← België

Arrest 249040 - Personeel van de rechterlijke orde - 25/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.040 Rolnummer: Zaak: Arrest 249040 - Personeel van de rechterlijke orde - 25/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-08 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.040 van 25 november 2020 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.040 van 25 november 2020 in de zaken A. 224.709/IX-9257 (I) A. 224.835/IX-9268 (II) In zake : (I) + (II) Peter GEERAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.1. Het beroep in de zaak A. 224.709/IX-9257, ingesteld op 6 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van: “• De beslissing genomen namens de Minister van Justitie op 19 juli 2017, waarbij de naam van Gabriëlle Van Bussel werd opgenomen op de lijst van kandidaten voor de vacante plaats van plaatsvervangend rechter in het [vre- degerecht] van het kanton Brasschaat, waarvan de vacature gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2017; • De beslissing van de Minister van Justitie van 7 januari 2018 (verkeerde- lijk ondertekend met vermelding van de datum 7 januari 2017), waarbij de voordracht door de Nederlandstalige Benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, van [Peter Geeraerts] tot het ambt van plaatsvervan- gend rechter in het Vredegerecht van het kanton Brasschaat, waarvan de vacature gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2017, IX-9257-1/35 wordt geweigerd; • De beslissingen van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzings- commissie van de Hoge Raad voor de Justitie van 24 januari 2018, met kenmerk 1/BAC/2017.032-19bis

(1)en 1/BAC/2017.032-19bis
(2), tot voor- dracht van [G.S.] enerzijds en mevrouw Gabriëlle Van Bussel anderzijds, als de meest bekwame en geschikte kandidaten voor het ambt van plaats- vervangend rechter in het Vredegerecht van het kanton Brasschaat, waarvan de vacature gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2017, alsmede de daarin impliciet opgenomen weigeringsbeslissing tot voordracht van verzoeker als meest bekwame en geschikte kandidaat voor ditzelfde ambt.” 1.
  1. Het beroep in de zaak A. 224.835/IX-9268, ingesteld op 21 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van de koninklijke besluiten van 1 maart 2018 waarbij G.S. en Gabriëlle Van Bussel worden benoemd tot plaats- vervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft in de beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft telkens een memorie van we- derantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag over de beide zaken opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben in de beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. IX-9257-2/35 Advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verzoekende par- tij en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn ge- hoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ordineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. In het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2017 worden twee va- cante betrekkingen bekendgemaakt voor het ambt van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat. Omtrent de wijze van kandidaat- stelling wordt bepaald: “Elke kandidaatstelling voor een benoeming in de rechterlijke orde of voor een aanwijzing als korpschef moet, op straffe van verval, worden gericht aan de dienst HR Magistratuur – notarissen – gerechtsdeurwaarders, langs elektronische weg (e-mail: vacatures.roj1@just.fgov.be), binnen een ter- mijn van twintig dagen vanaf de bekendmaking van de vacature in het Bel- gisch Staatsblad (art. 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek). De kandidaten worden uitgenodigd om duidelijk te vermelden voor welke vacante plaats zij postuleren, door in de onderwerpregel de datum van pu- blicatie, de graad en de jurisdictie waarvoor zij postuleren te vermelden (voorbeeld „B.S. 13/06/2016 raadsheer Hof van Cassatie‟). De kandidaten worden gevraagd om elk stavingsstuk aan deze mail toe te voegen als een onderscheiden bijlage. Indien zij voor meerdere verschillende vacante plaatsen postuleren, dienen zij voor elke kandidatuurstelling een afzonderlijke e-mail te sturen. De kan- didaten krijgen per kerende een elektronische ontvangstmelding.” 3.
  6. Verzoeker is notaris te Brasschaat. Hij stelt zich kandidaat voor het voormelde ambt van plaatsvervangend rechter. IX-9257-3/35 3.
  7. De voorzitter van de vrederechters en rechters in de politie- rechtbank van het arrondissement Antwerpen verleent een „zeer gunstig‟ advies ten aanzien van verzoeker. In dat advies overweegt hij dat verzoeker “vertrouwd [is] met de materies in het notariaat die ook aanleunen bij de bevoegdheid van de vrederechter” en dat “[d]e vrederechter titularis van Brasschaat […] positief [is] ten aanzien van deze kandidatuur”. 3.
  8. Verzoeker wordt op 7 november 2017 gehoord door de Neder- landstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie (hierna: de benoemingscommissie). 3.
  9. Op 20 november 2017 ontvangt verzoeker de lijsten van voor- gedragen kandidaten voor de vacante ambten van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat. De lijst met kenmerk 1/BAC/2017.032- 19
(1)vermeldt verzoeker als voorgedragen kandidaat. De lijst met kenmerk 1/BAC/2017.032-19
(2)vermeldt G.S. als voorgedragen kandidaat. In het proces-verbaal van de met redenen omklede voordracht van verzoeker wordt diens voordracht gemotiveerd op grond van de volgende overwegingen: “Peter Geeraerts behaalde op 10 juli 1997 het diploma van licentiaat in de rechten. Hij behaalde op 28 juni 2000 de academische graad van licentiaat in het notariaat en behaalde op 5 juli 2000 eveneens de academische graad van gediplomeerde in de gespecialiseerde studie van het ondernemings- recht. Na zijn baliestage ging de kandidaat aan de slag in het bankwezen, waarna hij in 2004 de overstap maakte naar het notariaat. Bij koninklijk besluit van 15 mei 2012 werd hij benoemd tot notaris in het gerechtelijk arrondisse- ment Antwerpen. Bij koninklijk besluit van 11 februari 2013 werd zijn standplaats overgebracht van het zesde kanton Antwerpen naar Brasschaat. De kandidaat kan voorts onder meer bogen op een ervaring als lid van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van Brasschaat (sinds 2008). Uit het dossier blijkt dat de kandidaat zich jaarlijks bijschoolt in het kader van de permanente vorming voor notarissen. Uit het dossier blijkt tevens dat de kandidaat op 16 oktober 2017 over een blanco strafregister beschikt. Van de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank IX-9257-4/35 van het arrondissement Antwerpen verkrijgt de kandidaat een zeer gunstig advies. In dit advies wordt onder meer gewezen op de professionele loop- baan van de kandidaat binnen de advocatuur, het bankwezen en het notari- aat, die ook aanleunen bij de bevoegdheid van de vrederechter, en de vrede- rechter-titularis van het kanton Brasschaat staat positief ten aanzien van zijn kandidatuur. Gedurende de hoorzitting maakt Peter Geeraerts een zeer goede, oprecht gemotiveerde en communicatieve indruk. Hij beantwoordt de vragen van de commissie op een serene, correcte en weloverwogen wijze en geeft hierbij blijk van een doorleefd beeld van de taken en de verantwoordelijkheden die inherent zijn aan het door hem geambieerde ambt van plaatsvervangend vrederechter. Gedurende het gesprek met de commissie wijst de kandidaat onder meer op zijn kennis van het familiaal vermogensrecht en op zijn ver- trouwdheid met de figuur van de bewindvoering. Hij benadrukt voor het te begeven ambt nuttige opleidingen gevolgd te hebben en vertrouwd te zijn met het kanton en met wat leeft onder de bevolking. Hij stelt ten slotte be- lang te hechten aan laagdrempeligheid en aan een correcte bejegening van de rechtszoekende en onderstreept dat hij zich flexibel zou opstellen als plaatsvervangend vrederechter. De commissie is van oordeel dat Peter Geeraerts over de vereiste troeven beschikt om een zeer goed plaatsvervan- gend vrederechter te worden voor het kanton Brasschaat. Zijn gevarieerde professionele achtergrond, de door hem gevolgde opleidingen, zijn ver- trouwdheid met diverse materies die behoren tot -of nauw[e] aanleunen bij- de bevoegdheid van de vrederechter, zijn aandacht voor de persoon van de rechtszoekende en voor een laagdrempelige en toegankelijke justitie, zijn correcte motivatie, zijn zeer passende sociale en communicatieve vaardig- heden en zijn beschikbaarheid staan hiervoor garant.” Over de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel wordt in de bei- de processen-verbaal vermeld: “De kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel is onontvankelijk, daar zij in weerwil van het duidelijke voorschrift in de oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2017 niet langs elektronische weg, doch per aangetekend schrijven werd ingediend. Deze oproep tot de kandidaten ver- meldt duidelijk dat het indienen van kandidaturen via elektronische weg is voorgeschreven op straffe van verval.” 3.
