← België

Arrest 249051 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.051 Rolnummer: A. 229008/VII-40624 Zaak: Arrest 249051 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-10 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.051 van 26 november 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.051 van 26 november 2020 in de zaak A. 229.008/VII-40.624 In zake : Sofie DE DONCKER woonplaats kiezend te 9400 Ninove Weggevoerdenstraat 80 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Judith Swerts kantoor houdend te 1030 Brussel Seutinstraat 7 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joos Roets en Stefan Sottiaux kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oostenstraat 38, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Marijke STERCK woonplaats kiezend te 9320 Nieuwerkerken Maaldreef 28 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van “het koninklijk besluit van 2 juni 2019 houdende de aanwijzing van mevrouw Marijke STERCK, eerste auditeur, als eerste auditeur-afdelingshoofd bij de Raad van State, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 juli 2019”. VII-40.624-1/46 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Marijke Sterck heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 november
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Judith Swerts, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Joos Roets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. VII-40.624-2/46 III. Feiten 3.
  6. Met een dienstnota van 28 november 2018, gericht aan alle Nederlandstalige eerste auditeurs, wordt bekendgemaakt dat met ingang van 1 januari 2019 een adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd vacant is (afdeling II - Onderwijs en Lokale Besturen). Als bijlage wordt de functiebeschrijving en het profiel voor de functie van afdelingshoofd gevoegd. Als belangrijkste bijzondere opdrachten van een afdelingshoofd worden in de functiebeschrijving vermeld: “2.1 Het afdelingshoofd zorgt voor een oordeelkundige verdeling van de zaken onder de leden van zijn afdeling rekening houdend met o.m. werkdruk en individuele specialiteiten en belangstelling. 2.2 Hij doet voorstellen ter voorkoming en wegwerking van de achterstand in zijn afdeling en neemt, na instemming van de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal, de nodige maatregelen. 2.3 Het afdelingshoofd fungeert als coach en klankbord voor de leden van de afdeling. Hij motiveert en stimuleert de leden van zijn afdeling en volgt hun prestaties nauwgezet op. Eventuele problemen worden aan de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal, gemeld. 2.4 Hij waakt over de naleving door de leden van zijn afdeling van de dienstnota‟s en instructies van de Auditeur-generaal en/of de Adjunct-auditeur-generaal. Zo zal hij in de afdeling bestuursrechtspraak meer in het bijzonder toezien op de naleving van de instructies aangaande de volgorde van behandeling van de zaken. In de afdeling wetgeving waakt hij in overleg met zijn Franstalige en Nederlandstalige collega‟s afdelingshoofden over de toepassing van de richtlijnen voor de deelname aan het onderzoek van de adviesaanvragen. 2.5 Algemene procedureproblemen bespreekt hij met de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal. Hij waakt over de eenheid van de rechtspraak binnen zijn afdeling en meldt de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal, elk gevaar voor uiteenlopende jurisprudentie, zodat een zaak eventueel met toepassing van artikel 92, tweede lid, gec. w. R.v.St., naar de algemene vergadering van de afdeling administratie kan worden verzonden. Dezelfde regel geldt voor de afdeling wetgeving, zodat de auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal, de eerste voorzitter desgevallend kunnen verwittigen. Hij deelt bovendien aan de auditeur-generaal of aan de adjunct-auditeur-generaal alle zaken mee die met toepassing van artikel 85bis, tweede lid, gec.w. R.v.St. naar de verenigde kamers zouden kunnen worden verzonden. 2.6 Hij waakt over de naleving van de deontologische regels opgenomen in de gecoördineerde wetten, het reglement van orde en het vademecum. In geval VII-40.624-3/46 van moeilijkheden verwittigt hij de auditeur-generaal, c.q, de adjunct-auditeur-generaal. 2.7 Hij treft maatregelen teneinde de continuïteit van de afdeling te verzekeren tijdens vakantieperiodes, detacheringen en afwezigheid wegens gezondheidsredenen. Hij zorgt ervoor dat minstens één lid van de afdeling elke werkdag tussen 9u en 16.30u aanwezig is in de gebouwen van het Auditoraat. Hij ziet toe op de stipte naleving van de wachtdienst en neemt desgevallend de nodige dringende maatregelen. Het afdelingshoofd zal zelf ten minste drie volle dagen per week aanwezig zijn op de Raad van State. Wanneer hij niet bereikbaar is dient hij een collega van de afdeling als plaatsvervanger aan te duiden. 2.8 Het afdelingshoofd staat in beginsel in voor de opleiding van de adjunct-auditeurs. De adjunct-auditeurs oefenen hun ambt immers uit onder de leiding van een eerste auditeur-afdelingshoofd of een door hem aangewezen eerste auditeur. Die leiding houdt in dat de verslagen worden nagelezen, eventueel verbeterd en aangevuld volgens de richtlijnen van het afdelingshoofd of de aangewezen eerste auditeur. Het afdelingshoofd of de aangewezen eerste auditeur zal ook advies uitbrengen op de openbare terechtzitting voor de zaken behandeld door de adjunct-auditeur die minder dan één jaar dienst telt, of die niet gemachtigd is ter terechtzitting advies uit te brengen. 2.9 Een afdelingshoofd kan worden geroepen de auditeur-generaal, c.q de adjunct-auditeur-generaal, te vertegenwoordigen telkens wanneer hij verhinderd is”. Als “Belangrijkste competentievereisten” worden vermeld: “3.1 Geschiktheid voor het leiden van een groep. 3.2 Motiverend optreden, 3.3 Empathie en luisterbereidheid. 3:4 Conflictbeheersing. 3.5 Organisatietalent. 3.6 Flexibiliteit. 3.7 Resultaatgerichtheid. 3.8 Beschikbaarheid 3.9 Zin voor communicatie en overleg. 3.10 Verantwoordelijkheidszin. 3.11 Zin voor systematiek en kwaliteit. 3.12 Groepsgeest en betrokkenheid bij de goede werking van het Auditoraat als geheel. 3.13 Kennis van de instelling en juridische deskundigheid verworven in de uitoefening van de functie van auditeur”. Overeenkomstig artikel 74/2, § 4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet) worden de VII-40.624-4/46 eerste auditeurs-afdelingshoofden aangewezen onder de eerste auditeurs. Overeenkomstig artikel 74/4, § 1, 2°, van de RvS-wet worden de eerste auditeurs-afdelingshoofden door de Koning aangewezen op eensluidend advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, al naargelang het geval. 3.
  7. Op 7 december 2018 dient verzoekster haar kandidatuur in. Op 12 december 2018 dient Marijke Sterck, de tussenkomende partij, haar kandidatuur in. Tevens dienen de eerste auditeurs Iris Verheven en Jurgen Neuts hun kandidatuur in. 3.
  8. Per brief van 21 februari 2019 deelt de auditeur-generaal het in artikel 74/4, § 1, 2°, van de RvS-wet bedoelde advies mee aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken. Aan verzoekster wordt een afschrift van dit advies overgemaakt. In dat advies wordt onder meer het volgende gesteld: “
  9. Vergelijking van de verschillende kandidaten en advies Anciënniteit 5.
  10. Volgens anciënniteit in de graad van eerste auditeur rangschikken de kandidaten zich als volgt:
  11. Marijke Sterck (17 januari 2011 - iets meer dan 8j.);
  12. Iris Verheven (31 oktober 2018 - bijna 4 m.);
  13. Sofie De Doncker (31 oktober 2018 - bijna 4 m.);
  14. Jurgen Neuts (31 oktober 2018 - bijna 4 m.). Hun globale anciënniteit in het Auditoraat is als volgt :
  15. Marijke Sterck (18.08.2000 - 18j en 6m.);
  16. Iris Verheven (31.10.2007 - 11 j en bijna 4 m);
  17. Sofie De Doncker (31.10.2007 - 11 j. en bijna 4 m.);
  18. Jurgen Neuts (31.10.2007 - 11 j. en bijna 4 m.). […] 5.
  19. Zoals de Raad van State nog oordeelde in het arrest Jozef Stevens, nr. 231.330 van 26 mei 2015, maken noch de voormelde bepalingen van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch een andere bepaling van geschreven recht van de anciënniteit een onderscheidingscriterium met het oog op de aanstelling van een eerste auditeur-afdelingshoofd - noch schrijven ze bijgevolg aan de anciënniteit van de kandidaat een dwingende draagwijdte toe. Een grotere anciënniteit verleent op zich dan ook geen voorrang voor een aanwijzing tot eerste auditeur-afdelingshoofd. Het is niet meer dan een element VII-40.624-5/46 in de vergelijking tussen de kandidaten. Dat neemt niet weg dat het een element kan zijn dat toelaat gelijkwaardige kandidaten van elkaar te onderscheiden. Profiel 5.
  20. Specifiek voor de taak van een afdelingshoofd is het leiden van een afdeling. Hij of zij moet ervoor zorgen dat deze afdeling goed functioneert teneinde een optimaal rendement van de leden te bekomen. Dit vereist twee soorten kennis en vaardigheden. 5.
