← België

Arrest 248967 - Bewakingsondernemingen - 19/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

, §1bis van de Bewakingswet. Het spreekt voor zich dat Ann Debaere de aanvraag tot het bekomen van een identificatiekaart namens Frederik Coucke nooit zou hebben laten doen, en het attest van 31 augustus 2017 nooit zou hebben opgesteld mocht zij in de relevante periode van 4 juni 2016 tot en met 31 augustus 2017 de minste indicatie hebben gehad dat de feiten van 2015 enige weerslag hadden op de integriteit van Frederik Coucke. Dit attest gehecht als bijlage 9 aan het verweerschrift van verzoeker was dan ook een relevant stuk nu het: - de feitelijke beoordeling betreft van de integriteit van Frederik Coucke als toekomstig bewakingsagent; - na 18 juli 2015 - in concreto vanop het „veld‟ in de dienst voor preventie en bescherming van het AZ Groeninge - door een leidinggevende - over een ruime referentieperiode van 4 juni 2016 tot en met 31 augustus 2017 Uit geen van de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat dit relevant stuk in de beoordeling is betrokken om al dan niet in samenhang met (

  1. i)de afwezigheid van nieuwe feiten of processen-verbaal na 18 juli 2015, (
  2. ii)de duidelijke verklaring dat in 2015 reeds enkel „s avonds om uitsluitend medische redenen cannabis werd geteeld en gebruikt en dit enkel wanneer verzoeker zijn woning niet meer diende te verlaten, (iii) de specifieke omstandigheden en (
  3. iv)de gemotiveerde beslissing tot seponering vanwege het parket als voldoende elementen te gelden dat de „toevallige feiten met oorzaak van specifieke omstandigheden uit 2015 niet volstaan als tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1bis van de Bewakingswet”. VII-40.165-10/23 5. De verwerende partij antwoordt: “In casu vermeldt de aangevochten beslissing duidelijk de juridische en feitelijke overwegingen die tot de beslissing geleid hebben. De aangevochten beslissing beantwoordt dan ook aan de voorschriften van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering. [...] In casu blijkt duidelijk uit het administratief dossier dat de feiten van drugsteelt en -gebruik vaststaan (zie proces-verbaal van 18 juli 2015 [...]). Deze werden dan ook terecht door de verwerende partij in acht genomen bij de aangevochten beslissing, ook al werd het proces-verbaal door het parket geklasseerd. De feiten staan vast, de verzoeker ontkent ze niet. Voorts brengt de omstandigheid dat verzoeker voor de feiten niet vervolgd werd en dat ze eenmalig zijn, niet mee dat het de weigeringsbeslissing aan wettige motieven ontbreekt (R.v.St. LEONAER, nr. 190.126, 26 februari 2009). Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat verwerende partij de feiten van drugsteelt en gebruik der mate ernstig acht en dat zij daardoor van oordeel is dat verzoekende partij niet voldoet aan het gewenste profiel opgenomen in artikel 7 §1 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Zo stelt de bestreden beslissing dat bewakingsactiviteiten zeer gevoelige activiteiten zijn die de openbare orde raken en dat men tijdens de uitoefening van deze activiteiten geconfronteerd kan worden met specifieke problemen en omstandigheden zoals drugs. Men kan verwachten van de bewakingsagent dat hij deze specifieke problemen aanpakt en niet gedoogt. Verweerder was van mening dat dit niet voor de hand ligt wanneer de bewakingsagent in het recente verleden zelf bij dergelijke feiten betrokken was. Rekening houdend met het bovenstaande is verweerder terecht tot zijn beslissing gekomen op basis van een concrete appreciatie van de via het uitgevoerde veiligheidsonderzoek aan het licht gekomen feiten. Door verweerder werd nagegaan welk gevolg er op strafrechtelijk vlak aan deze feiten werd gegeven [...]