← België

Arrest 248969 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.969 Rolnummer: A. 230058/VII-40749 Zaak: Arrest 248969 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-01 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.969 van 19 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.969 van 19 november 2020 in de zaak A. 230.058/VII-40.749 In zake : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE INGELMUNSTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Guillaume Vyncke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BVBA DEN AST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Lies du Gardein kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 23 januari 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0339 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 december 2019 in de zaak 1819-RvVb-0140-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 13 februari
  3. VII-40.749-1/6 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Guillaume Vyncke, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lies du Gardein, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ingelmunster (hierna: college) beslist op 23 juli 2018 om de verkoopsruimte van bvba Den Ast (hierna: vennootschap) “niet op te nemen als „vergund geacht‟ in het vergunningenregister”. VII-40.749-2/6 3.
  7. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van de vennootschap voormelde registratiebeslissing van het college. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van het college
  8. Het college voert de schending aan van de artikelen 4.2.14, § 2, en 5.1.3, § 2, “in samenhang gelezen met” artikel 7.5.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Het college zet uiteen dat het bestreden arrest hem “verplicht om de aangehaalde wettelijke bepalingen - omwille van de redelijk- en de rechtszekerheid - compleet buiten toepassing te laten” en “in se om het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel contra legem toe te passen”. Het college heeft immers aan de vennootschap “in strijd met de wet voordelen verleend, te weten dat in de vergunningsbeslissing van 2 februari 2015 verkeerdelijk toepassing werd gemaakt van de zonevreemde basisrechten uit artikel 4.4.19 §2 VCRO”. De vergunde aanvraag “had louter betrekking op omgevingsaanleg” waarbij het college enkel waterdoorlatende verharding en groen heeft vergund. Die verkeerde toepassing blijkt ook uit het toen door het departement Landbouw en Visserij verleende ongunstig advies “dat het tuincentrum naar functie toe niet is vergund”. Uit die vergunningsbeslissing kan niet worden afgeleid “dat er sprake zou kunnen zijn van een naar functie toe vergund tuincentrum” omdat “vóór 1984 […] enkel nog sprake was van een agrarische functie” die na 1984 bij het aanvragen van een vergunning in 1985 voor een nieuwe loods en in 2001 voor het bouwen van een schaduwhal en het graven van een waterput werd bevestigd. “Het standpunt van de [RvVb] volgen, zou er op neer komen dat zich tussen 2001 en 2015 derhalve een vergunningsplichtige functiewijziging heeft voorgedaan zonder...vergunning” terwijl er volgens het college “enkel sprake [kan] zijn van een „gedogen‟ [...] waarbij geenszins kan worden vastgesteld dat hieruit zou voortvloeien dat zich een functiewijziging heeft voorgedaan. Het arrest van de [RvVb] kan dan ook niet zó ver gaan dat hieruit zou volgen dat [het college] niet meer conform artikel 7.5.1 VII-40.749-3/6 van de VCRO -nog in samenhang gelezen met de artikelen 4.2.14, § 2 en 5.1.3, § 2 van de VCRO- soeverein zou kunnen oordelen over het al dan niet bestaan van een functiewijziging vóór 9 september 1984 en het in het kader daarvan aangeleverde bewijs, zodat zij ter zake aldus elke beoordelingsvrijheid die de wet haar toekent, verliest”. Beoordeling
  9. Het middel is gericht tegen de gegrondverklaring door de RvVb van het middel van de vennootschap die heeft aangevoerd dat voor “de opname in het vergunningenregister dient te worden gekeken naar de functie van het goed op 9 september 1984”, (eerste onderdeel) en dat het college “reeds in het verleden heeft bevestigd dat het desbetreffend gebouw als tuincentrum werd gebruikt en de functie werd geacht vergund te zijn” (tweede onderdeel).
  10. Het bestreden arrest verklaart het middel van de vennootschap “in de aangegeven mate gegrond” na het oordeel dat het college “de door de [vennootschap] bijgebrachte stedenbouwkundige vergunning van 2 februari 2015 niet zomaar buiten beschouwing en onbesproken [kan] laten” en, “gelet op de concrete gegevens van deze zaak, [zich] niet [kan] beperken tot de loutere opmerking dat [het] zich dient te richten naar de bewijsstukken die betrekking hebben op de scharnierdatum van 9 september 1984” en het besluit dat het college “de motiveringsplicht [schendt] nu uit de motieven van de bestreden beslissing niet blijkt dat zij alle bewijsstukken door de [vennootschap] bijgebracht heeft beoordeeld”.
  11. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest het college verplicht om de aangevoerde decretale bepalingen “compleet buiten toepassing te laten” of “in se om het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel contra legem toe te passen” of dat het college door het bestreden arrest “niet meer conform artikel 7.5.1 van de VCRO -nog in samenhang gelezen met de artikelen 4.2.14, § 2 en 5.1.3, § 2 van de VCRO- soeverein zou kunnen oordelen over het al dan niet bestaan van een functiewijziging vóór 9 september 1984 en het in het kader VII-40.749-4/6 daarvan aangeleverde bewijs, zodat zij ter zake aldus elke beoordelingsvrijheid die de wet haar toekent, verliest”, berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het middel mist dienvolgens feitelijke grondslag.
  12. Het middel dat ingaat op de draagwijdte van de eerder verleende vergunningen en de functie van de constructie, noopt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf waartoe hij overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet bevoegd is.
  13. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  15. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.749-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.749-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.969 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.