tegen het toevoegen van de nieuwe stukken aan het dossier.
- De thans overgelegde stukken strekken op het eerste gezicht tot adstructie van verzoekers betoog betreffende de grondvoorwaarden van de schorsing, met name prima facie het uiterst dringende noodzakelijk karakter van de vordering. Het neerleggen van aanvullende stukken daartoe is niet voorzien in het toepasselijke procedurereglement, nu het spoedeisend karakter moet worden uiteengezet in het verzoekschrift. Zulks betekent, zeker in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid die zich onmiskenbaar kenmerkt door een ernstige verstoring van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, het herleiden van de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en het in aanzienlijke mate beperken van de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij, dat de in het verzoekschrift aangevoerde argumentatie enkel mag worden ondersteund door bij dat verzoekschrift gevoegde overtuigingsstukken. Met later aangebrachte gegevens of stukken mag, behoudens overmacht, in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid geen rekening worden gehouden. De enkele omstandigheid dat één van de stukken (stuk 11) dateert van 5 november 2020 en door verzoeker werd ontvangen na het XIV-38.519-3/15 neerleggen van het verzoekschrift op het elektronisch platform, doet hieraan geen afbreuk: ook bij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschiedt de beoordeling van de grondvoorwaarden op grond van de argumenten en stukken ter overtuiging daarvan zoals die zijn uiteengezet in en gevoegd bij het inleidende verzoekschrift. Overigens bemerkt de Raad van State dat, hoe dan ook, het betrokken stuk - waarbij overigens uit niets blijkt dat het ook na het indienen van het verzoekschrift, niet eerder kon worden bijgebracht dan net vóór de terechtzitting - uit het debat moet worden geweerd omdat het onderzoeken van een stuk dat minder dan anderhalf uur voor de terechtzitting elektronisch ter griffie werd neergelegd, op onevenredige wijze het recht op tegenspraak van de verwerende partij zou beperken en onttrokken wordt aan een gedegen onderzoek voorafgaand aan de terechtzitting door het auditoraat.
- De aanvullende stukken 9, 10 en 11 worden, wat de voorliggende vordering betreft, uit het debat geweerd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid, stelt verzoeker vooreerst dat hij met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden. XIV-38.519-4/15 Vervolgens zet hij uiteen dat de uitzonderlijke procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid zich opdringt omdat niet alleen de gewone procedure tot nietigverklaring te laat zou komen, maar ook de gewone schorsing in kort geding. Hij betoogt dat de bestreden beslissing onmiddellijke ingang heeft vanaf 27 oktober 2020 en dat zulks inhoudt dat hij onmiddellijk al zijn beroepsactiviteiten als bedrijfsrevisor moet stopzetten. Dit berokkent hem een zeer ernstig en onherstelbaar financieel en moreel nadeel. Ter adstructie van het aangevoerde onherstelbaar financieel nadeel zet verzoeker vooreerst uiteen dat hij met onmiddellijke ingang al zijn beroepsinkomsten verliest. Als bewijsstuk van dat inkomen legt hij de loonfiche van de maand september 2020 over. Verzoeker doet gelden dat zijn echtgenote geen eigen beroepsinkomsten heeft en hij de enige kostwinner is. Het wegvallen van alle inkomsten uit de beroepsactiviteit heeft tot gevolg dat zijn echtgenote en hijzelf geen beroepsinkomen meer hebben om in hun levensonderhoud te voorzien. Verzoeker kan, gezien zijn sociaalrechtelijk statuut als zelfstandige, evenmin terugvallen op een vervangende uitkering zoals een werkloosheidsuitkering. Volgens verzoeker “spreekt [het] voor zich dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing volgens de gewone schorsingsprocedure, die binnen een viertal maanden zou worden uitgesproken, laat staan een vernietiging van de bestreden beslissing, die binnen anderhalf jaar zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat [zou] komen om het financieel nadeel van verzoeker ongedaan te maken. Enkel een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan verzoeker in staat stellen om dit financieel nadeel te voorkomen” en “daar anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat verzoeker en zijn echtgenote maandenlang, gedurende een gewone schorsingsprocedure en een vernietigingsprocedure, bij