id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.980 Rolnummer: A. 227000/XIV-37903 Zaak: Arrest 248980 - Wapens - 20/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-03 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.980 van 20 november 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 248.980 van 20 november 2020 in de zaak A. 227.000/XIV-37.903 In zake : Yoeri MEEUS woonplaats kiezend te 3370 Boutersem Groenstraat 9 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 11 oktober 2018 waarbij verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning als wapenhandel/tussenpersoon is geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. XIV-37.903-1/24 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2020. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt in persoon en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker dient op 14 mei 2014 een aanvraag in voor een erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon. Het gehanteerde model- formulier vermeldt als commentaar bij de rubriek “bijgevoegde stukken”: “[…]. De herkomst van de gebruikte financiële middelen, bv door middel van bankdocumenten en/of financiële overeenkomsten (leningsovereenkomst).” De aanvraag bevat geen stukken betreffende de herkomst van de gebruikte financiële middelen. 3.2. Op 6 juni 2014 vraagt de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant aan verzoeker om zijn dossier te vervolledigen met onder meer de documenten inzake de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen. XIV-37.903-2/24 Op 12 juni 2014 bezorgt verzoeker (samen met zijn vader) de volgende bijkomende informatie: “- Bij het afleggen van het wettelijk voorziene beroepsbekwaamheidsexamen werd reeds aangegeven dat de activiteiten zouden worden gedaan via een rechtspersoon en niet als natuurlijk persoon; - Door omstandigheden buiten onze wil heeft de oprichting van de vennootschap aanzienlijke vertraging opgelopen, de maatschappelijke zetel zal echter gevestigd zijn op ons adres in Boutersem. - Gezien de beperkte periode - volgend op het slagen van het examen - waarbinnen de erkenning moet worden aangevraagd en het gegeven hierboven vermeld dienen we, in afwachting van de oprichting van de BVBA, een aanvraag als natuurlijk persoon in te dienen teneinde ons slagen voor het examen te valideren binnen deze voorziene periode; - Ten gepaste tijde zal zoals voorzien in de wet een erkenning worden gevraagd voor elke exploitatiezetel van de vennootschap; - De mandaten van de oprichters/zaakvoerders zullen onbezoldigd zijn. [Verzoeker] zal z‟n onbezoldigd mandaat uitoefenen in bijberoep. Hoofdberoep blijft zijn voltijdse tewerkstelling bij de NMBS. Hij is alzo in orde wat betreft RSZ en sociale verzekeringskas. [H. M.] geniet sinds 01/06/2011 van een rustpensioen (federaal ambtenaar Justitie 01/08/1971 - 31/05/2011). [Hij is] aangesloten bij de FSMB, aansluitingsnummer [XXX]. Kopie factuur derde trimester 2014 gaat als bijlage. De BVBA zal worden opgericht met het wettelijk voorziene minimumkapitaal. Dit zal bij oprichting worden volgestort ten bedrage van het wettelijk -voorziene minimum. De financiële middelen komen hoofdzakelijk van het spaartegoed van [Verzoeker]. Ikzelf lever een minimale bijdrage, eveneens uit een. spaartegoed.” 3.3. Op 16 september 2014 dient verzoeker een beroep in bij de minister van Justitie wegens het uitblijven van een beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. Op 22 januari 2015 verwerpt de gemachtigde van de minister van Justitie verzoekers beroep. Deze beslissing wordt vernietigd door de Raad van State bij arrest nr. 239.422 van 17 oktober 2017. Het verzoek tot toepassing van de artikelen 35/1 en 36, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. 3.4. In het kader van het inwinnen van adviezen, gebeurt op 16 januari 2017 een plaatsbezoek door de lokale politie en een stedenbouwkundig medewerkster van de gemeente, waarvan op 30 januari 2017 verslag wordt opgemaakt. Dit verslag ondertekend door een hoofdcommissaris van politie en XIV-37.903-3/24 gewezen korpschef, bevat onder meer de volgende bevindingen inzake de financiële middelen: “[…]. Uit het verhaal van dhr. [H. M.], gepensioneerd ambtenaar, onthouden we dat: • […] • Een businessplan werd opgesteld met ING-bank, Leuvensestraat te Tienen. Hierop doorvragend blijkt dat er niets met de bank is doorgepraat maar een internet ING-model werd ingevuld door henzelf. [Verzoeker] zou wel over een attest bedrijfsbeheer beschikken. • Het volstorten van 1/10 van het startkapitaal van 18.600 euro een haalbare financiële kaart is. Dit stemt wel niet overeen met hun povere woonomgeving, integendeel. • […].”. 3.5. Met een beslissing van 11 oktober 2018 verwerpt de gemachtigde van de minister van Justitie verzoekers beroep en wordt de aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning als wapenhandelaar/tussenpersoon, geweigerd. Die beslissing steunt op de volgende motieven: “8. Evaluatie na procedure bij de Raad van State […] Uw erkenningsaanvraag als wapenhandelaar werd aan een nieuw uitgebreid onderzoek onderworpen waarbij volgende elementen werden nagegaan: 8.1. Wat betreft het beroepsbekwaamheidsexamen (artikel 5, §2 van de wapenwet van 8 juni 2006): […] Besluit: Op het ogenblik van het indienen van uw erkenningsaanvraag op 15 mei 2014 was het attest bijgevolg geldig. 8.2. Wat betreft de ontvankelijkheid van de erkenningsaanvraag (artikel 5, §4 van de wapenwet): […]. Besluit: de aanvraag van de erkenning voldoet aan de ontvankelijkheidsvereiste van artikel 5, §4 van de wapenwet. 8.3. Wat betreft de erkenningsaanvraag: Wat betreft de identificatie van de aanvrager en zijn activiteit: […]. 