← België

Arrest 249038 - Varia (onderwijs en cultuur) - 25/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.038 Rolnummer: A. 222576/IX-9089 Zaak: Arrest 249038 - Varia (onderwijs en cultuur) - 25/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-08 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 249.038 van 25 november 2020 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.038 van 25 november 2020 in de zaak A. 222.576/IX-9089 In zake : Annick SCHEGERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 6 Rivierenland bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de raad van bestuur van scholengroep 6 Rivierenland van het Gemeenschapsonderwijs van 13 juni 2017 om Annick Schegers met ingang van 1 september 2017 over te plaatsen in het belang van de dienst naar het atheneum te Willebroek. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 239.990 van 28 november 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-9089-1/26 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november 2020. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim Peeters, die loco advocaat Christophe Vangeel verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. IX-9089-2/26 III. Feiten 3.1. Verzoekster is vast benoemd leraar aan het atheneum te Boom, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 6 Rivierenland van het Gemeenschapsonderwijs. 3.2. Op 21 september 2016 bevestigt de kamer van beroep voor de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs (hierna: de kamer van beroep) een door de verwerende partij aan verzoekster opgelegde tuchtstraf ‘afhouding van 10% wedde gedurende 2 maanden’ voor de volgende, bewezen bevonden tenlastelegging: “het op 18 en 20 maart en 8 april 2016 plaatsen van zeer problematische posts op Facebook – waarbij u bepaalde leerlingen ‘irritante elementen’, ‘gluiperig’, ‘groot b.kk.s’ noemt en hen ‘Rot op’ toegooit – ondanks dat u in het verleden ten overvloede verzocht werd uiterst omzichtig om te springen met sociale media.” Bij arrest nr. 247.529 van 12 mei 2020 heeft de Raad van State verzoeksters beroep tot nietigverklaring van deze beslissing verworpen. 3.3. Op 15 november 2016 verzoekt de raad van bestuur van de scholengroep de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs om een onderzoek in te stellen naar de verstoorde orde in het atheneum van Boom, inzonderheid om na te gaan “of er nog verdere samenwerking tussen mevrouw Schegers, de leden van de vakgroep geschiedenis en de directie van het GO! Atheneum Boom mogelijk is”. Deze vraag steunt op de volgende motieven: “Sinds enige tijd doet er zich in het Atheneum Boom een ernstig conflict voor tussen mevrouw Schegers enerzijds en een aantal leerkrachten die tot haar vakgroep (geschiedenis) behoren en de directeur van de school, mevrouw [E.], anderzijds. - Mevrouw Schegers, die recent omwille van een aantal ongepaste posts naar leerlingen een tuchtstraf werd opgelegd, hekelt op scherpe wijze zowel het functioneren van haar collega’s, als van haar directeur. - Mevrouw [E.] wordt hierbij op zeer agressieve wijze aangepakt. - Mevrouw Schegers beperkt zich hierbij niet tot schooleigen en neteigen IX-9089-3/26 organen maar richt zich ook tot instanties buiten het Gemeenschapsonderwijs, met name de inspectie. Mail van 17 september 2016 t.a.v. de inspecteurs […] en de inhoud ervan (uw beschuldigingen aan het adres van uw directie en uw collega’

  1. s)lijkt een inbreuk te vormen op de plichten van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. - Poging om het evaluatiegesprek dat mevrouw [E.] begin september 2016 wilde voeren, onmogelijk te maken.” 3.4. Op 28 maart 2017 beslist de verwerende partij om aan verzoekster de tuchtmaatregel ‘schorsing voor 2 maanden’ op te leggen omwille van de volgende feiten: “- begin van het schooljaar 2016-2017 door allerlei manoeuvres het onmogelijk gemaakt te hebben dat haar evaluator met haar een evaluatiegesprek voerde. - op 17 september 2016 zich op een ongepaste wijze tot de inspecteurs […] te hebben gericht waarbij een tendentieus, uitermate negatief beeld over de school, zijn verantwoordelijken, de collega’s, werd opgehangen.” Verzoekster vecht deze beslissing aan bij de kamer van beroep, die op 22 juni 2017 het tweede tuchtfeit bewezen verklaart en de opgelegde tuchtsanctie bevestigt. Tegen de laatstgenoemde beslissing van de kamer van beroep heeft verzoekster bij de Raad van State een annulatieberoep ingediend (zaak A. 222.964/IX-9140). Bij arrest nr. 249.039 van heden verwerpt de Raad van State dit beroep. 3.5. Op 9 mei 2017 neemt de raad van bestuur kennis van het rapport van de onderzoekscel en op 13 juni 2017 wordt verzoekster, vertegenwoordigd door haar raadsman, gehoord in het kader van de voorgenomen overplaatsing in het belang van de dienst. 3.6. Op 13 juni 2017 beslist de raad van bestuur om verzoekster met ingang van 1 september 2017 over te plaatsen, in het belang van de dienst, naar het atheneum van Willebroek. Dat is de bestreden beslissing, waarin de raad van bestuur na een omstandig feitenrelaas – waarin de procedurele voorgaanden worden uiteengezet en het rapport van de onderzoekscel en de door verzoekster ingediende verweernota worden geciteerd – het volgende overweegt: IX-9089-4/26 “De Raad van Bestuur stelt vast dat de decreetgever in artikel 58 van het Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs de mogelijkheid ingeschreven heeft om indien de orde in een instelling verstoord is en/of de samenwerking tussen een aantal personeelsleden onmogelijk is geworden, een personeelslid over te plaatsen in het belang van de dienst. De Raad van Bestuur is de mening toegedaan dat dit in het GO! Atheneum Boom effectief het geval is. Dat het zo ver is gekomen is uiteraard geen natuurverschijnsel. De Raad kan alleen maar vaststellen dat mevrouw Schegers de voorbije jaren en maanden haar uiterste best gedaan heeft om een situatie te creëren die inderdaad onwerkbaar is. De Raad heeft reeds maanden geleden, op het moment dat mevrouw Schegers de tuchtstraf ‘afhouding van wedde’ werd opgelegd, betreurd dat betrokkene geen schuldbesef betoont, maar integendeel in haar strijd om het grote