gebrek aan een beroepsinkomen voor het gezin niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien.” Bovendien, ten tweede, volgt, volgens verzoeker, uit de op 13 oktober 2020 opgestelde voorlopige balans van de cvba die zijn naam draagt (hierna: de cvba), voor het boekjaar 2020, dat verzoeker een aanzienlijke schuld heeft openstaan ten aanzien van deze rechtspersoon. XIV-38.519-5/15 Aangezien alle beroepsinkomsten van verzoeker ingevolge de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang zijn weggevallen, stelt verzoeker dat hij niet in staat zal zijn om deze schulden te kunnen vereffenen en zijn leningen aan de cvba terug te betalen. Ten derde, doet verzoeker gelden dat daarbij nog komt dat op 3 november 2020 aan de griffie van de ondernemingsrechtbank het ontslag van [X.] als plaatsvervangend bestuurder van de cvba kennis werd gegeven. Gelet op het feit dat verzoeker en [X.] bestuurders zijn van de cvba heeft de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in hoofde van verzoeker tot gevolg dat in hoofde van de cvba niet langer is voldaan aan het vereiste van artikel 6, § 1, 1°, van de wet van 7 december 2016 ‘tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren’ (hierna: de wet van 7 december 2016). Dit heeft volgens verzoeker tot gevolg dat ook de vennootschap haar activiteiten moet stopzetten, waardoor verzoeker volstrekt geen beroepsinkomsten meer kan verkrijgen. Ter adstructie van het aanzienlijk en onherstelbaar moreel nadeel doet verzoeker gelden dat hij, om gevolg te geven aan de brief van de ondervoorzitter van het IBR waarin hem wordt meegedeeld dat zijn hoedanigheid van bedrijfsrevisor met onmiddellijke ingang op 27 oktober 2020 wordt ingetrokken, al zijn cliënten moet inlichten van het feit dat hij ingevolge de intrekking van zijn hoedanigheid van bedrijfsrevisor, al zijn activiteiten moet stopzetten. Hierdoor wordt zijn goede naam ontegensprekelijk besmeurd. Dit kan volgens verzoeker niet worden rechtgezet door een schorsingsarrest volgens de gewone procedure of een vernietigingsarrest. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zal in elk geval beletten dat verzoeker in de bijzonder vervelende situatie terechtkomt waarin hij eerst al zijn cliënten moet aanschrijven en meedelen dat zijn hoedanigheid van bedrijfsrevisor werd ingetrokken en later, na een verloop van ettelijke maanden wanneer een schorsingsarrest volgens de gewone procedure of een vernietigingsarrest zou zijn gewezen, hen opnieuw zou moeten aanschrijven, ditmaal met de boodschap dat zijn hoedanigheid van bedrijfsrevisor ten onrechte werd ingetrokken en hij zijn activiteiten opnieuw mag hernemen. Het kwaad zal op dat ogenblik reeds zijn geschied, aangezien de cliënten van verzoeker XIV-38.519-6/15 inmiddels hun vertrouwen aan een andere bedrijfsrevisor zullen hebben geschonken en niet snel geneigd zullen zijn om opnieuw op de diensten van verzoeker beroep te doen. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door verzoeker op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van pre- cieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuit- voerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schor- sings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat XIV-38.519-7/15 de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijk- heid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Hoewel de Raad van State geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat verzoeker niet met gepaste spoed en diligentie zijn vordering heeft ingesteld, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
- Evenmin volstaat het gegeven dat de bestreden intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor onmiddellijke ingang heeft vanaf 27 oktober 2020 opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. Stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht, volstaat niet. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring of een gewone schorsingsprocedure maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan een verzoekende partij die erop aandringt dat haar zaak bij voorrang wordt behandeld om aan te tonen, en zulks aan de hand van concrete, specifieke op haar betrekking hebbende en verifieerbare gegevens, dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe XIV-38.519-8/15 van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken verzoeker nalaat te doen.