8.4. Wat betreft de herkomst van de financiële middelen (artikel 5, §2 van de wapenwet van 8 juni 2006): Conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wapenwet dient de aanvrager van een erkenning bedoeld in artikel 5 van de wapenwet de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen aan te tonen door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen, zoals bankdocumenten en financiële overeenkomsten. Bij de erkenningsaanvraag werden geen stukken gevoegd die de herkomst van de financiële middelen kunnen staven; er blijken er evenmin uit het administratief dossier. Uit het administratief onderzoek is wel gebleken dat u samen met uw vader XIV-37.903-4/24 een ING-model van businessplan van het internet heeft gehaald en het zelf heeft ingevuld. Tevens stelde u dat het volstorten van 1/10 van het startkapitaal van 18.600 euro een haalbare financiële kaart zou zijn, doch hiervan worden geen bewijsstukken te berde gebracht. Besluit: de aanvraag voldoet niet aan de vereisten gesteld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wapenwet aangezien de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen niet wordt aangetoond (door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen, zoals bankdocumenten en financiële overeenkomsten). 8.5. Wat betreft de betaling van de wettelijk voorziene retributie (artikel 50, 10 van de wapenwet van 8 juni 2006): […] 8.6. Wat betreft de veiligheidsmaatregelen: […] 8.7. Wat betreft de adviezen: […] Besluit: uit de adviezen blijkt dat het adres […] Boutersem - zijnde uw woonplaats- niet geschikt is om een wapenhandel uit te baten. Verder blijken nog volgende elementen: o De herkomst van de financiële middelen wordt niet gestaafd; o Een exploitatiezetel voor de uitoefening van de activiteiten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, is niet gekend. 8.8. Eindevaluatie: Hieruit kan algemeen besloten worden dat de moraliteitscreening gunstig is, doch dat het administratief onderzoek niet gunstig kan worden afgerond aangezien de herkomst van de financiële middelen niet wordt gestaafd, aangezien er onduidelijkheid bestaat omtrent de identiteit van de aanvrager en zijn vestiging (o.a. natuurlijke persoon doch maatschappelijke zetel) en aangezien er geen exploitatiezetel is gekend. De verzamelde adviezen konden niet anders dan een evaluatie maken over het enige gekende adres, te weten […] Boutersem. Wat dat betreft, zijn de adviezen unaniem dat deze locatie niet geschikt wordt bevonden. Dit zowel om stedenbouwkundige redenen als om redenen van veiligheid. Alhoewel de wetgeving er inderdaad in voorziet om een investering in veiligheidsmaatregelen pas te vereisen van zodra er zicht is op een gunstige afronding van het administratief onderzoek, voorziet ze daarentegen niet in een erkenning op een „voorlopig adres‟ omdat de maatschappelijke zetel van een nog onbestaande vennootschap daar zou worden gevestigd, terwijl er nog geen zicht is op een concrete lokalisatie van de vestiging(
- en)alwaar de activiteiten daadwerkelijk zouden plaatsvinden. Zoals gezegd vraagt u de individuele erkenning als wapenhandelaar aan en ambieert u de oprichting van een vennootschap naar de toekomst toe. Als natuurlijke persoon wenst u een erkenning te vestigen op het adres […] Boutersem. Het kan geen maatschappelijke zetel betreffen aangezien u geen rechtspersoon bent. Het betreft een voorlopige vestiging die om diverse redenen hierboven vermeld niet geschikt wordt bevonden om een wapenhandel te vestigen. Het feit dus dat u een erkenning wenst voor een wapenhandel op een voorlopig adres (waar u woont), alwaar de maatschappelijke zetel van een onbestaande vennootschap zal worden gevestigd, gefinancierd door middelen waarvan de herkomst niet wordt gestaafd, voor uitoefening van activiteiten op (een) vestigingsplaats(
- en)waarvan de locatie niet is gekend, vormt een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. De inwilliging van dergelijke erkenningsaanvraag zou er potentieel voor kunnen zorgen dat u activiteiten stelt als wapenhandelaar of tussenpersoon gevoed met XIV-37.903-5/24 dubieuze financiële middelen vanuit een maatschappelijke zetel van een onbestaande vennootschap met activiteiten op een ongekende locatie. Bijgevolg moet worden besloten dat uw erkenningsaanvraag als wapenhandel/tussenpersoon niet voldoet aan de wettelijke vereisten, minstens onvolledig is en bijgevolg onmogelijk kan worden ingewilligd aangezien de afgifte van een getuigschrift van erkenning als wapenhandelaar omwille van de aangehaalde motieven een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou impliceren. 9. Beslissing: Op basis van voornoemde elementen wordt uw aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning als wapenhandel/tussenpersoon te […] Boutersem, geweigerd. Uw beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de gouverneur van Vlaams-Brabant betreffende uw aanvraag d.d. 14 mei 2014 tot het verkrijgen van een erkenning als wapenhandelaar, wordt verworpen.