gelijk haar bruggen aan het verbranden was. De Raad betwistte en betwist mevrouw Schegers niet om zich te verdedigen zoals zij dit nodig acht, maar gaat er van uit dat mevrouw Schegers beseft dat als zij rücksichtslos collega’s en hiërarchische oversten met beledigingen bestookt het voor deze collega’s en hiërarchische oversten moeilijk of zelfs onmogelijk wordt om nog op enige wijze met mevrouw Schegers samen te werken. Als men zich op een dergelijke wijze verdedigt – nogmaals, de Raad betwist mevrouw Schegers niet het recht om dit te doen – moet men zich niet verbazen dat dit consequenties heeft. Bezin vooraleer je begint! De Raad ging er ook van uit dat mevrouw Schegers nadat de tuchtstraf ‘de afhouding van 10% wedde gedurende twee maanden’ haar door de Raad van Bestuur op 14 juni 2016 werd opgelegd – wat als een milde tuchtstraf mag worden betiteld – de Raad de preventieve schorsing vroegtijdig beëindigde (op 30 juni 2016) om de re-integratie van betrokkene te vergemakkelijken, mevrouw Schegers zich, al dan niet doorleefd, zou aangepast hebben en voor samenwerking zou geopteerd hebben. De realiteit bleek er enigszins anders uit te zien. Mevrouw Schegers stuurde welbewust aan op een verdere escalatie. Als men zich op een uiterst negatieve wijze tot de inspectie wendt, waarbij collega’s, hiërachische oversten, geschoffeerd worden, mag men er niet over verbaasd zijn dat voor deze collega’s, voor de directie, de maat vol is, dat er iets definitief gebroken is, dat alle vertrouwen verdwenen is, dat men gewoonweg niet verder wil met elkaar. Als de Raad van Bestuur op 15 november 2016 het dossier behandelde en de Onderzoekscel gevraagd werd een onderzoek in te stellen naar de al dan niet verstoorde orde in het GO! Atheneum Boom was dit de werkhypothese. De Raad moet na kennisname van het onderzoeksrapport van 3 mei 2017 vaststellen dat deze hypothese door het onderzoek bevestigd wordt. Acht mevrouw Schegers het wel nog mogelijk om terug in dienst te treden in de school, dan wijzen de leden van het directieteam dit categorisch van de hand. Wat mevrouw Schegers de facto bepleit, dit is de totale tabula rasa, is voor het directieteam volstrekt uitgesloten. Er is in het verleden te veel IX-9089-5/26 gebeurd om tot de orde van de dag over te gaan. Het is tevens opvallend dat mevrouw Schegers er in geslaagd is leden van haar vakgoep die haar niet tot nauwelijks kennen al tegen zich op te zetten. En dit is uitdrukkelijk niet alleen het resultaat van wat aan deze nieuwe collega’s over mevrouw Schegers verteld wordt, maar ook door de vele Smartschoolberichten, waarin zij de lof en de roem van zichzelf zingt, die zij verstuurde. Het is trouwens op zich al een merkwaardige vaststelling dat mevrouw Schegers in haar verweernota stelt dat er wat haar betreft geen probleem is om terug de dienst op te nemen in het GO! Atheneum Boom maar ‘en passant’ er wel in slaagt om twee collega’s weg te zetten als ordinaire egoïsten die haar terugkeer enkel afwijzen omdat ze hier persoonlijk nadeel zouden bij hebben. Leert mevrouw Schegers dan nooit?! Uit een aantal arresten van de Raad van State kan, wat betreft de vraag welk personeelslid moet worden overgeplaatst, het volgende worden afgeleid. Als de Inrichtende Macht de keuze heeft tussen de overplaatsing van een personeelslid in een wervingsambt en een personeelslid in een bevorderingsambt dan kan de inrichtende macht ervoor opteren het personeelslid in het wervingsambt over te plaatsen. Een dergelijke overplaatsing is eenvoudiger te realiseren dan de overplaatsing van het personeelslid in het bevorderingsambt. Hiervoor werd vermeld dat bij ordemaatregelen de schuldvraag niet gesteld wordt. Dit moet inzake de overplaatsing in het belang van de dienst enigszins genuanceerd worden. Uit diverse arresten van de Raad van State blijkt immers dat de Raad van oordeel is dat hij/zij die verantwoordelijk is of hoofdverantwoordelijk is voor de ordeverstoring in de eerste plaats in aanmerking komt om te worden overgeplaatst. De algemene regel inzake overplaatsing in het belang van de dienst is dus dat het personeelslid dat verantwoordelijk is of de hoofdverantwoordelijke is, in casu mevrouw Schegers, voor de ordeverstoring overgeplaatst wordt in het belang van de dienst. Gelet op wat voorafgaat beslist de Raad van Bestuur mevrouw Schegers over te plaatsen naar GO! Atheneum Willebroek.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (hierna: het IX-9089-6/26 tuchtbesluit), en van de motiveringsplicht, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster voert aan dat de verwerende partij bijzonder lang heeft getalmd om een ordemaatregel op te leggen. Voorts doet verzoekster gelden dat in de bestreden beslissing niet op gemotiveerde wijze wordt aangetoond waarom de verstandhouding blijvend zou zijn verstoord. Zij argumenteert dat enkel op een mogelijk conflict wordt gefocust en dat het blijvend karakter ervan niet wordt aangetoond en ook niet aannemelijk kan worden gemaakt. Volgens verzoekster wordt zelfs niet aangetoond waarin het belang van de dienst gelegen is en worden eenvoudigweg zeer betwistbare en van eigenbelang doordrongen meningen van enkele personen vereenzelvigd met het belang van de dienst. Verzoekster klaagt ook aan dat nooit een poging tot conflictbeheersing, bemiddeling of remediëring werd ondernomen. Verzoekster voert vervolgens aan dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtstraf is. Zij argumenteert dat het determinerend maar niet uitgedrukt motief van de bestreden maatregel erin bestaat haar te straffen voor schuldig gedrag en zij wijst erop dat het dossier bulkt van de beschuldigingen. Volgens verzoekster blijkt het straffend karakter van de bestreden beslissing ook uit het feit dat de impact van de maatregel veel verder gaat dan noodzakelijk is voor het herstel van de goede werking van de dienst. Verzoekster doet gelden dat “[m]en zich niet [kan] voorstellen dat een redelijke en zorgvuldige school anno 2017 een – vermeend – meningsverschil over een vakinhoudelijk aspect anders benadert dan bij wijze van loutere tuchtstraffen”. Geen enkele andere school zou, aldus verzoekster, niet op zijn minst een keer hebben