  21. Vooreerst moet het afdelingshoofd in staat zijn de leden van de afdeling te leiden en te begeleiden in de behandeling van hun dossiers, zij het met respect voor ieders onafhankelijkheid. Hij of zij moet dus een uitstekend jurist zijn en vertrouwd zijn met de materies die in zijn/haar afdeling worden behandeld, of er zich zonder problemen vertrouwd mee kunnen maken (hiema : profielelementen groep 1). Het staat buiten kijf dat de vier kandidaten uitstekende juristen zijn en in staat als afdelingshoofd de leden van de afdeling te leiden en te begeleiden. Wat betreft de vertrouwdheid met de materies [betreft] die worden behandeld in afdeling II, zijn Sofie De Doncker, Jurgen Neuts en Iris Verheven meer vertrouwd met de materies die in deze afdeling worden behandeld dan Marijke Sterck. Zij werken immers reeds meerdere jaren in deze afdeling. Marijke Sterck heeft nooit gewerkt in deze afdeling en heeft minder ervaring met deze materies. Behoudens een korte periode dat zij als adjunct-referendaris belast was met wetgevingsdossiers onderwijs en als adjunct-auditeur met ambtenarenzaken, behandelde Marijke Sterck als lid van het Auditoraat tot december 2017 voornamelijk vreemdelingenzaken en in mindere mate dossiers leefmilieu in afdeling III - Leefmilieu (en toen ook vreemdelingenzaken). Een afdelingshoofd moet echter niet noodzakelijk uit de leden van de betrokken Afdeling aangewezen worden en een doorstroming moet mogelijk zijn en kan ook nuttig zijn. Marijke Sterck is flexibel zoals zij nog bewees door haar overgang in december 2017 naar afdeling IV - Statuutzaken, waar zij naast de dossiers vreemdelingenzaken, materie die in december 2017 werd overgedragen aan deze afdeling IV, intussen ook al meer dan één jaar statuutzaken behandelt, een ervaring die ook relevant is bij het behandelen van de personeelszaken lokale besturen en onderwijs in afdeling II. Zij deed dit eerder ook reeds bij het begin van haar carrière in het Auditoraat. Zij is ongetwijfeld in staat om zich snel verder in te werken in de materies behandelt door afdeling II. Uit haar kandidatuur blijkt ook dat zij zich reeds de materies behandelt door deze afdeling probeert eigen te maken, hetgeen ook motivatie aantoont en dat zij hier volledig voor zal gaan, indien aangewezen als afdelingshoofd. Inzake de verschillende procedures voor de Raad van State blijkt uit haar kandidatuur dat zij ruime ervaring heeft met de meest voorkomende procedures bij de Raad van State, namelijk annulatieberoepen, vorderingen tot schorsing en vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en zelfs meer ervaring dan de drie andere kandidaten in cassatie-zaken. Ook al is het aantal cassatiezaken in afdeling II eerder beperkt, toch kan ook die ervaring nuttig blijken in afdeling II. Het verplichtte Marijke Sterck immers binnen korte termijnen te werken en in het kader van een vaak wijzigende reglementering. Uit haar kandidatuur blijkt wel niet dat zij reeds zaken behandelde „in volle rechtsmacht‟ in de zin van artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voor afdeling II met name de verkiezingszaken, noch de VII-40.624-6/46 zogenaamde „randgemeentenzaken‟, maar er is geen reden om aan te nemen dat zij zich dit contentieux niet snel eigen zal kunnen maken. Verder betreft dit een in verhouding klein deel van de zaken binnen afdeling II. Tenslotte dient opgemerkt dat de drie andere kandidaten binnen afdeling II elk toch ook een eigen specialisatie hadden en dus niet zonder meer allen volledig en even vertrouwd zijn met alle materies die deze afdeling behandelt. Aldus kan worden besloten dat wat hun juridische kennis betreft en inzetbaarheid voor afdeling II de vier kandidaten evenwaardig geschikt zijn om het ambt van afdelingshoofd in afdeling II op te nemen. In de mate Jurgen Neuts en Iris Verheven ook wijzen op hun werk in de afdeling wetgeving, ter ondersteuning van hun deskundigheid in de materies behandelt door afdeling II, is die ervaring ongetwijfeld nuttig, maar volstaat dit niet om de kandidaten niet gelijkwaardig te achten. Marijke Sterck had in het Coördinatiebureau trouwens ook ervaring in dossiers onderwijs. Er is weliswaar een verschil tussen enerzijds Jurgen Neuts en Iris Verheven en de twee andere kandidaten anderzijds, wat betreft wetenschappelijke activiteiten en publicaties. Sofie De Doncker gaat hier niet op in en Marijke Sterck verwijst enkel naar één publicatie in vreemdelingenzaken. Tegelijk verklaart zij waarom zij koos voor volledige inzet voor haar werk in het Auditoraat, een keuze die even verdedigbaar is. Alhoewel publicaties en wetenschappelijke activiteiten ongetwijfeld kunnen bijdragen tot de uitstraling van het Auditoraat en de deskundigheid van een auditeur, sluit de afwezigheid daarvan in hoofde van een kandidaat dan ook bezwaarlijk uit dat ter zake de voorkeur kan worden gegeven aan deze laatste kandidaat of dat deze evenwaardig kan worden gerangschikt inzake juridische deskundigheid en ook het leiden en begeleiden van leden van zijn/haar afdeling (zie verder 5.5). Dit geldt ook voor de ervaring te werken of gewerkt te hebben in een universiteit of, zoals Jurgen Neuts, in een schoolbestuur, ervaring die ook verschilt van het jurisdictioneel werk in bestuursgeschillen van een auditeur of afdelingshoofd. Iris Verheven benadrukt in haar kandidatuur trouwens zelf het voordeel van het feit dat zij geen functie meer uitoefent aan de universiteit zodat haar aandacht exclusief en onverdeeld kan uitgaan naar het leiden van de afdeling. Dit geldt dan logischerwijze ook voor Marijke Sterck en Sofie De Doncker. Om al deze redenen globaal genomen worden de kandidaturen hier als evenwaardig beoordeeld. 5.
  22. De opdracht van het afdelingshoofd bestaat er daarnaast in om ervoor te zorgen of er toe bij te dragen dat er in de afdeling een positieve werksfeer bestaat waar collegialiteit en vandaar samenwerking op een zo optimaal mogelijke manier kan worden gerealiseerd. Vandaar dat onder de belangrijkste competentievereisten er verschillende zijn die betrekking hebben op de intermenselijke relaties, zoals empathie en luisterbereidheid, groepsgeest, zin voor communicatie en overleg, motiverend optreden (hierna : profielelementen groep 2). In dit verband blijkt uit de kandidaturen dat elk van de vier kandidaten zich ter zake op enige praktische ervaring kunnen beroepen. Zo verwijzen zowel Sofie De Doncker, Marijke Sterck als Iris Verheven naar het feit dat zij hun afdelingshoofden vervangen hebben, de eerste in afdeling II, de tweede in afdeling III - Leefmilieu en (dan ook nog) VII-40.624-7/46 vreemdelingenzaken, en daarna in afdeling IV - Statuutzaken, en de derde in afdeling II. Sofie De Doncker benadrukt dat zij van februari 2000 tot januari 2001 als hoofd van de juridische dienst, afdeling geschillen, werkzaam bij het hoofdkantoor van het toenmalige Onderlinge Beroepskrediet, mee onderhandelde over de overname van de instelling door het Franse Crédit Mutuel en daarbij de leiding had over een team van een vijftal personeelsleden. Jurgen Neuts wijst in het bijzonder op zijn ervaring opgedaan als bestuurder van een groot schoolbestuur en van de vzw Katholiek Onderwijs voor Volwassen en zijn functies binnen de Universiteit Gent. Marijke Sterck wijst verder op het feit dat zij tussen 2007 en 2010 bij het behandelen van grote aantalen vreemdelingenzaken, vnl. blijkbaar de regularisatiezaken, een team van 4 bestuurlijk attachés heeft gemotiveerd en geleid, en ook op heden een bestuurlijk attaché begeleidt. Een kabinet bestaande uit enkele duizenden dossiers heeft haar organisatorische aanpak verscherpt en haar verplicht tot een nauwgezette opvolging van de dossiers hierbij een nog grotere achterstand vermijdend. Het leerde haar ook omgaan met druk. Iris Verheven wijst concreet ook op haar vroegere ervaring als advocate bij het coördineren van divers samengestelde teams belast met bepaalde projecten onder meer van lokale entiteiten en bij het opleiden van advocaten-stagiairs, alsook op het feit dat zij de afgelopen 11 jaar de vier documentalisten van de afdeling wetgeving en 4 bestuurssecretarissen heeft mogen bijstaan en als medewerker aan de Rechtsfaculteit van de Vrije Universiteit Brussel verschillende studenten begeleidde. Aldus blijken Marijke Sterck en Iris Verheven zich te kunnen beroepen op relevante concrete ervaring van leiden en begeleiden van attachés binnen het Auditoraat; Iris Verheven wijst ook op het begeleiden van documentalisten in de afdeling wetgeving. Er blijkt uit de kandidaturen niet dat dit voor de andere kandidaten ook het geval is, alhoewel Jurgen Neuts het sui generis karakter benadrukt van de functie van afdelingshoofd en meent dat het leiden van een groep in de hiërarchische zin zoals ten overstaan van ambtenaren onvoldoende met die opdracht vergeleken kan worden, en ook kandidate Iris Verheven wijst op de bijzondere invulling die het „leiding geven‟ aan een afdeling van het Auditoraat vereist waarbij het afdelingshoofd staat tegenover de „peers‟ van zijn afdeling, is dit bijzonder karakter niet van die aard dat dit elke relevantie ontneemt aan de voormelde ervaring van leiden en begeleiden van attachés binnen het Auditoraat. De ervaring van Iris Verheven in het begeleiden van documentalisten in de afdeling wetgeving is daarbij voor de functie van afdelingshoofd in een afdeling bestuursrechtspraak minder relevant. Anders dan voor Marijke Sterck blijkt uit haar kandidatuur niet in dezelfde mate dat de begeleiding van de attachés bestuursrechtspraak betreft minstens niet zoals voor Marijke Sterck uitsluitend en in het kader van een opvolging van een zeer groot aantal te verwerken dossiers. Verder blijkt in ieder geval uit geen van de kandidaturen specifieke ervaring in het leiden, motiveren of coördineren van het werk van een team van auditeurs. Iris Verheven verwijst in haar kandidatuur ook naar haar beroepservaring als advocate en geeft concreet en onderbouwd voorbeelden van projecten uitgevoerd door multidisciplinaire teams die zij heeft geleid en opgevolgd. Hiertegenover staat dat het voor Marijke Sterck ging om het beheren en wegwerken van grote aantallen zaken binnen het Auditoraat, in het motiveren VII-40.624-8/46 van een team om te blijven geloven in de afbouw van een soms niet aflatende stroom zaken en in het overleggen om in de mate van het mogelijke tot een gezamenlijk standpunt te komen. Dat het daarbij niet ging om dossiers in materies eigen aan afdeling II maakt dit niet minder relevant. De ervaring van Iris Verheven bij de behandeling van de in de dossiers „randgemeenten‟ waar een Nederlandstalig en Franstalig auditeur één verslag moeten opstellen voor de algemene vergadering, en waarbij zij steeds de afgesproken planning behaalde en steeds terugkoppelde opdat het verslag van meet af aan een weerspiegeling zou zijn van de gemeenschappelijke visie, is waardevol maar om dezelfde reden minder bepalend en vergelijkbaar. Er is een verschil tussen één dossier samen behandelen en het organiseren, coördineren en motiveren van een team. Jurgen Neuts wijst ook op het feit dat hij thans al enige tijd deze dossiers „randgemeenten‟ behandelt ter vervanging van Iris Verheven maar werkt dit niet in dezelfde mate uit. Minstens geldt ook hier dat er een verschil is tussen één dossier samen behandelen en het organiseren, coördineren en motiveren van een team. Jurgen Neuts en Iris Verheven verwijzen ook naar hun ervaring bij het begeleiden van studenten. Alhoewel ongetwijfeld nuttig voor de opleiding van adjunct-auditeurs, volstaat dit niet om hen op dit punt te rangschikken vóór Marijke Sterck, die ook verschillende attachés motiveerde en begeleidde in het behandelen van een groot volume van dossiers zoals blijkt uit haar kandidatuur. Dit geldt ook voor de verwijzing door Iris Verheven naar de opleiding en begeleiding van advocaten stagiairs. De vroegere beroepservaring van de twee andere kandidaten Sofie De Doncker en Jurgen Neuts in dit verband is ongetwijfeld nuttig maar blijkt minder onmiddellijk relevant, minstens wordt dit minder concreet uitgewerkt. Elk van de vier kandidaten geven in hun kandidatuur ook voldoende concrete inzichten op de manier waarop zij de functie van afdelingshoofd in afdeling II willen invullen. In wezen gaan de kandidaten elk uit van een noodzaak van herverdeling en versterking van de afdeling en aandacht voor de specialisatie en eigenheid van elk lid van de afdeling gecombineerd met flexibiliteit. Bij Jurgen Neuts is dit alles wel nog iets concreter en het meest cijfermatig onderbouwd. Om al deze redenen samen genomen worden daarom hier een voorkeur gegeven aan de kandidatuur van Marijke Sterck gevolgd door de kandidatuur van Iris Verheven en daarna deze van Jurgen Neuts en vervolgens deze van Sofie De Doncker. 5.