. Verweerder heeft de beslissing genomen, rekening houdend met het vaststaande karakter van de feiten (verzoeker ontkent de feiten immers niet), de relevantie ervan in het licht van de veiligheidsvoorwaarden, de aard en de ernst van de kwestieuze feiten. De feiten zijn afdoende vaststaand en zijn, niettegenstaande het verweer van verzoeker, relevant in het kader van de beoordeling van de naleving van de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8° van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat in casu geen lichtzinnig oordeel werd genomen. Integendeel, rekening houdend met de gepleegde feiten was dit voor verwerende partij de enige mogelijke conclusie die kon genomen worden in dit dossier, rekening houdend met de risico‟s die de aflevering van een identificatiekaart als bewakingsagent aan verzoeker met zich zou meebrengen alsook met het algemeen belang. VII-40.165-11/23 Verwerende partij heeft bijgevolg wel degelijk voldaan aan haar formele en materiele motiveringsplicht. Het eerst[e] [en] tweede onderdeel van het enige middel zijn ongegrond. [...] Het eenmalige feit van het telen van en gebruiken van cannabis kan [...] de weigering van de identificatiekaart verantwoorden. Bovendien kan die eenmaligheid in vraag gesteld worden daar verzoeker voor de politiediensten destijds verklaarde dat het zijn derde kweek betrof en hij toen ongeveer 2 jaar kweekte voor eigen gebruik en dus ook minstens 2 jaar gebruikte. Verzoeker ontkent in zijn verweerschrift d.d. 4 oktober 2017 de teelt en het gebruik van cannabis destijds niet. Uw Raad stelde eveneens reeds dat feiten die iets meer dan drieënhalf jaar oud tevens in aanmerking kunnen genomen worden bij de beoordeling van de veiligheidsvoorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8° van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (R.v.St., CANDAN, 175.250, 2 oktober 2007). Naar oordeel van uw Raad is de verwerende partij haar grenzen van discretionaire beoordelingsbevoegdheid niet te buiten gegaan door bij haar beoordeling in 2006 ook nog feiten uit 1999 en 2000 te betrekken (R.v.St., HANSSEN, nr. 195.583, 20 augustus 2009). In casu zijn de feiten zelfs maar 2 jaar oud. De verwerende partij heeft deze feiten dan ook in alle redelijkheid en terecht in acht genomen. Vastgesteld dient te worden dat verzoekende partij zeer licht over de feiten heen lijkt te gaan. Zoals in het bestreden besluit werd aangegeven kan een persoon die gedurende lange tijd volledig illegaal cannabis kweekte én gebruikte, weinig integer genoemd worden, welke reden daar door verzoeker ook aan wordt gegeven. Dit laatste blijkt duidelijk uit volgende paragraaf op pagina 4 van het bestreden besluit: [...] De bestreden beslissing stelt duidelijk dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen de beoordeling van de feiten op strafrechtelijk vlak en deze op deontologisch vlak. De verwerende partij is niet gehouden door de bezorgdheid van de rechter en/of het parket om bepaalde professionele ambities niet op de helling te zetten. De bewakingswet geeft aan verweerder immers een bijzondere appreciatiebevoegdheid betreffende de veiligheidsvoorwaarden na het doorlopen van een administratieve procedure. Verweerder is op geen enkel moment gebonden door de opportuniteit van het nemen van een seponeringsmaatregel door het parket aangezien de bevoegdheid van de rechterlijke macht en de bevoegdheid van verweerder totaal van elkaar onderscheiden moeten worden. Dit blijkt ook duidelijk uit de bestreden beslissing. Ook blijkt uit geen enkel element dat het parket dit gevolg heeft gegeven aan het bewuste proces-verbaal om betrokkene zijn taken als bewakingsagent niet in het gedrang te brengen. De redenen kunnen dus allerlei geweest zijn, vb. om een gevangenisstraf en sociale declassering te vermijden. Betrokkene heeft trouwens zijn opleidingen als bewakingsagent eerst in 2016 gevolgd zodat het ook niet aannemelijk is dat het parket geseponeerd heeft juist om een functie in de bewakingssector niet in gevaar te brengen. [...] VII-40.165-12/23 In casu kan verzoeker dan ook niet gevolgd worden daar waar hij stelt dat een vermeende ingesteldheid in de privésfeer niet louter kan getransponeerd worden naar de professionele sfeer. Feiten die zich situeren in de privésfeer kunnen bovendien een weigering van de identificatiekaart verantwoorden. Verzoeker gaat echter voorbij aan het feit dat verweerder rekening mag houden met feiten die zich in de privésfeer situeren, voor zover zij een tegenindicatie vormen van het gewenste profiel. De gepleegde feiten houden zeer zeker een risico in. En dit niet enkel voor een functie als bewakingsagent in een ziekenhuis maar tevens elders. Indien verweerder immers een positief oordeel zou geveld hebben in huidig dossier, quod non in casu, zou het hem tevens toegelaten zijn op andere