geprobeerd om een verzoenend gesprek op te starten. In casu is dit niet gebeurd en hiermee wordt aangetoond dat de verwerende partij onzorgvuldig en onredelijk is te werk gegaan en dat het enige motief van de verwerende partij erin bestaat verzoekster te straffen. Dit motief blijkt volgens verzoekster ook uit de merkwaardige haast van de verwerende partij om haar te evalueren. Verzoekster merkt ook op dat IX-9089-7/26 wanneer zij vraagt om getuigen te horen er wordt geschermd met het argument dat dit niet verplicht is in het kader van een ordemaatregel, terwijl in andere procedures – waar getuigenverhoren wel verplicht zijn – dit evenzeer wordt geweigerd. Ten slotte voert verzoekster aan dat haar schuld in de bestreden beslissing uitvoerig aan bod komt, maar dat er niet wordt ingegaan op het aandeel van directeur S.E. in het dossier, terwijl volgens het tuchtbesluit moet worden nagegaan welk personeelslid het best kan worden overgeplaatst. Verzoekster doet gelden dat het loutere feit dat men enkele personen heeft bevraagd die elk om hun eigen redenen hun opinie hebben over haar, nog niet aantoont dat zij de meest aangewezen persoon is om te vertrekken. Verzoekster verwijst in dat verband naar het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op de werkvloer Arista van 28 maart 2017 waaruit zou blijken dat er een probleem is van professionaliteit van de directie, dat zich niet enkel uitstrekt tot haar. Zij verwijst ook naar twee citaten van de kamer van beroep waaruit moet blijken dat de directie een zeer bedenkelijke rol speelt en waarin gewag wordt gemaakt van een oneigenlijk gebruik van de evaluatie- en functioneringsgesprekken. 5. Voor zover de verwerende partij de noodzaak om verzoekster over te plaatsen motiveert op grond van het rapport van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs van 3 mei 2017 en het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op de werkvloer Arista van 28 maart 2017 doet verzoekster in de memorie van wederantwoord gelden dat de onderzoekscel niet met al haar collega’s van de vakgroep geschiedenis heeft gesproken maar slechts met twee leerkrachten, dat de collega’s die met de onderzoekscel in gesprek gingen verzoekster niet eens kenden, dat thans geen enkele collega meer op de school werkzaam is die te kennen heeft gegeven niet met verzoekster te willen samenwerken, dat de huidige leden van de vakgroep wel bereid zijn om met verzoekster samen te werken en dat in hoofde van de persoon die het onderzoek heeft gevraagd de gewenste uitkomst van het onderzoek al ruim een jaar eerder vastlag. Vervolgens citeert verzoekster uit het verslag van Arista waarin volgens IX-9089-8/26 haar zou zijn vastgesteld dat verschillende personeelsleden te kennen hebben gegeven dat zij angst hebben voor de directie, dat zij enkel anoniem willen getuigen uit vrees voor represailles, dat de directie emotioneel en persoonlijk reageert wanneer er problemen worden gemeld, dat de directie problemen verwaarloost of negeert waardoor deze erger worden, dat een kritische opbouwende houding kan leiden tot uit de gratie vallen met alle mogelijke gevolgen van dien voor de carrière en dat de directie op bepaalde momenten niet aanspreekbaar is wegens stress. Over verzoekster zou Arista hebben vastgesteld dat zij een hardwerkende en gemotiveerde leerkracht is maar door omstandigheden onder een ernstige psychosociale belasting stond die op haar woog. Arista zou hebben geoordeeld dat verzoekster op haar werk een emotionele belasting en een gebrek aan steun van de directeur en van de scholengroep ervaarde en dat haar communicatie, waaronder de e-mail aan de inspectie, dient te worden gezien in het licht van een coping mechanisme. Met betrekking tot directeur S.E. zou Arista hebben vastgesteld dat zij niet altijd conflictbeheersend reageert, dat zij zelfs conflict in de hand werkt en ook niet altijd professioneel reageert als leidinggevende. Arista geeft haar zelfs een aantal werkpunten die naar de kerntaken van haar job gaan. 6. In haar laatste memorie voert verzoekster aan dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat haar overplaatsing geen einde heeft gemaakt aan de gespannen toestand op school. Ter adstructie van haar stelling verwijst zij naar het rapport van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs van 3 mei 2017 waarbij zij de in de memorie van wederantwoord aangevoerde argumenten herhaalt. Verzoekster verwijst ook naar het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op de werkvloer Arista van 28 maart 2017. Zij herhaalt haar in de memorie van wederantwoord geformuleerde conclusies met betrekking tot dat verslag en zij stelt dat uit het verslag blijkt dat de problemen op de school in de eerste plaats te situeren zijn op het niveau van de directie en dat haar verwijdering van de school de problemen niet alleen niet zou oplossen maar nog zou kunnen verergeren. Verzoekster wijst er ook op dat de kamer van beroep heeft vastgesteld dat de schooldirecteur onwettige documenten opstelt, dat zij in IX-9089-9/26 het kader van haar laatste evaluatie door directeur S.E. een positieve beoordeling heeft gekregen en dat directeur S.E. ondertussen ook is overgeplaatst, wat niet nodig geweest zou zijn indien het probleem bij verzoekster lag. Beoordeling 7. Artikel 13 van het tuchtbesluit luidt: “§ 1. De maatregel van overplaatsing in het belang van de dienst kan worden toegepast op elk personeelslid wanneer is vastgesteld dat de minimale verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is, blijvend verstoord is. § 2. Uit een administratief onderzoek waarbij alle betrokken partijen moeten worden gehoord moet blijken of de overplaatsing in het belang van de dienst verantwoord is en welk personeelslid of welke personeelsleden best worden overgeplaatst om de problemen in de instelling op te heffen. § 3. Het in § 2 bedoelde onderzoek moet worden ingesteld door de raad van bestuur op verzoek van het instellingshoofd. De raad van bestuur kan ook op eigen initiatief een onderzoek in stellen. Voor de instellingshoofden stelt de algemeen directeur van de scholengroep een onderzoek in. Voor een personeelslid van het vormingscentrum