  23. Tenslotte kan een afdelingshoofd deelnemen aan de leiding van de werkzaamheden van het Auditoraat. De voormelde competentievereisten zijn daartoe opnieuw belangrijk alsook oog voor de algemene werking en het algemeen belang van het Auditoraat (en de Raad van State in het algemeen) (hierna : profielelementen groep 3). De vier kandidaten geven blijk oog te hebben voor de algemene werking en het algemeen belang van het Auditoraat (en de Raad van State in het algemeen). Wat dit punt betreft, wordt vastgesteld dat Jurgen Neuts via het lidmaatschap van verschillende werkgroepen binnen het Auditoraat of de Raad van State - nl. De werkgroep „laatste memories‟, de werkgroep „elektronische procesvoering‟, de werkgroep „sociaal statuut‟, de stuurgroep „lunchseminaries VII-40.624-9/46 van het Auditoraat‟, als medeverantwoordelijke van de Vriendenkring Auditoraat, en als persmagistraat Auditoraat, getuigt van een grote en concrete betrokkenheid bij de werking van het Auditoraat in zijn geheel. Iris Verheven staat met Sofie De Doncker in voor de selectie van arresten lokale besturen voor de maandelijkse Nieuwsbrief Bestuursrechtspraak. Zij is ook verantwoordelijk voor het onderdeel „lokale besturen‟ van de databank Audidoc. Tevens heeft zij deel uitgemaakt van het team dat de „lunchseminaries Auditoraat‟ organiseert. Binnen de afdeling wetgeving was zij een tijd aanspreekpunt voor de documentalisten en heeft zij bemiddeld. Zij was ook lid van de werkgroep die, onder leiding van auditeur-generaal Philippe Bouvier en toenmalig adjunct-auditeur-generaal, een procedure uitwerkte voor de aanwijzing van de korpschefs van het Auditoraat in 2017 en nam daar volgens de kandidatuur een verzoenende rol in. Ook dit getuigt van een grote en concrete betrokkenheid bij de werking van het Auditoraat in zijn geheel. Marijke Sterck is effectief lid van de commissie voor de vertaling van de arresten en staat auditeur Joke Goris bij met het onthaal van studenten die interesse voor het vreemdelingenrecht betonen. In dit kader kan ook in enige mate rekening gehouden worden met de leiding en begeleiding van attachés door Marijke Sterck, en met haar rol in het wegwerken van achterstand in het vreemdelingencontentieux en in het motiveren van attachés om de overstap te maken naar het Auditoraat, en met de begeleiding van attachés en, alhoewel minder relevant voor afdeling II, van documentalisten door Iris Verheven. Sofie De Doncker wijst op het feit dat zij als bestuurlijk attaché in afdeling V - Stedenbouw, samen met collega Tessel Adriaensens, de databank Audidoc hervormde, en op de selectie en samenvatting van arresten (van de lokale besturen) van afdeling II die zij samen met collega Iris Verheven verzorgt voor de Nieuwsbrief Bestuursrechtspraak. Op dit punt worden de kandidaturen van Jurgen Neuts en Iris Verheven evenwaardig beoordeeld en krijgen deze een lichte voorkeur boven de kandidaturen van Marijke Sterck en vervolgens Sofie De Doncker. 5.
  24. De kandidaturen van Jurgen Neuts, Marijke Sterck en Iris Verheven komen aldus als evenwaardig voor. Zij worden immers (met Sofie De Doncker) ex aequo gerangschikt voor profielelementen groep 1 terwijl voor profielelementen groep 2 een lichte voorkeur wordt gegeven aan de kandidatuur van Marijke Sterck en vervolgens aan deze van Iris Verheven, gevolgd door de kandidaturen van Jurgen Neuts en vervolgens Sofie De Doncker; voor profielelementen groep 3 wordt een lichte voorkeur gegeven aan de gelijkwaardig beoordeelde kandidaturen van Jurgen Neuts en Iris Verheven gevolgd door deze van Marijke Sterck en vervolgens Sofie De Doncker. In dat geval kan de voorkeur worden gegeven aan mevrouw Marijke Sterck die van deze kandidaten duidelijk de grootste anciënniteit heeft. Deze voorkeur wordt ook bevestigd door het grote belang van de profielelementen groep 1 en groep 2 en gelet op het aantal dossiers en oude dossiers in afdeling II met name profielelementen groep 2, inzonderheid het aspect leiden, motiveren en organiseren van een team bij de behandeling van die dossiers. Competentievereisten VII-40.624-10/46 5.
  25. Via de beoordeling sub 5.4 tot 5.7 werden reeds tegelijk de verschillende competentievereisten beoordeeld opgenomen in de bij de oproep lot kandidaten d.d. 28 november 2018 gevoegde functiebeschrijving en profiel betreffende het ambt van eerste auditeur-afdelingshoofd. Volledigheidshalve worden deze hieronder nog eens kort beoordeeld: 5.
  26. Geschiktheid voor het leiden van een groep Herhaald wordt dat alle vier de kandidaten deze geschiktheid hebben of kunnen verwerven, maar dat Marijke Sterck en vervolgens Iris Verheven om de redenen uiteengezet supra en inzonderheid in punt 5.
  27. op dit punt blijk geven van meer relevante en concrete ervaring. Jurgen Neuts werkt van de vier kandidaten het meest concreet uit hoe hij het leiden van de afdeling ziet. De concrete ervaring weegt echter zwaarder. 5.
  28. Motiverend optreden Aangenomen kan worden dat de vier kandidaten, elk op hun manier, beantwoorden aan deze competentievereiste, maar dat Marijke Sterck en vervolgens Iris Verheven dit reeds het meest concreet deden binnen het Auditoraat. 5.
  29. Empathie en luisterbereidheid De vier kandidaten voldoen aan deze competentievereisten en worden ex equo gerangschikt. 5.
  30. Conflictbeheersing De vier kandidaten voldoen aan deze competentievereiste, maar Iris Verheven geeft in haar kandidatuur een concreet voorbeeld hoe zij dit reeds in de praktijk toepaste als auditeur binnen de afdeling wetgeving en wijst op haar verzoenende rol in de werkgroep belast met het uitwerken van een procedure voor de aanwijzing van de nieuwe korpschefs van het Auditoraat. Daarnaast wijst zij, alhoewel dit wat minder onmiddellijk relevant lijkt, ook op het feit dat zij als advocaat in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, na afweging van zaak, verschillende rechtzoekenden kon overtuigen een compromis te sluiten. Daarom wordt zij voor deze competentievereiste vóór de drie andere kandidaten gerangschikt. Van deze drie kandidaten wijst Sofie De Doncker op haar vroegere beroepservaring bij het begeleiden van een team bij de overname van de Onderlinge Kredietmaatschappij, Jurgen Neuts op zijn ervaring als bestuurder van een scholengemeenschap en Marijke Sterck op het feit dat zij lange tijd een team bestuurlijke attachés leidde, maar zij geven net wat minder concreet en specifiek aan hoe zij aldus binnen hun team conflicten dienden te beheersen. Voor Sofie De Doncker en Jurgen Neuts gaat het ook niet om ervaring binnen het Auditoraat. Iris Verheven en Jurgen Neuts hebben in de dossiers „randgemeenten‟ samen met een Franstalig auditeur gezamenlijke verslagen opgesteld met een consensusbesluit. Zij vermelden niet hoe dit in die zaken in concreto conflictbeheersing veronderstelde en vermelden het evenmin uitdrukkelijk bij die competentie. 5.
  31. Organisatietalent Uit hun kandidaturen blijkt dat de vier kandidaten reeds blijk hebben gegeven van organisatietalent, maar dit is wat het begeleiden en organiseren van teamwerk binnen het Auditoraat in bestuursrechtspraak om de redenen uiteengezet iets meer aangetoond door Marijke Sterck. 5.
  32. Flexibiliteit VII-40.624-11/46 Sofie De Doncker, Marijke Sterck en Iris Verheven hebben binnen het Auditoraat hun flexibiliteit al bewezen door te werken in verschillende afdelingen. Jurgen Neuts deed dit door de bijstand aan de afdeling wetgeving. De vier kandidaten worden hier dan ook ex aequo gerangschikt. 5.
  33. Resultaatgerichtheid De vier kandidaten gaven in hun werk als auditeur reeds blijk van resultaatgerichtheid. Van de vier kandidaten werkt Jurgen Neuts dit in zijn kandidatuur het meest concreet uit wat betreft de toepassing op de werking van die afdeling II. Specifiek is er voor Marijke Sterck haar ervaring in het resultaatgericht werken in vreemdelingenzaken en de tijdsdruk in het behandelen van vele cassatiezaken en voor Sofie De Doncker en Jurgen Neuts hun ervaring bij het behandelen van grote aantallen procedures uiterst dringende noodzakelijkheid. Voor Iris Verheven is er voornamelijk haar concreet beschreven ervaring in het coördineren van multi-disciplinaire projecten als advocaat, en in wetgeving (die langer is dan deze van Jurgen Neuts) en in de dossiers „randgemeenten‟ (zoals sinds een tijd ook bij Jurgen Neuts). Sofie De Doncker en Jurgen Neuts behandelden gemiddeld meer schorsingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid dan de twee andere kandidaten, en wijzen in dit verband op de daarvoor vereiste resultaatgerichtheid en organisatie. Hiertegenover staat, zoals al opgemerkt, de rol van Marijke Sterck in het samen met een team van bestuurlijk attachés, wegwerken van de achterstand in vreemdelingzaken en het grote aantal cassatiezaken dat zij behandelt met de corresponderende termijnen, hetgeen, zeker gecombineerd met de zaken ten gronde, eveneens resultaatgerichtheid en organisatie vereist. Dit geldt ook voor Iris Verheven bij de behandeling van een wat groter aantal zaken ten gronde vergeleken met de eerste twee kandidaten. De vier kandidaten worden daarom voor deze competentievereiste ex aequo beoordeeld, 5.