- Verzoeker beroept zich in de eerste plaats op een zeer ernstig en onherstelbaar financieel nadeel. Anders dan verzoeker dat ziet, spreekt dat naar het oordeel van de Raad van State niet “voor zich”. Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor voor verzoeker ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak en dat het volledig wegvallen van zijn (maandelijks) beroepsinkomen als bedrijfsleider van de cvba op een wezenlijke wijze zijn levensstandaard aantast, dan nog is vereist dat verzoeker, wil hij spoedeisendheid -te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid-, verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoeker veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid -laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid- tenzij verzoeker concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat hij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten; bewijs dat zoals hierna zal blijken door verzoeker niet wordt geleverd. Ter staving van zijn standpunt legt verzoeker, te dezen, twee stukken voor: enerzijds, een loonfiche waarvan ter terechtzitting wordt bevestigd dat die uitgaat van de cvba en waaruit blijkt dat hij een (maandelijkse) bezoldiging ontvangt als bedrijfsleider van de cvba en, anderzijds, een blijkbaar op 13 oktober 2020 gedateerde balans en resultatenrekening van die rechtspersoon over de periode van 1 januari 2020 tot 31 december
- Dit document is geheel onleesbaar (zwart) gemaakt, behoudens, wat de balans betreft, waar een activa- en enkele passivarubrieken nog zichtbaar zijn. De enige zichtbare activarubriek van de cvba betreft (een onderdeel van ?) de rubriek “V. Vorderingen op meer dan een XIV-38.519-9/15 jaar”, met als zichtbare ondergeschikte rubriek (een onderdeel van ?) “Overige vorderingen” en waarin melding is gemaakt van twee rubrieken met als opschrift “Lening zaakvoerder”. Onder de passiva is zichtbaar gemaakt een onderdeel van de rubriek “IX. Schulden op ten hoogste een jaar” waarin (een onderdeel van ?) de rubriek “A. Schulden > 1 jaar, in ’t jaar vervallend” zichtbaar is, met als onderliggende rubriek “Overige leningen” bevattend een negatief bedrag in de balans. Voorts is onder die schulden op ten hoogste één jaar nog vermeld onder de rubriek “F. Overige schulden” een rubriek “RC [verzoeker]” bevattend een positief bedrag in de balans. De gehele resultatenrekening bevattende de kosten en opbrengsten van de cvba is zwart gemaakt. Deze stukken volstaan niet en zulks los nog van de vraag of, enerzijds, het maandelijks beroepsinkomen verworven op grond van verzoekers hoedanigheid van zaakvoerder/bedrijfsleider bij de cvba - waarin volgens de overgelegde statuten zijn mandaat bezoldigd is “behoudens andersluidende beslissing van de algemene vergadering” en waarin verzoeker houder is van twee van de vier aandelen met stemrecht - teloor gaat vooraleer de gewone schorsingsprocedure is verlopen door de enkele tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing (verzoeker legt wat dat betreft alvast geen stukken over waaruit zulks moet blijken) en, anderzijds, of de quasi onleesbaar gemaakte voorlopige balans en resultatenrekening over het jaar 2020 een afdoende, overtuigend boekhoudkundig document vormt dat kan verantwoorden dat verzoeker de schulden aan de cvba waarvan hij stelt de schuldenaar te zijn, (geheel?) moet aflossen vooraleer de gewone schorsingsprocedure is doorlopen. Op dat punt is, bij gebrek aan overtuigende bewijsstukken betreffende die schulden van verzoeker aan de cvba, onder meer, niet duidelijk wie inzake de rubriek “Lening zaakvoerder” als begunstigde van die lening moet worden aangezien. De verwerende partij merkt ter terechtzitting, op het eerste gezicht terecht, op dat tot 28 oktober 2020 verzoeker blijkbaar niet de enige zaakvoerder was van de cvba, zodat bij gebrek aan stukken ter zake niet blijkt wie in die balans wordt bedoeld onder “zaakvoerder”, noch of die schulden moeten worden vereffend vooraleer de procedure van de gewone schorsing zijn beloop heeft gekend: in dat verband is de XIV-38.519-10/15 post “Lening zaakvoerder” in de (quasi onzichtbare) balans op het eerste gezicht gerubriceerd onder de rubriek “Vorderingen op meer dan een jaar”. Ook inzake de passiefcijfers van de cvba die zichtbaar zijn, blijkt bij gebrek aan toelichting of aanvullende bewijsstukken niet dat die bedragen aan verzoeker moeten worden toegerekend, behalve wat het bedrag vermeld onder “F. Overige schulden” betreft, maar dat staat als een positief bedrag -dus op het eerste gezicht een schuld van de rechtspersoon aan verzoeker- vermeld zodat, zoals de verwerende partij stelt, op het eerste gezicht niet goed kan worden begrepen dat verzoeker dit als een op hem rustende schuldverbintenis beschouwt. Wat ook de bewijs- en overtuigingswaarde betreft van beide overgelegde stukken wat de “passiva”-kant van verzoeker betreft, komt het hoe dan ook verzoeker toe, wanneer hij zich zoals te dezen, beroept op het feit dat hij zonder beroepsinkomsten valt -wat op het eerste gezicht niet hetzelfde lijkt te zijn als zonder inkomsten vallen- en stelt zijn leningen aan de cvba niet te kunnen vereffenen, om door middel van geloofwaardige stukken, een globaal en, zodoende, betrouwbaar inzicht te geven in zijn bestaande financiële toestand, zodat de Raad van State met kennis van zaken dit kan beoordelen. Hij mag zich derhalve niet beperken tot het enkel overleggen van (gedeeltes van) stukken die zijn eigen passiva-stelling moeten ondersteunen zonder hierbij enig