← België

Arrest 249047 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 25/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.047 Rolnummer: Zaak: Arrest 249047 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 25/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-26 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 249.047 van 25 november 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Bevolen Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 249.047 van 25 november 2020 in de zaken A. 232.240/X-17.838 en A. 232.251/X-17.840 In zake: de VZW FORUM VAN ETNISCH-CULTURELE MINDERHEDEN (het MINDERHEDENFORUM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Evelyne Maes en Ronald Van Crombrugge kantoor houdend te 3000 Leuven Nobelstraat 40/0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering in de zaak A. 232.240/X-17.838, ingesteld op 16 november 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van 1° de beslissing van de minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen van 9 november 2020 om het Minderhedenforum niet te selecteren als kandidaat-participatieorganisatie en van 2° de beslissing van dezelfde minister van 9 november 2020 om Join.Vlaanderen te selecteren als kandidaat-participatieorganisatie. De vordering in de zaak A. 232.251/X-17.840, ingesteld op 17 november 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van dezelfde twee beslissingen. X-17.838 en X-17.840-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft in beide zaken een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2020, om 13.30 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaten Ronald Van Crombrugge en Stephanie Rondelez, die verschijnen voor verzoekster en advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Juridisch kader en feiten
  4. Het decreet van 7 juni 2013 „betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid‟ (hierna: het decreet van 7 juni 2013) voorziet in de erkenning door de Vlaamse regering van een participatieorganisatie. Sinds de wijzing door het decreet van 18 januari 2019, vervult de participatieorganisatie volgens artikel 8 van het decreet van 7 juni 2013 de volgende opdrachten, met het oog de empowerment en de emancipatie van de personen van buitenlandse herkomst: 1° de belangen van personen van buitenlandse herkomst behartigen; 2° de personen van buitenlandse herkomst vertegenwoordigen ten opzichte van de Vlaamse overheid; X-17.838 en X-17.840-2/18 3° beleidsaanbevelingen uitbrengen; 4° lokale actoren sensibiliseren voor en ondersteunen bij het nemen van initiatieven om de beleidsparticipatie van de personen van buitenlandse herkomst te bevorderen. Samen met de bepalingen van het decreet van 18 januari 2019 met betrekking tot de participatieorganisatie, is op 19 juli 2020 ook het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 2020 „tot uitvoering van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, wat betreft de participatieorganisatie […]‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 2020) in werking getreden. Het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 2020 schrijft erkenningsvoorwaarden voor en bepaalt de procedure van erkenning van de participatieorganisatie: het agentschap Binnenlands bestuur beoordeelt de ontvankelijke erkenningsaanvragen inhoudelijk en brengt daarover een advies uit aan de minister bevoegd voor de gelijke kansen, de integratie en de inburgering; de minister neemt op basis van die beoordeling een beslissing tot selectie of niet-selectie van één kandidaat-participatieorganisatie; de kandidaat-participatieorganisatie dient vervolgens een meerjarenplan met bijgevoegde stukken in; na goedkeuring van het meerjarenplan met de bijgevoegde stukken door de minister neemt de Vlaamse regering een beslissing tot erkenning of niet-erkenning van de kandidaat-participatieorganisatie; in geval van erkenning sluit de Vlaamse regering met de erkende participatieorganisatie een samenwerkingsovereenkomst (voor een periode van vijf jaar).