  34. Beschikbaarheid De vier kandidaten hebben binnen het Auditoraat reeds hun beschikbaarheid bewezen, en worden daarom voor deze competentievereiste ex aequo gerangschikt. 5.
  35. Zin voor communicatie en overleg De vier kandidaten voldoen, elk met hun eigen stijl, aan deze competentievereiste. Jurgen Neuts kan zich dan weer als enige beroepen op zijn opleiding en ervaring als persmagistraat. Daarom is er hier een licht voordeel voor Jurgen Neuts, 5.
  36. Verantwoordelijkheidszin De vier kandidaten gaven als auditeur blijk van verantwoordelijkheidszin en doen dit ook in hun kandidaturen. Daaruit blijken geen elementen die een ex aequo rangschikken voor deze competentievereiste uitsluiten. 5.
  37. Zin voor systematiek en kwaliteit De vier auditeurs hebben in hun verslagen en adviezen reeds blijk gegeven van zin voor systematiek en kwaliteit. Zij doen dit ook in hun kandidaturen, weze het dat de kandidaturen van Jurgen Neuts en Iris Verheven iets systematischer ingaan op het profiel en de competentievereisten. VII-40.624-12/46 Dit verschil is echter niet voldoende om hier een ex aequo rangschikking van de vier kandidaten uit te sluiten, nu dit ook in de twee andere kandidaturen aan bod komt. Herhaald wordt dat inhoudelijk de voorstellen voor de verbetering van de werking van afdeling II in grote lijnen vergelijkbaar zijn. 5.
  38. Groepsgeest en betrokkenheid bij de goede werking van het Auditoraat als geheel De vier kandidaten beschikken ongetwijfeld over deze competentie. Om de redenen uiteengezet sub 5.7 blijkt dit iets duidelijker uit de kandidaturen van Jurgen Neuts en Iris Verheven. 5.
  39. Kennis van de instelling en juridische deskundigheid verworden in de uitoefening van de functie van auditeur. De vier kandidaten beschikken over een goede kennis van de instelling en juridische deskundigheid en zijn elk uitstekende juristen. Om de redenen eerder ook uiteengezet bij de beoordeling van profielelementen groep 1 sub 5.4 worden zij hier ex aequo gerangschikt. 5.
  40. [O]ok deze vergelijking op basis van elk van de individuele competentievereisten op zich en de optelsom ervan bevestigt de conclusie sub 5.
  41. dat de voorkeur kan worden gegeven aan mevrouw Marijke Sterck”. 3.
  42. Bij koninklijk besluit van 2 juni 2019 wordt de tussenkomende partij aangewezen in het adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd. Dit is het hier bestreden besluit. Het wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 juli
  43. Het bestreden besluit wordt als volgt gemotiveerd: “[…] Overwegende dat de kandidaturen van mevrouw Sofie DE DONCKER, van de heer Jurgen NEUTS en van mevrouwen Marijke STERCK en Iris VERHEVEN, ontvankelijk zijn; Overwegende dat uit het advies van de auditeur-generaal blijkt dat naar graadanciënniteit mevrouw Marijke STERCK zich op de eerste plaats rangschikt maar dat een grotere anciënniteit op zich geen voorrang verleent voor de aanwijzing tot afdelingshoofd; dat het niet meer is dan één van de elementen in de vergelijking tussen de kandidaten; Overwegende dat uit het advies van de auditeur-generaal blijkt dat specifiek voor de taak van een afdelingshoofd het leiden is van een afdeling en dat hij of zij ervoor moet zorgen dat deze afdeling goed functioneert ten einde een optimaal rendement van de leden te bekomen; Overwegende dat aldus, volgens dit advies, een afdelingshoofd vooreerst in staat moet zijn de leden van de afdeling te leiden en te begeleiden in de behandeling van hun dossier, zij het met respect voor ieders onafhankelijkheid; VII-40.624-13/46 dat hij of zij dus een uitstekend jurist moet zijn en vertrouwd zijn met de materies die in zijn/haar afdeling worden behandeld of er zich zonder problemen vertrouwd mee kunnen maken; Overwegende dat uit het advies van de auditeur-generaal blijkt dat elk van de kandidaten als een uitstekend jurist kan beschouwd worden en dat, wat hun juridische kennis en inzetbaarheid voor afdeling II betreft, de vier kandidaten geschikt zijn om het ambt van afdelingshoofd in deze afdeling op te nemen; dat, om al de redenen ter zake uiteengezet in het advies globaal genomen, de kandidaturen op dit punt door de auditeur-generaal als evenwaardig worden beoordeeld; Overwegende dat in het advies van de auditeur-generaal verder wordt gesteld dat het leiden van een afdeling meer is dan het verlenen van juridisch-technische ondersteuning aan de leden ervan maar dat de opdracht van het afdelingshoofd er ook in bestaat om ervoor te zorgen of ertoe bij te dragen dat er in zijn/haar afdeling een positieve werksfeer bestaat waar collegialiteit en vandaar samenwerking op een zo optimaal mogelijke manier kan worden gerealiseerd en dat daarom uit de functiebeschrijving blijkt dat de kandidaat ook moet beschikken over een aantal intermenselijke competenties zoals empathie en luisterbereidheid, conflictbeheersing, zin voor communicatie en overleg, motiverend optreden; Overwegende dat uit het advies blijkt dat alle vier de kandidaten zich op enige praktische ervaring ter zake kunnen beroepen, maar dat mevrouw Marijke STERCK en vervolgens mevrouw Iris VERHEVEN zich kunnen beroepen op de meest concrete en relevante ervaring ook binnen het Auditoraat, en dat de vier kandidaten voldoende concrete inzichten geven over de manier waarop zij de functie van afdelingshoofd willen invullen, maar dat dit in de kandidatuur van de heer Jurgen NEUTS nog iets concreter en het meest cijfermatig is onderbouwd; dat, om al de redenen ter zake uiteengezet in het advies globaal genomen, de auditeur-generaal hier een voorkeur geeft aan de kandidatuur van mevrouw Marijke STERCK, gevolgd door deze van mevrouw Iris VERHEVEN en vervolgens de kandidatuur van de heer Jurgen NEUTS en daarna deze van mevrouw Sofie DE DONCKER; Overwegend dat de auditeur-generaal in zijn advies verder stelt dat een afdelingshoofd ten slotte kan deelnemen aan de leiding van de werkzaamheden van het Auditoraat en dat daarvoor de vermelde competentievereisten opnieuw belangrijk zijn alsook oog voor de algemene werking en het algemeen belang van het Auditoraat (en de Raad van State in het algemeen); Overwegende dat ter zake het advies besluit dat de vier kandidaten blijk geven oog te hebben voor de algemene werking en het algemeen belang van het Auditoraat, maar dat de heer Jurgen NEUTS en mevrouw Iris VERHEVEN dit iets meer in de praktijk brachten dan de twee andere kandidaten en dit via onder meer deelname aan meerdere commissies en, voor de heer Jurgen NEUTS, via zijn functie als persmagistraat van het Auditoraat; dat, om al de redenen ter zake uiteengezet in het advies globaal genomen, de auditeur-generaal de kandidaturen van de heer Jurgen NEUTS en van mevrouw Iris VERHEVEN hier als evenwaardig beoordeelt en op dit punt aan deze kandidaturen een lichte voorkeur geeft boven deze van mevrouw Marijke STERCK en vervolgens de kandidatuur van mevrouw Sofie DE DONCKER; Overwegende dat het advies van de auditeur-generaal, op basis van de beoordeling van al deze elementen, besluit dat de heer Jurgen NEUTS en VII-40.624-14/46 mevrouwen Marijke STERCK en Iris VERHEVEN als evenwaardige kandidaten kunnen worden beschouwd en dat in dat geval de voorkeur kan gegeven worden aan de kandidatuur van mevrouw Marijke STERCK die van deze kandidaten de grootste anciënniteit heeft; Overwegende dat het advies hieraan toevoegt dat, gelet op het aantal dossiers en oude dossiers van afdeling II deze voorkeur ook wordt bevestigd door het grote belang van bepaalde van deze elementen, inzonderheid het aspect leiden, motiveren en organiseren van een team bij de behandeling van deze dossiers; Overwegende dat het advies van de auditeur-generaal verder volledigheidshalve elk van de verschillende competentievereisten in het bij de oproep gevoegde profiel op zich beoordeelt en besluit dat ook deze opstelsom de voorkeur voor de kandidatuur van mevrouw Marijke STERCK bevestigt; Overwegende dat de auditeur-generaal om die redenen adviseert mevrouw Marijke STERCK, eerste auditeur, aan te wijzen in het adjunct-mandaat van eerste auditeurafdelingshoofd; Overwegende dat zich in het dossier geen elementen bevinden die noodzaken af te wijken van het gemotiveerd advies van de auditeur-generaal”. IV. Enige middel Standpunten van de partijen