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 30 van de Wapenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- beginsel en het redelijkheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat hij doorheen alle gevoerde procedures steeds het schriftelijk en mondeling “hoorrecht” heeft gevorderd alsmede inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument conform artikel 5 van de wet van 11 april 1994 „betreffende de openbaarheid van bestuur‟ (hierna: de wet van 11 april 1994). Hij wijst erop dat hij in het algemeen besluit van zijn aanvullend verweerschrift een gemotiveerd verzoek heeft overgemaakt aan de verwerende partij inzake het mondeling “hoorrecht”, maar dat die, “zoals doorheen alle gevoerde procedures, dit gemotiveerd verzoek tot mededeling van door verwerende partij weerhouden resterende negatieve elementen en aansluitend mondeling „hoorrecht‟ voor de zoveelste keer niet [heeft] gehonoreerd.” Hij betoogt dat, “gezien de ellenlange rij „negatieve argumenten‟ XIV-37.903-6/24 (quod non) welke verwerende partij in de weigeringbeslissing […] aanvoert tot motivatie van haar beslissing […] verzoekers vraag om mondeling hoorrecht absoluut gerechtvaardigd en voldoende gemotiveerd.” In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de verwerende partij volledig voorbijgaat aan het feit dat in elke gerechtelijke- of administratieve procedure het recht om gehoord te worden (hoorplicht lastens verwerende partij) een essentieel onderdeel is van de rechten van de verdediging. Dit dient dus niet expliciet in enig wetsartikel te worden vermeld. In het Belgisch juridisch kader is het recht om gehoord te worden (mondeling/schriftelijk) in de administratieve context een beginsel van behoorlijk bestuur, ontwikkeld door de rechtspraak. Het recht om gehoord te worden in een administratieve context is bijkomend op Europees niveau trouwens verankerd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten en het is erkend als algemeen beginsel van unierecht. Voorts is volgens verzoeker voldaan aan alle voorwaarden inzake de toepassing van de hoorplicht: uit het dossier blijkt duidelijk welke (vermeende) tekortkomingen aan verzoeker worden verweten (twijfels bij de moraliteit, gebrek aan werkelijke intentie om het beroep uit te oefenen, twijfelachtige herkomst financiële middelen …) en het ontbreken van een “positieve beslissing” op verzoekers aanvraag tot erkenning als wapenhandelaar, berokkent hem manifest een ernstig financieel nadeel en bijkomend een steeds toenemende concurrentie in dit marktsegment. Wat het argument van de verwerende partij betreft dat de overheid niet verplicht is om hem mondeling te horen, doet hij gelden dat die stelling nergens in de memorie van antwoord wordt gestaafd door enige wettekst. Het blijft volgens verzoeker een éénzijdige stellingname. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en redelijkheidsbeginsel en rekening houdend met het feitenmateriaal aanwezig in het voorliggende administratief dossier (en in het vorige), was verzoekers herhaalde vraag om mondeling gehoord te worden zeker gerechtvaardigd. Het gaat hier niet om het kenbaar maken van een intentie voorafgaand aan de beslissing. De betwiste punten zijn door beide partijen gekend en de verwerende partij kon door een goed gesprek bijkomende info verkrijgen en nadien autonoom een juiste beslissing nemen op basis van de verkregen extra info. Verzoeker wijst erop dat mondeling XIV-37.903-7/24 horen nu eenmaal vlotter gaat dan schriftelijke heen-en-weer communicatie. Voor het overige verwijst verzoeker naar zijn verzoekschrift. In de laatste memorie verduidelijkt verzoeker dat artikel 30 van de Wapenwet is vermeld om de context aan te geven waarbinnen volgens hem het schriftelijk en mondeling “hoorrecht” aan de orde is. Hij erkent dat de terminologie “rechten van verdediging” misschien wat ongelukkig is gekozen, doch de essentie is volgens hem overduidelijk. Hij heeft steeds de indruk gehad dat in de bestreden beslissing weinig of geen rekening werd gehouden met zijn schriftelijk overgemaakte argumenten en hij kan enkel vaststellen dat het mondeling “hoorrecht” alle hem negatief aangerekende elementen adequaat uit de wereld had kunnen helpen. Voorts wil verzoeker aanstippen dat aan de voorwaarden van de hoorplicht wel is voldaan gezien de bestreden beslissing deels wordt gemotiveerd door te stellen dat hij niet zou hebben voldaan aan onder andere de financiële verplichtingen. Voort benadrukt hij dat de bestreden beslissing hem rechtstreeks en/of onrechtstreeks een zeer ernstig financieel en materieel nadeel berokkent. Tot slot doet verzoeker gelden dat hij in zijn dupliek op het tweede middel duidelijk aantoont dat hij enerzijds aan alle voorwaarden voldoet voor het aanvragen van de erkenning en anderzijds dat de aanvraag gebeurde met respect voor artikel 5, § 1, van de Wapenwet inzake “het zich bekend maken”. Beoordeling 5. Verzoeker voert in het middel in wezen aan dat hij, ondanks zijn gemotiveerd bezwaar, niet mondeling werd gehoord door de verwerende partij. Geen van de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen of beginselen omvatten evenwel de hoorplicht. In de mate dat verzoeker derhalve het hoorrecht uit die bepalingen en beginselen afleidt, faalt het middel in rechte. In de mate dat verzoeker het mondeling horen ziet als een schending van het recht van verdediging, faalt het middel eveneens in rechte. Het recht op verdediging is in beginsel enkel van toepassing in straf- en tuchtzaken. XIV-37.903-8/24 Geen wettelijke of reglementaire bepaling breidt het recht van verdediging uit tot administratieve beslissingen zoals de bestreden beslissing. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk. 6. Wel is het zo dat uit de uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift blijkt dat verzoeker geen enkele twijfel laat bestaan over het feit dat hij in het eerste middel in wezen de schending van de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur aanvoert. Ook de verwerende partij heeft het in de memorie van antwoord in die zin begrepen, zodat het middel vanuit dat oogpunt wordt onderzocht. De hoorplicht houdt in dat het bestuur, bij afwezigheid van een formele regeling ter zake, niemand een voordeel kan weigeren dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, noch hem dergelijk voordeel kan ontnemen noch hem een sanctie met een voldoende ernstig karakter kan opleggen zonder dat de betrokkene vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Bij de aanvraag van een voordeel is in beginsel aan deze voorwaarde voldaan doordat de aanvrager in zijn aanvraag alle nuttige elementen kan laten gelden. Indien evenwel het bestuur bij de weigering van het gevraagde voordeel rekening houdt met essentiële elementen of zich steunt op doorslaggevende gegevens die de betrokkene redelijkerwijze niet kon of niet moest kennen bij het indienen van zijn aanvraag, administratief beroepschrift of bij het uiteenzetten van zijn verweer, of steunt op redenen waarop de betrokkene in zijn aanvraag, administratief beroepschrift of bij het uiteenzetten van zijn verweer niet kon of moest anticiperen, dan dient dat bestuur, alvorens te beslissen, de betrokkene wel de mogelijkheid te bieden om op nuttige wijze zijn standpunt kenbaar te maken nopens die feiten en redenen, hetgeen in voorkomend geval ook schriftelijk kan gebeuren. Te dezen blijkt uit de stukken van het dossier dat verzoeker in zijn aanvraag, zijn beroepschrift, alsook in zijn verweerschriften kon uiteenzetten XIV-37.903-9/24 waarom hij meent aanspraak te kunnen maken op de erkenning als wapenhandelaar. Voorts voert verzoeker niet aan, noch maakt hij aannemelijk dat de verwerende partij bij haar weigeringsbeslissing heeft rekening gehouden met essentiële elementen of doorslaggevende gegevens die verzoeker redelijkerwijze niet kon of moest kennen bij het indienen van zijn aanvraag, beroepschrift of op het ogenblik van zijn verweer, noch dat de verwerende partij heeft gesteund op redenen waarop verzoeker in zijn aanvraag, zijn beroepschrift of zijn latere verweerschriften niet kon of moest anticiperen. Hieruit volgt dat verzoeker de gelegenheid werd geboden om op schriftelijke wijze zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Dat volstaat in het licht van de geschonden geachte hoorplicht. Het argument van verzoeker dat zijn vraag tot mondeling horen gerechtvaardigd was en dat een mondeling verhoor vlotter verloopt dan een schriftelijke heen- en weer communicatie, leidt niet tot een andere conclusie. Verzoekers argument ter zake betreft een opportuniteits- beoordeling van het nut van het mondeling horen, maar zulks betekent niet dat door enkel schriftelijk te horen, de verwerende partij de hoorplicht schendt. Tot slot is het eigen aan een beginsel van behoorlijk bestuur als de hoorplicht dat dit niet geschreven is, zodat de kritiek dat het standpunt dat de overheid niet verplicht is om verzoeker mondeling te horen, niet wordt gestaafd door enige wettekst, niet dienend is. Een schending van de hoorplicht ligt derhalve niet voor. 7. Het eerste middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. XIV-37.903-10/24 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 30 juncto de artikelen 5, § 1, 5, § 2 en 5, § 3 van de Wapenwet, van artikel 7 van de Wapenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheids- beginsel. Hij zet vooreerst het wettelijk kader uiteen. Hieruit volgt dat de verwerende partij slechts over een zeer beperkte appreciatiemarge beschikt wanneer zij dient te oordelen over een aanvraag voor een erkenning van wapenhandelaar. Die is volgens verzoeker beperkt tot de beoordeling van de eventuele strijdigheid van de aanvraag tot erkenning met de openbare orde en openbare veiligheid. Het koninklijk besluit van 11 juni 2011 „tot regeling van het statuut van de wapenhandelaar‟ bepaalt niets over de wijze waarop de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen zou moeten worden aangetoond. Hij wijst ter zake ook naar de omzendbrief van 25 oktober 2011 wat de erin voorziene regeling inzake de herkomst van de financiële middelen betreft. Na vervolgens een analyse van de weigeringsbeslissing en een omstandige analyse en bespreking van de diverse adviezen, gaat verzoeker onder het deel 4 over tot de “analyse & weerlegging motivatie aangevochten weigeringsbeslissing”. Hij bekritiseert daarin opeenvolgend en puntsgewijs de bestreden beslissing in zoverre deze zich uitspreekt over de beroepsbekwaamheid, de erkenningsaanvraag, de financiële middelen, de veiligheidsmaatregelen, de adviezen en de eindevaluatie met de eigenlijke beslissing. Inzake de beroepsbekwaamheid doet verzoeker gelden dat alle beweringen van de verwerende partij in de bestreden beslissing niet zijn bewezen - vandaar de schending van de materiëlemotiveringsplicht - en dat zij bovendien kennelijk onredelijk zijn, vanwaar de schending van het redelijkheidsbeginsel. Inzake het motief betreffende de erkenningsaanvraag voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, van artikel 5, § 3 van de Wapenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. Hij stelt dat de voorwaarden van erkenning bepaald in artikel 5, § 3 van de Wapenwet en in XIV-37.903-11/24 haar uitvoeringsbesluiten, strikt te onderscheiden zijn van exploitatie en beroepsuitoefening zoals de veiligheidsvoorschriften en de beroepsplichten van de wapenhandelaar, waarbij hij twee fases onderscheidt in de erkenningsprocedure. Voorts betoogt hij dat door een erkenning afhankelijk te stellen van de vervulling van veiligheidsvoorwaarden, locatiekeuze en dergelijke meer, de bestreden beslissing artikel 5 van de Wapenwet, samen gelezen met artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 april 1997 „tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben, en het verzamelen van vuurwapens‟, schendt. Zulks geldt