  1. Op 9 januari 2018 wordt verzoeker in kennis gesteld van het koninklijk besluit van 7 januari 2018 – verkeerdelijk gedateerd op 7 januari 2017 – waarbij zijn voordracht voor het ambt van plaatsvervangend rechter in het vre- degerecht van het kanton Brasschaat wordt geweigerd. De weigering steunt op de volgende motieven: IX-9257-5/35 “Overwegende dat de voordracht verricht door Nederlandstalige Benoe- mings- en Aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie ver- meldt dat „…De kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel is onontvankelijk, daar zij in weerwil van het duidelijke voorschrift in de oproep tot de kandi- daten in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2017 niet langs elektronische weg, doch per aangetekend schrijven werd ingediend. Deze oproep tot de kandidaten vermeldt duidelijk dat het indienen van kandidaturen via elek- tronische weg is voorgeschreven op straffe van verval.‟ hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek; Overwegende dat artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek niet be- paalt dat het indienen van de kandidatuurstelling via elektronische weg de unieke wijze is om een kandidatuurstelling rechtsgeldig in te dienen bij de Minister van Justitie, noch dat het indienen van een kandidatuurstelling op een andere wijze dan langs elektronische weg op straffe van ontvankelijk- heid zal worden beoordeeld; Overwegende dat de oproep tot kandidaten voor de vacante plaatsen, gepu- bliceerd in het Belgisch Staatsblad op 22 juni 2017, uitdrukkelijk verwijst naar de toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek het- geen bijgevolg als consequentie heeft dat er geen strengere beoordeling mag plaatsvinden dan deze bedoeld in het vermelde artikel van het Gerech- telijk Wetboek; Overwegende dat uit het artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek, als- ook uit de parlementaire stukken van de wet van 4 mei 2016 houdende in- ternering en diverse bepalingen inzake Justitie blijkt dat het onderzoek van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de kandidaturen een bevoegdheid is van de minister van Justitie en niet van de Hoge Raad voor de Justitie; dat de mogelijkheid werd ingevoerd voor de kandidaten om te solliciteren via een andere dan de aanbevolen weg, zoals de elektronische weg, indien daar- in is voorzien in de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep tot kandidaten; en dat bovendien de Raad van State in haar advies op voormeld wetsontwerp heeft opgemerkt dat men niet kan waarborgen dat iedere rechtszoekende of burger toegang heeft tot een volledig elektronische werkwijze en deze dus niet dwingend kan inroepen; Overwegende dat de kandidatuur van mevr. Van Bussel door de Minister van Justitie ontvankelijk werd verklaard, en het volledige benoemingsdos- sier overeenkomstig artikel 259ter § 4 van het Gerechtelijk Wetboek werd overgezonden aan de bevoegde benoemingscommissie met het verzoek om over te gaan tot een voordracht van een kandidaat; Overwegende dat uit wat voorafgaat er een ongelijke behandeling van de overgemaakte kandidaturen voor de vacante plaats van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat heeft plaatsgevon- den.” Dat is de tweede bestreden beslissing in de zaak A.224.709/IX-
  2. IX-9257-6/35 3.
  3. Op grond van de wet van 11 april 1994 „betreffende de open- baarheid van bestuur‟, vraagt verzoeker op 9 februari 2018 een afschrift van de beslissing waarbij de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel ontvankelijk is ver- klaard. Op 15 februari 2018 bezorgt de verwerende partij verzoeker “een afschrift van het document waaruit de beoordeling tot de ontvankelijkheid van de kandidatuurstelling van Gabriëlle Van Bussel voor de vacante plaats van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat (BS 22/06/2017) blijkt”. Het document betreft een „lijst van de kandidaten‟ met als datum 19 juli 2017 waarop onder meer de naam van Gabriëlle Van Bussel wordt vermeld. De beslissing van 19 juli 2017, genomen namens de minister van Justitie, waarbij de naam Gabriëlle Van Bussel wordt opgenomen op de lijst van kandidaten voor de vacante betrekkingen van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat, wordt door verzoeker aangemerkt als de eerste bestreden beslissing in de zaak A.224.709/IX-
  4. 3.
  5. Ingevolge het koninklijk besluit van 7 januari 2018 houdende weigering van de voordrachten voor de vacante plaatsen van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat dient de Hoge Raad voor de Justitie een nieuwe voordracht te doen. De benoemingscommissie beslist de kandidaten opnieuw te horen. Verzoeker wordt op 17 januari 2018 uitgenodigd om op 24 ja- nuari 2018 te worden gehoord. In de oproepingsbrief wordt ook gesteld dat gelet op de specificiteit van de situatie, het verzoeker niet ten kwade zal worden geduid indien hij louter zou volharden in het gestelde op de vorige hoorzitting. Op 18 januari 2018 bevestigt verzoeker te volharden in de vori- ge hoorzitting. IX-9257-7/35 3.
  6. Op 25 januari 2018 ontvangt verzoeker de nieuwe lijsten van voorgedragen kandidaten voor de vacante ambten van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat. De lijst met kenmerk 1/BAC/2017.032-19bis
(1)vermeldt G.S. als voorgedragen kandidaat. De lijst met kenmerk 1/BAC/2017.032-19bis
(2)vermeldt Gabriëlle Van Bussel als voor- gedragen kandidaat. In het proces-verbaal van de met redenen omklede voordracht van G.S. voor de vacante plaats van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat, wordt diens voordracht gemotiveerd op grond van de volgende overwegingen: “[G.S.] behaalde op 5 juli 2007 met onderscheiding het diploma van licen- tiaat in de rechten en behaalde op 10 mei 2008 het diploma van master of law (LLM international and comparative law, University of Georgia). Hij werd ingeschreven op de lijst van advocaten-stagiairs bij de balie te Ant- werpen op 1 oktober 2008 en werd aldaar opgenomen op het tableau per 1 oktober 2011. Hij oefent tot op heden ononderbroken het beroep van advocaat uit en behandelt gewoonlijk de materies burgerlijk aansprakelijk- heidsrecht, strafrecht, verzekeringsrecht, transportrecht, insolventie en han- delsrecht. De kandidaat kan tevens bogen op een ervaring als deeltijds prak- tijkassistent aan de faculteit recht en criminologie van de Vrije Universiteit Brussel (van 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2017). Hij is sinds 2015 ook redactielid van het tijdschrift van de vrederechters. Uit het dossier blijkt dat de kandidaat op zeer regelmatige tijdstippen deelneemt aan oplei- dingen binnen uiteenlopende studiegebieden (burgerlijk recht, handels- en economisch recht, straf(proces)recht en arbeidsrecht). Op datum van 16 ok- tober 2017 beschikt hij over een blanco strafregister. Van de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het arrondissement Antwerpen verkrijgt de kandidaat een zeer gunstig advies. In dit advies wordt onder meer gewezen op de loopbaan van de kandidaat binnen de advocatuur, op zijn flexibele en mobiele inzetbaarheid en op zijn vertrouwdheid met de materies van het vredegerecht. Hij komt, aldus de voorzitter, tijdens het gesprek rustig en beheerst over en drukt zich communicatief duidelijk uit. De vrederechter-titularis van het kanton Bras- schaat staat positief ten aanzien van zijn kandidatuur. Hij overweegt ook om op termijn de overstap te maken naar de magistratuur. Ingevolge zijn vertrouwdheid met de materies van het vredegerecht en zijn communicatie- ve vaardigheden is hij zeker geschikt voor het ambt van plaatsvervangend vrederechter. Het gemeenschappelijk advies vanwege de stafhouders van de balies van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen luidt „gunstig‟. De kandidaat is IX-9257-8/35 volgens de balie zowel beslagen in het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht, het strafrecht, het verzekeringsrecht, het transportrecht, insolventie en het handelsrecht. Hij schrijft beknopt en duidelijk en communiceert op een rus- tige manier, waarbij hij een geïnteresseerde en warme indruk maakt. Hij kan gezien worden als iemand die graag werkt, die luisterbereid is en die zich weet in te leven in het standpunt van zijn gesprekspartner. [G.S.] heeft interesse in verschillende meningen en benadert zijn medemensen zonder onderscheid. Hij wil zich duidelijk inzetten voor het oplossen van conflic- ten en heeft daarbij ook aandacht voor het menselijk aspect. Hij is woon- achtig te Brasschaat en vindt het belangrijk bekend te zijn met het kanton en de specifieke situaties die zich in het desbetreffende kanton kunnen voordoen. Hij beschouwt een vrederechter als de magistraat die het dichtst bij de mensen staat. Men acht de kandidaat zeker geschikt, gelet op zijn ruime kennis van de verschillende rechtstakken, zijn vertrouwdheid met de rechtspraak van vrederechters en zijn interesse voor een menselijke aanpak van problemen. Gedurende de hoorzitting maakt [G.S.] een zeer degelijke, sterk gemoti- veerde en geïnteresseerde indruk. Hij beantwoordt de vragen van de com- missie op een vlotte, heldere en doordachte wijze en geeft doorheen zijn antwoorden blijk van een doorleefd beeld van de taken en de verantwoorde- lijkheden die inherent zijn aan het door hem geambieerde ambt van plaats- vervangend vrederechter. Gedurende het gesprek met de Commissie stelt de kandidaat op termijn