of voor een lid van de pedagogische begeleidingsdienst stelt de afgevaardigd bestuurder een onderzoek in.” 8. Voor zover verzoekster aanvoert dat de verwerende partij bijzonder lang heeft getalmd om de bestreden maatregel op te leggen, moet worden vastgesteld dat artikel 13 van het tuchtbesluit niet voorziet in termijnen om een overplaatsing in het belang van de dienst op te leggen en evenmin in de verplichting om snel in te grijpen als voorwaarde voor de overplaatsing. Voornoemd artikel 13 bepaalt als enige voorwaarde het blijvend verstoord zijn van de verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of het onderwijs nodig is. 9. Vervolgens voert verzoekster aan dat in de bestreden beslissing enkel gewag wordt gemaakt van een mogelijk conflict en dat niet op gemotiveerde wijze wordt aangetoond dat de verstandhouding blijvend zou zijn verstoord. Zij klaagt ook aan dat geen enkele bemiddelingspoging is ondernomen. IX-9089-10/26 In de bestreden beslissing verwijst de raad van bestuur naar artikel 58 van het decreet van 27 maart 1991 ‘betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs’ dat in de mogelijkheid voorziet om een personeelslid over te plaatsen in het belang van de dienst indien de orde in een instelling verstoord is of de samenwerking tussen een aantal personeelsleden onmogelijk is geworden. De raad van bestuur is van oordeel dat dit in het atheneum te Boom het geval is. Hij overweegt dat verzoekster de voorbije jaren en maanden haar uiterste best heeft gedaan om een situatie te creëren die onwerkbaar is waarbij zij collega’s en hiërarchische oversten bestookte met beledigingen op zodanige wijze dat het voor hen onmogelijk werd om nog met verzoekster samen te werken. De raad van bestuur ging er echter vanuit dat verzoekster zich na haar tuchtstraf ‘afhouding van 10 % wedde gedurende twee maanden’ van 14 juni 2016 en de vroegtijdige beëindiging van haar preventieve schorsing, zou hebben aangepast en voor samenwerking zou hebben geopteerd. De raad moest echter vaststellen dat verzoekster welbewust aanstuurde op een verdere escalatie. Zo heeft verzoekster zich op uiterst negatieve wijze tot de inspectie gewend, waarbij collega’s en hiërarchische oversten werden geschoffeerd. Volgens de raad is het dan ook niet verwonderlijk dat voor deze collega’s en voor de directie de maat vol is en alle vertrouwen is verdwenen. De raad van bestuur stelt vervolgens vast dat deze hypothese door het onderzoek van de onderzoekscel van het gemeenschapsonderwijs is bevestigd. In het rapport van de onderzoekscel van 3 mei 2017, dat is opgesteld naar aanleiding van een vraag van de verwerende partij om na te gaan of er nog verdere samenwerking tussen verzoekster, de leden van de vakgroep geschiedenis en de directie van het atheneum in Boom mogelijk is, wordt vastgesteld dat het directieteam de terugkeer van verzoekster in het atheneum in Boom helemaal niet ziet zitten en geenszins gelooft dat verzoekster haar houding van het vorige en het begin van het schooljaar zal veranderen en ervan overtuigd is dat zij de strijd tegen vooral directeur S.E. opnieuw zal opnemen. De huidige leden van de vakgroep geschiedenis maken dan weer heel wat voorbehoud bij een toekomstige samenwerking met verzoekster. IX-9089-11/26 De raad van bestuur komt bijgevolg op een gemotiveerde wijze tot het besluit dat de orde blijvend is verstoord en dat de samenwerking tussen een aantal personeelsleden onmogelijk is geworden. Dat de verwerende partij niet is overgegaan tot een nieuwe bemiddelingspoging kan haar gelet op bovenstaande vaststellingen – in het bijzonder de kansen die verzoekster reeds heeft gekregen – in redelijkheid niet worden verweten. Anders dan verzoekster beweert, gaat het niet over een vermeend vakinhoudelijk geschil maar wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat de samenwerking met de directie onmogelijk is geworden en dat de vakgroep geschiedenis ernstig voorbehoud maakt voor een verdere samenwerking. Om deze reden kan de verwerende partij evenmin enige onzorgvuldigheid worden verweten door niet over te gaan tot een verzoenend gesprek. 10. Verzoeksters argumentatie dat het determinerende maar niet uitgedrukte motief van de bestreden maatregel erin bestaat haar te straffen voor schuldig gedrag en dat de impact van de maatregel veel verder gaat dan noodzakelijk is voor het herstel van de goede werking van de dienst, valt samen met het tweede middel waarin zij aanvoert dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtstraf is. Ze wordt besproken bij de beoordeling van dat middel. Door te verwijzen naar de “merkwaardige haast” die de verwerende partij aan de dag legt om verzoekster te evalueren en de weigering in andere procedures, waar getuigenverhoren verplicht zijn, om getuigen die een ander licht op de zaak werpen te horen, toont verzoekster de onredelijkheid en de onzorgvuldigheid van de verwerende partij bij het nemen van de thans bestreden beslissing niet aan. Deze verwijten hebben immers betrekking op de tuchtmaatregelen die aan verzoekster zijn opgelegd en hebben niets van doen met de thans bestreden beslissing die verzoekster wordt opgelegd omdat de orde binnen de school blijvend verstoord is. 11. Ten slotte voert verzoekster aan dat in de bestreden beslissing geen aandacht wordt besteed aan de rol van directeur S.E. in de zaak en dat uit IX-9089-12/26 het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op de werkvloer Arista van 28 maart 2017 blijkt dat de problemen op de school in de eerste plaats te zoeken zijn op het niveau van directie. In dat verband moet worden vastgesteld dat verzoekster in haar processtukken blijk geeft van een wel erg selectieve lezing van het verslag van Arista. Daarenboven is de vraag naar de oorzaak van de verstoring van de orde of wie van de bij de wrijvingen betrokken personeelsleden de eerste of de grootste schuld heeft, niet het element dat bij het nemen en verantwoorden van een ordemaatregel de meest onmiddellijke relevantie vertoont. De eerste bekommernis is om door de opgelegde maatregel een einde te maken aan de gespannen toestand.. Uit de voormelde vaststellingen blijkt dat niet enkel de samenwerking van verzoekster met de directie onmogelijk is geworden maar tevens dat er een ernstig voorbehoud wordt gemaakt door de leden van de vakgroep geschiedenis over de verdere samenwerking met verzoekster. In die omstandigheden mocht de verwerende partij op dat ogenblik redelijkerwijze beslissen om verzoekster over te plaatsen. Dat de huidige leden van de vakgroep geschiedenis geen probleem zouden hebben om met verzoekster samen te werken en dat de directeur thans ook zou zijn overgeplaatst, doet aan die conclusie geen afbreuk. 12. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie beklaagt verzoekster zich over het feit dat de onderzoekscel niet alle collega’s van de vakgroep geschiedenis heeft gehoord, dat de collega’s die werden gehoord haar niet kennen en dat de onderzoekscel geen onafhankelijk en onbevooroordeeld onderzoek heeft gevoerd. Het betreft nieuwe argumenten die verzoekster ook reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord of in de laatste memorie zijn deze aanvullingen en uitbreidingen van het middel niet ontvankelijk. 13. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. IX-9089-13/26 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 14. Het tweede middel is genomen uit de schending van de rechten van verdediging. Verzoekster voert aan dat de verwerende partij, die de bestreden overplaatsing als ordemaatregel heeft behandeld, haar een aantal waarborgen heeft ontzegd waarin wel is voorzien bij een tuchtprocedure, namelijk het recht op het oproepen van getuigen alsook de beroepsmogelijkheid bij de kamer van beroep. Volgens verzoekster gaat het evenwel niet om een ordemaatregel maar om een verkapte tuchtstraf, aangezien de overplaatsing niet louter de goede werking van de dienst beoogt maar steunt op een schuldig gedrag dat het bestuur beoogt te bestraffen. In de toelichting bij het middel doet verzoekster gelden dat het tuchtrechtelijk karakter van de overplaatsing blijkt uit zowel de uitnodiging voor het verhoor als uit de bestreden beslissing. Uit de uitnodiging voor het verhoor blijkt volgens verzoekster duidelijk dat de verwerende partij haar wil bestraffen voor een schuldig gedrag, meer bepaald voor haar houding ten aanzien van de directie, terwijl de zorg voor en de goede werking van de dienst niet worden vooropgesteld. Er zijn, aldus verzoekster, in de uitnodiging voor het verhoor verschillende beschuldigingen aan haar adres terug te vinden die het tuchtrechtelijk karakter bevestigen. Verzoekster citeert verschillende passages. Volgens verzoekster is er daarnaast ook duidelijk sprake van vooringenomenheid van bepaalde personeelsleden, waardoor de bestreden beslissing niet objectief tot stand is gekomen. Verzoekster citeert een passage uit het rapport van de onderzoekscel die in de uitnodiging voor verhoor is overgenomen en waarin wordt gesteld dat de nieuwe leden van de vakgroep geschiedenis verzoekster amper kennen maar toch al een uitgesproken IX-9089-14/26 mening hebben over een toekomstige samenwerking en dat zij die mening steunen op wat zij van anderen hoorden. Verzoekster besluit dat er sprake is van vooringenomenheid terwijl zij zich net positief wil opstellen en het verleden achter zich wil laten. Ook uit de bestreden beslissing blijkt volgens verzoekster dat de overplaatsing steunt op een schuldig gedrag dat de verwerende partij beoogt te bestraffen. Verzoekster citeert andermaal een passage waarin gewag wordt gemaakt van laakbaar gedrag. Volgens verzoekster blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing eveneens dat zij wordt bestraft voor gedragingen tijdens eerdere tuchtprocedures. Verzoekster herhaalt dat zij geen getuigen heeft kunnen oproepen en dat haar aldus de kans werd ontnomen om aan te tonen dat de oorzaak van het conflict niet bij haar is gelegen, dat veel collega’s geen problemen hebben met haar aanwezigheid en dat het belang van de dienst beter gebaat zou zijn met een overplaatsing van de directie. Tevens werd, zo stelt verzoekster, het recht op een beroep bij de kamer van beroep ontzegd wat een aantasting van haar rechten inhoudt aangezien de kamer van beroep perfect is geplaatst om te oordelen of deze bijkomende tuchtmaatregel niet een brug te ver is en een bijkomende bestraffing uitmaakt voor zaken waarvoor zij reeds boet. 15. In de memorie van wederantwoord geeft verzoekster in een zeer omstandig feitenrelaas een verslag van de “gevolgen van de overplaatsing” waarbij zij ingaat op de wijze waarop haar opdracht wordt ingevuld in het atheneum in Willebroek en haar arbeidsomstandigheden daar. Zij maakt onder meer gewag van een ongeldig evaluatieverslag, een eenzijdig opgelegde individuele functiebeschrijving, onduidelijkheid met betrekking tot wie haar eerste evaluator is en wie die taken van de eerste evaluator in realiteit uitoefent, een ongeldige meldingsfiche, een laattijdige invulling van haar opdracht, een nieuw opdrachtenpakket waarbij zij niet langer les mag geven maar beleidsondersteunende taken dient te vervullen waarvoor zij niet is IX-9089-15/26 gekwalificeerd, ongewone arbeidsomstandigheden die voor geen enkele andere leerkracht gelden, haar werkgever die trachtte haar een onwettige arbeidsduur op te leggen en de nutteloze opdrachten die zij dient uit te voeren. Volgens verzoekster is de overplaatsing veel ingrijpender dan een loutere wijziging van arbeidsplaats en is er zelfs sprake van pesterijen. 