  5. Verzoekster is de huidige erkende participatieorganisatie. De erkenning loopt volgens de Vlaamse regering af op 31 december
  6. Verzoeksters aanvraag van 26 december 2019 tot een nieuwe erkenning is bij besluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen van 5 maart 2020 afgewezen om X-17.838 en X-17.840-3/18 reden dat verzoeksters missie en visie niet in lijn liggen met de in 2019 gewijzigde regelgeving. Van 19 juli 2020 tot en met 30 september 2020 worden nieuwe erkenningsaanvragen voor de periode 2021-2025 ingewacht. Er worden drie aanvragen ingediend, onder meer door verzoekster en Join.Vlaanderen. Ze worden alle drie ontvankelijk verklaard. In zijn advies van 22 oktober 2020 concludeert het agentschap Binnenlands Bestuur dat verzoekster en Join.Vlaanderen afdoende voldoen aan de erkenningsvoorwaarden en voldoende garanties bieden om de algemene opdrachten van een erkende participatieorganisatie naar behoren te volbrengen. Met betrekking tot de derde kandidate wordt geoordeeld dat zij niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet. Op 3 november 2020 antwoorden verzoekster en Join.Vlaanderen met een bijkomende toelichting op vragen ter verduidelijking. Op 9 november 2020 neemt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen de thans bestreden beslissingen. Met de eerste bestreden beslissing besluit hij verzoekster niet te selecteren als kandidaat-participatieorganisatie. Met de tweede bestreden beslissing wordt Join.Vlaanderen geselecteeerd als kandidaat-participatieorganisatie. IV. Samenvoeging
  7. De besproken vorderingen hebben hetzelfde voorwerp. Ze zijn in essentie identiek gemotiveerd, met dien verstande dat het tweede verzoekschrift bijkomende preciseringen bevat, na kennisneming door verzoekster van een X-17.838 en X-17.840-4/18 afschrift van de tweede bestreden beslissing en van de beoordelingsnota van het agentschap Binnenlands Bestuur van 22 oktober
  8. Er is dan ook reden om de zaken A. 232.240/X-17.838 en A. 232.251/X-17.840 samen te voegen en over de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in één arrest uitspraak te doen. V. Schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Voorwaarde van een ernstig middel A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  10. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van de formelemotiveringsplicht, in samenhang gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni
  11. Toegelicht wordt dat “in een situatie waarbij verscheidene kandidaten dingen naar één positieve beslissing, een vergelijking tussen deze kandidaten moet wor[den] gemaakt en dat deze tegen elkaar moeten worden afgewogen”. De noodzaak van een vergelijkende beoordeling blijkt ook uit de toelichting bij het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni
  12. Wanneer meer dan één kandidaat-participatieorganisatie een selectieaanvraag indient, dient een X-17.838 en X-17.840-5/18 selectiebeslissing noodzakelijkerwijs te steunen op een vergelijking van de relatieve sterktes en zwaktes van de verschillende kandidaten en dus een vergelijkende beoordeling te omvatten. Deze vergelijkende elementen die kunnen staven waarom de voorkeur werd gegeven aan de selectieaanvraag van Join.Vlaanderen, zijn niet aanwezig in de eerste bestreden beslissing. Ook in de tweede bestreden beslissing werd niet gesteund op een vergelijkende evaluatie. De afwezigheid van een vergelijkende beoordeling in de bestreden beslissingen kan betekenen dat de minister geen vergelijkende evaluatie van de verschillende selectieaanvragen heeft gemaakt, en dan heeft hij de aanvragen niet op een zorgvuldige wijze onderzocht. Heeft daarentegen de minister wel degelijk de verschillende dossiers vergeleken en zijn beslissing op die vergelijking gesteund, dan heeft hij de formelemotiveringsplicht geschonden.
  13. De verwerende partij reageert in de eerste plaats dat verzoekster “prima” op de hoogte is van de motivering van de bestreden beslissing tot niet-selectie. Aangezien zij ertegen wettigheidskritiek uit, is het volgens de verwerende partij moeilijk te begrijpen dat verzoekster tegelijk van oordeel is dat de formelemotiveringsplicht niet geëerbiedigd zou zijn. Voorts argumenteert de verwerende partij dat niet vereist is dat de bestreden beslissingen een vergelijkende evaluatie van de kandidaturen bevat. Het volstaat dat uit het besluit zelf blijkt waarom de gekozen kandidaat de voorkeur heeft gekregen. In zoverre verzoekster aanneemt dat de bestreden beslissingen genomen zijn zonder vergelijkende evaluatie te maken van de verschillende selectieaanvragen, gaat zij, naar de mening van de verwerende partij, voorbij aan de inhoudelijke beoordeling van het agentschap Binnenlands Bestuur, dat een uitgebreide vergelijkende analyse heeft gemaakt van de erkenningsaanvragen. Aangezien zowel Join.Vlaanderen als verzoekster aan de erkenningsvoorwaarden voldoen, ging de uiteindelijke selectiebeslissing hoofdzakelijk over de verschillende accenten die zij hebben gelegd, en waaruit uiteindelijk moet blijken welke organisatie de meeste garanties kan bieden om de algemene opdrachten van een erkende participatieorganisatie naar behoren te volbrengen. Precies vanwege X-17.838 en X-17.840-6/18 die verschillende accenten “was het niet mogelijk om de verschillende elementen uit de erkenningsaanvragen van Join.Vlaanderen en de verzoekende partij, die werden weerhouden door de minister in de bestreden beslissingen, één op één met elkaar te vergelijken en aan te geven welke organisatie „op dit vlak beter scoort‟”. Beoordeling
  14. Het is op het eerste gezicht niet contradictorisch een beslissing niet afdoende formeel gemotiveerd te achten en tegelijk ook de niet afdoende formele motieven die ze bevat, te bekritiseren.