graag de overstap naar de magistratuur te willen ma- ken -de kandidaat heeft zich onlangs overigens ingeschreven voor het exa- men inzake beroepsbekwaamheid-, hetgeen één van zijn drijfveren is om thans reeds ervaring op te doen als plaatsvervangend magistraat. Hij kandi- deert thans voor het ambt van plaatsvervangend vrederechter omwille van de nabijheidsrol van de vrederechter en gezien het bemiddelende aspect dat inherent is aan dit ambt. Hij geeft aan vertrouwd te zijn met bewindvoerin- gen. De kandidaat wijst ten slotte nog op de opleiding bemiddeling die hij thans volgt. De Commissie is van oordeel dat [G.S.] alle troeven in zich heeft om het ambt van plaatsvervangend vrederechter tot eenieders voldoening te vervul- len. Zijn gevarieerde professionele achtergrond, zijn gedegen kennis van de materies die behoren tot de bevoegdheid van de vrederechter, de door hem gevolgde opleidingen, zijn zeer sterke aandacht en belangstelling voor de persoon van de rechtzoekende, zijn flexibele inzetbaarheid, zijn passende motivatie, zijn zeer geschikte sociale en communicatieve vaardigheden en zijn luisterbereidheid staan hiervoor garant.” In het proces-verbaal van de met redenen omklede voordracht van Gabriëlle Van Bussel voor de vacante plaats van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat, wordt haar voordracht gemotiveerd op grond van de volgende overwegingen: IX-9257-9/35 “Gabriëlle Van Bussel behaalde in 1994 het diploma van licentiaat in de rechten. Zij is houder van het getuigschrift van de postacademische vor- ming bemiddeling 2007-2008. Zij is sinds 1996 ononderbroken advocaat aan de balie te Antwerpen. Uit het dossier blijkt dat de kandidaat zich op geregelde tijdstippen bijschoolt. Uit het dossier blijkt eveneens dat zij op datum van 17 oktober 2017 over een blanco strafregister beschikt. Van de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het arrondissement Antwerpen verkrijgt de kandidate een zeer gunstig advies. In dit advies wordt onder meer gewezen op haar vertrouwdheid met de materies van het vredegerecht, haar flexibiliteit en haar nauwkeurigheid. Het advies besluit dat de kandidate zeker beantwoordt aan het profiel van het ambt van plaatsvervangend vrederechter met nadruk op haar ervaring in de materie en haar persoonlijkheid in het algemeen. Het gemeenschappelijk advies vanwege de stafhouders van de balles van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen luidt „gunstig‟. In betreffend advies wordt onder meer gesteld dat zij gelet op haar kennis van de mate- ries die tot de bevoegdheid van de vrederechter behoren, haar vertrouwd- heid met het vredegerecht te Brasschaat, haar luisterbereidheid en oplos- singsgericht denken zeker geschikt is en bekwaam om het beoogde ambt uit te oefenen. Gedurende de hoorzitting maakt Gabriëlle Van Bussel een gemotiveerde en zelfzekere indruk. Zij antwoordt op een doordachte wijze op de vragen die haar door de leden van de commissie worden voorgelegd en heeft een goed inzicht in wat er verwacht wordt van een plaatsvervangend rechter. Zij is zeer geïnteresseerd in het vacante ambt en zou het als een interessante ver- rijking ervaren in haar professionele loopbaan. De kandidate benadrukt voorts haar ruime vertrouwdheid met de materies die behoren tot de vrede- gerechten, waaronder burengeschillen, huur en handelshuur en bewindvoe- ringen. Zij haalt tot slot de door haar gevolgde opleidingen, waaronder die inzake bewind en haar grote vertrouwdheid met het kanton aan. De com- missie is van oordeel dat de kandidate zeer goed beantwoordt aan het ge- vraagde profiel en dat zij zowel beschikt over de nodige juridische en men- selijke kwaliteiten, als over de communicatieve en sociale vaardigheden om dit ambt tot eenieders tevredenheid uit te oefenen. Haar ruime ervaring als advocaat in de materies die tot de bevoegdheid van een vredegerecht beho- ren, haar interesse voor bemiddeling en bijscholing, haar flexibiliteit, haar nauwkeurigheid, haar luisterbereidheid en haar vertrouwdheid met het va- cante kanton staan hiervoor garant.” Over verzoeker wordt in de beide processen-verbaal het vol- gende gesteld: “Peter Geeraerts behaalde op 10 juli 1997 het diploma van licentiaat in de rechten. Hij behaalde op 28 juni 2000 de academische graad van licentiaat in het notariaat en behaalde op 5 juli 2000 eveneens de academische graad van gediplomeerde in de gespecialiseerde studie van het ondernemings- recht. Na zijn baliestage ging de kandidaat aan de slag in het bankwezen, IX-9257-10/35 waarna hij in 2004 de overstap maakte naar het notariaat. Bij koninklijk be- sluit van 15 mei 2012 werd hij benoemd tot notaris in het gerechtelijk ar- rondissement Antwerpen. Bij koninklijk besluit van 11 februari 2013 werd zijn standplaats overgebracht van het zesde kanton Antwerpen naar Bras- schaat. De kandidaat kan voorts onder meer bogen op een ervaring als lid van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van Brasschaat (sinds 2008). Uit het dossier blijkt dat de kandidaat zich jaarlijks bijschoolt in het kader van de permanente vorming voor notarissen. Uit het dossier blijkt tevens dat de kandidaat op 16 oktober 2017 over een blanco strafre- gister beschikt. Van de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het arrondissement Antwerpen verkrijgt de kandidaat een zeer gunstig advies. In dit advies wordt onder meer gewezen op de professionele loop- baan van de kandidaat binnen de advocatuur, het bankwezen en het notari- aat. De kandidaat is, aldus de voorzitter, vertrouwd met de materies van het notariaat, die ook aanleunen bij de bevoegdheid van de vrederechter, en de vrederechter-titularis van het kanton Brasschaat staat positief ten aanzien van zijn kandidatuur. Bij mail van 18 januari 2018 geeft Peter Geeraerts te kennen dat hij ver- zaakt aan de bijkomende mogelijkheid die hem wordt geboden om zijn standpunt mondeling te komen toelichten en dat hij volhardt in het gestelde op de vorige hoorzitting, zijnde de hoorzitting van 7 november 2017, naar aanleiding van dewelke betrokkene werd voorgedragen; voordracht die bij koninklijk besluit van 7 januari 2018 is geweigerd. Thans wordt de geluids- opname van het verhoor van Peter Geeraerts gedurende de voormelde hoor- zitting van 7 november 2017 integraal ten gehoor gebracht van de commis- sie.” In het proces-verbaal van de met redenen omklede voordracht van G.S. voor de vacante plaats van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat, wordt verzoekers kandidatuur als volgt vergeleken met die van G.S.: “Hoewel de commissie aandacht heeft voor de gevarieerde professionele achtergrond van de kandidaat, voor de door hem gevolgde opleidingen en zijn vertrouwdheid met diverse materies die behoren tot – of nauw aanleu- nen bij – de bevoegdheid van de vrederechter is zij van oordeel dat [G.S.] zich voor deze specifieke plaats van hem onderscheidt door zijn grotere vertrouwdheid met de materies en de procedures die behoren tot de be- voegdheid van de vredegerechten, zijn ruimere zittingservaring en zijn meer uitgesproken sociaal engagement.” In het proces-verbaal van de met redenen omklede voordracht van Gabriëlle Van Bussel voor de vacante plaats van plaatsvervangend rechter in IX-9257-11/35 het vredegerecht van het kanton Brasschaat, wordt verzoekers kandidatuur als volgt vergeleken met die van Gabriëlle Van Bussel: “Hoewel de commissie aandacht heeft voor de gevarieerde professionele achtergrond van de kandidaat, voor de door hem gevolgde opleidingen en zijn vertrouwdheid met diverse materies die behoren tot -of nauw aanleu- nen bij- de bevoegdheid van de vrederechter is zij van oordeel dat [G.V.B.] zich voor deze specifieke plaats van hem onderscheidt door haar grotere vertrouwdheid met de materies en de procedures die behoren tot de be- voegdheid van de vredegerechten, haar ruimere zittingservaring en haar grotere vertrouwdheid met het vredegerecht van het vacante kanton.” De beslissingen van 24 januari 2018 houdende de voordracht van G.S. en Gabriëlle Van Bussel vormen de derde bestreden beslissingen in de zaak A.224.709/IX-9257. 3.10. Bij koninklijke besluiten van 1 maart 2018 worden G.S. en Ga- briëlle Van Bussel benoemd tot plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat. Die koninklijke besluiten vormen het voorwerp van het beroep in de zaak A.224.835/IX-9268. IV. Samenvoeging 4. Uit de feitelijke uiteenzetting sub 3 blijkt dat de twee zaken nauw met elkaar verbonden zijn. Verzoeker voert bovendien in de beide zaken dezelfde middelen aan en een uitspraak in de ene zaak kan een weerslag hebben op de andere zaak. Dienvolgens is het in het belang van een goede rechtsbedeling om de zaken samen te voegen. IX-9257-12/35 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 5. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 259ter en artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek, van het rechtszeker- heids- en het vertrouwensbeginsel en van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat de minister van Justitie niet de op straffe van verval opgelegde voorwaar- den voor kandidaatstelling zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2017 terzijde kon schuiven. Verzoeker argumenteert dat overeenkomstig artikel 287sexies, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de oproep in het Belgisch Staatsblad de wijze vermeldt waarop de kandidaturen moeten worden ingediend. Hij stelt dat niet kan worden betwist dat in casu de voorwaarden voor de kandidaatstelling zoals opgenomen in de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2017 derwijze werden geformuleerd dat de kandidaatstellingen op straffe van verval uitsluitend elektronisch konden gebeuren. In de mate dat de minister van Justitie in het besluit van 7 januari 2018 overweegt dat dit niet in overeenstem- ming zou zijn met artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek omdat in die bepaling niet is voorzien dat een elektronische kandidatuurstelling de enige mo- gelijkheid is, noch dat het indienen van een kandidatuurstelling op een andere wijze dan langs elektronische weg op straffe van onontvankelijkheid zal worden beoordeeld, wijst verzoeker erop dat artikel 287sexies, zevende lid, van het Ge- rechtelijk Wetboek, a fortiori in samenhang met de voorbereidende werken van die bepaling, integendeel uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet om uitsluitend kandidatuurstellingen via de elektronische weg te aanvaarden. In de voorberei- IX-9257-13/35 dende werken bij artikel 84 van de wet van 4 mei 2016 „houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie‟ (hierna: de wet van 4 mei 2016) waarmee arti- kel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek in de huidige versie is ingevoegd, wordt immers overwogen dat het invoeren van de mogelijkheid om via elektroni- sche weg te kandideren de mogelijkheid om te blijven postuleren met een aange- tekende brief opheft wanneer de oproep aan de kandidaten een andere wijze van postuleren vermeldt en dat een aangetekende brief dus niet langer zal worden aanvaard tenzij de oproep aan de kandidaten uitdrukkelijk in die wijze van postu- leren voorziet. Voor zover de minister van Justitie in het besluit van 7 januari 2018 verwijst naar de bedenkingen die de afdeling Wetgeving van de Raad van State daarbij zou hebben geuit, merkt verzoeker op dat in de uiteindelijke wet- tekst en in de daarop gesteunde vacature van 22 juni 2017 geen rekening werd gehouden met die opmerkingen en dat de minister van Justitie zich niet kan be- roepen op een advies van de Raad van State wanneer dat advies eerst werd gene- geerd. Als de uitsluitend elektronische kandidaatstelling toch onwettig zou zijn, had de minister van Justitie volgens verzoeker dat enkel kunnen verhelpen door de vacature in te trekken en deze opnieuw uit te schrijven, en niet door de vacatu- re te handhaven maar de daarin opgelegde voorwaarde terzijde te schuiven. In het tweede onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat de minister van Justitie zich niet op een eerdere ontvankelijkheidsverkla- ring van de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel kan beroepen om de op straffe van verval voorgeschreven voorwaarden voor kandidaatstelling terzijde te schui- ven en te stellen dat enkel hij over de ontvankelijkheid kan oordelen en dat de benoemingscommissie alsnog de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel moet onderzoeken. Verzoeker argumenteert dat uit geen enkel document blijkt dat de minister van Justitie zich over de ontvankelijkheid van een kandidatuur zou hebben uitgesproken. Er is enkel een lijst van kandidaten opgemaakt. Voor zover de minister van Justitie op grond daarvan toch zou hebben geoordeeld over de ontvankelijkheid van de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel is dit volgens ver- IX-9257-14/35 zoeker onwettig. Hij betoogt dat de vraag of de verplichting, voorgeschreven op straffe van verval, om de kandidaatstelling uitsluitend elektronisch te laten verlo- pen, werd nageleefd of niet, geen beoordelingsmarge toelaat. De naleving van deze voorwaarde kan enkel worden vastgesteld en hangt dus niet af van een con- stitutieve rechtshandeling. De vraag wie dient te oordelen over de ontvankelijk- heid van een kandidatuurstelling is in zoverre irrelevant. De ontvankelijkheids- verklaring die de minister van Justitie meent te hebben gedaan, laat volgens ver- zoeker niet toe om een op straffe van verval voorgeschreven verplichting terzijde te schuiven ten nadele van de kandidaten die wel aan die voorwaarden hebben voldaan. In de mate dat de minister van Justitie dat toch poogt te doen, moet zijn beslissing nietig worden verklaard. In het derde onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat de minister van Justitie zich niet kan beroepen op een ongelijke behande- ling van de kandidaturen om de op straffe van verval voorgeschreven voorwaar- den voor kandidaatstelling terzijde te schuiven aangezien dit zou impliceren dat de minister van Justitie zich beroept op de onwettigheid van vacaturevoorwaar- den die hij zelf heeft uitgeschreven. Verzoeker merkt daarbij op dat Gabriëlle Van Bussel als advocaat onmogelijk kan beweren dat zij geen toegang heeft tot een elektronische werkwijze en dat van een ongelijkheid dus geen sprake kan zijn. In zoverre toch de vrees zou bestaan dat niet iedere burger toegang heeft tot een volledig elektronische werkwijze en om die reden de uitdrukkelijke voor- waarde van elektronische kandidaatstelling terzijde zou moeten worden gescho- ven, meent verzoeker dat het dan niet volstaat om de kandidaatstelling van Ga- briëlle Van Bussel toe te voegen aan het selectieproces, maar dat de vacature op- nieuw moet worden uitgeschreven. Enkel op die manier kan men, aldus verzoe- ker, zeker zijn dat kandidaten die om die reden zouden hebben afgehaakt, toch een gelijke kans zouden hebben. In het vierde onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat de benoemingscommissie ten onrechte op 24 januari 2018 de kandidaat- stelling van Gabriëlle Van Bussel in aanmerking heeft genomen, gelet op de IX-9257-15/35 voorgaande argumenten waaruit blijkt dat de minister van Justitie ten onrechte de kandidaatstelling van Gabriëlle Van Bussel aan de benoemingscommissie heeft opgedrongen. 6. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel van het middel dat in artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek geen verplichting kan worden gelezen om op straffe van onontvankelijkheid enkel elektronisch in- gediende kandidaturen te aanvaarden. Zij meent dan ook dat de minister van Jus- titie terecht heeft geoordeeld dat voormeld artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek niet bepaalt dat het indienen van de kandidatuurstelling uitsluitend via elektronische weg kan gebeuren om rechtsgeldig te zijn en dat het indienen van een kandidaatstelling op een andere dan elektronische wijze geen invloed heeft op de behandeling en de beoordeling van deze kandidaatstelling. Er anders over oordelen, zou volgens de verwerende partij betekenen dat er een strengere beoor- deling zou gebeuren van kandidaatstellingen op niet-elektronische wijze wat een onregelmatige toevoeging aan de wet zou impliceren waartoe de minister van Justitie niet gemachtigd is, gelet op het principe van de scheiding der machten en het gegeven dat de wetgever ter zake geen verordenende bevoegdheid aan de Ko- ning of aan de minister heeft gedelegeerd. Noch de wetgever, noch de Koning heeft de minister van Justitie gemachtigd een bijkomende en verzwarende voor- waarde toe te voegen aan artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek. In de mate dat verzoeker refereert aan de voorbereidende werken waarmee artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek is ingevoegd, verwijst de verwerende partij naar de wijzigingen die het voormelde artikel sedert 2012 heeft ondergaan. Vóór 2012 bestond er geen mogelijkheid om zich kandidaat te stellen dan bij aangetekend schrijven. In 2012 werd de mogelijkheid om op een andere wijze te kandideren ingevoerd voor het gerechtspersoneel. Bij wet van 4 mei 2016 is dit dan uitgebreid tot elke kandidaatstelling voor een benoeming in de rechterlijke orde en het is om die reden, aldus de verwerende partij, dat in de voorbereidende werken van die wet wordt overwogen dat de aangetekende brief op dezelfde lijn wordt gesteld met andere wijzen van postuleren. Voor zover in de voorbereidende werken van die wet wordt gesteld dat een aangetekende brief niet zal worden IX-9257-16/35 aanvaard dan wanneer de oproep aan de kandidaten uitdrukkelijk in deze wijze van postuleren voorziet, meent de verwerende partij dat niet kan worden aange- nomen dat een dergelijke strikte, exclusieve wijze van kandidatuurstelling in het vigerende artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek zou zijn opgenomen aangezien dit een nodeloze en onterechte verzwaring van de kandidatuurstelling met zich zou meebrengen. Zij verwijst in dat verband naar het advies van de afde- ling Wetgeving van de Raad van State bij het wetsontwerp van de wet van 4 mei 2016 met betrekking tot de elektronische betekening dat mutatis mutandis op de elektronische kandidaatstelling kan worden toegepast. De afdeling Wetgeving stelt dat het belangrijk is in het achterhoofd te houden dat niet iedereen toegang heeft tot dezelfde informatietechnieken en dus kan er worden geconcludeerd dat het opleggen van een verplichting om kandidatuurstellingen voor benoemingen in de rechterlijke orde uitsluitend via elektronische wijze mogelijk te maken een schending van het gelijkheidsbeginsel kan inhouden. De verwerende partij besluit dat de minister van Justitie niet bij machte was om de voorwaarden voor de kan- didaatstelling te verstrengen. Noch de wet van 4 mei 2016, noch enig koninklijk