← België

Arrest 248970 - Natuurbehoud - Vergunningen - 19/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.970 Rolnummer: A. 227148/VII-40470 Zaak: Arrest 248970 - Natuurbehoud - Vergunningen - 19/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-01 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.970 van 19 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.970 van 19 november 2020 in de zaak A. 227.148/VII-40.470 In zake : de NV BERGINVEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Sarah Jacobs kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 17 augustus 2018 dat: - het beroep van de nv D.P.M. (thans nv Berginvest) tegen het besluit van de gewestelijk toezichthouder bij de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 4 mei 2018 “houdende de oplegging van een bestuurlijke maatregel […] met betrekking tot (voorheen) de nv D.P.M. […], op heden de nv Berginvest” ongegrond verklaart, - de bestuurlijke maatregel bevestigt. VII-40.470-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 21 september 2007, nadat een oriënterend bodemonderzoek wees op een aantasting van het vaste deel van de bodem door een historische bodemverontreiniging, maant OVAM de nv D.P.M. als saneringsplichtige eigenaar aan over te gaan tot bodemsanering op een perceel aan de Heiststeenweg 63 te Putte, er kadastraal gekend als Afdeling 2, sectie B, nr. 0049L
  6. 3.
  7. Een gewestelijke toezichthouder bij OVAM stelt bij proces-verbaal van 14 december 2015 een schending van artikel 19, § 1, van het VII-40.470-2/6 bodemdecreet vast omdat het beschrijvend bodemonderzoek voor de historische bodemverontreiniging op het perceel niet binnen de opgelegde termijn werd uitgevoerd. 3.
  8. Op 4 mei 2018 legt de gewestelijk toezichthouder een bestuurlijke maatregel op aan de nv D.P.M. Er wordt beslist dat: - “Artikel
  9. [d]e OVAM [...] op kosten van D.P.M. nv over[gaat] tot [….] de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek voor de historische verontreiniging die tot stand gekomen is op [het perceel,] - Art.
  10. [d]e in artikel 1 bepaalde bestuurlijke maatregel wordt aangevat binnen één jaar na de datum van ondertekening van dit besluit”. 3.
  11. De minister verwerpt met het bestreden besluit het administratief beroep van de verzoekende partij en bevestigt de bestuurlijke maatregel. 3.
  12. Op 16 november 2018 vindt een overleg plaats tussen OVAM en de verzoekende partij “in verband met de bestuurlijke maatregel […] op vraag van nv Berginvest” dat leidt tot een besluit van 8 maart 2019 van de toezichthouder van OVAM “houdende wijziging van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van 4 mei 2018”: “Tijdens dit overleg werden bepaalde engagementen voorgesteld door de nv Berginvest, zoals verwoord in de brieven van 22 november 2018 opgesteld door […] nv Berginvest; door de nv Berginvest werden volgende engagementen, zoals verwoord in de brief van 5 december 2018 van [de nv Berginvest], aangegaan: - dat er tegen het wijzigingsbesluit van het besluit bestuurlijke maatregelen geen administratief beroep zal worden ingediend; - het verwerken van de bestaande gegevens en de opmaak van een plan van aanpak voor het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek tegen 31 januari 2019; - het overmaken van een stand van zaken van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek om de 2 maanden vanaf 31 januari
  13. Hiermee rekening houdend gaat de OVAM over tot wijziging van de aanvangstermijn van de bestuurlijke maatregel; BESLUIT: Enig artikel. In het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van 4 mei 2018 D.P.M. nv - grond gelegen aan de Heiststeenweg 63, Beerzel wordt artikel 2 vervangen als volgt: Art.
  14. „De in artikel 1 bepaalde bestuurlijke maatregel wordt aangevat VII-40.470-3/6 binnen twee jaar na de datum van ondertekening van dit besluit‟”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  15. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van diezelfde wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. 4.
  16. De verzoekende partij betoogt dat zij nog een belang heeft bij haar beroep omdat de “insteek van het bestreden besluit […] en het nieuwe besluit van 8 maart 2019 […] verschillend” is. Het bestreden besluit gaat “uit van een ambtshalve uitvoering van een BBO door de OVAM” en “in het nieuwe besluit neemt de verzoekende partij zelf de nodige acties zonder dat er nog sprake is van gedwongen uitvoering door de OVAM”. Zij geeft aan dat zij zelf “de nodige acties [neemt] zonder dat er nog sprake is van gedwongen uitvoering door de OVAM”. Uitgaande van haar engagementen geeft het wijzigingsbesluit de verzoekende partij daartoe de gelegenheid door de aanvangsdatum van de uitvoering van een beschrijvend onderzoek door OVAM met een jaar uit te stellen. 4.
  17. Het belang van de verzoekende partij bij de indiening van haar beroep strekt er idealiter toe dat niet OVAM maar dat zijzelf een beschrijvend VII-40.470-4/6 bodemonderzoek voor de historische bodemverontreiniging van het perceel zal kunnen uitvoeren. 4.
  18. Nu de verzoekende partij na de indiening van haar beroep in overleg met OVAM is overgegaan tot de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek met een plan van aanpak en tweemaandelijkse rapporteringen, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de wijziging van het bestreden besluit, kan zij er niet van overtuigen dat de vernietiging van het bestreden besluit haar een direct en persoonlijk voordeel verschaft. 4.
  19. Ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep onontvankelijk is. V. Kosten 5.
  20. Aangezien de verzoekende partij haar actueel belang heeft verloren, is er geen reden om de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro, ten laste te leggen van de verwerende partij. 5.
  21. Er is in de gegeven omstandigheden ook geen “in het gelijk gestelde partij” als bedoeld in artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat geen rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt het beroep.
  23. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-40.470-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.470-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.