plaatsen voor andere werkgevers activiteiten van persoonscontrole uit te oefenen indien daar aanvragen voor zouden worden ingediend. Er werd echter in casu geoordeeld dat betrokkene niet integer genoeg was, dat hij een bepaalde ingesteldheid had die niet gewenst is binnen de private beveiligingssector. Iemand die drugs zelf thuis teelt en intensief gebruikt, vormt ontegensprekelijk een risico binnen de delicate sector van de bewaking, temeer daar de feiten dateren van nog maar twee jaar geleden en dus moeilijk als een jeugdzonde konden beschouwd worden. Men kan ook moeilijk ontkennen dat het gevaar bestaat dat dergelijke persoon een bepaalde visie heeft ten aanzien van drugs die volledig uit den boze is wanneer men als bewakingsagent aan de slag wenst te gaan. Bovendien heeft verzoeker in zijn verweer nergens aangegeven hoe hij momenteel zijn pijnopstoten onder controle heeft. Uit het verhoor van verzoeker door de politiediensten blijkt dat verzoeker aan de verbaliserende agent gevraagd heeft of hij indien het mogelijk was een kleine hoeveelheid cannabiskruid zou kunnen recupereren voor medisch gebruik. Dit om een pijnaanval te vermijden zodat hij niet op een illegale manier aan cannabis hoefde te geraken. Verzoeker wist dus dat datgene wat hij deed illegaal was, maar wenste alsnog een deel te recupereren. Ook dit is een tegenindicatie voor de gewenste integriteit. Men weet dat het illegaal is, maar men wil wel nog verder doen. [...] Dat verwerende partij zich [...] gebaseerd heeft op feiten uit de privésfeer wordt uiteraard niet ontkend. Bij het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden kan echter met álle relevante inlichtingen rekening gehouden worden, zowel uit het professionele leven als uit het privéleven van de persoon. Zoniet zou verwerende partij geen enkele appreciatiebevoegdheid hebben met betrekking tot een persoon die nog nooit in de sector tewerkgesteld is geweest en voor wie er een eerste aanvraag tot het bekomen van een identificatiekaart werd ingediend, zoals dit het geval was voor betrokkene. Dit is uiteraard niet de bedoeling geweest van de wetgever. Verzoeker verklaarde in zijn verhoor d.d. 18 juli 2015 ten aanzien van verbalisanten dat hij sinds twee jaar (dus sedert 2013) zelf soorten cannabis kweekte. Bedoeld [...] werd dan ook dat het kweken (en bijgevolg dus logischerwijze ook het gebruik aangezien verzoeker zelf verklaard heeft dat de kweek enkel voor persoonlijke doeleinden was) zich heeft voorgedaan gedurende een lange periode en dus niet slechts éénmalig of kortstondig was. VII-40.165-13/23 Bedoeld werd niet dat de kweek en het gebruik zich nog gedurende een periode van twee jaar heeft voortgezet na de vaststelling van de feiten in 2015 aangezien dit inderdaad niet uit het dossier blijkt. Verzoekende partij heeft dit bijgevolg verkeerd geïnterpreteerd. Echter, verwerende partij heeft evenwel geoordeeld dat, zelfs indien kan aangenomen worden dat zich sedert juli 2015 geen herhaling heeft voorgedaan, de feiten an sich evenwel volstaan om betrokkene de toegang tot het beroep van bewakingsagent te weigeren daar ze zich niet in een heel lang verleden hebben afgespeeld en het risico bijgevolg nog te groot werd geacht. Voor wat betreft de aanbevelingsbrief die verzoeker heeft overgemaakt bij zijn verweer kan verwerende partij vooreerst opnieuw verwijzen naar zijn eigen beoordelingsbevoegdheid. Vervolgens is het ook zo dat derden niet steeds op de hoogte zijn van de gepleegde feiten. Daarnaast betreft dit een aanbevelingsbrief aangaande taken die verzoeker heeft uitgevoerd voor de dienst voor preventie en bescherming op het werk en die geen uitstaans hebben met eigenlijke bewakingstaken, hetgeen logisch is aangezien hij niet gerechtigd was om deze laatste uit te oefenen. Het oordeel dat verwerende partij heeft genomen door middel van het bestreden besluit betreft enkel een oordeel voor een functie binnen de sector van de private bewakingssector aangezien het takenpakket en de bijhorende bevoegdheden daar anders liggen en veel meer verregaand zijn dan de taken die opgesomd staan in deze aanbevelingsbrief. Deze brief was dan ook weinig relevant en heeft trouwens ook een gesolliciteerd karakter aangezien er zelfs in wordt gesteld dat de brief werd opgemaakt „in het kader van het