besluit heeft hem een dergelijke bevoegdheid verleend. Er kan dan ook geen sprake zijn van het terzijde schuiven van op straffe van verval opgelegde voor- waarden. De minister van Justitie heeft de wet van 4 mei 2016 gerespecteerd zo- dat van een schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti geen spra- ke kan zijn. De verwerende partij stelt tot slot nog dat het onduidelijk is waarom de minister van Justitie de betrokken vacature zou moeten intrekken en opnieuw uitschrijven zoals verzoeker beweert. Zij wijst erop dat zowel de kandidaten die via elektronische wijze als diegenen die via aangetekende zending zich kandidaat wilden stellen hun kandidatuur hebben ingediend en dat zij geen klachten heeft gekregen met betrekking tot de vacature en de kandidatuurstelling. Op het tweede onderdeel van het middel antwoordt de verwe- rende partij dat artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat de minister van Justitie de kandidaturen ontvankelijk verklaart en dat dit ook wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 mei 2016. Het oordeel over de ontvankelijkheid van de kandidatuurstelling gebeurt, aldus de IX-9257-17/35 verwerende partij, rekening houdend met de voorwaarden van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek, zijnde dat de kandidatuurstelling op straffe van verval aan de minister van Justitie dient te worden gericht en vergezeld moet gaan van alle stavingsstukken met betrekking tot de studies en de beroepservaring en een CV overeenkomstig een door de minister van Justitie bepaald standaard- formulier. De verwerende partij doet gelden dat Gabriëlle Van Bussel met een aangetekende zending van 10 juli 2017 – hetgeen binnen de termijn is van twintig dagen na de bekendmaking van de vacature – de vereiste stukken heeft ingediend en dat Gabriëlle Van Bussel dus heeft voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek. De minister van Justitie heeft dan ook terecht geoordeeld dat de kandidatuurstelling van Gabriëlle Van Bussel ont- vankelijk was en door de benoemingscommissie diende te worden onderzocht. De verwerende partij wijst er daarbij op dat artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek geen specifieke vormvereiste bepaalt voor de ontvankelijkheidsverkla- ring van een kandidatuur. Volgens de verwerende partij behoorde het dus niet tot de bevoegdheid van de benoemingscommissie om zich over de ontvankelijkheid van de kandidaturen uit te spreken en heeft de benoemingscommissie initieel ook verkeerdelijk geoordeeld dat de kandidatuurstelling van Gabriëlle Van Bussel niet ontvankelijk was. Zij benadrukt tot slot dat geen rekening kan worden ge- houden met de op straffe van verval voorgeschreven voorwaarde dat de kandida- tuurstellingen uitsluitend elektronisch kunnen worden ingediend aangezien artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek geen dergelijke verplichting oplegt. De miskenning van die voorwaarde door Gabriëlle Van Bussel brengt volgens de verwerende partij dan ook niet de ontvankelijkheid van haar kandidatuur in het gedrang. Met betrekking tot het derde onderdeel van het eerste middel stelt de verwerende partij dat het opleggen van een verplichte elektronische kan- didatuurstelling voor gevolg heeft dat niet kan worden gewaarborgd dat iedere burger zich kandidaat kan stellen aangezien niet iedereen toegang heeft tot elek- tronische communicatiemiddelen. Om die reden heeft de minister van Justitie die onterecht opgelegde voorwaarde tot elektronische kandidatuurstelling terzijde IX-9257-18/35 geschoven teneinde een onrechtmatige en potentieel discriminerende situatie te vermijden, niet alleen specifiek voor de betrokken vacante plaatsen, maar ook voor toekomstige kandidatuurstellingen op basis van andere vacante plaatsen. Verzoekers argumentatie dat Gabriëlle Van Bussel als advocaat niet kan beweren dat zij geen toegang heeft tot een elektronische werkwijze kan volgens de verwe- rende partij niet worden aanvaard. Zij stelt dat het Gerechtelijk Wetboek geen verplichting oplegt om uitsluitend elektronisch te kandideren en dat de wetgeving een algemene draagwijdte heeft en zonder onderscheid van toepassing is op alle kandidaten die postuleren voor een benoeming binnen de rechterlijke orde. Bij- gevolg is het irrelevant of Gabriëlle Van Bussel toegang heeft tot elektronische communicatiemiddelen. Er anders over oordelen zou impliceren dat voor de kan- didatuurstelling van Gabriëlle Van Bussel andere en strengere voorwaarden gel- den dan voor andere kandidaten, hetgeen in strijd met het gelijkheidsbeginsel zou zijn. Verzoekers stelling dat een nieuwe vacature diende te worden uitgeschreven, kan volgens de verwerende partij evenmin worden bijgevallen. Zij wijst erop dat verzoeker niet aantoont dat een kandidaat niet heeft kunnen kandideren. Zij doet ook gelden dat alle kandidaturen – zowel de elektronisch ingediende als die wel- ke op papier werden ingediend – werden behandeld en dat zij geen enkele klacht heeft ontvangen van iemand die het betrokken ambt ambieerde en zich niet kan- didaat kon stellen. Op het vierde onderdeel van het eerste middel antwoordt de verwerende partij dat uit de voorgaande bespreking is gebleken dat de minister van Justitie de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel terecht ontvankelijk heeft verklaard en aan de benoemingscommissie ter beoordeling heeft voorgelegd. Daarop is de benoemingscommissie op weloverwogen en gemotiveerde wijze tot de conclusie gekomen dat G.S. en Gabriëlle Van Bussel de meest geschikte kan- didaten voor de vacante ambten waren en vervolgens is de minister van Justitie op correcte wijze overgegaan tot de benoeming van deze kandidaten. 7. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat in de IX-9257-19/35 vacature moet worden voorgeschreven hoe de kandidatuur moet worden inge- diend. Hij merkt op dat de verwerende partij niet betwist dat in de vacature uit- drukkelijk werd bepaald dat dit enkel via elektronische weg kon gebeuren. Evenmin betwist de verwerende partij, aldus verzoeker, dat duidelijk in de voor- bereidende werken bij de invoering van dat artikel werd bepaald dat de elektroni- sche weg de enige toegelaten mogelijkheid is indien dit zo in de vacature wordt gesteld. Voor zover de verwerende partij verwijst naar een opmerking in het ad- vies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, repliceert verzoeker dat die opmerking straal werd genegeerd bij de totstandkoming van de wet van 4 mei 2016. Voorts doet verzoeker gelden dat nergens uit blijkt dat door de wetgever enige verordenende bevoegdheid zou zijn gedelegeerd en dat de wetge- ver zelf in artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek voorschrijft dat de beslis- sing over de ontvankelijkheid door de minister dient te gebeuren aan de hand van de voorwaarden bedoeld in artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek. De verwerende partij zou, aldus verzoeker, dan juist consequent moeten erkennen dat de beslissing over de ontvankelijkheid geen beoordelingsmarge inhoudt om soe- peler of strenger te zijn, of om kandidatuurstellingen, die niet conform de opge- legde wijze werden ingediend, toch ontvankelijk te kunnen verklaren. Voor zover er sprake zou zijn van enige ongrondwettigheid van een bepaling uit het Gerech- telijk Wetboek valt het volgens verzoeker niet aan de Raad van State toe om die vast te stellen maar aan het Grondwettelijk Hof en verzoeker stelt vast dat de verwerende partij niet voorstelt om het Grondwettelijk Hof hieromtrent een pre- judiciële vraag te stellen. Verzoeker betoogt voorts dat het beginsel patere legem quam ipse fecisti alsook het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel werden ge- schonden doordat de oorspronkelijke vacature van 22 juni 2017 werd gehand- haafd, ondanks de daarin vermelde voorwaarden die door de verwerende partij als onwettig worden omschreven, in plaats van ingetrokken. IX-9257-20/35 Voor zover de verwerende partij doet gelden dat de minister van Justitie de onterecht opgelegde voorwaarde tot elektronische kandidatuurstel- ling terzijde heeft geschoven om een onrechtmatige en potentieel discriminerende situatie te vermijden niet alleen specifiek voor de betrokken vacante plaatsen maar ook voor toekomstige kandidatuurstellingen, repliceert verzoeker dat de verwerende partij daarmee juist aantoont dat het onbegrijpelijk is dat de vacature van 22 juni 2017 niet werd ingetrokken, aangezien juist door de daarin vermelde voorwaarden eventuele kandidaten, die niet aan de voorwaarde van een elektroni- sche kandidatuurstelling konden voldoen, hebben afgehaakt. In dat verband merkt verzoeker op dat hij uiteraard niet kan aantonen dat er kandidaten geen kandida- tuur hebben ingediend, maar dat net het potentieel ontbreken van kandidatuurstel- lingen tot discriminatie leidt. Voor zover de verwerende partij stelt dat de minister van Justi- tie niet anders kon dan de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel ontvankelijk te verklaren, zodat de Hoge Raad voor Justitie niet anders kon dan er zich over uit- spreken, repliceert verzoeker dat afgezien van het feit dat de minister van Justitie dienaangaande niet beschikt over enige beoordelingsmarge, de verwerende partij nog steeds nalaat om een beslissing inzake ontvankelijkheidsverklaring voor te leggen. Hij wijst erop dat het louter toesturen van een kandidatuur aan de Hoge Raad voor Justitie