  44. Schending van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de materiëlemotiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Dit middel wordt in het verzoekschrift in essentie als volgt ontwikkeld en toegelicht: Inzake benoemingen en bevorderingen, houdt het gelijkheidsbeginsel in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken,waarbij de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt die begrensd wordt door de redelijkheid. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de overheid zich daartoe grondig informeert en de beslissing met zorg voorbereidt. Op grond van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moeten in de akte de VII-40.624-15/46 juridische en feitelijke overwegingen worden opgenomen en moeten zij afdoende zijn, hetgeen impliceert dat zij draagkrachtig moeten zijn. De bestreden beslissing, die zich het advies gegeven door de auditeur-generaal op 21 februari 2019 eigen maakt, is niet overgegaan tot een daadwerkelijke vergelijking van titels en verdiensten. Er is geen gedegen afweging gemaakt van alle titels en verdiensten. Het advies en dus ook de bestreden beslissing zijn geschreven vanuit het oogpunt van de titels en verdiensten van één kandidaat waarbij zeer fragmentarisch, onvolledig en subjectief sommige titels en verdiensten van de andere kandidaten worden „vernoemd‟, Op geen enkel moment worden de aanspraken en verdiensten van alle kandidaten tegen elkaar afgezet teneinde de verschillen en gelijkenissen te doen uitkomen. Dit houdt een schending van het gelijkheidsbeginsel in. De gehanteerde motivering is niet correct, onzorgvuldig en niet draagkrachtig. Verzoekster merkt vooraf op dat bij de kandidatuurstelling van mevrouw Sterck geen afzonderlijk curriculum vitae is gevoegd. De auditeur-generaal heeft zich dus uitsluitend kunnen steunen op de bewoordingen van de kandidatuurstelling zelf, zijnde een “promotie” van de kandidaat in kwestie. Het staat iedere kandidaat uiteraard vrij zijn kandidatuur zo aantrekkelijk mogelijk voor te stellen doch het getuigt van enige zorgvuldigheid de aanbevelingen die een kandidaat over zichzelf doet te plaatsen in de juiste context en met zin voor nuance. De ontstentenis van een objectief curriculum vitae maakt het voor verzoekster onmogelijk om de loopbaan van mevrouw Sterck af te wegen tegen haar eigen loopbaan. Zoals verder zal blijken heeft de auditeur-generaal de verdiensten van mevrouw Sterck gemaximaliseerd en de verdiensten van verzoekster verwaarloosd en geminimaliseerd wat een schending van het gelijkheidsbeginsel met zich meebrengt. Verzoekster kan zich moeilijk van de indruk ontdoen dat het advies is geschreven met als enig uitgangspunt de keuze voor mevrouw Sterck te verantwoorden, enkel en alleen omwille van haar anciënniteit, zodat er geen daadwerkelijke afweging van alle titels en verdiensten van elke kandidaat heeft plaatsgevonden. Verdiensten die welgekomen zijn om de keuze voor mevrouw Sterck te verantwoorden worden uitvergroot, terwijl tekorten als niet relevant worden benoemd. Verdiensten van verzoekster worden dan weer ofwel niet ofwel VII-40.624-16/46 bijzonder summier aangehaald om vervolgens deze verdiensten ronduit als niet relevant af te doen. Kenmerkend hierbij is dat het advies erkent dat anciënniteit niet doorslaggevend is, maar toch aanvangt met een rangschikking volgens anciënniteit. Uit de verdere libellering van het advies blijkt dat alles in het werk is gesteld om de kandidaat met de meeste anciënniteit als meest geschikte voor te dragen”. Bij de uiteenzetting van het middel volgt verzoekster de indeling van het advies: Anciënniteit: onjuiste motivering en onzorgvuldig onderzoek Bij de globale anciënniteit is het frappant dat aan verzoekster evenveel anciënniteit wordt toegekend als aan collega‟s Verheven en Neuts zijnde vanaf 31 oktober 2007 terwijl verzoekster reeds sedert 15 januari 2001 werkzaam is binnen het auditoraat. Aldus wordt aan verzoekster zes jaar en tien maanden anciënniteit ontnomen. Hoewel anciënniteit in deze geen criterium mag zijn toont deze fout aan hoe onzorgvuldig te werk is gegaan bij het opmaken van het advies. Verzoekster meent dat eerder dan anciënniteit in het auditoraat, de werkervaring buiten het auditoraat een grotere rol kan spelen bij de keuze voor een kandidaat. Dit blijkt trouwens uit de opsomming van de competentievereisten: “geschiktheid voor het leiden van een groep, motiverend optreden, empathie en luisterbereidheid, conflictbeheersing, organisatietalent, flexibiliteit, resultaatgerichtheid, zin voor communicatie en overleg, verantwoordelijkheidszin en zin voor systematiek en kwaliteit”, zijnde “skills” die men veeleer kan verwerven door een diversiteit aan ervaring dan louter op grond van een cijfermatige anciënniteit binnen één en dezelfde instelling. Uit de kandidatuur van mevrouw Sterck kan afgeleid worden afgeleid dat zij pas sedert juni 1993 als jurist aan de slag ging terwijl verzoekster in juli 1998 aan de balie begon. Daarnaast blijkt uit de kandidatuurstelling van mevrouw Sterck dat haar juridische ervaring zich beperkt binnen het overheidsapparaat terwijl verzoekster opeenvolgend werkzaam was als advocate, juriste in het bankwezen en vervolgens bij de Raad van State. Verder wordt specifiek op deze ervaring ingegaan. Het spreekt voor zich dat deze diverse werkervaring verworven tijdens VII-40.624-17/46 de loopbaan relevanter is bij het begeven van het mandaat van afdelingshoofd dan de loutere anciëniteit binnen het auditoraat. Dit wordt trouwens door de Rand van State zelf uitdrukkelijk bevestigd in het arrest Stevens van 26 mei 2015, nr. 231.
  45. De auditeur-generaal meent bovendien dat anciënniteit een element kan zijn dat toelaat gelijkwaardige kandidaten van elkaar te onderscheiden. Verzoekster meent dat zij en mevrouw Sterck geen gelijkwaardige kandidaten zijn, minstens zijn beide kandidaturen niet gedegen met elkaar vergeleken. De motivering die gehanteerd wordt om mevrouw Sterck naar voor te schuiven is onjuist, subjectief, niet pertinent en allerminst draagkrachtig. Profielelementen groep 1 (randnummer 5.4 van het advies) Het leiden van een afdeling wordt specifiek genoemd voor de taak van een afdelingshoofd. Vereist wordt dat het afdelingshoofd in staat dient te zijn de leden van de afdeling te leiden en begeleiden, met respect voor ieders onafhankelijkheid. Dit alles vergt een uitstekend jurist die vertrouwd is met de materies binnen zijn afdeling of er zich zonder problemen vertrouwd mee kan maken. Na te hebben overwogen dat alle vier de kandidaten uitstekende juristen zijn die in staat zijn een afdeling te leiden en te begeleiden overweegt het advies dat verzoekster, Iris Verheven en Jurgen Neuts meer vertrouwd zijn met de materie binnen de afdeling. Dit is uiteraard zo nu deze drie kandidaten reeds jaar en dag deel uitmaken van afdeling II, verzoekster al ruim acht jaar. Van mevrouw Sterck wordt overwogen dat “zij nooit gewerkt heeft in deze afdeling en minder ervaring heeft met de materies” om vervolgens te besluiten dat “een afdelingshoofd niet noodzakelijk uit de leden van de betrokken afdeling moet aangewezen worden en dat een doorstroming mogelijk moet zijn en nuttig kan zijn”. Dat een afdelingshoofd “niet noodzakelijk” gekozen moet worden binnen de afdeling zelf, maar het lijkt toch evident neemt niet weg dat indien voor een “extern” afdelingshoofd wordt gekozen hiervoor grotere verdiensten, dan de verdiensten van diegene die vertrouwd is met de materie, moeten voorliggen. Met andere woorden dienen er redelijk aanvaardbare en draagkrachtige motieven aangehaald te worden die in alle redelijkheid verantwoorden waarom aan de acht VII-40.624-18/46 jaar relevante ervaring van verzoekster met de materie wordt voorbijgegaan. Herhaald wordt dat de Raad van State in deze bevoegd is om na te gaan of het bestuur bij de vergelijking van de kandidaten objectieve criteria, die verband houden met de functie, heeft gehanteerd en of het bestuur, afgaand op de feitelijke gegevens die voorlagen en die het juist heeft bevonden, niet elke redelijkheid te buiten is gegaan door aan de bevorderde kandidaat de voorkeur te geven. (RvS, VERSCHAEREN, nr. 240.217, 18 december 2017). Om aan te tonen dat de objectief vastgestelde mindere ervaring van mevrouw Sterck met de materie niet van aard is haar kandidatuur ondergeschikt te maken worden in het advies verschillende redenen aangehaald. - Mevrouw Sterck zou flexibel zijn, wat bewezen wordt door haar overgang in december 2017 naar afdeling IV. Bij deze overgang behield mevrouw Sterck echter haar vertrouwde vreemdelingenzaken, hetzij de haar reeds jaren toevertrouwde materie. Niet enkel dient deze flexibiliteit aldusdanig genuanceerd te worden, doch tevens stelt zich de vraag hoe hieruit kan worden afgeleid dat mevrouw Sterck in staat is het tekort aan relevante kennis van de materie te overbruggen. Te meer verzoekster blijk heeft gegeven van een daadwerkelijke flexibiliteit door haar overstap van de afdeling V, materie stedenbouw, naar afdeling II, destijds materie statuut-onderwijs-lokale besturen. Deze overgang gebeurde uiteraard zonder dat enig dossier stedenbouw door verzoekster werd meegenomen. Daarenboven diende verzoekster, die tot aan deze overgang enkel dossiers ten gronde had behandeld, onmiddellijk en alleen in te staan voor de gewone schorsingen en schorsingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend tegen alle beslissingen genomen door de lokale besturen. De flexibiliteit van verzoekster wordt in het advies niet in ogenschouw genomen, zodat er geen daadwerkelijke vergelijking van titels en verdiensten heeft plaatsgevonden. Voor zoveel als nodig wenst verzoekster hierbij nog aan te stippen dat zij destijds als lid van het auditoraat bereid is geweest om de Kamers te vervoegen als toegevoegd griffier wat toch ook enige flexibiliteit veronderstelt. Er valt dan ook niet in te zien in welke mate de voorgedragen kandidaat zich op het vlak van flexibiliteit onderscheidt van verzoekster. VII-40.624-19/46 In dezelfde alinea wordt eveneens overwogen dat mevrouw Sterck “intussen ook al meer dan één jaar statuutzaken behandelt, een ervaring die ook relevant is het behandelen van de personeelszaken lokale besturen en onderwijs in afdeling II”. Nazicht van de statistieken leert echter dat de voorgedragen kandidaat van december 2017 tot februari 2019 (datum van het advies) 11 zaken ten gronde heeft behandeld (artikel 12) en 1 dossier “korte debatten” (artikel 93), dit is minder dan 1 dossier per maand. Verzoekster weet dat mevrouw Sterck naast deze dossiers ook nog verslagen in vreemdelingenzaken en varia heeft gemaakt, het is allerminst verzoeksters intentie de prestaties van mevrouw Sterck