16. In de laatste memorie herhaalt verzoekster die “gevolgen van de overplaatsing”. Zij stelt dat de concrete invulling van haar overplaatsing niets te maken heeft met conflictontmijning of het belang van de dienst maar duidelijk ertoe strekt haar te bestraffen zodat het om een tuchtmaatregel gaat. Beoordeling 17. Een ordemaatregel verschilt van een tuchtmaatregel doordat een ordemaatregel louter de goede werking van de dienst beoogt, waarbij de schuldvraag niet wordt gesteld of open blijft, terwijl een tuchtmaatregel ertoe strekt een ambtenaar voor een tekortkoming te bestraffen. Een ordemaatregel mag echter geen verkapte tuchtmaatregel zijn. Wanneer een verzoekende partij aanvoert dat een opgelegde maatregel die zich naar de vorm als een ordemaatregel aandient, in werkelijkheid een verkapte tuchtmaatregel is, valt het aan haar toe om het voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat, ondanks de schijn van het tegendeel, de bestreden beslissing er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt haar te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Tot het bestaan van een dergelijke, niet-veruitwendigde bedoeling, kan niet worden besloten op grond van loutere subjectieve gevoelens van de verzoekende partij. Integendeel dient zij, met verwijzing naar concrete omstandigheden, aannemelijk te maken dat het determinerend, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel erin bestaat haar te bestraffen. IX-9089-16/26 18. Verzoekster vergist zich door aan te nemen dat een maatregel die wordt opgelegd wegens het gedrag van de betrokkene een verdoken tuchtmaatregel is, enkel omdat dit gedrag als negatief wordt gekwalificeerd. Het feit dat er zowel in de uitnodiging voor het verhoor als in de bestreden beslissing herhaaldelijk wordt verwezen naar haar laakbaar gedrag, levert nog niet het bewijs dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel is. Wat moet worden aangetoond, is dat het determinerend, maar niet uitgedrukte motief van de overplaatsing erin bestaat haar voor dit gedrag te bestraffen. Dit bewijs levert verzoekster niet. 19. Voor zover verzoekster in de memorie van wederantwoord en laatste memorie wijst op de “gevolgen van de bestreden overplaatsing” waaruit zij ook meent te kunnen afleiden dat de overplaatsing een verkapte tuchtstraf is, moet worden vastgesteld dat de zogenaamde “gevolgen” waarvan verzoekster gewag maakt, niet rechtstreeks voortvloeien uit de thans bestreden overplaatsing maar wel uit de beslissingen die zijn genomen met betrekking tot de invulling van haar opdracht in het atheneum in Willebroek en dat die beslissingen niet het voorwerp vormen van het huidige beroep. Met de verwijzing naar die “gevolgen” toont verzoekster niet aan dat het determinerend karakter van de overplaatsing erin bestaat haar te bestraffen. 20. Uit de verwijzing door de raad van bestuur in de bestreden beslissing naar de tuchtstraf ‘afhouding van 10% wedde gedurende twee maanden’ kan niet worden afgeleid dat verzoekster wordt gestraft voor gedragingen tijdens deze tuchtprocedure. De verwerende partij wil met deze verwijzing louter aantonen dat verzoekster na haar tuchtstraf niet tot bezinning is gekomen, zich niet heeft aangepast en niet voor samenwerking heeft geopteerd. 21. Voorts meent verzoekster dat de bestreden beslissing niet objectief tot stand kwam doordat er sprake is van vooringenomenheid bij een aantal personeelsleden. Zij citeert hierbij uit het onderzoeksverslag waaruit zou blijken dat de nieuwe leden van de vakgroep verzoekster amper kennen en zij hun IX-9089-17/26 mening steunen op wat zij van anderen hoorden. Zoals hierna ook bij de beoordeling van het derde middel zal worden vastgesteld, citeert verzoekster onvolledig. In het bewuste citaat staat immers te lezen dat de leden van de vakgroep hun mening eensdeels steunen op wat zij van anderen hoorden, en anderdeels op hun eigen, weinig positieve, ervaringen met verzoekster. Een voorbeeld daarvan zijn de vele berichten die zij via Smartschool van verzoekster kregen toegestuurd waarbij verzoekster hun collega en de directie persoonlijk en heel kwetsend aanviel. De mening van de collega’s steunt bijgevolg ook op hun eigen ervaring. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat er sprake is van vooringenomenheid bij bepaalde personeelsleden. 22. Aangezien is vastgesteld dat verzoekster er niet in slaagt het bewijs te leveren dat de bestreden overplaatsing een verdoken tuchtstraf is, kan haar argumentatie dat haar waarborgen zijn ontzegd die zijn geboden bij een tuchtprocedure, namelijk het recht op het oproepen van getuigen en de beroepsmogelijkheid bij de kamer van beroep, niet worden aangenomen. 23. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 24. Het derde middel is genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht, minstens het redelijkheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing gebaseerd is op foutieve argumenten. Verzoekster voert aan dat de verwerende partij de feiten compleet omdraait door te stellen dat zij ervoor heeft gezorgd dat personeelsleden waarmee zij nog nooit heeft samengewerkt niet met haar willen samenwerken. Voor verzoekster is het duidelijk dat de mening van deze personeelsleden steunt op vooroordelen en roddels. Niettemin besluit de verwerende partij toch dat de IX-9089-18/26 samenwerking onmogelijk is door toedoen van verzoekster. Verzoekster acht dit manifest onjuist en zij stelt dat zij op geen enkele wijze de toekomstige samenwerking met personeelsleden die zij niet kent onmogelijk heeft gemaakt. Zij merkt ook op dat de smartschoolberichten waarnaar de verwerende partij in de bestreden beslissing verwijst, niet aan de bestreden beslissing zijn toegevoegd. De stelling van de verwerende partij dat verzoekster erin slaagt twee collega’s neer te zetten als ordinaire egoïsten die haar terugkeer enkel afwijzen omdat ze hier persoonlijk nadeel bij zouden hebben, noemt verzoekster een leugen. Verzoekster stelt dat zij tijdens deze procedure nooit melding heeft gemaakt van “ordinaire egoïsten”. Volgens haar toont dit des te meer aan dat de bestreden beslissing niet op objectieve argumenten stoelt. Ten slotte voert verzoekster aan dat in de bestreden beslissing niet wordt geantwoord op de argumenten die door haar werden opgeworpen toen zij werd gehoord, namelijk dat er alternatieven mogelijk zijn, dat de overplaatsing disproportioneel is en dat er van een blijvend verstoord karakter geen sprake kan zijn zolang er geen bemiddeling, verzoening of remediëring heeft plaatsgevonden. 