ook voor wat betreft de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiverings- plicht, “m.n. doordat in de bestreden beslissing de gunstige adviezen van de lokale politie d.d. 30/03/2018 en de burgemeester d.d. 05/04/2018 manifest worden geminimaliseerd, terwijl ervan mag worden uitgegaan dat zulk een gunstig advies zou worden ontmoet in de motieven van de andersluidende beslissing.” Alle andere motieven van de bestreden beslissing zijn volgens verzoeker “manifest niet pertinent - vandaar de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen - en bovendien vreemd aan de artikelen 5 §3 en 7 §1 van de Wapenwet, in het bijzonder omdat zij geen verband houden met de openbare orde en de openbare veiligheid.” Voorts uit verzoeker kritiek op het motief inzake de veiligheidsmaatregelen en meer bepaald het ontbreken van een exploitatielocatie. Inzake de adviezen verwijst hij naar zijn eerdere kritieken ter zake en bevindt hij de motivering niet pertinent zodat deze de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 miskent. Voorts bekritiseert hij de rubriek “eindevaluatie en de beslissing” uit de bestreden beslissing en geeft hij nadere weerlegging in zake bepaalde passages uit de rubriek “evaluatie in het kader van de vernietigde beslissing dd 22 januari 2015 van de Federale Wapendienst”. Inzake het motief betreffende de herkomst van de financiële middelen zet verzoeker het volgende uiteen: “4.4: inzake de financiële middelen - […]: Verwerende partij stelt dat verzoeker niet zou hebben voldaan aan de vereiste om XIV-37.903-12/24 de herkomst van de financiële middelen aan te tonen (quod non). Het K.B. van 11 juni 2011 tot regeling van het statuut van de wapenhandelaar bepaalt niets over de wijze waarop de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen zou moeten worden aangetoond. Verwerende partij gaat echter voorbij aan het feit dat verzoeker duidelijk heeft aangegeven dat de nodige financiële middelen beschikbaar zijn via eigen spaarkapitaal en dus duidelijk heeft voldaan aan de vereiste. Verwerende partij stelt verder dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker enkel een „ING-model van bussinessplan‟ zou hebben gebruikt. Het opstellen van een dergelijk plan heeft in wezen weinig te maken met „herkomst‟ van financiële middelen doch in eerste instantie onderzoek naar de haalbaarheid van een exploitatie-locatie (pro‟s & contra‟s, concurrenten, klantenpotentieel, ...). Ook deze informatie werd ter goeder trouw medegedeeld. […].” In de memorie van wederantwoord gaat verzoeker niet verder in op het motief betrokken op de herkomst van de financiële middelen. In de laatste memorie ontkent verzoeker vooreerst niet dat de herkomst moet worden bewezen, doch hij stelt dat dit aan de orde is in een navolgende fase van de behandeling van de aanvraag. Wat dat betreft, is verzoeker immers van oordeel dat uit artikel 5, § 1 van de Wapenwet, en meer bepaald uit de term “zich kenbaar maken”, onweerlegbaar blijkt dat de erkenningsprocedure minstens uit twee fases bestaat waarbij in de eerste fase de verlenende overheid een positieve beslissing neemt inzake de erkenningsaanvraag, waarna in een of meer opvolgende fases verzoeker voldoet inzake het aanleveren van de wettelijk voorziene documenten en in een laatste fase het definitief erkenningscertificaat wordt bezorgd. Voorts wijst verzoeker naar het verslag opgesteld door de toenmalige korpschef van de lokale politiezone dat zich in het dossier bevindt. Volgens verzoeker wordt daarin duidelijk vermeld dat hij aan de politieambtenaren heeft vermeld dat de gelden welke zullen worden gebruikt voor de uitoefening van de gevraagde handelingen met wapens, afkomstig zijn uit spaartegoeden. Volgens hem is het “niet aangeraden valse verklaringen af te leggen tijdens een onderhoud met politie- diensten. Dus, zelfs al was dit niet aan de orde in de 1ste fase van de erkenningaanvraag (conform het stappenplan) is er toch een „officieel document‟ wat de herkomst van de financiële middelen aangeeft”, waardoor volgens hem de facto is voldaan aan de voorwaarde vervat in art. 5, § 2 eerste lid, van de Wapenwet. Voorts zet hij uiteen dat een rechtspersoon pas in de voorwaarde is om XIV-37.903-13/24 een aanvraag in te dienen voor erkenning als wapenhandelaar als die rechtspersoonlijkheid heeft. Te dezen is de aanvraag ingediend door een natuurlijk persoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, § 2, van de Wapenwet, waarbij eens de procedure is doorlopen, de erkenning kan worden ingebracht in de activa van een vennootschap. Aldus is perfect voldaan aan artikel 5, § 1, van de Wapenwet. Beoordeling De schending van artikel 5, samen gelezen met artikel 30 van de Wapenwet en de schending van de materiëlemotiveringsplicht 9. Verzoeker voert in het middel de schending aan van artikel 5 van de Wapenwet, samen gelezen met artikel 30 ervan. Ook de materiële- motiveringsplicht wordt geschonden geacht. Het middel wordt eerst vanuit deze bepalingen en dit beginsel onderzocht. 10. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet XIV-37.903-14/24 steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte de weigering van de aanvraag tot erkenning verantwoorden. 