veiligheidsonderzoek‟. Bovendien ontneemt deze brief de discretionnaire appreciatiebevoegdheid van verweerder niet. De verwerende partij heeft bij de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid wel degelijk rekening gehouden met de ernst van de feiten, de specifieke context en de ouderdom. Opnieuw lijkt verzoekende partij de feiten te willen banaliseren door ze als oud, geïsoleerd en weinig relevant af te doen alsook ze te willen verantwoorden door zijn medisch probleem. Echter, feit is dat betrokkene illegaal gedurende een lange periode, intensief en op grote schaal cannabis heeft geteelt en gebruikt en hiertoe ook goed was uitgerust, hetgeen geen gewenst gedrag is van een kandidaat-bewakingsagent. Hoewel verzoekende partij bijna lijkt te willen aangeven dat de cannabis „op voorschrift was‟, is dit geenszins het geval. De door verzoeker bijgebrachte medische attesten bewijzen dit niet. De medische attesten en de aanbevelingsbrief doen dan ook geen afbreuk aan de ernst van de feiten zoals in de beslissing werd weergegeven. Bovendien is het medicinaal gebruik van cannabis niet toegelaten door de wet. Het gebruik, zelfs al is het voor zogezegde medicinale doeleinden is strafbaar. Een eventueel voorschrift, waar verzoeker geen bewijs van voorlegt doet hieraan geen afbreuk”. 6. Verzoeker dupliceert in zijn memorie van wederantwoord: VII-40.165-14/23 “Wat betreft het eerste onderdeel Er moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing tot het niet afleveren van de identificatiekaart uitsluitend steunt op een proces-verbaal van 18 juli 2015 en dit enkel feit voldoende acht om verzoeker de toegang tot de sector te weigeren aangezien dit volgens de bestreden beslissing aantoont dat verzoeker niet voldoet aan de kenmerken die het gewenst profiel van een bewakingsagent vormt. Reden hiertoe is volgens de bewoording van de bestreden beslissing dat „men van de bewakingsagent kan verwachten dat hij specifieke problemen en omstandigheden zoals drugs aanpakt en niet gedoogt‟. Uit geen enkel element van de bestreden beslissing blijkt dat verzoekende partij wanneer hij in zijn professionele activiteiten geconfronteerd zou worden met specifieke problemen en omstandigheden zoals drugs, hij deze niet zou aanpakken maar integendeel gedogen. Dat dit volgens verwerende partij niet voor de hand ligt wanneer de bewakingsagent twee jaar voordien zelf bij dergelijke feiten was, leidt niet ipso facto tot het besluit dat verzoekende partij deze specifieke problemen niet zou aanpakken of nog zou gedogen. De bestreden beslissing bevat geen elementen waaruit wel in concreto kan worden afgeleid dat verzoekende partij ruim twee jaar na de politionele tussenkomst van 18 juli 2015 zich in zijn professionele activiteit niet integer zou kunnen gedragen. Zoals in het inleidend verzoekschrift onder het eerste onderdeel werd aangehaald, is het louter transponeren van een vermeende ingesteldheid in de privésfeer in 2015 - terwijl verzoeker pas in 2016 zijn opleiding als bewakingsagent aanvat - naar een professionele integriteit ruim twee jaar later zonder aanhaling van ook maar één element waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verzoeker specifieke problemen van drugs niet zou aanpakken of gedogen, niet zorgvuldig en onredelijk. Wat betreft het tweede onderdeel is het alleszins manifest onjuist dat er sedert 2015 nog twee jaar sprake zou zijn geweest van het zelf kweken van cannabis of eigen gebruik. Aldus is de materiële motiveringsplicht geschonden alsook het algemeen motiveringsbeginsel. Verwerende partij stelt thans in de memorie van antwoord dat verzoekende partij de motivering van de bestreden beslissing op dit punt verkeerd interpreteert en niet bedoeld werd dat de kweek en het gebruik zich nog gedurende een periode van twee jaar heeft voortgezet na de vaststellingen van de feiten in 2015 - waarvan verwerende partij erkent dat dit inderdaad niet uit het dossier blijkt - doch dat bedoeld werd twee jaar voorafgaand aan de vaststelling van de feiten in 2015. In zoverre de bestreden beslissing bedoelde twee jaar sedert 2015, staat met de memorie van antwoord van verwerende partij vast dat dit feitelijk onjuist is en niet uit het administratief dossier blijkt, waarvan akte. In zoverre effectief bedoeld werd twee jaar voorafgaand aan 