in twijfel te trekken, maar het gering aantal gemaakte verslagen in de in casu enigszins relevante materie kan niet ontkend worden. De “relevante ervaring” waarvan sprake in het advies dient dan ook genuanceerd te worden en is niet van aard de ervaring van verzoekster ter zake te minimaliseren of opzij te schuiven. Verzoekster legde immers voor dezelfde periode […] 23 zaken ten gronde (artikel 12), 4 zaken “korte debatten” (artikel 93), 15 gewone schorsingen en 29 schorsingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid neer. Geen van de aangehaalde motieven zijn bijgevolg van aard om in alle redelijkheid voorbij te gaan aan de relevante verdiensten van verzoekster. Er is geen correcte en zorgvuldige afweging van de verdiensten van alle kandidaten gebeurd. - Mevrouw Sterck “is ongetwijfeld in staat om zich snel in te werken in de materies behandeld door afdeling II Uit haar kandidatuurstelling blijkt dat zij zich reeds de materies behandeld door deze afdeling probeert eigen te maken hetgeen ook haar motivatie aantoont”. Waaruit een vermeende poging bestaat om zich de materie eigen te maken is voor verzoekster volstrekt onduidelijk. Gewis kan hiermee het zich verdiepen in het Handboek voor de gemeenteraadsverkiezingen bedoeld worden nu dit verkiezingscontentieux- slechts voor een zeer kleine fractie- deel uitmaakt van de te behandelen materie. Hoe dan ook kan uit het louter lezen van een boek niet afgeleid worden dat men in staat is zich op een snelle manier een materie eigen te maken. Hetzelfde geldt voor het lezen van arresten en verslagen van de materies van afdeling II. Van iedere auditeur wordt verwacht op de hoogte te zijn van de rechtspraak van de Rand van State en men kan zich niet enkel beperken tot zijn “eigen materie”. Iedere auditeur is immers gedurende een gerechtelijk jaar een VII-40.624-20/46 aantal keer van wacht wat een minimale kennis van de gehele rechtspraak veronderstelt. Ook dit motief kan de voordracht van mevrouw Sterck niet dragen, wegens niet concreet, doch enkel verondersteld. - Mevrouw Sterck heeft ervaring met de meest voorkomende procedures bij de Raad van State, namelijk annulatieberoepen, vorderingen tot schorsing en vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en cassatiezaken. Ongetwijfeld is mevrouw Sterck vertrouwd met al deze procedures maar dit geldt evenzeer voor verzoekster. Verzoekster heeft geen ervaring met cassatie zaken maar terecht stelt het advies dienaangaande dat deze zaken eerder beperkt zijn binnen afdeling II. Verzoekster staat daarentegen wel in voor alle procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingeleid tegen beslissingen van de burgemeester en/of gemeenteraden en andere lokale besturen waarbij het niet zelden voorkomt dat een zaak de dag na de inleiding ervan of zelfs dezelfde dag wordt vastgesteld. Dit verplicht ook verzoekster om binnen (zeer) korte termijn te werken. Ook schorsingen en annulatieberoepen worden door verzoekster behandeld. (zie verder). Opnieuw wordt deze verdienste van verzoekster niet in ogenschouw genomen. Dit motief is bijgevolg niet van aard om aan de voorgedragen kandidaat de voorkeur te geven. Tot slot stelt het advies dat “de drie andere kandidaten binnen afdeling II elk toch ook hun eigen specialisatie hadden en dus niet zonder meer allen volledig en even vertrouwd zijn met alle materies die deze afdeling behandelt”. Deze overweging druist volledig in tegen hetgeen verzoekster heeft uiteengezet in haar kandidatuurstelling, met name onder de rubriek “relevante juridische expertise” wordt vermeld dat “ik in het verleden ook werd ingeschakeld voor de zogenaamde POD zaken (zaken die eigenlijk tot niemands bevoegdheid behoren) en statuutzaken wat maakt dat ik over de vereiste juridische en organisatorische hoedanigheid beschik om de afdeling te leiden. Daarnaast sta ik reeds ettelijke jaren, samen met collega Iris Verheven, in voor het selecteren en samenvatten van de arresten van onze afdeling voor de nieuwsbrief. Ook deze activiteit bezorgt me een duidelijk en volledig zicht op de inhoud van de door afdeling II behandelen materies”. VII-40.624-21/46 Verzoekster is aldus, in weerwil van hetgeen het advies voorhoudt, wel degelijk vertrouwd met “alle” materies binnen afdeling II. Nu vaststaat dat geen van de in het advies gehanteerde motieven in redelijkheid verantwoorden waarom aan de voorgedragen kandidaat de voorkeur dient te worden gegeven is er voor deze rubriek geen sprake van gelijkwaardige kandidaten. Er kan redelijkerwijze niet worden voorbijgegaan aan het objectief criterium, zijnde de jarenlange relevante ervaring van verzoekster met de materies van afdeling II dat voorligt en verband houdt met het te begeven mandaat, de verdiensten van mevrouw Sterck ten spijt. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet gebieden dat er een vergelijking moet worden gemaakt van titels en verdiensten dewelke gebeurt op basis van concrete gegevens, niet op grond van hypotheses of veronderstellingen. De onder rubriek 5.4 gehanteerde motieven om mevrouw Sterck voor te dragen zijn elementen waarvan noch verzoekster noch de Raad van State de juistheid kan nagaan. Ze leiden tot willekeur en kunnen niet van aard zijn zwaarder door te wegen dan objectief vastgestelde concrete ervaring van verzoekster. Door het gelijkstellen van concrete ervaring met vage, hypothetische, niet relevante of veronderstelde ervaring schendt het bestreden besluit artikel 10 van de Grondwet, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Bovendien zal uit hetgeen hierna wordt uiteengezet blijken dat bij de andere rubrieken wel de voorkeur wordt gegeven aan concrete ervaring zodat het advies een tegenstrijdige motivering in zich draagt. Profielelementen groep 2 ( randnummer 5.5 van het advies) Onder deze rubriek wordt uiteengezet dat de opdracht van afdelingshoofd er bovendien uit bestaat ervoor te zorgen of er toe bij te dragen dat er in de afdeling een positieve werksfeer bestaat waar collegialiteit en vandaar samenwerking op een zo optimaal mogelijke manier kan worden gerealiseerd. Hierbij zijn volgende competentievereisten belangrijk: “empathie, luisterbereidheid, groepsgeest, zin voor communicatie en overleg en motiverend optreden”. Binnen deze rubriek onderzoekt de auditeur-generaal hoe de kandidaten in hun loopbaan hebben bewezen aan deze profielelementen te voldoen. Ook hier valt op VII-40.624-22/46 dat er geen gedetailleerde, concrete afweging van alle verdiensten van alle kandidaten gebeurt. Het advies is wat dit punt betreft een “samenraapsel” van fragmenten uit de verschillende kandidaturen waarbij andermaal de verdiensten van verzoekster, en bij uitbreiding van de overige twee kandidaten, worden geminimaliseerd of kortweg afgedaan als niet relevant en de verdiensten van de voorgedragen kandidaat worden overschat. Door aldus te handelen schendt het advies het gelijkheidsbeginsel. Verzoekster zal pogen deze “overwegingen” op een systematische wijze te weerleggen. Samengevat wordt voor deze profielvereisten aan mevrouw Sterck de voorkeur gegeven op grond van volgende overwegingen: - Tussen 2007 en 2010 heeft de voorgedragen kandidaat een team van 4 bestuurlijke attachés gemotiveerd en geleid. Een kabinet bestaande uit enkele duizenden dossiers heeft haar organisatorische aanpak verscherpt en haar verplicht tot een nauwgezette opvolging van de dossiers om een nog grotere achterstand te vermijden. Het leerde haar omgaan met druk. Zij motiveerde en begeleidde verschillende attachés in het behandelen van een groot volume van dossiers. Aldus blijken Marijke Sterck en Iris Verheven zich te kunnen beroepen op relevante concrete ervaring van leiden en begeleiden van attachés binnen het auditoraat. - Hiertegenover staat dat het voor Marijke Sterck ging om het beheren en wegwerken van grote aantallen zaken binnen het Auditoraat, in het motiveren van een team om te blijven geloven in de afbouw van een soms niet aflatende stroom zaken en in het overleggen om in de mate van het mogelijke tot een gezamenlijk standpunt te komen Frappant bij de eerste overweging is dat enkel de ervaring opgedaan binnen het auditoraat als relevant wordt beschouwd. Daar waar bij profielelementen 1 nog werd aangehaald dat de relevante, concrete ervaring (lees ervaring met de betrokken materie) niet doorslaggevend hoeft te zijn wordt de ervaring van verzoekster, en de andere kandidaten, buiten de Raad van State niet gehonoreerd wegens “niet concreet genoeg”. Er valt niet in te zien en dit blijkt evenmin uit de VII-40.624-23/46 opgesomde competentievereisten waarom met ervaring buiten het auditoraat geen rekening dient te worden gehouden. Bij de functiebeschrijving voor het te begeven mandaat staat immers nergens vermeld dat “ervaring met betrekking tot het leiden en begeleiden van attachés binnen het auditoraat” vereist is. De relevantie van deze ervaring is verzoekster ook niet duidelijk nu een afdelingshoofd leiding geeft aan gelijken zonder een hiërarchisch verband, zodat enige vergelijking met opgedane ervaring bij het leiden en begeleiden van bestuurlijke attachés hoegenaamd niet ter zake doet. Minstens wordt niet uiteengezet waarom aan deze vorm van leiden meer waarde dient te worden toegekend dan aan enige andere vorm van leidinggeven. Bijkomend weze opgemerkt dat afdeling II(- Lokale besturen en Onderwijs) reeds ettelijke jaren bestaat uit een eerste auditeur-afdelingshoofd en vier auditeurs bijgestaan door een bestuurlijk attaché die deeltijds werkt. Het leiding geven binnen deze afdeling betreft derhalve in essentie het sturen van auditeurs en in mindere mate het leiden en begeleiden van een bestuurlijk attaché. Tot slot komt het limiteren van de titels en verdiensten tot deze verworven binnen het auditoraat de facto neer op het doen primeren van de anciënniteit als enig onderscheidingscriterium. Verzoekster heeft in haar kandidatuur omstandig uiteengezet dat zij “reeds in een vorige carrière als afdelingshoofd diende te fungeren als „go-between‟ tussen de leden van het directiecomité en de leden van mijn afdeling. Een woelige periode van herstructureringen gepaard gaande met de nodige ontslagen werd door mij op een voor iedereen aanvaardbare wijze afgehandeld”. Het spreekt voor zich dat deze ervaring verzoekster eveneens leerde omgaan met druk en dat het herstructureren van een bank slechts kan welslagen dankzij een gemotiveerd team. Bij een bank in crisis is een nauwgezette opvolging van dossiers een conditio sine qua non. Deze ervaring wordt in het advies afgedaan als „ongetwijfeld nuttig maar minder onmiddellijk relevant.