25. In haar laatste memorie doet verzoekster gelden dat de beslissing om haar te verwijderen bij voorbaat vastlag, dat de door de verwerende partij aangehaalde informatie onbetrouwbaar is en dat informatie waarvan de betrouwbaarheid niet ter discussie staat, wordt genegeerd als die niet past in het vooropgestelde doel om haar over te plaatsen. Verzoekster verwijst naar het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op de werkvloer Arista van 28 maart 2017 waaruit zou blijken dat de problemen zich in de eerste plaats voordoen op het niveau van de directie, dat de problemen in de vakgroep geschiedenis minstens ten dele werden veroorzaakt door de manier waarop de directie ermee omging en zich tot een deel van het probleem maakte en dat de verwijdering van verzoekster de problemen niet alleen niet zou oplossen maar bovendien nog zou kunnen verergeren. Verzoekster wijst er ook op dat de kamer IX-9089-19/26 van beroep heeft vastgesteld dat de directeur onwettige documenten heeft opgesteld. Met betrekking tot het onderzoek door de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs beklaagt verzoekster zich over het feit dat slechts met twee leden van de vakgroep geschiedenis werd gesproken, namelijk personeelsleden die geen rechtstreeks contact hadden met verzoekster en die er persoonlijk belang bij hadden dat zij niet zou terugkeren. Verzoekster betwist ook het bestaan van de smartschoolberichten waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen. Ten slotte trekt zij ook de geloofwaardigheid van de directie in twijfel. Beoordeling 26. In de toelichting bij het middel verduidelijkt verzoekster niet op welke wijze, naar haar oordeel, de bestreden beslissing in strijd is met het redelijkheidsbeginsel. Het middel is in die mate onontvankelijk. 27. Verzoeksters stelling dat in de bestreden beslissing niet wordt geantwoord op de argumenten die zij heeft opgeworpen tijdens de hoorzitting, heeft dan weer geen uitstaans met de door haar aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht en moet om die reden onontvankelijk worden bevonden. 28. In de laatste memorie geeft verzoekster een nieuwe invulling aan het middel. Deze nieuwe invulling is laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk. 29. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel IX-9089-20/26 omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 30.1. In het middel viseert verzoekster vooreerst de volgende overweging uit de bestreden beslissing: “Het is tevens opvallend dat mevrouw Schegers er in geslaagd is leden van haar vakgoep die haar niet tot nauwelijks kennen al tegen zich op te zetten. En dit is uitdrukkelijk niet alleen het resultaat van wat aan deze nieuwe collega’s over mevrouw Schegers verteld wordt, maar ook door de vele Smartschoolberichten, waarin zij de lof en de roem van zichzelf zingt, die zij verstuurde.” Er kan worden vastgesteld dat de verwerende partij voor deze overweging steunt op het rapport van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs waarin met betrekking tot de vragen hoe verzoekster en de leden van de vakgroep geschiedenis aankijken tegen haar terugkeer en in welke mate zij een toekomstige samenwerking met haar in de vakgroep geschiedenis mogelijk zien, het volgende wordt overwogen: “Mevrouw Schegers ziet voor zichzelf geen probleem om opnieuw haar plaats in te nemen in de vakgroep geschiedenis na haar preventieve schorsing. Ze acht een toekomstige samenwerking met de nieuwe leden van de vakgroep goed mogelijk. Deze nieuwe leden van de vakgroep kent mevrouw Schegers amper en omgekeerd geldt dat ook. Als zij haar inbreng in de vakgroep serieus nemen dan verwacht mevrouw Schegers helemaal geen probleem om in de toekomst professioneel met hen samen te werken. Mevrouw Schegers vermoedt dat de heer [V.d.E.] en mevrouw [V.] in de eerste helft van dit schooljaar vooral negatieve commentaren over haar zullen gehoord hebben omwille van de gebeurtenissen van vorig schooljaar in de vakgroep en met de directie. Welke invloed dit op hun toekomstige samenwerking zal hebben, kan mevrouw Schegers niet inschatten. Hoewel mevrouw [V.] en de heer [V.d.E.] nauwelijks met mevrouw Schegers hebben gesproken en ook nooit daadwerkelijk met haar in de vakgroep hebben samengewerkt, hebben ze toch al een uitgesproken mening over een mogelijke toekomstige samenwerking met haar in de vakgroep geschiedenis. Ze hebben die mening enerzijds gebaseerd op wat IX-9089-21/26 ze van anderen, vooral [L.S.], hoorden en anderzijds op basis van hun eigen, weinig positieve ervaringen met mevrouw Schegers. Een voorbeeld daarvan zijn de vele berichten die ze via Smartschool van mevrouw Schegers kregen toegestuurd waarin mevrouw Schegers hun collega [L.S.] en de directie persoonlijk en heel kwetsend aanviel, wat bij beiden slecht viel. Mevrouw [V.] wil in de toekomst liever niet met mevrouw Schegers samenwerken omdat ze door de gebeurtenissen van dit en vorig schooljaar heeft vastgesteld dat mevrouw Schegers zich geenszins constructief opstelt tegenover collega’s. Vorig schooljaar ervoer ze daarenboven tijdens haar eerste preventieve schorsing dat mevrouw Schegers weigerde om zowel haar als haar vervangster en de leerlingen het nodige cursusmateriaal ter beschikking te stellen. Mevrouw [V.] ziet daarom mevrouw Schegers liever niet meer terugkeren naar GO! Atheneum Boom. De heer [V.d.E.] heeft zich ook een idee kunnen vormen van de wijze waarop mevrouw Schegers zich profileert in GO! Atheneum Boom tegenover collega’s en directie door wat collega’s hem over haar verteld hebben en door wat hij in haar vele Smartschool-berichten zelf heeft gelezen. Hij vond het erg dat mevrouw Schegers zich daarin zo aanvallend opstelde tegenover mevrouw [S.]