← België

Arrest 249042 - Varia (onderwijs en cultuur) - 25/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.042 Rolnummer: A. 229864/IX-9664 Zaak: Arrest 249042 - Varia (onderwijs en cultuur) - 25/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-08 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.042 van 25 november 2020 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.042 van 25 november 2020 in de zaak A. 229.864/IX-9664 In zake: Cas D‟HAENENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Fiers kantoor houdend te 9000 Gent Groot-Brittanniëlaan 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jacky d‟Hoest en Sabien Lust kantoor houdend te 8310 Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 26 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 5445 van 25 november 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking nr. 13.640 van 23 januari 2020 is het cassatie- beroep toelaatbaar verklaard. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie inge- diend. IX-9664-1/9 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet ten einde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker schrijft zich in het academiejaar 2016-2017 in voor het schakelprogramma tot de Master of Science in de Industriële Wetenschappen. Voor twee opleidingsonderdelen zal hij geen credit behalen: wiskunde I en wiskunde II. 3.
  6. Verzoeker schrijft zich in het academiejaar 2017-2018 in voor de opleiding Master of Science in de Industriële Wetenschappen: industrieel ont- IX-9664-2/9 werpen. Hij behaalt een credit voor alle opleidingsonderdelen, waaronder ook de masterproef. 3.
  7. Daar verzoeker niet slaagt voor alle opleidingsonderdelen van het schakelprogramma en ook niet voldoet aan de tolerantievoorwaarden zoals bepaald in artikel 71, § 2, van het toepasselijke onderwijs- en examenreglement, wordt verzoeker niet geslaagd verklaard voor het schakelprogramma. Omdat hij daardoor niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor de masteropleiding, wordt verzoeker ook daarvoor niet geslaagd verklaard. 3.
  8. Op 19 september 2019 stelt verzoeker het bij de verwerende partij georganiseerd administratief beroep in. De beroepscommissie verklaart dit beroep ongegrond, waarop verzoeker beroep instelt bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen. 3.
  9. Bij het thans bestreden arrest nr. 5445 van 25 november 2019 verwerpt dit rechtscollege het beroep. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  10. Het verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te wor- den gehoord, bevat eveneens een aantal argumenten ten gronde in repliek op het auditoraatsverslag. Aangezien de procedureregeling inzake de cassatieberoepen niet in deze mogelijkheid voorziet, wordt het stuk uit het debat geweerd in de mate dat het méér inhoudt dan het loutere verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord. IX-9664-3/9 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Het eerste middel is geput uit de schending van “het gelijk- heidsbeginsel”. Verzoeker licht het middel toe in drie onderdelen. In het eerste middelonderdeel „de toegang tot de masteroplei- ding‟ voert verzoeker aan: “Doordat artikel 67, §2, 2° van het onderwijs- en examenreglement met betrekking tot het eerste jaar van de bacheloropleiding de volgende voor- waarden om te slagen zonder dat de student een credit heeft behaald voor alle opleidingsonderdelen bepaalt: […] doordat voor verzoeker, als student in een schakelprogramma, de bepalin- gen van artikel 71, §2 van het onderwijs- en examenreglement gelden: […] doordat, volgens de bestreden beslissing, het verschil in behandeling van beide categorieën studenten een redelijke verantwoording vindt in het feit dat een deliberatiebeslissing na een eerste bachelorjaar geen toegang biedt tot een masteropleiding aangezien er nog twee bachelorjaren zullen vol- gen, waarvoor dezelfde criteria van artikel 71, § 2 van het onderwijs- en examenreglement gelden; terwijl de vakken wiskunde I en wiskunde II behoren tot het vakkenpak- ket van het