  15. Blijkens artikel 11, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 2020 neemt de minister op basis van de inhoudelijke beoordeling van de ontvankelijke erkenningsaanvragen door het agentschap Binnenlands Bestuur, een beslissing tot selectie of niet-selectie van één kandidaat-participatieorganisatie. Naar artikel 10 voorschrijft, beoordeelt het agentschap de ontvankelijke erkenningsaanvraag inhoudelijk en brengt het daarover een advies uit. Bij zijn beoordeling toetst het de ontvankelijke erkenningsaanvraag aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 2 tot en met 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 2020 en in artikel 10, eerste lid, van het decreet van 7 juni
  16. Die beoordeling gebeurt op basis van de stukken en de gegevens bij de erkenningsaanvraag, en op basis van de inlichtingen die zo nodig bijkomend aan de aanvrager gevraagd zijn. In de nota aan de Vlaamse regering bij het ontwerp van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 2020 wordt in verband met artikel 10 toegelicht: “Op deze manier kan een grondige inschatting gemaakt worden of de aanvrager afdoende aan de erkenningsvoorwaarden voldoet of kan voldoen. Er kan dan [ook een] inschatting worden gemaakt van elke aanvrager de meeste garanties biedt of kan bieden om de algemene opdrachten van een erkende participatieorganisatie naar behoren te volbrengen.” X-17.838 en X-17.840-7/18
  17. Te dezen concludeert het agentschap Binnenlands Bestuur in zijn advies dat van de drie indieners van een ontvankelijke erkenningsaanvraag, verzoekster en Join.Vlaanderen afdoende voldoen aan de erkenningsvoorwaarden. Op grond van dit advies komt het de verwerende partij toe uit te maken wie van beiden eventueel de voorkeur boven de andere verdient om als (enige) kandidaat-participatieorganisatie geselecteerd te worden. Met andere woorden, zo lijkt, dient de verwerende partij over te gaan tot een vergelijking van de beide kandidaturen om na te gaan wie in het licht van de erkenningsvoorwaarden “de meeste garanties biedt of kan bieden” om zich goed te kwijten van de algemene opdrachten die een participatieorganisatie moet vervullen. Het argument van de verwerende partij dat de erkenningsaanvragen van verzoekster en Join.Vlaanderen, vanwege de verschillende accenten die erin gelegd worden, niet goed met mekaar vergeleken kunnen worden, lijkt geen geldig excuus.
  18. Bovendien moet op het eerste gezicht, om aan de formelemotiveringsvereiste te voldoen, de formele motivering van de ministeriële beslissing waarbij één kandidaat wordt verkozen er afdoende van doen blijken dat ze op een vergelijking van de aanvragen berust en dient ze uitdrukkelijk aan te geven welke, uit die vergelijking voortgekomen, motieven de gegeven voorkeur staven.
  19. Vergelijken is meer dan louter naast mekaar stellen. Het is tegen mekaar afzetten of met elkaar in verband beschouwen, om overeenstemming of verschillen vast te stellen en te doen uitkomen. Van een dergelijke vergelijking lijkt in de bestreden beslissingen geen duidelijk spoor te kunnen worden gevonden. Op het eerste gezicht worden in geen enkel motief van de bestreden beslissingen de merites, of het gebrek eraan, van de X-17.838 en X-17.840-8/18 erkenningsaanvragen van verzoekster en Join.Vlaanderen met mekaar in verband beschouwd. Het gevolg ervan is dat, zoals verzoekster ogenschijnlijk terecht merkt, sommige motieven daardoor “nietszeggend” zijn – nietszeggend in de zin dat ze niet vermogen te doen uitkomen of te laten begrijpen waarom ze precies geacht moeten worden de voorkeur van de ene aanvrager boven de andere te kunnen verantwoorden. Zo bijvoorbeeld lijkt het motief dat “nu nog niet met zekerheid gezegd [kan] worden” of verzoeksters aanpassingen aan de interne structuur kunnen garanderen dat zij kan uitgroeien tot een open, dynamische netwerkorganisatie die flexibel en adequaat kan inspelen op maatschappelijke veranderingen, alleen maar pertinent om verzoekster niet te verkiezen, als Join.Vlaanderen ter zake meer zekerheid zou bieden. Maar daarover wordt door de verwerende partij op het eerste gezicht geen, althans geen duidelijke, uitspraak gedaan.