2015 is dit op zijn minst onduidelijk weergegeven in de bestreden beslissing. Echter in dat geval blijkt des te meer dat de bestreden beslissing uitsluitend steunt op feiten voorafgaand aan de politionele tussenkomst van 18 juli 2015. In dat geval is het zonder meer transponeren van een „oude‟ privatieve ingesteldheid naar een „nieuwe‟ professionele ingesteldheid onredelijk en onzorgvuldig, onderdeel dat hieronder wordt uiteengezet. VII-40.165-15/23 Wat betreft het derde onderdeel. Vooreerst blijkt uit de memorie van antwoord nogmaals dat verwerende partij geen rekening heeft gehouden met elementen van na de politionele tussenkomst per 18 juli 2015 en zonder meer de „oude‟ ingesteldheid van verzoekende partij transponeert naar diens „huidige‟ professionele integriteit. Aldus wordt op geen enkele wijze rekening gehouden met (
  4. i)enig concreet element van na de politionele tussenkomst van 18 juli 2015, (
  5. ii)de intussen opgedane levenservaringen en -inzichten hierin begrepen deze vergaard naar aanleiding van de opleiding tot bewakingsagent die werd aangevat in 2016. Ten tweede antwoordt de memorie van antwoord niet op de vaststelling gedaan op pagina 11 van het inleidend verzoekschrift dat de bestreden beslissing geen rekening hield met de duidelijke verklaring van verzoekende partij in zijn verhoor van 18 juli 2015 dat hij zijn toenmalig druggebruik om medische redenen voorbehield voor momenten van privéleven in de beslotenheid van zijn woning en hij net de integriteit vertoonde dat hij in zijn publiek, professioneel functioneren precies nuchter en clean wil ageren. Ten derde overtuigt de memorie van antwoord van verwerende partij niet ter weerlegging van de vaststelling dat de bestreden beslissing geen duidelijke, objectieve, concrete elementen bevat die duiden waarom de bevoegde minister niet een vergelijkbare mildheid aan de dag heeft gelegd als het parket in de beoordeling van de „toevallige feiten met oorzaak van specifieke omstandigheden‟. Verzoekende partij beweert niet dat gelet op de seponeringsbeslissing de bevoegde minister eveneens aan deze feiten geen gevolg kon kleven, wat verzoeker betwist is dat de bestreden beslissing afdoende zou motiveren en afdoende blijk zou geven van zorgvuldigheid en redelijkheid in redengeving waarom de bevoegde minister niet een vergelijkbare mildheid aan de dag heeft gelegd. Bovendien lijkt de memorie van antwoord thans een bijkomend motief van de beslissing tot weigering van afgifte van een identificatiekaart te insinueren die niet in de bestreden beslissing staat vermeld nu wordt gemotiveerd dat „uit het verhoor van verzoeker door de politiediensten blijkt dat verzoeker aan de verbaliserende agent gevraagd heeft of hij indien het mogelijk was een kleine hoeveelheid cannabiskruid zou kunnen recupereren voor medisch gebruik. Dit om een pijnaanval te vermijden zodat hij niet op een illegale manier aan cannabis te geraken. Verzoeker wist dus dat datgene wat hij deed illegaal was, maar wenste alsnog een deel te recupereren. Ook dit is een tegenindicatie voor de gewenste integriteit, Men weet dat het illegaal is, maar men wil wel nog verder doen‟. (pagina 7 van de memorie van antwoord namens verwerende partij) Deze redengeving is nieuw en blijkt niet uit de bestreden beslissing. Aldus moet worden vastgesteld dat bij de weigering tot afgifte van een identificatiekaart kennelijk motieven hebben meegespeeld die niet in de bestreden beslissing zijn weergegeven. Het steunen op motieven die niet uit de bestreden beslissing blijken maakt alleszins een schending van de formele en materiële motiveringsplicht uit. Tot slot stelt verwerende partij in de memorie van antwoord dat „voor wat betreft de aanbevelingsbrief die verzoeker heeft overgemaakt bij zijn verweer kan verwerende partij vooreerst opnieuw verwijzen naar zijn eigen VII-40.165-16/23 beoordelingsbevoegdheid. Vervolgens is het ook zo dat derden niet steeds op de hoogte zijn van de gepleegde feiten. Daarnaast betreft dit een aanbevelingsbrief aangaande taken die verzoeker heeft uitgevoerd voor de dienst voor preventie en bescherming op het werk en die geen uitstaans hebben met eigenlijke bewakingstaken, hetgeen logisch is aangezien hij niet gerechtigd was om deze laatste uit te oefenen. Het oordeel dat verwerende partij heeft genomen door middel van het bestreden besluit betreft enkel een oordeel voor een functie binnen de sector van de private bewakingssector aangezien het takenpakket en de bijhorende bevoegdheden daar anders liggen en veel meer verregaand zijn dan de taken die opgesomd staan in deze aanbevelingsbrief. Deze brief was dan ook weinig relevant en heeft trouwens ook een gesolliciteerd karakter aangezien er zelfs in wordt gesteld dat de brief werd opgemaakt „in het kader van het veiligheidsonderzoek‟. Bovendien ontneemt deze brief de discretionnaire appreciatiebevoegdheid van verweerder niet.