11. De te dezen toepasselijke bepalingen van artikel 5 van de Wapenwet luiden: “Art. 5. § 1. Niemand mag op het Belgisch grondgebied activiteiten als wapenhandelaar of als tussenpersoon uitoefenen, of zich als dusdanig bekend maken, zonder daartoe vooraf te zijn erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. […]. § 2. De aanvrager moet zijn beroepsbekwaamheid bewijzen voor de activiteit die hij wenst uit te oefenen en de herkomst van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen aantonen op de wijze bepaald door de Koning. […] § 3. De gouverneur doet uitspraak over de aanvraag om erkenning na ontvangst van het met redenen omkleed advies van de procureur des Konings en van de burgemeester bevoegd voor de vestigingsplaats en voor de woonplaats van de aanvrager. De erkenning kan alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Elke beslissing tot weigering vanwege de gouverneur moet met redenen omkleed zijn. […].” In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat de Wapenwet is geworden, is te lezen (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 51 2263/001, 22): “[…]. Er worden twee nieuwe maar evidente voorwaarden voor erkenning ingevoerd in de wet. De kandidaat-wapenhandelaar zal voortaan zijn beroepsbekwaamheid moeten aantonen (dit was nog niet het geval voor een beroep dat veel meer risico‟s inhoudt dan vele andere beroepen waarvan de toegang wel, soms strikt, is gereglementeerd). Daarnaast zal hij ook de oorsprong van de financiële middelen die hij in zijn zaak investeert moeten aantonen. Een uitvoeringsbesluit zal nader bepalen op welke manier hij zulks moet bewijzen.” Tijdens de bespreking in de bevoegde commissie van de Kamer voor Volksvertegenwoordigers is voorts het volgende gesteld (Parl. St. Kamer, 2005-2006, nr. 51 2263/003, 22) : “De heer Melchior Wathelet (cdH) wenst te vernemen wat de beoordelingscriteria zijn die de gouverneurs zullen moeten hanteren om een erkenning te verlenen. XIV-37.903-15/24 Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, licht toe dat, in het geval van een reeds erkende wapenhandelaar, de wet diens erkenning bevestigt met toepassing van de erin opgenomen overgangsbepalingen. Wanneer de wapenhandelaar nog geen erkenning heeft, moet hij zijn aanvraag daartoe richten tot de gouverneur. Artikel 5 van het wetsontwerp legt daartoe een reeks voorwaarden op, met name inzake beroepsbekwaamheid. De nieuwe federale wapendienst zal een bekwaamheidsproef organiseren. Als de kandidaat-wapen- handelaar de in artikel 5 vermelde voorwaarden naleeft én slaagt voor zijn beroepsbekwaamheidsproef, dan moet de gouverneur hem de erkenning verlenen. Toch bepaalt artikel 5, § 3, dat de gouverneur die erkenning alsnog kan weigeren „om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde‟. Die weigeringsbeslissing moet met redenen zijn omkleed. De heer Melchior Wathelet (cdH) onthoudt daaruit dat de gouverneur dus alleen maar een erkenning kan weigeren als hij van oordeel is dat zulks noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. […].” Artikel 5, § 2, eerste lid, van de Wapenwet is uitgevoerd door artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 „tot uitvoering van de wapenwet” (hierna: het koninklijk besluit van 20 september 1991), zoals aangevuld door artikel 4, 2° van het koninklijk besluit van 16 oktober 2008 „tot wijziging van diverse uitvoeringsbesluiten van de wapenwet‟. Deze bepaling luidt: “De aanvrager van een erkenning bedoeld in de artikelen 5 en 21 van de wet toont de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen aan door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen, zoals bankdocumenten en financiële overeenkomsten.” 12. Op grond van artikel 5, § 3, eerste lid van de Wapenwet komt het aan de gouverneur toe uitspraak te doen over de aanvraag en meer bepaald te oordelen of te dezen is voldaan aan de eis de herkomst van de voor de activiteit aangewende middelen aan te tonen. Met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet - dat een georganiseerd administratief beroep instelt bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen de beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1) - verwerft de beroepsinstantie ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep, de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Zij kan aldus, in administratief beroep, op dezelfde gronden als de gouverneur de erkenning als wapenhandelaar en/of tussenpersoon weigeren. XIV-37.903-16/24 13. Uit deze bepalingen volgt dat de aanvrager van een erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon, moet voldoen aan de in artikel 5, § 2 van de Wapenwet bepaalde voorwaarden, met name zijn beroepsbekwaamheid bewijzen en de herkomst aantonen van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen. Het betreft cumulatieve voorwaarden, zodat de beroepsinstantie vermag een aanvraag te weigeren indien niet is voldaan aan minstens één van beide voorwaarden. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan de beroepsinstantie enkel nog de erkenning weigeren “om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde.” 14. Het bewijs van de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen moet op grond van artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991, worden aangetoond door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen, zoals bankdocumenten en financiële overeenkomsten. Bij de beoordeling van de vraag of de overgelegde bewijzen zulks aantonen, oefent de beroepsinstantie een discretionaire bevoegdheid uit. Het komt derhalve aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om daar zelf een beoordeling van te maken. De Raad van State is desgevraagd enkel bevoegd om na te gaan of de beroepsinstantie is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 15. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.5.). Uit de lezing van de “eindevaluatie” blijkt dat het administratief onderzoek “niet gunstig kan worden afgerond aangezien de herkomst van de financiële middelen niet wordt gestaafd, aangezien er onduidelijkheid bestaat omtrent de identiteit van de aanvrager en zijn vestiging XIV-37.903-17/24 (o.a. natuurlijke persoon doch maatschappelijke zetel) en aangezien er geen exploitatiezetel is gekend.” Verzoeker betwist niet dat hij de herkomst van de financiële middelen die hij wenst aan te wenden voor de op te richten wapenhandel of activiteit als tussenpersoon, niet heeft bewezen aan de hand van bankdocumenten en financiële overeenkomsten. In het verzoekschrift stelt hij dat hij duidelijk heeft aangegeven dat de nodige financiële middelen beschikbaar zijn via eigen kapitaal. In de laatste memorie verwijst hij naar het verslag opgesteld door de gewezen korpschef van de lokale politie waarin volgens hem “duidelijk [is] vermeld dat verzoeker aan de politieambtenaren heeft vermeld dat de gelden welke zullen worden gebruikt voor de uitoefening van de gevraagde handelingen met wapens afkomstig zijn uit spaartegoeden.” Een eigen en eenzijdige verklaring omtrent de herkomst van de financiële middelen, afgelegd in het raam van de voorliggende aanvraag, heeft geen (bijzondere) bewijswaarde en is geen deugdelijk schriftelijk bewijs in de zin van artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991. De omstandigheid dat, naar verzoeker stelt in de laatste memorie, dit is vermeld in een (moraliteits-) verslag van de lokale politie doet niet anders besluiten, zelfs al is die verklaring afgelegd aan een politieambtenaar ten aanzien van wie het, volgens verzoeker, “niet [is] aangeraden valse verklaringen af te leggen tijdens een onderhoud met politiediensten.” Een dergelijk stuk waarin een relaas is opgenomen van het verhaal dat [H. M.] heeft gedaan tijdens een plaatsbezoek in het kader van de voorliggende aanvraag (zie supra, punt 3.4.), heeft geen (bijzondere) bewijswaarde wat de juistheid betreft van de erin opgenomen verklaringen van verzoekers vader. Het is derhalve geen deugdelijk schriftelijk bewijs in de zin van de hiervoor gestelde bepaling. Voorts betwist verzoeker niet dat het “ING-model van businessplan” geen bewijsstuk is inzake de herkomst van de financiële middelen. XIV-37.903-18/24 Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid is gebleven door te besluiten dat de aanvraag niet voldoet aan de vereiste gesteld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991, aangezien de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen niet wordt aangetoond. In de mate tot slot dat verzoeker betoogt (in de laatste memorie) dat het aantonen van de herkomst van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen enkel aan de orde zou zijn in “in een opvolgende fase van de behandeling van de aanvraag (na een positieve beslissing inzake de erkenning […])”, faalt dit standpunt in rechte. Uit de lezing van artikel 5, § 1, eerste lid van de Wapenwet blijkt immers uitdrukkelijk dat “niemand […] op het Belgisch grondgebied activiteiten als wapenhandelaar of als tussenpersoon [mag] uitoefenen, of zich als dusdanig bekend maken, zonder daartoe vooraf te zijn erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats.” Zowel het uitoefenen als het zich als dusdanig bekend maken, vereisen derhalve een voorafgaande erkenning. Voorts is de eis dat de aanvrager van een dergelijke erkenning de herkomst van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen moet aantonen, een erkenningsvoorwaarde die, evident, moet zijn voldaan op het ogenblik dat beslist wordt over de erkenning (in eerste aanleg door de gouverneur dan wel in graad van administratief beroep door de beroepsinstantie). Aan deze voorwaarde is, zoals hiervoor is vastgesteld, niet voldaan. 16. Verzoeker uit in het middel ook nog kritiek op de overige motieven van en beschouwingen uit de bestreden beslissing. Het motief dat verzoeker niet de herkomst aantoont van de voor de activiteit aangewende financiële middelen betreft een determinerend motief. Immers, zoals hiervoor is vastgesteld, betreft dit een erkenningsvoorwaarde die moet zijn voldaan op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. Aangezien dit bewijs niet voorligt, kan de verwerende partij niet anders dan zulks vaststellen en de aanvraag weigeren. In de mate dat verzoeker bijgevolg in het XIV-37.903-19/24 middel nog kritiek uitoefent op de overige motieven van de bestreden beslissing, kan die bijgevolg niet leiden tot de nietigverklaring ervan. Zelfs al zou de kritiek die verzoeker te dezen in het middel uitoefent op die overtollige motieven terecht zijn, dan nog zou die immers niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen leiden. 17. Wat voorts de in de laatste memorie aangevoerde wettigheids- kritieken betreft, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Het kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 18. Het tweede middel is in die mate ongegrond. De schending van de overige aangevoerde bepalingen 19. Wat de schending van de formelemotiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991 betreft, blijkt uit de hiervoor weergegeven formele motivering (zie supra, punt 3.5.) dat die aan verzoeker voldoende duidelijkheid verschaft over het hiervoor wettig bevonden determinerende motief waarom de verwerende partij de gevraagde erkenning mocht weigeren. Dit volstaat in het licht van de door verzoeker aangehaalde formelemotiveringsplicht. Overigens blijkt uit de ontwikkeling van het middel dat verzoeker dit determinerend motief kent en ook betwist. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig. In de mate dat verzoeker kritiek uit op de formele motivering inzake de overige motieven en beschouwingen van de bestreden beslissing, heeft hij geen belang bij die kritiek. Om dezelfde redenen als hiervoor is uiteengezet (supra, punt 16.), betreft het kritiek inzake de afdoende motivering van overtollige motieven, zodat het gegrond bevinden ervan niet tot vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden. XIV-37.903-20/24 20. In de mate dat de overige in het verzoekschrift aangehaalde, geschonden geachte bepalingen betrekking hebben op het voormelde wettig bevonden determinerende motief, wordt geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. In de mate dat die overige geschonden bepalingen kritiek betreffen inzake de overtollig bevonden motieven, is die kritiek om die reden alleen reeds niet ontvankelijk. 21. Het tweede middel is in die mate ongegrond. Conclusie 22. In de mate dat het tweede middel ontvankelijk is, is het ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 23. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de artikelen 7 en 30 van de Wapenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De bestreden beslissing schendt deze bepalingen en beginselen “doordat meteen ten 2de male voor de weigering van de erkenning wordt gekozen, terwijl de maatregel diende te worden afgewogen ten opzichte van minder zwaarwegende preventieve maatregelen (bv. clausule in de positieve beslissing dat de huidige woonplaats van verzoeker nooit in aanmerking komt voor handel in en/of stockage van vergunningsplichtige items conform de wapenwet, ...) en terwijl tevens de motieven dienden te worden veruitwendigd waarom meteen voor de zwaarste maatregel werd gekozen, m.n. meteen de 2de algehele weigering”. XIV-37.903-21/24 In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat hij minutieus de regeltjes volgt en geen “gebruik” maakt van eventuele grijze zones. Voorts doet hij gelden dat hij gans de problematiek van de aangehaalde argumenten heeft weerlegd in zijn verzoekschrift. Verzoeker en zijn vader deden voorts alle voorbereidende werkzaamheden welke legaal mogelijk waren inzake de nadien op te richten rechtspersoon. Enkel het ontbreken van een positieve beslissing inzake de gevraagde erkenning heeft gans de verdere ontwikkeling van de handelsactiviteiten tot op heden verhinderd. In de laatste memorie verwijst verzoeker naar zijn verzoekschrift en de opvolgende memories. Beoordeling 24. Uit de behandeling van het tweede middel blijkt dat de bestreden beslissing steunt op een wettig bevonden motief dat de bestreden beslissing draagt en dat de beroepsinstantie, indien zij vaststelt dat aan één van de cumulatieve erkenningsvoorwaarden niet is voldaan, zij de erkenning moet weigeren. Enige “minder zwaarwegende maatregel” dan de weigering van de erkenning kwam dan ook niet in aanmerking, Er kan derhalve niet worden afgewogen ten opzichte van een (niet-bestaande) minder zware maatregel zodat er in rechte geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 7 van de Wapenwet. Evenmin kunnen aldus de overige door verzoeker aangevoerde beginselen zijn geschonden daar de door verzoeker geschonden afweging niet voorlag. A fortiori moest aldus evenmin formeel worden gemotiveerd waarom voor de “zwaarste maatregel” werd gekozen. 25. Het derde middel is ongegrond. XIV-37.903-22/24 D. Nieuw middel in de memorie van wederantwoord Uiteenzetting van het middel 26. Verzoeker voert in de memorie van wederantwoord een vierde middel aan, afgeleid uit de schending van artikel 5 van de wet van 11 april 1994. Hij doet gelden, samengevat, dat nazicht van de 63 bijlagen neergelegd door de verwerende partij in het elektronisch dossier en de niet-opvolgende nummering van die elektronische stukken, aantoont dat een aantal stukken hem niet zijn bezorgd in het kader van het inzagerecht voorafgaand aan de beslissing in het dossier. Hij kan enkel vaststellen dat de verwerende partij “manifest en met recidive het inzagerecht heeft geschonden en door de tendentieuze inhoud van de aanvragen, zich duidelijk heeft bezondigd aan machtsmisbruik en machtsoverschrijding, aangezien de andere aanvragen tot het bekomen van een advies (in dit en de andere dossiers) kort en strikt zakelijk waren”. Verzoeker verwijt de verwerende partij dat die duidelijk “op zoek” was naar negatieve elementen tot staving van de bestreden beslissing. In de laatste memorie verduidelijkt verzoeker dat het inzagerecht garandeert dat de administratieve overheid, voorafgaand aan haar beslissing, aan verzoeker kopie van alle documenten overmaakt die aanwezig zijn in het administratief dossier. Dit is hier niet het geval, vandaar de schending van artikel 5 van de wet van 11 april 1994 en de motivering van machtsmisbruik en machtsoverschrijding. Aan verzoeker werd mogelijks substantiële informatie onthouden. Beoordeling 27. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de stukken uit het administratief dossier waarop verzoeker doelt, hem niet werden meegedeeld in toepassing van de passieve openbaarheid van bestuur - ter zake bemerkt de Raad van State dat een niet-opeenvolging in de administratieve nummering van XIV-37.903-23/24 pdf-stukken in het bij de Raad van State neergelegd elektronisch dossier op zich niet doet blijken dat de stukken vermeld op de inventaris ontbreken noch dat die stukken hem niet werden meegedeeld - volstaat de vaststelling dat een gebeurlijke, niet-conform aan artikel 5 van de wet van 11 april 1994, gedane mededeling van bestuursdocumenten voorafgaand aan de bestreden beslissing, op zich de wettigheid van de bestreden beslissing niet vitieert. 28. Het middel kan derhalve niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.903-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.980 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div