  20. Verzoekster doet aannemen dat de formelemotiveringsplicht geschonden lijkt. Het eerste middel is, zoals besproken, ernstig. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  21. In een tweede middel, afgeleid uit de schending van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, in samenhang met de (materiële)motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, voert verzoekster aan dat de minister de selectiecriteria niet op een gelijke en consistente manier heeft toegepast in de evaluatie van de selectieaanvragen van verzoekster en Join.Vlaanderen. Meer bepaald, is volgens verzoekster, haar selectieaanvraag met een grotere gestrengheid geëvalueerd dan de selectieaanvraag van Join.Vlaanderen. X-17.838 en X-17.840-9/18 Die ongelijke behandeling blijkt bijvoorbeeld wat het punt betreft van het engagement van de actoren binnen het netwerk. Het is volstrekt onduidelijk, aldus verzoekster, op welke basis de minister kon besluiten dat Join.Vlaanderen sterkere garanties kon bieden met betrekking tot zijn netwerk dan verzoekster. Met betrekking tot het punt van de samenwerking met kennisinstellingen, het VVSG, het agentschap Integratie & Inburgering en het Hannah Arendt Instituut, is het volgens verzoeker onduidelijk hoe de “wens” om samen te werken de beslissing tot selectie van Join.Vlaanderen kan schragen “wanneer uit het dossier overduidelijk blijkt dat het Minderhedenforum, als niet geselecteerde kandidaat, met diezelfde actoren niet alleen wenst samen te werken, maar aan de hand van concrete voorbeelden kan aantonen dat hij dit reeds doet”. Wat de mogelijkheid van de kandidaten betreft om zich te ontplooien tot een open en dynamische netwerkorganisatie vraagt de minister zich af of verzoekster zich daar wel toe kan ontplooien. Maar “[h]oe kon Join.Vlaanderen „garanderen‟”, zo betoogt verzoekster, “dat zij zich wel degelijk zou kunnen ontplooien tot netwerkorganisatie, wanneer deze organisatie slechts twee dagen voor het aflopen van de termijn voor het indienen van een selectieaanvraag werd opgericht?”
  22. De verwerende partij repliceert dat de erkenningsaanvragen een zeer verschillende inhoud hadden en dat het onmogelijk is om elk element uit de aanvragen “één op één met elkaar af te wegen”. Volgens haar missen de grieven van verzoekster in de eerste plaats feitelijke grondslag. De intentieverklaringen die Join.Vlaanderen van haar partners heeft ontvangen vormen geen op zichzelf staand motief op grond waarvan Join.Vlaanderen werd geselecteerd, en het al of niet ontbreken van samenwerking met andere organisaties was evenmin een motief om verzoekster niet te selecteren als kandidaat-participatieorganisatie. Het is overigens pertinent onjuist dat er geen concrete engagementen zouden zijn met Join.Vlaanderen. X-17.838 en X-17.840-10/18 De intentie van Join.Vlaanderen om haar werking af te stemmen op de werking van het agentschap Integratie en Inburgering, VVSG en het Hannah Arendt Instituut, werd wel in aanmerking genomen als een motief om Join.Vlaanderen te selecteren. Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat de bestreden beslissingen gesteund zijn op de vaststelling dat Join.Vlaanderen sterkere garanties kon bieden met betrekking tot zijn netwerk. In de eerste bestreden beslissing wordt ook nergens betwist dat verzoekster een aantal samenwerkingen met andere actoren zou hebben. Voor zover er sprake kan zijn van een negatieve beoordeling “situeert dit motief zich enkel op het niveau van de beoordeling van de erkenningsaanvraag zelf, waarin dit aspect onvoldoende precies werd uitgewerkt om dienstig een concrete beoordeling van deze engagementen te kunnen maken”. Wat het punt van de organisatiestructuur betreft, is het, aldus de verwerende partij, duidelijk dat verzoekster slechts in beperkte mate haar eigen organisatiestructuur wenst aan te passen. Zij gaat daarbij voorbij aan het nieuwe decretale kader dat van toepassing is. In het erkenningsdossier van Join.Vlaanderen werd wel duidelijk gemotiveerd welke elementen blijk geven van een dynamische en flexibele organisatie. Voor zoveel er al sprake is van een ongelijke behandeling op het vlak van de organisatiestructuur bestaat daarvoor een redelijke verantwoording, die haar oorsprong vindt in de bijkomende toelichtingen die Join.Vlaanderen en verzoekster hebben bezorgd in het kader van de selectieprocedure. Beoordeling