geen ontvankelijkheidsverklaring is. 8. In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden dat de parlementaire voorbereiding van een wet niet kan worden ingeroepen te- gen de duidelijke tekst ervan. Het te stug vasthouden aan de voorbereidende wer- ken zou volgens haar leiden tot een interpretatie van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek die afwijkt van wat in dat artikel wordt bepaald. Voorts benadrukt zij dat zelfs indien de wijze waarop de kandi- daturen moeten worden ingediend, wordt vermeld in de betreffende vacature, artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek nergens bepaalt dat die wijze op straffe van verval is voorgeschreven. Het kan volgens de verwerende partij niet IX-9257-21/35 de bedoeling zijn dat de oproep tot de kandidaten zwaarder doorweegt dan de tekst van de wet. De verwerende partij stelt voorts vast dat de partijen het erover eens zijn dat de wetgever ter zake geen verordenende bevoegdheid heeft gedele- geerd. Volgens haar is het bijgevolg niet aan de minister van Justitie om een voorwaarde op straffe van verval toe te voegen aan artikel 287sexies, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek die niet in die bepaling is voorzien. Zij stelt dat indien een dergelijke voorwaarde zou worden toegevoegd aan artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek, dit zou betekenen dat de minister van Justitie ook voor toekomstige vacatures een voorwaarde toevoegt aan dat artikel. Op die ma- nier zou er sprake zijn van een ongeoorloofde verordenende bevoegdheid. Bij de beslissing over de ontvankelijkheid kan de minister van Justitie, aldus de verwe- rende partij, dus enkel oordelen over de conformiteit met artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek, zonder hierbij verzwarende voorwaarden toe te voe- gen. In eerste instantie moet artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek wor- den gerespecteerd, eerder dan de publicatie van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Volgens de verwerende partij hecht verzoeker ten onrechte meer be- lang aan de vacature dan aan artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek. In de mate dat verzoeker opmerkt dat de verwerende partij het Grondwettelijk Hof niet wenst te bevragen over een vermeende ongrondwettigheid in het Gerechtelijk Wetboek, repliceert de verwerende partij dat er geen sprake is van een ongrond- wettelijke bepaling in het Gerechtelijk Wetboek. Het is volgens haar de interpre- tatie die verzoeker aan het desbetreffende artikel wil geven die vragen doet rijzen. Zij wijst erop dat alleen de wetgever de wet authentiek kan interpreteren. Beoordeling 9. Artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek luidt: “Elke kandidaatstelling voor een benoeming in de rechterlijke orde of voor een aanwijzing als korpschef, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, ver- bindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat, IX-9257-22/35 substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken of van lid van het gerechtspersoneel moet op straffe van verval aan de mi- nister van Justitie worden gericht binnen een termijn van twintig dagen vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. De bekendmaking van de vacature vermeldt, in voorkomend geval, binnen welke termijn de kandidaten kunnen vragen gehoord te worden met toepas- sing van de artikelen 259ter, 259quater en 259sexies, §1, 3°. Elke kandidatuur voor een benoeming of voor een aanwijzing tot korpschef in de magistratuur dient op straffe van verval, vergezeld te zijn van:
  1. a)Alle stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring;
  2. b)Een curriculum vitae overeenkomstig een door de Minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier; […] De oproep in het Belgisch Staatsblad vermeldt de wijze waarop de kandida- turen moeten worden ingediend. […].” 10. Voormelde bepaling werd in deze versie ingevoegd bij wet van 4 mei 2016. Daar waar voorheen enkel het gerechtspersoneel kandidaturen kon indienen bij gewone brief of enige andere vorm, in afwijking van waar een ter post aangetekend schrijven was voorgeschreven, wordt deze mogelijkheid uitge- breid (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/001, 67). Voortaan krijgen alle kandida- ten “ook de mogelijkheid om te solliciteren via een andere dan de aanbevolen weg, zoals de elektronische weg, indien daarin is voorzien in de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep tot de kandidaten” (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/001, 15). 11. Reeds uit de tekst van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de oproep tot de kandidaten doorslaggevend is voor de wijze waarop de kandidaturen moeten worden ingediend. Dit wordt ook bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 mei 2016. Zo blijkt dat een van de doelstellingen van de wet van 4 mei 2016 erin bestaat te komen tot “administratieve vereenvoudigingen” (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/001, 14). Daartoe wordt “[d]e aangetekende zending […] vervangen door e-mail, zowel voor de verzendingen van de administratie als die van de kandidaat, de adviesinstanties en de benoemings- en aanwijzingscom- missie” (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/001, 14). Dit wordt verderop in de IX-9257-23/35 voorbereidende werken alleen maar bevestigd (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/001, 47): “Artikel 51 komt bovendien tegemoet aan een bekommernis van vereen- voudiging van de benoemingsprocedure met betrekking tot de verschillende verzendingen – van de met redenen omklede schriftelijke adviezen van de personen bedoeld in artikel 259ter, § 1, 1° tot 3°, van de kennisgevingen aan de kandidaten, van de opmerkingen en verzoeken van de kandidaten om te worden gehoord, enz. Die benoemingsprocedure blijkt immers zeer log te zijn aangezien er vrijwel stelselmatig gebruik moet worden gemaakt van de verzending bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs. Het houdt eveneens een aanzienlijke kostprijs in voor de Federale Over- heidsdienst Justitie zowel op het stuk van verzendingskosten als op het vlak van archivering. In dit digitale tijdperk leek het logisch en conform de evolutie van de prak- tijk om niet langer gebruik te maken van de verzending bij een ter post aan- getekende brief en de voorkeur te geven aan elektronische verzendingen, zulks uitgaande van het beginsel dat iedereen een e-mailadres heeft of zou moeten hebben. Die evolutie zal geen afbreuk doen aan de bekommernis om bewijskracht waaraan de verzending bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs tegemoetkwam, aangezien erin is voorzien dat de kan- didaat uitdrukkelijk om een ontvangstbewijs zal worden verzocht wanneer de datum van ontvangst bepalend is voor het ingaan van een termijn (art. 259ter, § 2, derde lid, c ).” Over artikel 82 van de wet van 4 mei 2016 waarmee artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek werd gewijzigd, wordt in de memorie van toelichting uitdrukkelijk gesteld (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/001, 67): “Deze bepaling geeft de mogelijkheid om ook via elektronische weg te kandideren hetgeen een enorme administratieve vereenvoudiging betekent. Er is geen enkele reden om deze mogelijkheid te beperken tot het gerechts- personeel. De voorgestelde aanpassing van het eerste en het achtste lid van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek gaat nog veel verder aange- zien ze de mogelijkheid om te blijven postuleren met een aangetekende brief opheft wanneer de oproep aan de kandidaten een andere wijze van postuleren vermeldt. Voortaan zal de aangetekende brief bijgevolg op één lijn gesteld worden met de andere manieren van postuleren: zij zal niet aan- vaard worden dan wanneer de oproep aan de kandidaten uitdrukkelijk in deze wijze van postuleren voorziet.” Dit wordt ook bevestigd in het „Verslag van eerste lezing‟ (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/006, 83): IX-9257-24/35 “De verplichting wordt ingevoerd voor de kandidaten om te solliciteren via een andere dan de aanbevolen weg, zoals de elektronische weg, indien daar- in is voorzien in de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep tot de kandidaten.” 12. Uit dit alles blijkt duidelijk dat de oproep aan de kandidaten doorslaggevend is voor de wijze waarop de kandidaturen moeten worden inge- diend. Indien de oproep bepaalt dat de kandidatuurstelling elektronisch moet ge- beuren is dit verplicht. Een aangetekende brief wordt dan niet aanvaard tenzij de oproep uitdrukkelijk in die wijze van postuleren voorziet. 13. In casu wordt in de oproep aan de kandidaten bepaald: “Elke kandidaatstelling voor een benoeming in de rechterlijke orde of voor een aanwijzing als korpschef moet, op straffe van verval, worden gericht aan de dienst HR Magistratuur – notarissen – gerechtsdeurwaarders, langs elektronische weg (e-mail: vacatures.roj1@just.fgov.be), binnen een ter- mijn van twintig dagen vanaf de bekendmaking van de vacature in het Bel- gisch Staatsblad (art. 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek).” Die oproep doet niets meer dan datgene wat is voorgeschreven in artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek: het bepaalt de wijze waarop de kandidaturen moeten worden ingediend, op straffe van verval. Die oproep strookt bovendien volledig met de wil van de wetgever, namelijk komen tot een admini- stratieve vereenvoudiging, de logge procedure aanzienlijk vereenvoudigen door de aangetekende brief niet langer te aanvaarden en te vervangen door een sollici- tatie via elektronische weg wanneer daarin is voorzien in de oproep. 