‟ Waarom deze ervaring minder relevant is wordt niet uiteengezet en verzoekster heeft er dan ook het raden naar. Kandidaten Neuts en Verheven wezen reeds in hun kandidatuurstelling op het feit dat een afdelingshoofd staat tegenover de “peers” van zijn afdeling wat een uitzonderlijke vorm van leidinggeven impliceert. VII-40.624-24/46 De auditeur-generaal is echter de mening toegedaan dat dit “bijzonder karakter niet van die aard is dat dit elke relevantie ontneemt aan de voormelde ervaring van leiden en begeleiden van attachés binnen het Auditoraat”. Opnieuw is het verzoekster niet duidelijk waarom aan haar ervaring met betrekking tot het leiden en begeleiden van leden van haar afdeling, weliswaar buiten het auditoraat, geen relevantie kan worden toegekend, m.a.w. aan verzoeksters ervaring wordt wel degelijk elke relevantie ontnomen. Door aldus te handelen schendt het advies, overgenomen door het thans bestreden besluit, het gelijkheidsbeginsel. Met enige ontsteltenis stelt verzoekster vervolgens vast dat met haar ervaring als advocate simpelweg geen rekening wordt gehouden, deze wordt alleszins niet vermeld. Nochtans is het algemeen bekend dat ook advocaten verondersteld worden om te kunnen gaan met druk. Deze beroepservaring van mevrouw Verheven wordt wel uitdrukkelijk vermeld. Van een gedegen afweging van alle titels en verdiensten van alle kandidaten is in casu geen sprake. De bestreden beslissing schendt naast het gelijkheidsbeginsel ook het zorgvuldigheidbeginsel dat vereist dat het geheel van alle verdiensten minutieus ten opzichte van elkaar wordt beoordeeld. Door het niet vermelden van de volledige beroepservaring van verzoekster is de thans bestreden beslissing, die het advies van de auditeur-generaal overneemt, gebrekkig gemotiveerd. Betreffende de tweede overweging, zijnde het beheren en wegwerken van een groot aantal zaken binnen het auditoraat, wenst verzoekster op te merken dat zij van 15 januari 2001 tot augustus 2005 werkzaam was als bestuurssecretaris binnen de afdeling Vreemdelingenzaken. Dit wordt uitdrukkelijk vermeld in haar kandidatuurstelling en curriculum vitae. Net zoals mevrouw Sterck werd ook verzoekster ingeschakeld om het groot aantal vreemdelingendossiers te beheren en weg te werken. De taak van een bestuurssecretaris bestond er destijds uit om aan een hoog tempo dossiers af te handelen en de nieuwe collega‟s, die aan de lopende band binnenstroomden, te begeleiden. Verzoekster legt een aantal statistieken uit die periode neer waaruit blijkt dat haar kabinet bestond uit een bijzonder groot aantal zaken (soms meer dan 700), bij de aanvang van haar job als bestuurssecretaris in 2001 handelde dit nog maar om een 200-tal zaken. Uit deze statistieken blijkt ook dat gemiddeld twee dossiers per dag werden behandeld, dat verzoekster nieuwe collega‟s diende op te vangen en op te VII-40.624-25/46 leiden (zie vermelding opleiden ave en gve) en dat verzoekster ook betrokken werd bij de herverdeling van dossiers […]. Samen met de steeds groter wordende stroom aan inkomende zaken werd de druk op de bestuurssecretarissen immers opgevoerd. Het beheren van een dergelijk groot kabinet heeft evenzeer de organisatorische aanpak van verzoekster verscherpt en haar verplicht tot een nauwgezette opvolging van de dossiers. Alle verdiensten die bijgevolg opgaan voor mevrouw Sterck gelden evenzeer voor verzoekster. Verzoekster beseft dat ze deze verdiensten mogelijks niet afdoende in de verf heeft gezet bij haar kandidatuurstelling, de reden hiervoor is tweeërlei: - de auditeur-generaal was ten tijde van de “vreemdelingentsunami” eveneens werkzaam binnen het auditoraat en was bijgevolg perfect op de hoogte van de tank van bestuurssecretarissen destijds, waaronder dus ook die van verzoekster. Het getuigt van zorgvuldigheid dat wanneer de verdiensten van één van de kandidaten uitvoerig worden bewierookt dit ook dient te gebeuren voor een andere kandidaat met dezelfde verdiensten. Verzoekster die dezelfde prestaties leverde als mevrouw Sterck (cfr. de statistieken van verzoekster) deed dit uiteraard als bestuurssecretaris terwijl mevrouw Sterck dit deed in haar hoedanigheid van auditeur. Dit verschil in titel had echter enkel tot gevolg dat de voorgedragen kandidaat en de andere auditeurs in vreemdelingenzaken met alle dossiers, lees de verslagen opgemaakt door het team bestuurssecretarissen, naar de zitting gingen. Zittingen die, gelet op het reusachtig aantal dossiers dat diende behandeld te worden, bestonden uit een loutere verwijzing naar het verslag. Verslag dat naast de handtekening van de auditeur eveneens de initialen van de bestuurlijk attaché vermeldde. - gelet op het zeer eigen karakter van het vreemdelingencontentieux destijds, geen enkele andere materie leent zich ertoe stelselmatig twee, soms drie zaken per dag af te handelen, was en is verzoekster van mening dat deze werkzaamheden niet relevant zijn voor het thans te begeven mandaat. Minstens is het opmaken van een verslag in het vreemdelingencontentieux niet te vergelijken met het opmaken van verslagen in andere materies. Dit blijkt genoegzaam uit de statistieken van verzoekster zelf als uit het cijfermateriaal van de auditeurs belast met vreemdelingenzaken voor de periode van 2008 tot 2011 […]. Het hoeft geen betoog dat nu een auditeur bestuursrechtspraak gemiddeld een 60-tal verslagen per jaar neerlegt de cijfers van de auditeurs-vreemdelingenzaken, ten belope van VII-40.624-26/46 jaarlijks 2000 verslagen tot 300 verslagen, niet te vergelijken zijn. Er anders over oordelen zou betekenen dat afgezien van deze vier auditeurs de andere auditeurs allen ondermaats zouden presteren, wat hoegenaamd niet het geval is. Uit deze cijfergegevens blijkt tevens dat van zodra de desbetreffende auditeurs ook belast worden met andere materies het aantal neergelegde verslagen zienderogen slinkt én zij dus opmerkelijk minder produceren in deze andere materies. Door beiden manieren van werken toch te vergelijken, en aldus te vergelijken wat eigenlijk niet te vergelijken valt, schendt het advies het gelijkheidsbeginsel. Het geheel van ervaringen van verzoekster wordt niet afgewogen tegen de enkele ervaring van de voorgedragen kandidaat. Uit hetgeen hierboven werd uiteengezet blijkt dat in deze rubriek ten onrechte voorkeur werd gegeven aan de kandidatuur van mevrouw Sterck. Profielelementen groep 3 (randnummer 5.6 van het advies) Binnen deze rubriek wordt aandacht besteed aan “het deelnemen aan de leiding van de werkzaamheden van het auditoraat en het oog hebben voor de algemene werking van het algemeen belang van het auditoraat‟. Ook hier worden andermaal de verdiensten van verzoekster slechts sporadisch en fragmentarisch aangehaald. Het gegeven dat verzoekster destijds in het belang van de Raad van State “in het algemeen” bereid is gevonden om, naast haar taak als bestuurssecretaris binnen het auditoraat, ook als toegevoegd griffier te fungeren, wordt eenvoudigweg niet vermeld. Daarnaast worden het hervormen van de databank in afdeling V, de selectie van de arresten van afdeling II voor de maandelijkse nieuwsbrief, verzoeksters verantwoordelijkheid voor het onderdeel lokale besturen voor de databank wel aangehaald maar niet besproken. Laat staan dat deze verdiensten op een gedegen wijze worden afgewogen tegen de verdiensten van de andere kandidaten. Ook in deze rubriek wordt uitvoerig ingegaan op “het leiden en begeleiden van attachés door Marijke Sterck en haar rol in het wegwerken van de achterstand binnen het auditoraat”. Dienaangaande verwijst verzoekster naar haar verdiensten ter zake zoals uiteengezet bij de profielelementen groep
  46. Deze worden alweer niet vermeld in het advies, laat staan naar waarde geschat. Opnieuw wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden. VII-40.624-27/46 Het advies wordt werkelijk hallucinant waar het de verdienste van de voorgedragen kandidaat aanhaalt met betrekking tot “het motiveren van attachés om de overstap te maken naar het auditoraat”. Niet enkel stelt verzoekster zich de vraag waaruit deze verdienste überhaupt blijkt en bestaat, doch evenzeer doet deze zinsnede afbreuk aan de eigen verdiensten van verzoekster, en bij uitbreiding van al diegenen die slaagden voor het auditeursexamen. Geschiktheid voor het leiden van een groep, motiverend optreden (randnummers 5.9 en 5.10 van het advies) Hier herhaalt het advies randnummer 5.