eerste bachelorjaar (waarvoor de criteria van artikel 67, § 2, 2° gelden), en niet tot het vakkenpakket van het afstudeerjaar van de bache- loropleiding (waarvoor de criteria van artikel 71, §2 gelden); terwijl tekorten die worden getolereerd in het eerste deliberatiepakket van de bacheloropleiding definitief zijn getolereerd en een bachelorstudent dus kan afstuderen in een bacheloropleiding met een totaal van 18 gewo- gen tekortpunten, bestaande uit 12 tekortpunten in eerste bachelor én 6 te- kortpunten in de daaropvolgende bachelorjaren; terwijl de redenering omtrent het al dan niet toegang krijgen tot de ma[s]teropleiding niet opgaat: de zogenaamde „knip‟ in het hoger onder- wijs was destijds nog niet doorgevoerd dus een bachelorstudent kon zon- der geslaagd te zijn voor alle onderdelen van zijn bacheloropleiding een masteropleiding aanvatten aan de UGent (verzoeker werd nota bene zelf IX-9664-4/9 toegelaten tot de masteropleiding zonder credits voor de vakken wiskunde I en wiskunde II verworven te hebben).” In een tweede middelonderdeel „het aantal studiepunten van de opleidingen‟ voert verzoeker aan: “Doordat de bestreden beslissing oordeelt dat het in redelijkheid te ver- antwoorden is dat binnen het curriculum van een schakelprogramma min- der tekortpunten worden getolereerd omdat een schakelprogramma be- staat uit 45 tot 90 studiepunten terwijl een bacheloropleiding bestaat uit 180 studiepunten; terwijl de 180 studiepunten van de bacheloropleiding gespreid zijn over drie opleidingsjaren en één deliberatiepakket in de bacheloropleiding al- dus bestaat uit 60 studiepunten en één deliberatiepakket in het schakel- programma bestaat uit 45 à 90 studiepunten; terwijl de deliberatieregels als volgt gelden voor de bacheloropleiding: 12 tolereerbare tekortpunten voor het eerste deliberatiepakket van 60 studie- punten, meer 6 tolereerbare tekortpunten voor de overige deliberatiepak- ketten van 120 studiepunten, dus in totaal 18 tolereerbare tekortpunten over de volledige bacheloropleiding; terwijl er aldus afzonderlijke deliberatieregels gelden voor het eerste deli- beratiepakket van de bacheloropleiding, die niet aanzienlijk veel meer studiepunten bevat dan het deliberatiepakket van het schakelprogramma.” In een derde middelonderdeel „het gewicht van het vak wis- kunde II‟ stelt verzoeker: “Doordat de bestreden beslissing stelt dat de trajecten niet met elkaar kunnen worden vergeleken omdat het vak wiskunde II in de bachelorop- leiding een gewicht van 6 studiepunten heeft en in het schakelprogramma een gewicht van 3 studiepunten heeft; terwijl de inhoudelijke vereisten, de moeilijkheidsgraad, de beoogde com- petenties,… van een opleidingsonderdeel niet kunnen worden beoordeeld louter op basis van het gewicht in studiepunten; terwijl vaststaat dat de vakken inhoudelijk alleszins identiek zijn (stuk: „De vakken wiskunde I en II zijn inderdaad dezelfde vakken in het scha- kelprogramma als in de bacheloropleiding (…)‟ en dus wel te vergelijken zijn.” Beoordeling
  12. Het cassatiemiddel gaat terug op het eerste middel uit het be- streden arrest. IX-9664-5/9 In dit eerste middel voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen voert verzoeker aan dat er grote verschillen bestaan tussen de voorwaarden waaraan enerzijds studenten binnen een gewoon bachelor- traject en anderzijds schakelstudenten moeten voldoen om voor hun traject te kunnen slagen.
  13. Ter beoordeling van dit middel overweegt de Raad voor be- twistingen inzake studievoortgangsbeslissingen dat “[v]an een schending van het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel […] slechts sprake [kan] zijn wanneer de aangevoerde discriminatoire behandeling zich situeert tussen perso- nen of groepen van personen die zonder afdoende en objectieve verantwoording verschillend worden behandeld terwijl zij zich in dezelfde of voldoende verge- lijkbare situaties bevinden”. Verzoeker toont op generlei wijze aan dat de Raad voor betwis- tingen inzake studievoortgangsbeslissingen aldus de draagwijdte van het gelijk- heidsbeginsel miskent.