‟ Ook deze redengeving is nieuw en blijkt niet uit de bestreden beslissing. De bestreden beslissing rept met geen woord over het attest dat door verzoekende partij als stuk 9 aan zijn verweerschrift was gevoegd. Bij gebreke hieraan kan niet worden uitgemaakt (
  6. i)dat de minister bij het nemen van de bestreden beslissing het stuk in overweging heeft genomen, (
  7. ii)noch welke de redenen waarom om het stuk al dan niet in overweging te nemen, (iii) noch welke de redenen waren om het stuk al dan niet een relevant gewicht toe te kennen in de afweging die op zorgvuldige en redelijke wijze diende gemaakt te worden. De afwezigheid van deze redengeving maakt aldus alleszins een schending uit van de formele en materiële motiveringsplicht. Bovendien is de gegeven motivering onjuist en minstens onzorgvuldig en onredelijk. Zoals aangehaald in het inleidend verzoekschrift gaat het attest uit van Ann Debaere (preventieadviseur, hoofd van de interne preventiedienst, leidinggevende A van de interne bewakingsdienst van het AZ Groeninge). Als hoofd van de bewakingsdienst is zij perfect op de hoogte van de wettelijke en de feitelijke vereisten van

§ 1bis van de bewakingswet.

Zij is derhalve perfect in staat om -zelfs wanneer de taken van verzoekende partij geen of minder uitstaans hebben met eigenlijke bewakingstaken- een inschatting te maken van de integriteit van verzoekende partij op vlak van

§ 1bis van de bewakingswet.

Dit attest was dan ook een relevant stuk nu het: - de feitelijke beoordeling betreft van de integriteit van verzoekende partij als potentieel toekomstige bewakingsagent (door Ann Debaere als leidinggevende van de interne bewakingsdienst die de wettelijke en feitelijke vereisten van

§ 1b

is van de bewakingswet kent en dus kan inschatten) - na 18 juli 2015 (hetgeen net de referentieperiode is waaromtrent de bestreden beslissing geen enkel element in overweging neemt, integendeel steunt de volledige beslissing op de vermeende integriteit van verzoekende partij op en voorafgaand aan 18 juli 2015, zodat dit stuk ratione temporis een relevant stuk is om een eventuele gewijzigde houding van verzoekende partij te kunnen inschatten) VII-40.165-17/23 - in concreto van op „het veld‟ (anders dan een louter abstracto theoretische overweging op grond van een proces-verbaal van 18 juli 2015) - door een leidinggevende (die geen enkel belang heeft bij het al dan niet opmaken van aanbevelingsbrieven laat staan wanneer deze niet met de realiteit zouden in overeenstemming zijn of zouden gesolliciteerd zijn) - over een ruime referentieperiode van 4 juni 2016 tot en met 31 augustus 2017 (hetgeen nogmaals een relevante referentieperiode is doordat deze zich situeert na 18 juli 2015 periode waaromtrent de bestreden beslissing geen elementen aanhaalt en bovendien voldoende lang is om een effectieve waarheidsgetrouwe inschatting te kunnen doen en waarin een vermeend gebrek aan integriteit zou opgevallen zijn)”. 7. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker, met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat het gebruik van verdovende middelen in de privésfeer niet impliceert dat hij tijdens de uitoefening van het beroep van bewakingsagent het gebruik van dergelijke middelen zou gedogen. Hij meent dat de bestreden beslissing daarom niet concreet aangeeft waarom hij voor de beoogde functie niet aan het gewenste profiel zou beantwoorden. Met betrekking tot het derde middelonderdeel merkt verzoeker nog op dat de verwerende partij wel degelijk rekening moest houden met “(

  1. i)het ontbreken van inbreuken na de politionele tussenkomst van 18 juli 2015 en (