inzicht te verlenen op de (financiële) impact van dat financieel verlies op zijn levensonderhoud en zijn reserves. Verzoeker verzuimt ter zake enig zicht te geven in zijn financiële reserves op het tijdstip van de bestreden intrekking, in de kosten verbonden aan het levensonderhoud, in de recurrente en andere kosten op korte termijn enzovoort, en dus, op een wijze die de Raad van State zou toelaten een getrouw beeld te krijgen van de financiële penurie die hij claimt. De (weinige) stukken die verzoeker wel bijbrengt, tonen niet aan dat hij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat een menswaardig bestaan in het gedrang komt of dat de omvang van het door hem ingeroepen nadeel een zodanige impact heeft op zijn levensstandaard, dat hij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt, niet zal kunnen dragen en die zou verantwoorden dat zijn vordering bij voorrang dient te worden behandeld. XIV-38.519-11/15 In de mate dat verzoeker voorts doet gelden dat de bestreden beslissing tot gevolg zou hebben dat de cvba haar activiteiten zou moeten stopzetten, betreft dat een nadeel dat geen betrekking heeft op verzoeker zelf, doch uitsluitend op de cvba. Ook al is verzoeker zaakvoerder en draagt de cvba zijn naam, toch gaat het om twee afzonderlijke personen. Dat hij als gevolg hiervan geen beroepsinkomsten meer kan vergaren omdat die rechtspersoon haar activiteiten zou moeten stopzetten, doet -los van de vraag of zulks (in rechte) inhoudt dat de bezoldiging van de bedrijfsleider daardoor wordt stopgezet vooraleer de gewone schorsingsperiode is doorlopen- geen afbreuk aan hetgeen hiervoor is gesteld. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet op afdoende wijze aantoont dat hij, zoals hijzelf aanvoert in het verzoekschrift, de duur van de gewone schorsingsprocedure niet kan overbruggen alvorens hij in zware onherstelbare financiële problemen geraakt. Het ingeroepen financieel nadeel volstaat te dezen op zich niet om een behandeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het voorliggende beroep te verantwoorden.
- In zoverre verzoeker zich ook beroept op morele schade en in het bijzonder op het besmeurd zijn van zijn goede naam door het feit dat hij al zijn cliënten moet inlichten van zijn stopzetting, laat het zich verstaan dat de bestreden intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor verzoeker onmiskenbaar moreel schaadt. Verzoeker maakt evenwel niet aannemelijk dat die morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, hem in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit moreel nadeel ongedaan kan maken en zijn naam opnieuw kan zuiveren. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat verzoeker ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. XIV-38.519-12/15 Verzoeker tracht zulks aan te tonen door te stellen dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid “in elk geval [zal] beletten dat de verzoeker in de bijzonder vervelende situatie terechtkomt waarin hij eerst al zijn cliënten moet aanschrijven en hen meedelen dat zijn hoedanigheid van bedrijfsrevisor werd ingetrokken en later, na een verloop van ettelijke maanden wanneer een schorsingsarrest volgens de gewone procedure of een vernietigingsarrest zou zijn gewezen, hen opnieuw zou moeten aanschrijven, ditmaal met de boodschap dat zijn hoedanigheid van bedrijfsrevisor ten onrechte werd ingetrokken en hij zijn activiteiten opnieuw mag hernemen.” Los van de vraag of verzoeker hiertoe verplicht is -uit de door verzoeker overgelegde brief van de ondervoorzitter van de IBR blijkt die verplichting tot inlichten van de eigen cliënten alvast niet - doet zulks wel blijken van ongemakken en gevolgen die verbonden zijn aan het uitvoerbaar karakter van de bestreden beslissing, maar dit standpunt maakt niet aannemelijk dat het aangevoerde moreel nadeel en in het bijzonder het besmeurd zijn van zijn goede naam, van die aard en omvang zijn dat verzoeker ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan en zulks los van de vraag of de ingeroepen morele en imagoschade, van dien aard zijn dat een eventueel later tussen te komen schorsings- of vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen. De omstandigheid dat op dat ogenblik “het kwaad reeds zal zijn geschied” doordat cliënten tegen dan al het vertrouwen zullen hebben geschonken aan een andere bedrijfsrevisor en niet snel zullen geneigd zijn om opnieuw op verzoekers diensten beroep te doen, is immers wezenlijk een financieel gevolg of nadeel afgeleid uit imagoverlies, waarvoor geldt wat hiervoor is onderzocht inzake het financieel nadeel. Met toelichtingen en aanvullingen ter zake gedaan ter terechtzitting mag geen rekening worden gehouden.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat geen uiterst dringende noodzakelijkheid is aangetoond hoewel die procedure slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter door een XIV-38.519-13/15 verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond, daarbij in acht genomen dat de vordering tot schorsing, ook deze bij uiterstdringende noodzakelijkheid, “op elk moment” kan worden ingesteld. Evenmin is aangetoond dat het doorlopen van de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.519-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien november tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.519-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.950 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.357 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.