id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.050 Rolnummer: A. 223513/VII-40106 Zaak: Arrest 249050 - Milieuvergunningen - 26/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-02 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 249.050 van 26 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.050 van 26 november 2020 in de zaak A. 223.513/VII-40.106 In zake : de GEMEENTE WESTERLO tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partij : de NV BENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 27 juli 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 8 maart 2017 houdende de verklaring van onbevoegdheid om uitspraak te doen over de milieuvergunningsaanvraag van de nv Bens om een vleesuitsnijderij, gelegen aan de Nijverheidslaan 24 te Westerlo, verder te exploiteren en te veranderen door uitbreiding, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt verleend. VII-40.106-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 241.377 van 3 mei 2018 is het debat heropend. De verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Juriste Anneleen Barbier, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Lennart Nijs, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 25 oktober 2016 dient de nv Bens bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo een milieuvergunningsaanvraag klasse 2 in voor het verder exploiteren en veranderen VII-40.106-2/13 door uitbreiding van een vleesuitsnijderij voor varkenskarkassen, gelegen aan de Nijverheidsstraat 24 te Westerlo. De basisvergunning voor de inrichting werd op 9 oktober 1997 verleend voor een termijn van twintig jaar. De inrichting is gelegen op een perceel dat overeenkomstig het gewestplan Herentals-Mol bestemd is tot industriegebied. Volgens het Bijzonder Plan van Aanleg “Moleneinde-Kapel-Houdt” is het perceel eveneens gesitueerd binnen een gebied voor industrie. Het grenst aan het slachthuis dat door de nv De Lokery (thans: nv Sus Campiniae) wordt geëxploiteerd. 3.2. Bij besluit van 8 maart 2017 verklaart het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo zich onbevoegd om over de vergunningsaanvraag uitspraak te doen. Het college meent dat de betrokken vergunningsaanvraag, gelet op de nauwe verbondenheid met de activiteiten van de nv Sus Campiniae, moest worden ingediend als een verandering en uitbreiding van de lopende milieuvergunning van voormelde vennootschap die ingedeeld is als een klasse 1 inrichting. 3.3. Tegen voormelde beslissing stelt de nv Bens op 10 april 2017 bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 3.4. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende (uitdrukkelijke) adviezen uitgebracht:
- a)de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert op 4 mei 2017 voorwaardelijk gunstig over de lozing van het bedrijfsafvalwater;
- b)dezelfde Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Operationeel Waterbeheer, brengt op 9 mei 2017 een gedeeltelijk gunstig advies uit;
- c)het advies van de afdeling Milieuvergunningen (hierna: AMV) van 22 mei 2017 is ongunstig;
- d)de strekking van een aanvullend advies van de AMV van 29 juni 2017 is deels gunstig;
- e)de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) stelt ten slotte op 4 juli 2017 voor om het beroep gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning te verlenen. VII-40.106-3/13 3.5. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen verklaart het beroep op 27 juli 2017 gegrond en verleent de gevraagde milieuvergunning. Dit is het thans bestreden besluit. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 4. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de formelemotiveringsplicht. Ter adstructie van het middel zet zij het volgende uiteen: “1. Onderlinge samenhang tussen De Lokery NV en Bens NV Hoewel in de bestreden beslissing gesteld wordt dat De Lokery NV en Bens NV een milieutechnische eenheid vormen, waardoor zij als geheel beschouwd moeten worden met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens en milieu, is er over dit aspect nergens in de bestreden beslissing enige motivering opgenomen, noch wordt hierover enige toelichting gegeven. Echter blijkt duidelijk, uit zowel de milieuvergunningsaanvraag van De Lokery NV als deze van Bens NV en uit de betreffende bijgevoegde plannen, de onderlinge technische samenhang tussen beide bedrijven (o.a. transportband, gezamenlijke opslag van vlees). Ondanks deze duidelijke samenhang, wordt hier in de bestreden beslissing op geen enkel ogenblik enige verduidelijking over gegeven. Nergens is er een motivering over de verwevenheid tussen beide bedrijven, en hun onderling technische samenhang opgenomen. Het volledige gebrek aan motivering over bovenstaande in de bestreden beslissing, betreft dan ook zonder enige twijfel een inbreuk op de formele motiveringsplicht. 