  2. ii)met de intussen opgedane levenservaringen en inzichten, hierin begrepen deze vergaard naar aanleiding van de opleiding tot bewakingsagent die werd aangevat in 2016”. In het bijzonder wijst hij erop dat er “een wezenlijk verschil [is] tussen een persoon die na vaststelling van een overtreding zij gedrag/houding niet wijzigt en blijvend overtredingen opstapelt enerzijds, en een persoon die na politionele tussenkomst - of door de levenservaring - zijn houding wijzigt”. Hij gewaagt van een “gewijzigde levenshouding” die relevant zou zijn voor de beoordeling op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing dat hij al dan niet “integer zou zijn in zijn professioneel functioneren”. Verzoeker herhaalt dat hij over het inzicht beschikt om een onderscheid te maken “tussen zijn privé en openbaar functioneren”, waarbij onder het laatste ook het “nuchter en clean te willen ageren” behoort. Voorts vraagt hij aandacht voor de “heel specifieke context” die in elk geval heeft geleid tot enige mildheid in hoofde van het openbaar ministerie. Verzoeker stelt vast dat de verwerende partij niet aangeeft waarom zij geen VII-40.165-18/23 vergelijkbare mildheid aan de dag zou kunnen leggen. Tot slot vraagt hij opnieuw aandacht voor het feit dat geen rekening werd gehouden met zijn professionele beroepsactiviteit “in de periode van 4 juni 2016 tot en met 31 augustus 2017”, waaromtrent wordt geattesteerd dat hij op de werkvloer “stipt, correct, vlot, zorgvuldig” en leergierig functioneert. Beoordeling Eerste onderdeel 8. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, 8°, van de op de zaak toepasselijke bewakingswet, moeten de personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsonderneming, voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden noodzakelijk voor een uitvoerende functie en mogen zij geen feiten hebben gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene, omdat ze een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1bis, van de wet, uitmaken. Met betrekking tot het in voormelde bepaling gewenste profiel om een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming te mogen uitoefenen, bepaalt artikel 7, § 1bis, van dezelfde wet: “Het gewenste profiel van het personeel, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 8°, en 6, eerste lid, 8°, is gekenmerkt door: 1° respect voor de grondrechten van de medeburgers; 2° integriteit; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu. [...]”. 9. In dit geval heeft de verwerende partij het gemis aan het wettelijk vereiste profiel afgeleid uit het feit, vastgesteld in een proces-verbaal van 18 juli 2015, dat verzoeker cannabis heeft geteeld. De omstandigheid dat het openbaar ministerie aan het proces-verbaal geen strafrechtelijk gevolg heeft gegeven wegens VII-40.165-19/23 “toevallige feiten met oorzaak van specifieke omstandigheden”, brengt niet mee dat de verwerende partij een overtreding van de wet van 24 februari 1921 „betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen‟ (hierna: wet van 24 februari 1921) niet in aanmerking mag nemen bij het onderzoek of verzoeker beschikt over het profiel dat de wetgever heeft vereist om werkzaam te zijn in de bewakingssector. In de motieven van de bestreden beslissing wordt bovendien concreet aangegeven waarom de feiten voldoende zwaarwichtig worden geacht om te besluiten dat verzoeker weinig blijk geeft van integriteit. Zo wordt erop gewezen dat verzoeker “zeer uitgerust was teneinde in [zijn] eigen teelt te kunnen voorzien (precisieweegschaal, droogkamer, crunchers,…)”, hij een “aanzienlijke hoeveelheid drugs in [zijn] bezit had (negen planten en vier potten gevuld met in totaal 347,28 gram drugs)”, hij “geen sporadische maar eerder een doorgedreven cannabisgebruiker [is] (10 gram per week)” en op de mogelijke effecten daarvan “(stemmingswisselingen, gedragsveranderingen)”. Verzoeker betwist niet dat de concrete omstandigheden waarmee de verwerende partij rekening heeft gehouden juist zijn. Tot slot maakt artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet geen onderscheid tussen feiten die kaderen in de privé dan wel professionele sfeer. Om de bestreden beslissing voldoende draagkrachtig te onderbouwen moest de verwerende partij bijgevolg niet aantonen dat verzoeker tijdens de uitoefening van de functie van bewakingsagent dezelfde ingesteldheid ten aanzien van het gebruik van verdovende middelen aan de dag zou leggen. 