  14. De eerste rechter overweegt dat “voor zover een student in een bacheloropleiding en een student in een schakelprogramma al voldoende met elkaar vergelijkbaar zijn, de bestaande onderscheiden behandeling wat de delibe- ratienormen betreft, redelijk, objectief en pertinent verantwoord is”. Om tot dit besluit te komen, steunt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen op drie motieven, die door verzoeker in zijn cassatieberoep in drie onderdelen worden betwist. Het middel van verzoeker is niet geadstrueerd als een juridische bewijsvoering omtrent het gelijkheidsbeginsel, maar komt in wezen neer op een uitnodiging aan de Raad van State om de beoordeling van de wettigheid van de beslissing van de verwerende partij over te doen, waarbij de Raad van State noodzakelijk kennis moet nemen van de feiten van het geding zoals het bestaan IX-9664-6/9 van de zogenaamde „knip‟ of het al dan niet “inhoudelijk alleszins identiek” zijn van bepaalde vakken. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoorde- ling van de feiten.
  15. Het eerste middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  16. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan (eerste onderdeel) van de rechten van verdediging en (tweede onderdeel) van de hoor- plicht: “[eerste onderdeel] Doordat de bestreden beslissing oordeelt dat de rechten van verdediging te dezen niet van toepassing zijn aangezien er in casu geen sprake is van een tuchtbeslissing; terwijl het recht van verdediging niet uitsluitend zou van toepassing zijn in gevallen van examentuchtbeslissingen; terwijl het recht van verdediging een fundamentele waarde vertegenwoor- digt in elke Rechtsstaat en van meet af aan is gekoppeld aan elke betwis- ting die betrekking heeft op een recht of op een belang, waardoor het in- herent is aan iedere jurisdictionele handeling waarvan het een noodzake- lijk uitvloeisel is. [tweede onderdeel] Doordat de bestreden beslissing poneert dat er aan de hoorplicht is vol- daan wanneer een student in staat geweest is om zijn standpunt middels het verzoekschrift op intern beroep op nuttige wijze kenbaar te maken, zoals in casu bepaald in artikel 100, § 4 van het onderwijs- en examenre- glement; doordat de bestreden beslissing vervolgt dat de bepaling uit artikel 100, § 4 van het onderwijs- en examenreglement niet onbestaanbaar is met de onderwijswetgeving of de beginselen van behoorlijk bestuur en de interne beroepsinstantie kan beslissen zonder een hoorzitting te organiseren, zelfs nadat verzoeker daar expliciet om had gevraagd; terwijl het horen van verzoeker niet kon worden geweigerd aangezien de door de beslissing getroffen partij het vroeg, het handelde over een beslis- IX-9664-7/9 sing die over zijn persoonlijk handelen en situatie ging en hij door de be- slissing ongunstig werd geraakt; terwijl de hoorplicht, als beginsel van behoorlijk bestuur, primeert op de eigen reglementering van de UGent, waardoor zij zich hier niet kan achter verschuilen; terwijl een hoorplicht enkel toestaan op basis van stukken het beginsel ontdoet van zijn essentie.” Beoordeling
  17. In het bestreden arrest stelt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen terecht vast dat wat voorligt geen examentuchtbe- slissing is. De eerste rechter stelt even terecht vast dat de rechten van ver- dediging niet van toepassing zijn. De “rechten van verdediging” zijn, daargelaten een door verzoeker niet aangehaald anders luidend voorschrift, niet van toepas- sing op een evaluatiebeslissing. Het eerste middelonderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.
  18. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen stelt in het bestreden arrest vast dat artikel 100, § 4, van het onderwijs- en examenreglement bepaalt “dat de institutionele beroepscommissie het intern be- roep uitsluitend op stukken behandelt” en overweegt: “Het initiatiefrecht om een fysieke hoorzitting te houden, ligt bij de be- roepscommissie. Een dergelijke bepaling is niet onbestaanbaar met de onderwijswetgeving of de beginselen van behoorlijk bestuur. De student heeft, in het licht van de beginselen van behoorlijk bestuur, geen absoluut recht op een persoon- lijke aanwezigheid en de interne beroepsinstantie kon beslissen zonder een hoorzitting te organiseren, zelfs nadat verzoeker daar uitdrukkelijk om had gevraagd.” IX-9664-8/9 De hoorplicht vindt als algemeen beginsel van behoorlijk be- stuur geen toepassing wanneer de betrokken regelgeving de rechten van de be- stuurde expliciet regelt. Het tweede middelonderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.
  19. Het tweede middel faalt naar recht. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe- roep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9664-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.