2. Geurhinder De Minister stelt in haar besluit betreffende de milieuvergunning van De Lokery NV dat de geurhinder afkomstig van het oorspronkelijk aangevraagde project met biologische luchtwasser tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, dit betekent aldus door toepassing van de biologische luchtwasser. In eerste instantie valt op te merken dat de exploitant (De Lokery NV) tot nog toe niet werd aangemaand om aan te tonen welke luchtzuiveringsmethode de voorkeur geniet op basis van het BBT principe, vooraleer tot vergunning over te gaan. In een advies van de AGZ van 22 december 2014, wordt echter gesteld dat een klassieke biofilter de enige optie is om geurhinder in de woonzone acceptabel te houden. Gezien het een nieuwe inrichting betreft, zo stelt het VII-40.106-4/13 AZG, dienen de nodige BBT- inspanningen geleverd te worden, rekening houdend met het nuleffect. Tevens werd door een deskundige van Profex, aangesteld door de PMVC, in zijn advies van 30 december 2014 gesteld dat een klassieke horizontale biofilter de voorkeur geniet. Ingevolge de formele motiveringsplicht, dient de beslissing van de Minister een afdoende antwoord te geven op de bezwaren van de verzoekende partij, i.e. waarom er niet gekozen wordt voor de BBT, zijnde de horizontale biofilter. Uit de motivering moet blijken dat de argumenten van de verzoekende partij werden onderzocht, en dat zij in rekening werden gebracht bij het nemen van de beslissing. Echter stelt de Minister in haar besluit betreffende de milieuvergunning van De Lokery NV dat er niet gekozen wordt voor de horizontale biofilter, zijnde de BBT, o.w.v. plaatsgebrek. Er wordt geen technische analyse gedaan van de mogelijkheden, noch wordt er een afdoende motivering gegeven voor het niet kiezen voor de BBT. We zien aldus geen gemotiveerde weerlegging van de geopperde bezwaren. De Minister verwijst vervolgens naar het MER, waar bepaald is dat op basis van plaatsbezoeken en omgevingsmetingen bij diverse slachterijen, de geur van een biologische waterzuivering doorgaans niet buiten de bedrijfsterreinen waar te nemen is, en dat bijgevolg de voorgestelde emissies door de deskundigen als te hoog worden beoordeeld. Echter wordt er dus uitgegaan van plaatsbezoeken en omgevingsmetingen, zonder dat hiervoor concrete cijfers voorhanden zijn of technische gegevens beschikbaar zijn. Ingevolge de formele motiveringsplicht, kan het weerleggen van een bezwaar door verwijzing naar plaatsbezoeken en omgevingsmetingen niet beoordeeld worden als een afdoende. […]”. 5. De verwerende partij antwoordt: “Hierop dient te worden gerepliceerd dat de deputatie wel degelijk de onderlinge samenhang van de inrichtingen heeft onderzocht. Zo wordt letterlijk het volgende gesteld: „Tevens wordt opgemerkt dat gelet op de locatie en onderlinge samenhang van het slachthuis de hinder van beide inrichtingen het best samen kan beoordeeld worden. Deze kunnen als een milieutechnische eenheid aanzien worden, dewelke een aparte vergunning kunnen bekomen‟. Tevens wordt het volgende overwogen in het besluit: „Overwegende dat het studiebureau verklaart dat de productiecapaciteit zal worden beperkt tot maximaal 75 ton per dag in afwachting van het verkrijgen van een vergunning klasse 1 waarin rubriek 45.16.1 wel is opgenomen; dat een omgevingsvergunningsaanvraag in die zin in opmaak is; dat zolang de vergunning niet werd verkregen de verwerking van vlees het vooropgestelde maximum van 75 ton/dag niet mag overschrijden; dat het in het belang van de exploitant is dat de vergunningsaanvraag zo spoedig mogelijk wordt ingediend; dat daarin zoals aangegeven in het advies van de AMV de cumulatieve effecten van de inrichting van de nv Bens en het naastgelegen slachthuis van de nv De Lokery moeten VII-40.106-5/13 worden beschreven; De onderlinge samenhang tussen beide inrichtingen werd dus wel degelijk beoordeeld door de deputatie, allen komt de deputatie dus tot de conclusie dat er wel degelijk een aparte vergunning kan worden verleend. Zowel wat betreft de geurhinder, de wateroverlast en de ruimtelijke draagkracht verwijst verzoeker steeds naar een besluit van de minister ter zake en stelt dat dit besluit niet afdoende zou zijn gemotiveerd. Het is duidelijk dat dit verzoekschrift tot nietigverklaring betrekking heeft op het besluit van de deputatie zodat elk van deze argumenten niet van toepassing zijn en alleszins niet aan de orde zijn”. 