10. Het eerste onderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel 11. Tijdens het verhoor op 18 juli 2015, heeft verzoeker aan de politiediensten verklaard dat hij ongeveer twee jaar cannabis kweekt. Uit de omschrijving in de bestreden beslissing van het feit als “het zelf kweken van cannabis en het eigen gebruik sedert minstens twee jaar”, volgt niet dat hem ten VII-40.165-20/23 laste wordt gelegd dat hij zich ook in de daaropvolgende jaren zou hebben toegelegd op het telen van cannabis. In de bestreden beslissing wordt ten andere uitdrukkelijk aangegeven dat de verwerende partij enkel rekening heeft gehouden met het “proces-verbaal van 2015 inzake drugteelt”. De kritiek van verzoeker mist dan ook feitelijke grondslag. 12. Het tweede onderdeel is ongegrond. Derde onderdeel 13. Het argument dat na het proces-verbaal van 18 juli 2015 “geen nieuwe processen-verbaal werden opgesteld, noch nieuwe concrete feiten blijken”, doet niets af aan de vaststelling dat de feiten die bij het nemen van de bestreden beslissing in aanmerking werden genomen voldoende recent zijn om de integriteit van verzoeker op een deugdelijke wijze in te schatten. Uit de verklaring van verzoeker dat hij “het medisch gebruik van cannabis voorbehield voor momenten van privéleven in de beslotenheid van zijn woning”, die overigens moeilijk controleerbaar is, volgt niet dat de verwerende partij voetstoots had moeten aannemen dat zijn integriteit tijdens het “maatschappelijk en professioneel functioneren” ongeschonden is, te meer omdat verzoeker niet tegenspreekt dat hij geen sporadische, maar veeleer een doorgedreven cannabisgebruiker is, zoals in de motivering van de bestreden beslissing wordt aangegeven. 14. De specifieke medische context die verzoeker aanhaalt ter rechtvaardiging van zijn cannabisgebruik, impliceert niet dat hij geen inbreuken heeft gepleegd op de wet van 24 februari 1921, meer bepaald de teelt en het gebruik van een illegale drug. Het gegeven dat het openbaar ministerie, rekening houdend met de “toevalligheid” en de “specifieke omstandigheden” ervan, heeft afgezien om deze niet-betwiste feiten strafrechtelijk te vervolgen, verandert daar niets aan. Een opportunititeitsbeoordeling bij de vormgeving van het strafrechtelijk vervolgingsbeleid, is immers niet gelijk te stellen met de taak waarvoor de VII-40.165-21/23 verwerende partij staat bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van identificatiekaarten voor het uitoefenen van de functie van bewakingsagent. De bewakingswet vereist daarbij uitdrukkelijk dat de verwerende partij voldoende vertrouwen kan stellen in de betrokkene, waarbij inzonderheid moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van “een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1bis” van de bewakingswet. 15. Ook met het attest van de werkgever van verzoeker dat hij “in de periode van 4 juni 2016 tot en met 31 augustus 2017 […] stipt, correct, vlot, zorgvuldig, leergierig, …” zijn professionele activiteiten heeft uitgeoefend bij de dienst preventie en bescherming van het AZ Groeninge, wordt niet aangetoond dat het gebrek aan vertrouwen van de verwerende partij in hem voor de uitoefening van de functie van bewakingsagent berust op een onzorgvuldige besluitvorming of niet redelijk verantwoord kan worden. Het relatief beperkt tijdsverloop van ongeveer twee jaar tussen de door de politie vastgestelde inbreuken op de wet van 24 februari 1921 en de latere aspiratie van verzoeker om het beroep van bewakingsagent uit te oefenen, brengt mee dat de verwerende partij op het ogenblik van de bestreden beslissing die feiten terecht mocht aanmerken als een tegenindicatie in de zin van artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet, te meer omdat het in rechte bestreden oordeel van de verwerende partij -ook al wordt het door verzoeker aangevoeld als hardvochtig- niet belet dat hij op een later tijdstip wel tot de door hem beoogde beroepsoriëntatie zou worden toegelaten. 16. Het derde onderdeel is ongegrond. Conclusie 17. Het enige middel is ongegrond. VII-40.165-22/23 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.165-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.967 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.