  23. Het is vanwege de in het middel aangevoerde gelijkheidsregel op het eerste gezicht niet alleen vereist dat de beoordeling van de verschillende erkenningsaanvragen op grond van dezelfde selectiecriteria gebeurt, maar ook dat de selectiecriteria daarbij op dezelfde manier worden toegepast. Wat dat laatste betreft, lijkt zich aan de tekortkoming inzake de formele motivering die, althans voorlopig, werd vastgesteld bij de bespreking van X-17.838 en X-17.840-11/18 het eerste middel, tevens de vaststelling toe te voegen dat de motieven van de bestreden beslissingen niet van eenzelfde gestrengheid lijken te getuigen en dat er op het eerste gezicht door de verwerende partij een grotere mildheid aan de dag is gelegd tegenover de erkenningsaanvraag van Join.Vlaanderen dan tegenover die van verzoekster.
  24. Wat bijvoorbeeld verzoeksters aanvraag betreft, overweegt de eerste bestreden beslissing dat zij met betrekking tot het netwerk dat zij wil opbouwen met organisaties die werk maken van een evenredige participatie, “op de vlakte” en “vrij vaag” blijft en geen “concrete elementen aan[geeft] dat de actoren binnen haar netwerk wel effectief engagementen opnemen binnen de participatieorganisatie als netwerkorganisatie”. Het heet “nochtans belangrijk om hier al een iets concretere visie en aanpak voorop te stellen”. In de tweede bestreden beslissing evenwel lijkt het op het eerste gezicht voor de verwerende partij genoeg dat Join.Vlaanderen als netwerkorganisatie samenwerkingen en gesprekken “heeft geïnitieerd” met een verscheidenheid aan actoren. Of er ook concrete elementen worden aangegeven dat de actoren met wie Join.Vlaanderen gesprekken op gang bracht “wel effectief engagementen opnemen”, komt niet ter sprake en lijkt hier niet van belang.
  25. Aangaande de mogelijkheid van verzoekster om uit te groeien tot een open en flexibele, dynamische netwerkorganisatie bedenkt de verwerende partij in de eerste bestreden beslissing dat verzoekster wijzigingen wil aanbrengen in haar operationele structuur, maar dat de reikwijdte en impact van de wijzigingen “moeilijk in te schatten” zijn, dat “niet duidelijk” is of het huidige personeelsbestand in de nieuwe clusters wordt opgenomen en of het uitgebreid of beperkt wordt, en dat het “onduidelijk” blijft wat de verwachtingen zijn ten aanzien van het personeelskader om de vernieuwde missie en visie te kunnen realiseren. Finaal is het voor de verwerende partij “onvoldoende zeker” of de aanpassingen van verzoekster aan haar interne structuur genoeg vernieuwend zullen zijn om tot een open en flexibele netwerkorganisatie te komen. X-17.838 en X-17.840-12/18 Wat Join.Vlaanderen betreft, lijkt de verwerende partij ter zake in de tweede bestreden beslissing wezenlijk te volstaan met het motief dat deze aanvraagster “zich positioneert” als een flexibele organisatie waarbij haar structuur toelaat om, afhankelijk van de noden, specialisten en ervaringsdeskundigen in te schakelen in haar netwerk. Nochtans kon de verwerende partij in het advies van het agentschap Binnenlands Bestuur in dit verband ook lezen dat Join.Vlaanderen een startende organisatie is en dat de werking die wordt voorgesteld “nog zeer theoretisch” is, dat de planning en timing die als spiraalgroei wordt opgevat “vrij abstract” blijft, en dat het, “[v]ermits de processen nog moeten starten”, de vraag is “of Join op korte tijd een participatieorganisatie op poten kan zetten met de nodige capaciteit om invulling te geven aan de algemene decretale opdrachten”. Aldus lijkt voor de verwerende partij de onzekerheid over het succes van de wijzigingen die verzoekster in haar structuur beoogt, zwaarder te wegen dan de onzekerheid of Join.Vlaanderen, waarvan de oprichting maar een paar dagen vóór het indienen van haar erkenningsaanvraag gebeurde, überhaupt wel tijdig een organisatie met voldoende personeel “op poten” gezet krijgt. In zoverre de verwerende partij, hangende de procedure, beweert dat de goede reden daarvoor te vinden is in de bijkomende informatie die Join.Vlaanderen en verzoekster in het kader van de selectieprocedure hebben bezorgd, verzuimt zij op het eerste gezicht om dat in concreto te beargumenteren en te onderbouwen.