14. De stelling van de verwerende partij dat dit een verzwaring van de wettelijke voorwaarden zou zijn, kan gelet op het voorgaande niet worden bijgevallen. Al evenmin kan haar stelling worden bijgevallen dat “de opge- legde voorwaarde tot elektronische kandidatuurstelling” terzijde moest worden geschoven “om een onrechtmatige en potentieel discriminerende situatie te ver- mijden”. Uit de kandidatuurstelling van Gabriëlle Van Bussel blijkt immers dat IX-9257-25/35 zij in het bezit was van een e-mailadres. En zelfs indien zou moeten worden aan- genomen dat Gabriëlle Van Bussel niet in de mogelijkheid was om haar kandida- tuur via elektronische weg in te dienen, had zij in haar ter post aangetekende kan- didatuurstelling de eventuele onwettigheid van de oproep kunnen opwerpen. Het is bevreemdend dat de verwerende partij dit thans in haar plaats doet, niettegen- staande zij stelt geen opmerkingen dienaangaande te hebben ontvangen. Uiteraard had Gabriëlle Van Bussel eveneens een beroep tot nietigverklaring van de oproep tot de kandidaten bij de Raad van State kunnen indienen wanneer zij daarin on- wettigheden meende te ontwaren. Ten slotte kan de verwerende partij evenmin worden bijgeval- len voor zover zij beweert dat aanvaarden dat in casu enkel via elektronische weg een kandidaatstelling kan worden ingediend, impliceert dat dit ook zou gelden voor toekomstige vacatures en dat er aldus een voorwaarde aan het Gerechtelijk Wetboek zou worden toegevoegd die er niet in staat. Zoals reeds uiteengezet is de oproep aan de kandidaten doorslaggevend voor de wijze waarop de kandidaturen kunnen worden ingediend. Een sollicitatie middels een aangetekende brief kan dan ook worden toegelaten door dit uitdrukkelijk in de oproep aan de kandidaten te vermelden. 15. De verwerende partij stelt wel terecht dat ingevolge de wet van 4 mei 2016 artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk vermeldt dat het onderzoek van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de kandidaturen een bevoegdheid is van de minister van Justitie en niet van de Hoge Raad voor de Justitie (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/001, 14). In de memorie van toelichting wordt daaromtrent gesteld (Parl.St. Kamer 2015-16, nr.1590/001, 46-47): “Om elke twijfel te vermijden omtrent de vraag welke ontvankelijkheids- voorwaarden onderworpen worden aan het oordeel van de minister van Jus- titie, wordt gepreciseerd dat het enkel de voorwaarden betreft bepaald in de artikelen 287sexies en 216bis van het Gerechtelijk Wetboek, met name de voorwaarden gelinkt aan de indieningstermijnen en de vormvereisten van IX-9257-26/35 de kandidatuur, evenals betreffende de stavingsstukken.” In tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij lijkt te sugge- reren, is dat ontvankelijkheidsonderzoek niet beperkt tot “alle stavingstukken m.b.t. de studies en de beroepservaring”, en het “CV overeenkomstig een door de Minister van Justitie bepaald standaardformulier”. Het valt de minister van Justi- tie eveneens toe na te gaan of de kandidatuur ontvankelijk is wat betreft de “vormvereisten”. Daaronder moet in ieder geval worden begrepen, de wijze waarop de kandidatuur dient te worden ingediend. 16. Los van de vraag of in casu door de minister van Justitie al een beslissing werd genomen omtrent de ontvankelijkheid van de kandidaturen – er blijkt immers enkel een „lijst van kandidaten‟ te zijn – had hij de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel, gelet op wat hiervoor is uiteengezet, in elk geval moeten weigeren. 17. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 18. Het tweede middel is genomen uit de schending van de artike- len 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de formelemotiveringswet) en van het mo- tiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Verzoeker voert aan dat in de voordrachtbeslissing van 24 ja- nuari 2018 niet afdoende is gemotiveerd waarom zijn kandidatuur moet onder- doen voor die van G.S. en Gabriëlle Van Bussel. IX-9257-27/35 In de toelichting bij het middel doet verzoeker gelden dat uit de voordrachtbeslissing van 7 november 2017 blijkt dat hij voldoet aan alle voor- waarden voor benoeming en dat hij toen als de meest bekwame en geschikte kan- didaat werd beschouwd. De benoemingscommissie dient bij de nieuwe voor- dracht van de kandidaten dan ook op zorgvuldige wijze na te gaan en te verant- woorden waarom verzoeker plots niet meer als de meest bekwame en geschikte kandidaat wordt beschouwd. Volgens verzoeker is aan die voorwaarden niet vol- daan bij de voordrachtbeslissingen van 24 januari 2018. Hij merkt op dat ten aan- zien van G.S. enkel wordt gesteld dat deze zich onderscheidt van verzoeker door “zijn grotere vertrouwdheid met de materies en de procedures die behoren tot de bevoegdheid van de vredegerechten, zijn ruimere zittingservaring en zijn meer uitgesproken sociaal engagement”. Ten aanzien van Gabriëlle Van Bussel wordt dan weer gesteld dat zij zich onderscheidt van verzoeker door “haar grotere ver- trouwdheid met de materies en de procedures die behoren tot de bevoegdheid van de vredegerechten, haar ruimere zittingservaring en haar grotere vertrouwdheid met het vredegerecht van het vacante kanton”. Verzoeker betoogt dat geen van deze beoordelingen nader wordt gestaafd. Voorts stelt hij dat het niet duidelijk is waarom ten aanzien van G.S. de vertrouwdheid met het vredegerecht van Bras- schaat geen rol zou spelen en ten aanzien van Gabriëlle Van Bussel wel, en evenmin waarom ten aanzien van Gabriëlle Van Bussel het sociaal engagement geen rol lijkt te spelen en ten aanzien van G.S. wel. Volgens verzoeker verschaft de motivering geen duidelijkheid over de gehanteerde criteria, noch over de toe- passing ervan. 19. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat bij de vergelijking van de kandidaten niet werd getoetst aan dezelfde criteria. Wat G.S. betreft stelt verzoeker dat niet valt in te zien op grond waarvan G.S. meer vertrouwd zou zijn met de materies en procedures die tot de bevoegdheid van de vredegerechten behoren. Hij argumenteert dat G.S. blijkens het benoemingsdossier vooral vertrouwd is met burgerlijke aansprakelijkheid, strafrecht, verzekeringsrecht, transportrecht, insolventie en handelsrecht, hetgeen IX-9257-28/35 niet bepaald bevoegdheden van de vrederechter zijn en elk geval minder dan de ervaring en bijscholing die verzoeker kan aantonen inzake bewindvoering en fa- miliaal vermogensrecht. Volgens verzoeker valt vervolgens ook niet in te zien waarom G.S. desbetreffend zou beschikken over een ruimere zittingservaring. Hij stelt ook vast dat het meer uitgesproken sociaal engagement van G.S. in verhou- ding tot verzoeker helemaal niet wordt toegelicht in de bestreden beslissing. Voor wat betreft de vertrouwdheid met het kanton wijst verzoeker erop dat hij net als G.S. in Brasschaat woont. Wat betreft Gabriëlle Van Bussel doet verzoeker gelden dat het niet duidelijk is op grond waarvan wordt aangenomen dat haar vertrouwdheid met de materies en bevoegdheden groter is dan die van verzoeker en dat evenmin wordt toegelicht waarom zij meer vertrouwd zou zijn met het kanton. Verzoeker wijst er in dat verband op dat hij zijn schoolcarrière heeft doorlopen in Bras- schaat, dat hij daar een lidmaatschap heeft van een voetbalclub, een tekenacade- mie en tennisclubs, dat hij daar ook zijn stage als advocaat heeft doorlopen, dat hij daar sedert 1999 woont, dat zijn kinderen alles in Brasschaat doen en dat hij daar notaris is. Beoordeling 20. Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de kandidatuur van Gabriëlle Van Bussel door de minister van Justitie ten onrechte als ontvankelijk is beschouwd en dat Gabriëlle Van Bussel bijgevolg ook niet kon worden benoemd in het ambt van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat. Daaruit volgt dat het tweede middel enkel moet wor- den onderzocht voor zover verzoekers kritiek de voordracht en benoeming van G.S. betreft. 21. Verzoeker licht niet toe op welke wijze, naar zijn oordeel, de bestreden beslissingen in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en het ver- trouwensbeginsel. Het middel is in die mate onontvankelijk. IX-9257-29/35 22.1. Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel houdt in, wanneer het wordt betrokken op de toegang tot de overheidsbetrekkingen, dat iedere burger op een gelijke wijze toegang moet kunnen krijgen tot dergelijke betrekkingen. Dit impliceert dat de benoemende overheid slechts een benoeming of een aanstelling in een vacante betrekking mag verlenen, nadat zij de aanspraken en verdiensten van de kandidaten op een zorgvuldige wijze met elkaar heeft vergeleken en afge- wogen op grond van objectieve en in het licht van de te begeven betrekking perti- nente criteria. Die vergelijking moet in beginsel blijken uit het benoemingsbesluit zelf, de daaraan voorafgaande voordrachten en adviezen en desnoods uit andere stukken die zich in het dossier bevinden. De Raad van State mag zich wat die vergelijking en afweging betreft, niet in de plaats van de benoemende overheid stellen. Hij mag bij de ob- jectieve wettigheidscontrole die hij uitoefent wanneer hij uitspraak doet over een beroep tot nietigverklaring tegen een benoemingsbeslissing, desgevraagd, wel nagaan of de benoemende overheid op een willekeurige wijze van haar beoorde- lingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Hij zal evenwel enkel daartoe dienen te besluiten indien hij moet vaststellen dat de benoemende overheid heeft gehandeld op een wijze waarop geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Dan blijkt immers dat de benoemende overheid onredelijk heeft gehandeld en dient de Raad van State beteugelend op te treden. 