6. De tussenkomende partij wijst er in de eerste plaats op dat het advies van de afdeling Milieuvergunningen initieel ongunstig was, maar dat het later werd gewijzigd na het verstrekken van bijkomende informatie over de aanvraag en de initieel beoogde vleesproductie werd beperkt. Voorts beklemtoont zij dat de samenhang met het nabijgelegen slachthuis, alsook de cumulatieve impact uitgaande van de beide inrichtingen, wel degelijk bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag werd betrokken en dat uit die beoordeling blijkt dat de hinder niet wordt verhoogd door de beoogde uitbreiding van de met het bestreden besluit vergunde inrichting, hetgeen uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk zou blijken. In dit verband wijst zij ook op een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag waarin aandacht wordt gegeven aan de cumulatieve (geur)impact van de betrokken inrichtingen. Daarnaast zet zij nog het volgende uiteen: “Verwerende partij diende de bezwaren (inzake geurhinder, wateroverlast en ruimtelijke draagkracht) ten aanzien van een vergunningsbeslissing verleend aan De Lokery nv in laatste administratieve aanleg, niet in haar besluitvorming te betrekken. De vergunningverlenende overheid kan zich immers niet inlaten met de argumenten inzake een vermeende onwettigheid van een toepasselijke bestuurshandeling (i.c. de verleende milieuvergunning aan De Lokery nv). Het komt niet aan een orgaan van het actief bestuur toe de wettigheid van definitieve individuele rechtshandelingen in vraag te stellen […]. Dit vloeit voort uit artikel 159 van de Grondwet dat dienaangaande stelt: „De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.‟ Gezien artikel 159 GW expliciet melding maakt van „hoven en rechtbanken‟ kunnen administratieve overheden zich niet beroepen op dit VII-40.106-6/13 artikel om een administratieve rechtshandeling te beoordelen op zijn wettigheid. De Grondwet heeft deze beoordeling van een bestuurshandeling overgelaten aan de rechter en deze bevoegdheid moet aldus restrictief worden geïnterpreteerd. Dit strookt volledig met het beginsel van de scheiding der machten. Bovendien bepaalt (het temporeel toepasselijke) artikel 52, 3° Vlarem I waarin de vereiste van de formele motivering impliciet vervat zit, dat: „binnen een termijn van vijf maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroep door de Vlaamse minister, of in voorkomend geval voor het verstrijken van de verlengde termijn, doet de Vlaamse minister uitspraak over het beroep; deze uitspraak omvat een gemotiveerde beslissing over de aanspraken en bezwaren die door de indiener(
- s)van het beroep werden gesteld;‟. In casu moet worden vastgesteld dat er 1) geen bezwaren werden geformuleerd in het kader van het openbaar onderzoek; en 2) gunstige adviezen werden verkregen van diverse adviesinstanties 3) de inhoudelijke wettigheidskritiek ten aanzien van de milieuvergunning zoals verleend op 22 juli 2015 aan De Lokery namens de gemeente Westerlo in het kader van de vergunningverleningsprocedure niet naar voren werd gebracht; 4) Meer zelfs, op de hoorzitting van de PMVC werd mevrouw I. De Wever, schepen milieu bij de gemeente Westerlo) gehoord namens het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo. Zij verklaarde dat: „Op vraag van de voorzitter vermeldt mevrouw De Wever dat er geen bezwaren werden ingediend. Ze bevestigt dat er geen sprake is van een milieu- of geurprobleem‟ […]. Verwerende partij diende de bezwaren (inzake geurhinder, wateroverlast en ruimtelijke draagkracht) ten aanzien van een vergunningsbeslissing verleend aan De Lokery nv in laatste administratieve aanleg, niet in haar besluitvorming te betrekken. Temeer nu deze op geen enkel ogenblik door de verzoekende partij werden aangevoerd in het kader van onderhavige procedure. Integendeel wordt erkend dat er geen sprake is van een milieu- of geurprobleem, zodat het niet duidelijk is welk belang de verzoekende partij bij dit middel kan laten gelden”. 7. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog het volgende toe: “Verzoekende partij merkt nogmaals op dat, ingevolge de bevestiging in de bestreden beslissing dat Bens NV en De Lokery NV één milieutechnische eenheid vormen, deze beide inrichtingen als één geheel beschouwd dienen te worden met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens en milieu. Nergens in de bestreden beslissing, noch in de memories van de verwerende en tussenkomende partij, wordt verduidelijking gegeven over deze onderlinge technische samenhang, hetgeen een schending van de formele VII-40.106-7/13 motiveringsplicht inhoudt. Bovendien merkt verzoekende partij ten overvloede op dat, zoals tevens gesteld in het inleidende verzoekschrift, de effecten en middelen aangehaald in de procedure voor uw Raad voor wat betreft de vernietiging van de milieuvergunning van De Lokery NV […], toepassing vinden, hetgeen door verwerende of tussenkomende partij niet weerlegd noch ontkend wordt in haar memorie. Een schending van de motiveringsplicht zoals bepaald in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen dient bijgevolg vastgesteld te worden”. 8. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat zij wel degelijk de onderlinge samenhang tussen de inrichtingen van de nv Bens en de nv De Lokery heeft onderzocht en dat zij op dit punt tot het besluit is gekomen dat “er wel degelijk een aparte vergunning kan worden verleend”. Zij besluit dat de verzoekende partij omtrent “de geurhinder, de wateroverlast en de ruimtelijke draagkracht” steeds verwijst naar een besluit van de bevoegde Vlaamse minister, terwijl voorliggend annulatieberoep geen betrekking heeft op dat ministerieel besluit en deze argumenten “alleszins niet aan de orde zijn”. 9. De tussenkomende partij werpt in haar laatste memorie bijkomend op dat de verzoekende partij geen actueel belang heeft bij het middel omdat inmiddels een nieuwe omgevingsvergunning werd verleend aan het slachthuis Sus Campiniae (voorheen: De Lokery), waarbij op grond van “een geactualiseerde versie van het project-MER dat aan de grondslag lag van de milieuvergunningsbeslissing waaraan in het bestreden besluit wordt gerefereerd”, de cumulatieve effecten van het slachthuis worden onderzocht en aanvaardbaar bevonden. Bovendien merkt zij op dat indien zou blijken dat de verzoekende partij geen vernietigingsberoep heeft ingediend tegen de omgevingsvergunning van 7 januari 2020, moet worden aangenomen dat zij “zich neerlegt bij de visie van de Vlaamse minister ten overstaan van de cumulatieve effecten”. Ten gronde herhaalt zij dat het beoogde project geen milieuhinder met zich mee zal brengen en dat “bij uitbreiding eveneens de cumulatieve effecten aanvaardbaar zijn”. VII-40.106-8/13 10. De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie dat zij wel degelijk bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen beroep heeft ingesteld tegen de omgevingsvergunning van 7 januari 2020. Voorts herhaalt zij over de grond van de zaak dat de hinder die door het slachthuis wordt veroorzaakt wel degelijk in rekening moet worden gebracht bij de beoordeling van voorliggende milieuvergunningsaanvraag voor de exploitatie van de vleesuitsnijderij. Beoordeling A. Ontvankelijkheid van het middel 11. De tussenkomende partij trekt het in rechte vereiste belang van de verzoekende partij in twijfel door te poneren dat het middel gericht zou zijn tegen de milieuvergunning van 22 juli 2015 die verleend werd aan het slachthuis Sus Campiniae (voorheen: De Lokery). Die poging tot verlegging van het debat gaat echter niet op omdat uit het verzoekschrift duidelijk blijkt dat de grieven van de verzoekende partij betrekking hebben op de motieven van de thans bestreden beslissing. Overigens valt uit die motieven niet af te leiden dat de vergunde inrichting helemaal geen hinder of nadeel zou veroorzaken. De verklaring die de schepen voor milieu van de gemeente Westerlo zou hebben afgelegd tijdens de zitting van de PMVC dat er geen sprake zou zijn van een milieu- of geurprobleem, spreekt deze vaststelling niet tegen. 12. In zoverre wordt opgeworpen dat de verzoekende partij berust in de bestreden milieuvergunning, hebben de partijen ter terechtzitting bevestigd dat de gemeente Westerlo bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen een beroep tot vernietiging heeft ingediend tegen de omgevingsvergunning van 7 januari 2020. Bijgevolg vervalt de speculatie van de tussenkomende partij omtrent de berusting van de verzoekende partij in de gevolgen van de bestreden vergunningsbeslissing. 13. Het middel is ontvankelijk. VII-40.106-9/13 B. Gegrondheid van het middel 14. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De beslissingnemende overheid is evenwel niet verplicht op elk aangehaald argument afzonderlijk te antwoorden. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 15. Artikel 1.1.2, § 1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid omschrijft het begrip milieutechnische eenheid als volgt: “verschillende inrichtingen en/of activiteiten, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee ze verbonden zijn, die als één geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat ze kunnen berokkenen aan mens of milieu. Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen en activiteiten, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen en activiteiten ten opzichte van andere inrichtingen en activiteiten. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid kunnen vormen”. VII-40.106-10/13 Een gelijkaardige definitie is vervat in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), dat het heeft over “ingedeelde inrichtingen”. Voor de beoordeling van de hinder is het van belang of de verschillende te vergunnen en/of vergunde inrichtingen een milieutechnische eenheid vormen. In dat geval dienen de inrichtingen, die een eenheid vormen, immers als één geheel te worden beschouwd wat de nadelen voor de mens en het milieu betreft. Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag dient de vergunningverlenende overheid, rekening houdend met alle concrete gegevens van de zaak en de erbij betrokken uiteenlopende belangen, de hinder en de risico‟s voor de mens en het leefmilieu te onderzoeken en de passende eindconclusies te trekken. 16. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat “de adviezen van de AMV en de PMVC, in de mate zoals hierboven weergegeven, in aanmerking worden genomen”. In een eerste advies van 22 mei 2017 heeft de AMV onder meer opgemerkt dat het “[g]elet op de locatie en onderlinge samenhang van het slachthuis […] de hinder van beide inrichtingen best samen [kan] beoordeeld worden” en dat “[d]eze […] als een milieutechnische eenheid aanzien [zullen] worden, dewelke een aparte vergunning kunnen bekomen”. In een aanvullend advies van 29 juni 2017 van de AMV wordt onder andere voorgesteld om “[g]elet [op] de verwevenheid met het slachthuis De Lokery […] de vergunningstermijn hieraan te koppelen […], zijnde tot 22.01.2035”. In het advies van de PMVC wordt bij de milieutechnische evaluatie aangegeven dat het advies van de AMV wordt bijgetreden wat betreft de onderlinge samenhang van beide exploitaties. Uit de samenlezing van het voormelde motief en de uitgebrachte adviezen blijkt ondubbelzinnig dat de verwerende partij van oordeel was dat de met het bestreden besluit vergunde vleesuitsnijderij een milieutechnische eenheid VII-40.106-11/13 vormt met het naastgelegen slachthuis. Bijgevolg had de verwerende partij de rechtsplicht om bij de milieuhygiënische beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag voor het verder exploiteren en uitbreiden van de vleesuitsnijderij ook de nadelen en hinder te betrekken die teweeggebracht worden door het slachthuis in kwestie. De bestreden beslissing bevat echter geen motieven waaruit blijkt dat de hinder van de volledige milieutechnische eenheid werd onderzocht, laat staan dat erin wordt aangetoond dat de gecumuleerde hinder van de beide inrichtingen samen tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft. Enkel wordt in de bestreden beslissing gewag gemaakt van een omgevingsvergunningsaanvraag die “in opmaak is”. Tegelijk wordt overwogen dat “het in het belang van de exploitant is dat de vergunningsaanvraag zo spoedig mogelijk wordt ingediend” en dat “daarin zoals aangegeven in het advies van de AMV de cumulatieve effecten van de inrichting van de nv Bens en het naastgelegen slachthuis van de nv De Lokery moeten worden beschreven”. Een milieuvergunningsbeslissing is niet afdoende gemotiveerd wanneer de beoordeling van de totaal in aanmerking te nemen hinder van het beoogde project pas in de toekomst zal plaatsvinden. 17. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 27 juli 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 8 maart 2017 houdende de verklaring van onbevoegdheid om uitspraak te doen over de milieuvergunningsaanvraag van de nv Bens om een vleesuitsnijderij, gelegen aan de Nijverheidslaan 24 te Westerlo, verder te exploiteren en te veranderen door uitbreiding, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt verleend. VII-40.106-12/13 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.106-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.050 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.377 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div