  26. Ook wat de samenwerking met kennisinstellingen, het agentschap Integratie en Inburgering, VVSG en het Hannah Arendt Instituut betreft, lijkt de verwerende partij jegens Join.Vlaanderen een zeer toeschietelijke houding aan te nemen en van een mildere beoordeling te doen blijken dan verzoekster mag ondervinden. In verschillende motieven van de tweede bestreden beslissing wordt het Join.Vlaanderen ten goede aangerekend dat zij “wil” kennisinstellingen samenbrengen, haar werking “wil” afstemmen op die van VVSG, enzovoort, en “wil” de brug slaan naar onder anderen academici en terreinwerkers. X-17.838 en X-17.840-13/18 Dat verzoekster niet alleen met die actoren “wil” samenwerken, maar met voorbeelden staaft dat zij dat reeds doet, lijkt daarentegen minder – tot niet – door de verwerende partij te zijn opgemerkt en gewaardeerd.
  27. Minstens ook nog het tweede middel komt ernstig voor. VII. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  28. Verzoekster betoogt niet de uitkomst van de gewone schorsingsprocedure te kunnen afwachten zonder onherroepelijke schade te lijden. Door de bestreden beslissingen mag zij geen meerjarenplan indienen en verliest zij elke kans om als participatieorganisatie te worden erkend, terwijl er moet worden van uitgegaan dat de Vlaamse regering binnen een termijn van maximaal tachtig dagen Join.Vlaanderen als participatieorganisatie kan en zal erkennen. Vermits de huidige erkenning van verzoekster als participatieorganisatie, met de daarbij horende financiering, op 28 februari 2021 ten einde komt, loopt haar bestaan dus ernstig gevaar. Niet alleen vertegenwoordigt verzoekster meer dan twintig jaar aan ervaring, bovendien is zij als werkgever verantwoordelijk voor ruim achttien personeelsleden. Mocht overigens verzoekster thans geen schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid hebben gevorderd en later de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vragen van de erkenningsbeslissing, dan zou, naar haar mening, de verwerende partij op dat moment inbrengen “dat de selectiebeslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid had moeten worden aangevochten”.
  29. Volgens de verwerende partij verzuimt verzoekster concrete gegevens bij te brengen die de uiterst dringende noodzakelijkheid aannemelijk maken. Geen enkel stuk wordt neergelegd dat toelaat een globaal, betrouwbaar inzicht te krijgen in verzoeksters huidige financiële toestand. Evenmin brengt zij een stuk bij waaruit X-17.838 en X-17.840-14/18 blijkt dat zij personeel tewerk stelt, hoeveel personeel, hoeveel personeelsleden eventueel niet ontslagen zullen moeten worden. Dat verzoekster geen financiering of subsidiëring meer zal verkrijgen, is, aldus de verwerende partij, het loutere gevolg van de beëindiging van de huidige erkenning, per 31 december
  30. Die beëindiging heeft geen uitstaans met de bestreden beslissingen. De gevraagde schorsing zou niet kunnen verhinderen dat verzoekster de financiering die bij de huidige erkenning hoort, niet langer zal ontvangen. Tevens wijst de verwerende partij erop dat het niet zo is dat de geselecteerde kandidaat-participatieorganisatie “zal” worden erkend. De mogelijkheid bestaat dat dit niet het geval is. Bovendien staan, indien gebeurlijk toch een andere organisatie dan verzoekster wordt erkend, tegen die beslissing rechtsmiddelen open, waaronder een beroep tot nietigverklaring. Kan verzoekster de Raad van State ertoe bewegen in een vernietigingsarrest de onwettigheid van de bestreden beslissingen vast te stellen, dan zal de erkenningsprocedure gecorrigeerd moeten worden vanaf het punt waarop ze is misgelopen en zal verzoekster in voorkomend geval alsnog een meerjarenplan kunnen indienen. Ten slotte kan de gevorderde schorsing onmogelijk de beoogde kans opleveren om een meerjarenplan in te dienen en erkend te worden. Een schorsing zou de bestreden beslissingen niet uit het rechtsverkeer halen, zodat er geen mogelijkheid bestaat om nog een beslissing te nemen waarbij een andere aanvrager als geselecteerde kandidaat-participatieorganisatie wordt gekwalificeerd. Beoordeling