. De heer [V.d.E.] stoorde zich eraan dat mevrouw Schegers in haar berichten steeds verwees naar haar zesendertigjarige ervaring en dat hij en de andere leden van de vakgroep die niet hadden. Hij besluit uit dit alles dat mevrouw Schegers een leerkracht is die wild om zich heen kan schoppen. Als de heer [V.d.E.] de hele kwestie rationeel bekijkt dan vindt hij dat mevrouw Schegers best niet terugkeert naar GO! Atheneum Boom en een nieuwe start neemt in een andere school. […] Het is duidelijk dat mevrouw [V.] en de heer [V.d.E.] heel wat voorbehoud maken bij een toekomstige samenwerking met mevrouw Schegers in de vakgroep geschiedenis van GO! Atheneum Boom. Mevrouw Schegers begrijpt hun voorbehoud. Ze zal naar eigen zeggen haar jonge collega’s in een open gesprek ervan overtuigen dat ze zich in de toekomst constructief en collegiaal zal opstellen in de vakgroep. Mevrouw [V.] wil echter in de toekomst niet samenwerken met mevrouw Schegers in de vakgroep. Zij baseert haar houding op wat ze van collega’s over mevrouw Schegers hoorde en zelf las in haar mailverkeer. De heer [V.d.E.] wil na een open gesprek wel nog samenwerken met mevrouw Schegers als zij in de vakgroep niet meer de houding aanneemt van vorig en begin dit schooljaar.” De verklaringen van de collega’s van de vakgroep geschiedenis blijken dus niet te berusten op vooroordelen en roddels zoals verzoekster beweert, maar zijn mede gesteund op eigen concrete en weinig positieve ervaringen met verzoekster. Er wordt gerefereerd aan de vele berichten die zij via Smartschool van verzoekster kregen toegestuurd waarin zij hun collega [L.S.] en de directie IX-9089-22/26 persoonlijk en heel kwetsend aanviel, wat bij beiden slecht viel. Tevens wordt verwezen naar de weinig constructieve houding van verzoekster, het feit dat zij weigerde cursusmateriaal aan de collega’s ter beschikking te stellen en de smartschoolberichten waarin verzoekster steeds verwees naar haar zesendertigjarige ervaring en de omstandigheid dat de andere leden van de vakgroep die niet hadden. Verzoekster heeft die feiten niet betwist. De verwerende partij vermocht dan ook in redelijkheid te concluderen dat “mevrouw Schegers er in geslaagd is leden van haar vakgroep die haar niet tot nauwelijks kennen al tegen zich op te zetten” en dat dit “uitdrukkelijk niet alleen het resultaat [is] van wat aan deze nieuwe collega’s over mevrouw Schegers verteld wordt, maar ook door de vele Smartschoolberichten, waarin zij de lof en de roem van zichzelf zingt, die zij verstuurde”. 30.2. Verzoekster viseert ook nog de volgende overweging uit de bestreden beslissing: “Het is trouwens op zich al een merkwaardige vaststelling dat mevrouw Schegers in haar verweernota stelt dat er wat haar betreft geen probleem is om terug de dienst op te nemen in het GO! Atheneum Boom maar ‘en passant’ er wel in slaagt om twee collega’s weg te zetten als ordinaire egoïsten die haar terugkeer enkel afwijzen omdat ze hier persoonlijk nadeel zouden bij hebben. Leert mevrouw Schegers dan nooit?!” De verwerende partij steunt voor deze overweging op het verweerschrift van verzoekster waarin zij stelt: “De twee getuigen hebben bovendien een sterk belang in het wegblijven van Schegers: 1. [I.V.] – geen TADD rechten , quasi geen ervaring – staat momenteel halftijds in uren Geschiedenis en halftijds in uren PO. Deze uren PO heeft ze omdat collega [R.J.] één jaar verlof zonder wedde heeft genomen in de loop van huidig schooljaar. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat [R.J.] op 1 september 2017 deze uren niet opnieuw zal opnemen (integendeel). 2. [J. V.d.E.] geeft aan dat hij een gesprek wil alvorens Schegers terugkeert. 2. De school kijkt aan tegen een daling van het aantal te begeven uren in het algemeen pakket. 3. Collega mevr. [S.] (die zich niet tegen mevrouw Schegers’ terugkeer kant) werkt momenteel halftijds als leerkracht Levensbeschouwing – RKG IX-9089-23/26 en dit in openstaande uren. 4. Collega dhr. [G.] (die ook geen probleem heeft) beschikt over veel meer leservaring dan [V.] en [V.d.E.]. Conclusie: indien mevr. Schegers volgend jaar naar de school terugkeert ... is de kans groot dat ze toch niet meer met collega [V.] en [V.d.E.] in één vakgroep zal zitten. Conclusie: indien mevr. Schegers volgend jaar naar de school terugkeert wenkt de mogelijke werkloosheid voor collega [V.] en collega [V.d.E.] ...” Gelet op het voorgaande betoog van verzoekster, waarin zij onmiskenbaar doet gelden dat de twee collega’s van de vakgroep zich louter omwille van eigenbelang tegen haar terugkeer verzetten, is het niet onredelijk dat de verwerende partij in de bestreden beslissing vervolgens overweegt dat verzoekster er “in slaagt om twee collega’s weg te zetten als ordinaire egoïsten die haar terugkeer enkel afwijzen omdat ze hier persoonlijk nadeel zouden bij hebben”. Daargelaten de bewoordingen die de verwerende partij hanteert, is haar overweging inhoudelijk correct. 30.3. Verzoekster toont niet aan dat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. 31. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 32. Het vierde middel is genomen uit de schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Verzoekster verwijst naar “de visie van de school” waaruit blijkt dat “communicatieve vaardigheden – zoals omgaan met conflicten – belangrijk [zijn]” en “[o]verleg en zoeken naar consensus […] daarbij vanzelfsprekende democratische uitgangspunten [vormen]”. Verzoekster voert aan dat men er in casu voor heeft geopteerd om het meningsverschil op te lossen IX-9089-24/26 met ontkenning, minimalisering, afdreigen, sancties en misprijzen, hetgeen haaks staat op de visie waartoe verzoekster, maar zeker ook de verwerende partij, zich heeft verbonden door samen te werken. Verzoekster stelt dat het minste dat zij mocht verwachten is dat er door de verwerende partij werd gezocht naar een consensus en overleg en dat de school zowel verzoekster als de directie handvaten zou aanreiken om de relatie met een meningsverschil tot een meerwaarde te laten komen. Beoordeling 33. Wie op ontvankelijke wijze in een proces voor de Raad van State wil aanvoeren dat het bestuur nalaat haar eigen regels na te leven – schending dus van het beginsel patere legem quam ipse fecisti – moet op precieze wijze uiteenzetten over welke rechtsregel het gaat en waarom die regel volgens de opvatting van de verzoekende partij is miskend geworden door het bestuur. 34. Verzoekster laat na enige uiteenzetting te geven omtrent de rechtsregel die door de verwerende partij niet zou zijn nageleefd. De “visie van de school” waarnaar zij verwijst, is in ieder geval geen bindende rechtsnorm. 35. Het vierde middel is onontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9089-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9089-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.038 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.818 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.990 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.