22.2. De benoemingsbeslissing dient overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet de feitelijke en juridische overwegingen te bevatten die eraan ten grondslag liggen en die vermeldingen moeten afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering perti- nent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde re- denen moeten volstaan om de beslissing te dragen. IX-9257-30/35 De formelemotiveringsplicht vereist bij een benoemingsbesluit zoals het voorliggende dat uit het besluit moet kunnen worden afgeleid welke redenen het bestuur ertoe gebracht hebben de ene kandidaat boven de andere te verkiezen. Dit betekent dat het bestuur de criteria aanwijst op grond waarvan het er uiteindelijk toe gekomen is aan de benoemde de voorkeur te geven, hetgeen de teleurgestelde kandidaten moet toelaten in te zien op grond van welke objectieve en pertinente criteria zij werden voorbijgegaan. De formelemotiveringsplicht impliceert dat de motieven uit de bestreden beslissing zelf moeten blijken. Wel mag worden aangenomen dat aan die doelstelling is voldaan indien de betrokkene in voorkomend geval langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is ge- steund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd, namelijk wanneer de beslissing verwijst naar andere stukken. Een dergelijke mo- tivering door verwijzing dient evenwel aan bepaalde voorwaarden te voldoen. In de eerste plaats moet de inhoud van de stukken waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht. Bovendien moeten de desbetreffende stukken zelf afdoende gemotiveerd zijn en mogen ze niet tegenstrijdig zijn. Ten slotte dienen de stukken in de uiteindelijke beslissing te worden bijgevallen door de beslissende overheid. 22.3. De materiëlemotiveringsplicht houdt dan weer in dat de motie- ven die de benoemende overheid ertoe hebben gebracht de voorkeur te geven aan een welbepaalde kandidaat en hem de vacante betrekking toe te wijzen, in feite bestaan en in rechte aanvaardbaar zijn. Andermaal mag de Raad van State zijn beoordeling van de kandidaten niet in de plaats stellen van deze van het bestuur. Hij mag enkel nagaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gege- vens, of het die gegevens correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan in redelijkheid tot zijn besluit betreffende de aanwijzing van een kandidaat is kun- nen komen. IX-9257-31/35 23.1. Verzoeker betwist niet dat de motieven waarop de benoeming van G.S. steunt terug te vinden zijn in de beslissing van de benoemingscommissie van 24 januari 2018 waarbij G.S. werd voorgedragen als de meest bekwame en geschikte kandidaat voor het te begeven ambt. 23.2. De benoemingscommissie is van oordeel dat G.S. zich van ver- zoeker onderscheidt om de volgende redenen: “Hoewel de commissie aandacht heeft voor de gevarieerde professionele achtergrond van de kandidaat, voor de door hem gevolgde opleidingen en zijn vertrouwdheid met diverse materies die behoren tot – of nauw aanleu- nen bij – de bevoegdheid van de vrederechter is zij van oordeel dat [G.S.] zich voor deze specifieke plaats van hem onderscheidt door zijn grotere vertrouwdheid met de materies en de procedures die behoren tot de be- voegdheid van de vredegerechten, zijn ruimere zittingservaring en zijn meer uitgesproken sociaal engagement.” Hieruit blijkt duidelijk waarom de benoemingscommissie aan G.S. de voorkeur heeft gegeven, boven verzoeker. Anders dan verzoeker aanvoert vereist de formelemotiveringsplicht niet dat nader wordt toegelicht waarom de benoemingscommissie van oordeel is dat G.S. een grotere vertrouwdheid met de materies en de procedures die behoren tot de bevoegdheid van de vredegerechten, een ruimere zittingservaring en een meer uitgesproken sociaal engagement heeft dan verzoeker en al evenmin dat wordt uitgedrukt waarom voor G.S. de ver- trouwdheid met het vredegerecht van Brasschaat geen rol zou spelen en zijn soci- aal engagement wel. Het is ook geenszins vereist, zoals verzoeker lijkt aan te voeren, dat in de motivering wordt vermeld op grond van welke criteria de kandi- daten werden vergeleken en hoe die criteria werden toegepast. Het volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht dat het bestuur de criteria aanwijst op grond waarvan het er uiteindelijk toe gekomen is aan de benoemde de voorkeur te geven, hetgeen de teleurgestelde kandidaten moet toelaten in te zien op grond van welke objectieve en pertinente criteria zij werden voorbijgegaan. Aan die voor- waarde is voldaan. IX-9257-32/35 23.3. Ten onrechte voert verzoeker aan dat de kandidaten niet aan dezelfde criteria zouden zijn getoetst. Uit het sub 3.8 en voor verzoeker ook sub 3.5 beschreven onderzoek van de kandidaturen door de benoemingscommissie blijkt dat zij zowel voor G.S. als voor verzoeker oog heeft gehad voor hun profes- sionele achtergrond; de bekendheid met de rechtsmateries waarmee een vrede- rechter wordt geconfronteerd; de verleende adviezen; hun communicatieve vaar- digheden, beheersing, conflictoplossend vermogen en empathie; de bekendheid met het kanton; de motivatie en interesse voor het ambt; hun bijscholing en de flexibiliteit en inzetbaarheid. Verzoeker voert niet aan dat deze criteria niet perti- nent zijn. Anders dan hij lijkt te beweren, is niet vereist dat de voordracht een woordelijke afweging per criterium en per kandidaat bevat om aan te tonen dat de titels en verdiensten van de kandidaten afdoende met elkaar vergeleken zijn. Het volstaat dat de vergelijking blijkt uit de benoemingsdossiers en dit is te dezen het geval. 23.4. De benoemingscommissie is van oordeel dat G.S. zich van ver- zoeker onderscheidt door zijn grotere vertrouwdheid met de materies en procedu- res die behoren tot de bevoegdheid van de vredegerechten; zijn ruimere zittings- ervaring en zijn uitgesproken sociaal engagement. Uit de voormelde beoordeling van de kandidaturen blijkt dat voor verzoeker, die notaris is, de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het arrondissement Ant- werpen in zijn advies wijst op diens vertrouwdheid met de materies van het nota- riaat “die ook aanleunen bij de bevoegdheid van de vrederechter”. Verzoeker wijst zelf op zijn kennis van het familiaal vermogensrecht en bewindvoering en op het feit dat hij nuttige opleidingen heeft gevolgd voor het ambt. G.S. is daaren- tegen advocaat. De voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politie- rechtbank van het arrondissement Antwerpen wijst in zijn advies ronduit op diens “vertrouwdheid met de materies van het vredegerecht”, die ook door de stafhou- ders van de balies van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is vastgesteld aangezien zij zijn “vertrouwdheid met de rechtspraak van vrederechters” uitdruk- kelijk aanstippen. G.S. wijst zelf op zijn vertrouwdheid met bewindvoeringen en zijn opleiding „bemiddeling‟. In die omstandigheden is het niet onzorgvuldig of IX-9257-33/35 onredelijk dat de benoemingscommissie oordeelt dat G.S. een ruimere zittingser- varing en een grotere vertrouwdheid met de materies en procedures die behoren tot de bevoegdheid van de vredegerechten heeft. Zijn ervaring als advocaat die goed vertrouwd is met de rechtspraak van vrederechters doet inderdaad blijken van een ruimere zittingservaring en van een grotere vertrouwdheid met de mate- ries van het vredegerecht, de procedures die behoren tot de bevoegdheid van de vredegerechten en de procedurele aspecten dan verzoeker die notaris is. Verzoe- ker toont niet aan dat de keuze voor G.S. niet op deugdelijke motieven steunt, onzorgvuldig of onredelijk is. 24. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING 1. De zaken nrs. A.224.709/IX-9257 en A. 224.835/IX-9268 worden samenge- voegd. 2. De Raad van State vernietigt: - de beslissing genomen namens de minister van Justitie van 19 juli 2017 waarbij Gabriëlle Van Bussel wordt opgenomen op de lijst van kandidaten voor de vacante plaats van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat; - de beslissing van de minister van Justitie van 7 januari 2018 waarbij de voordracht door de benoemingscommissie van Peter Geeraerts voor het ambt van plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat, wordt geweigerd; - de beslissing van de benoemingscommissie van 24 januari 2018, tot voor- dracht van Gabriëlle Van Bussel voor het ambt van plaatsvervangend rech- ter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat; - het koninklijk besluit van 1 maart 2018 waarbij Gabriëlle Van Bussel wordt benoemd tot plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Brasschaat. IX-9257-34/35 3. De Raad van State verwerpt de beroepen voor het overige. 4. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. 5. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9257-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.