  31. Verzoekster werd blijkens haar statuten “opgericht in het kader van het zogenaamde „integratiedecreet‟”, meer bepaald het hoofdstuk „Participatieorganisatie‟. Haar erkenning als huidige participatieorganisatie loopt, volgens de verwerende partij zelf, af op 31 december
  32. X-17.838 en X-17.840-15/18 Uit verzoeksters stuk 2 kan worden opgemaakt dat zij, naast de algemeen directeur en een adjunct-directeur, 5,3 VTE stafmedewerkers Beleid telt, 10 VTE stafmedewerkers Projecten en participatie, één stafmedewerker Communicatie en pers, en één stafmedewerker voor de ondersteunende administratie. Uit haar jaarverslag 2019 (stuk 14 van verzoekster) blijkt dan weer dat de subsidie van, afgerond, 750.000 euro die zij thans geniet, en die zij misloopt als geen nieuwe erkenning als participatieorganisatie verkregen wordt, 43 % van haar inkomsten uitmaakt. De resterende inkomsten kunnen niet volstaan om de personeelsuitgaven te dekken. Uit een en ander volgt naar het oordeel van de Raad van State voldoende dat de bestreden beslissingen van aard zijn verzoekster in de kern van haar bestaan en werking te raken. Ze stellen in het onmiddellijke vooruitzicht dat niet verzoekster, maar Join.Vlaanderen voortaan als participatieorganisatie wordt erkend.
  33. Het mag waar zijn dat de erkenning van Join.Vlaanderen nog niet zeker is. Wat echter wel nu al zeker is, is dat verzoekster alleszins niet meer voor erkenning in aanmerking komt en dat als zij, zoals de verwerende partij het zou wensen, eerst de eventuele erkenning van Join.Vlaanderen afwacht om er dan de vernietiging van te vragen en vervolgens de erkenningsprocedure te zien overgedaan worden vanaf de thans bestreden – en nu al op het eerste gezicht onwettig bevonden – beslissingen, zij niet zal kunnen voorkomen dat er zich intussen in haar werking een abrupt hiaat voordoet, waardoor knowhow, ervaring en cont(r)acten fataal verloren dreigen te gaan.
  34. Ook al zal een schorsing de verwerende partij er niet toe verplichten verzoekster als kandidaat-participatieorganisatie te selecteren en haar toe te laten om in de plaats van Join.Vlaanderen een meerjarenplan in te dienen, een schorsing zal dan toch tot gevolg hebben dat de erkenningsprocedure niet kan worden voortgezet en, naar geredelijk verondersteld mag worden, dat de verwerende partij de geschorste beslissingen in het licht van de hiervoor voorlopig vastgestelde X-17.838 en X-17.840-16/18 onwettigheden heroverweegt – met een eventuele intrekking van de beslissingen tot gevolg.
  35. Besluitend, overtuigt verzoekster de Raad van State ervan dat de bestreden beslissingen voor haar meebrengen dat zij, zonder de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ervan, belandt in een situatie waarin haar voortbestaan fundamenteel bedreigd is. In die omstandigheden wordt ook de schorsingsvoorwaarde van het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid geacht vervuld te zijn. BESLISSING
  36. De zaken A. 232.240/X-17.838 en A. 232.251/X-17.840 worden samengevoegd.
  37. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van 1° de beslissing van de minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen van 9 november 2020 om het Minderhedenforum niet te selecteren als kandidaat-participatieorganisatie en van 2° de beslissing van dezelfde minister van 9 november 2020 om Join.Vlaanderen te selecteren als kandidaat-participatieorganisatie. X-17.838 en X-17.840-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.838 en X-17.840-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.