  47. Verzoekster verwijst naar haar kritiek uiteengezet bij dit punt. Bij “motiverend optreden” wordt nogmaals herhaald dat Marijke Sterck en Iris Verheven dit reeds het meest concreet deden binnen het auditoraat. Nu onder competentievereisten niet gestipuleerd wordt dat dit motiverend optreden zich diende te beperken binnen het auditoraat kan niet aangenomen worden dat enkel dit motiveren dient gehonoreerd te worden. Evenmin kan worden ingezien waarom aan het motiverend optreden binnen het Auditoraat een grotere waarde dient te worden toegekend. Conflictbeheersing (randnummer 5.12 van het advies) en organisatietalent (randnummer 5.13 van het advies) Ook onder deze rubriek wordt uitdrukkelijk gesteld dat de ervaring van verzoekster niet werd opgedaan binnen het auditoraat. Van de weeromstuit wordt met deze ervaring geen rekening gehouden. Door te weigeren met deze ervaring rekening te houden, terwijl bij de functiebeschrijving en het profiel enkel “conflictbeheersing” wordt vermeld en niet „conflictbeheersing binnen het auditoraat‟, kan niet anders dan geconcludeerd worden dat enkel met het criterium van de anciënniteit wordt rekening gehouden. Een dergelijke handelswijze druist niet enkel in tegen de rechtspraak van de Raad van State maar maakt ook geen gedegen afweging van titels en verdiensten uit. VII-40.624-28/46 Ook wordt enkel het begeleiden en organiseren van teamwerk binnen het auditoraat in bestuursrechtspraak vergeleken, zodat ander teamwerk niet relevant is. Flexibiliteit (randnummer 5.14 van het advies) Hoger werd reeds uiteengezet dat de flexibiliteit van de voorgedragen kandidaat danig genuanceerd dient te worden (bij haar overgang naar een andere afdeling behield ze immers de haar sinds jaren toevertrouwde materie). Verzoekster maakte de overstap van het vreemdelingencontentieux naar de afdeling stedenbouw en vervolgens naar afdeling II en dit zonder behoud van materie. Mevrouw Sterck kan dan ook niet in aile redelijkheid voor deze vereiste ex aequo met verzoekster gerangschikt worden. Resultaatgerichtheid De verdienste van verzoekster om een groot aantal schorsingen en schorsingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid te behandelen in de materies van afdeling II wordt afgewogen tegenover de verdienste van de voorgedragen kandidaat om, samen met een team van bestuurlijke attachés, de achterstand in Vreemdelingenzaken weg te werken en het groot aantal cassatiezaken die zij behandelt. Merkwaardig genoeg erkent het advies aldus dat het wegwerken van de achterstand gebeurde samen met een team van attachés, doch worden de prestaties van verzoekster, als attaché vreemdelingenzaken, niet vernoemd. Uit de statistieken blijkt dat verzoekster evenzeer een groot aantal dossiers voor haar rekening nam. Daarenboven wordt herhaald dat een verslag in vreemdelingenzaken niet kan gelijkgesteld worden met een verslag in de materie van afdeling II. Ten onrechte gaat het advies, en bijgevolg de bestreden beslissing ervan uit dat de aanpak van de achterstand inzake het vreemdelingencontentieux gelijkaardig is aan het wegwerken van “het aantal dossiers en oude dossiers in afdeling 11” en de benoemde kandidaat daarom de voorkeur wegdraagt. Dit betreft een manifeste beoordelingsfout. VII-40.624-29/46 Een gelijkwaardige beoordeling van verzoekster met de voorgedragen kandidaat vindt geen steun in de verdiensten ter zake. Ook het groot aantal cassatiezaken door de voorgedragen kandidaat behandeld kan hier niet doorwegen op het groot aantal zaken door verzoekster behandeld in de afdeling II nu binnen deze afdeling slechts een beperkt aantal cassatiezaken behandeld worden. Uit een correcte vergelijking en afweging van alle titels en verdiensten van verzoekster kan geen gelijkwaardigheid worden afgeleid tussen verzoekster en de voorgedragen kandidaat, laat staan dat er redenen zijn om de voorgedragen kandidaat te laten primeren op de kandidatuur van verzoekster.
  48. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord in essentie: - Met verwijzing naar het arrest nr. 242.563 van 9 oktober 2018 brengt zij in herinnering dat een benoemende overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt en zet zij uiteen waar de grenzen van deze bevoegdheid liggen; - Wat betreft het ontbreken van het curriculum vitae van de tussenkomende partij wijst zij er op dat de dienstnota van 28 november 2018 niet de vereiste oplegt een curriculum vitae bij de kandidatuur te voegen en dat de tussenkomende partij in haar kandidatuur wel degelijk een overzicht geeft van haar studie- en loopbaanervaring; - Wat betreft de anciënniteit binnen het auditoraat stelt zij dat dit enkel de anciënniteit in de hoedanigheid van auditeur is, en derhalve niet als bestuurssecretaris, en dat die anciënniteit zo voor alle kandidaten op gelijke wijze in aanmerking is genomen; - Bovendien heeft tussenkomende partij, als rekening gehouden wordt met de anciënniteit als bestuurssecretaris in het auditoraat, nog steeds meer anciënniteit dan verzoekster; - In zoverre bekritiseerd wordt dat geen rekening gehouden wordt met ervaring buiten het auditoraat, terwijl “het voor zich spreekt” dat deze ervaring relevanter is voor de te begeven functie dan anciënniteit, wijst zij er op dat verzoekster geenszins verduidelijkt waarom dit voor zich zou spreken en meent zij dat het veeleer de logica zelve is dat in eerste instantie de ervaring als auditeur in aanmerking genomen wordt. De verwerende partij wijst er op dat verzoekster VII-40.624-30/46 voorbijgaat aan het feit dat de kandidaturen van Iris Verheven, Jurgen Neuts en de tussenkomende partij op basis van de beoordeling van alle profielelementen als evenwaardig worden gerangschikt, gevolgd door de kandidatuur van verzoekster; - Wat vergelijking van de kandidaten inzake hun profiel betreft, verwijst de verwerende partij naar de rechtspraak van de Raad die stelt dat uit de motivering van een benoemingsbeslissing enkel moet blijken dat de vergelijking van titels en verdiensten daadwerkelijk is gebeurd, welke de objectieve, redelijke en pertinente criteria zijn die hierbij werden gehanteerd, en welke de concrete redenen zijn waarom aan de benoemde de voorkeur werd gegeven;. - Met betrekking tot de beoordeling van de profielelementen groep 1 wijst zij er op dat de overwegingen van het advies bezwaarlijk als onredelijk kunnen worden beschouwd, hetgeen des te meer geldt nu alle kandidaten voor deze groep als evenwaardig worden beschouwd. In zoverre de flexibiliteit van de tussenkomende partij in vraag gesteld wordt is deze wel degelijk gesteund op concrete gegevens (overstap naar afdeling IV).Waar verzoekster wijst op haar eigen flexibiliteit repliceert de verwerende partij dat een positieve motivering in beginsel volstaat en stelt zij vast dat verzoekster in haar kandidatuur zelf niet verwijst naar haar werkzaamheden voor de afdeling wetgeving om haar flexibiliteit aan te tonen en dat haar overstap van afdeling V naar afdeling II eerder te maken had met het dalende aantal zaken in afdeling V. In zoverre verzoekster stelt dat zij vertrouwd is met alle materies van afdeling II, repliceert de verwerende partij dat zij de vaststelling dat zij voornamelijk een specifieke materie (alle beslissingen lokale besturen) behandelt. In de mate dat verzoekster verwijst naar haar ruime ervaring met de verscheidenheid van procedures geldt hetzelfde voor de tussenkomende partij. Dat de tussenkomende partij zich snel vertrouwd zou maken met de materies van afdeling II werd bevestigd toen zij de afdeling II vervoegde. Het motief dat het afdelingshoofd niet noodzakelijk uit de betrokken afdeling moet worden aangewezen, en dat in dat geval grotere verdiensten moeten worden aangetoond, staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel; - Met betreding tot de profielelementen groep 2, stelt de verwerende partij met verwijzing naar de betrokken passage uit het advies, dat de auditeur-generaal tot de bevinding kwam dat redelijkerwijze het meeste waarde kon gehecht worden aan de begeleiding van attachés en dat tussenkomende partij op dit punt dus de meest VII-40.624-31/46 geschikte was. Dat meer gewicht gegeven werd aan de ervaring van tussenkomende partij inzake het leiden van een team van bestuurlijke attachés binnen het auditoraat kan geenszins als onredelijk worden beschouwd. Dat tussenkomende partij daarbij een leidinggevende rol had, toont niet aan dat verzoekster een team van bestuurlijke attachés heeft geleid. Zij was bestuurlijk attaché en brengt nu post factum nieuwe elementen aan die zij in haar kandidatuur onvoldoende in de verf had gezet. In zoverre verzoekster haar ervaring in het bankwezen inroept stelt de verwerende partij zich de vraag of deze ervaring wel omstandig uiteengezet werd in de kandidatuur, zoals in het verzoekschrift wordt voorgehouden, en meent zij dat niet onredelijk werd geoordeeld dat deze ervaring ongetwijfeld nuttig, maar minder onmiddellijk relevant indien zij vergeleken wordt met het leiden van een team van bestuurlijke attachés. In zoverre verzoekster ook verwijst naar haar ervaring als advocaat, die met druk moet kunnen omgaan, onderbouwt zij niet waarom dit tot een beoordeling van titels en verdiensten heeft geleid die elke redelijkheid te buiten gaat; - Met betrekking tot de profielelementen groep 3, repliceert de verwerende partij dat niet elk element uit de kandidatuur in het advies moet vermeld worden. Een positieve motivering volstaat. De auditeur-generaal betrekt bovendien wel degelijk de door verzoekster aangehaalde ervaring (selectie arresten lokale besturen voor de nieuwsbrief, ervaring als bestuurlijk attaché); - Wat betreft de afzonderlijke beoordeling van de competenties repliceert de verwerende partij dat de criteria op gelijke wijze op de verschillende kandidaten werden toegepast. Weliswaar wordt daarbij het meeste gewicht toegekend aan de ervaring binnen het auditoraat gelet op de relevantie voor de te begeven betrekking, maar dit wordt op gelijke wijze voor alle kandidaturen in aanmerking genomen. Het is derhalve niet zo dat ervaring binnen het auditoraat voor de ene kandidaat wel doorweegt en niet voor de andere. Verzoekster toont geenszins aan waarom dit ingaat tegen de gestelde competentievereisten en het profiel.
  49. De tussenkomende partij sluit zich in haar toelichtende memorie aan bij de repliek in de memorie van antwoord. VII-40.624-32/46
  50. Verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord in essentie: - In zoverre naar het arrest Stevens wordt verwezen, wijst verzoekster er op dat daarin gesteld wordt dat er een daadwerkelijk onderzoek van titels en verdiensten dient te gebeuren, en dat daarbij objectieve criteria die verband houden met de functie moeten gehanteerd worden. Bij de dertien vooropgestelde competentievereisten zijn er slechts twee waarin verwezen wordt naar het auditoraat, zodat mag aangenomen worden dat de andere elf niet noodzakelijk in de schoot van het auditoraat moeten verworven zijn; - Betreffende het ontbreken van het curriculum vitae van de tussenkomende partij stelt verzoekster dat dit een vergelijking wel degelijk bemoeilijkt; - Betreffende de anciënniteit volhardt verzoekster dat ook de anciënniteit als bestuurssecretaris binnen het auditoraat relevant is. De dienstnota van 28 november 2018 maakt gewag van „groepsgeest en betrokkenheid bij de goede werking van het Auditoraat als geheel‟. Verzoekster heeft hierbij wel degelijk belang omdat het aantoont dat haar kandidatuur verschilt van deze van Iris Verheven en Jurgen Neuts; Waar de verwerende partij betoogt dat niet kan ingezien worden en dat niet verduidelijkt wordt waarom het voor zich spreekt dat ervaring buiten het auditoraat relevanter is, getuigt zij van kwade trouw aangezien in het verzoekschrift omstandig uiteengezet wordt waarom de werkervaring buiten het auditoraat een grotere rol kan spelen bij de keuze van de kandidaat. De verwerende partij haalt anciënniteit en ervaring door elkaar. In tegenstelling tot wat in het advies voorgehouden wordt blijkt uit de memorie van antwoord dat het criterium van de anciënniteit binnen het auditoraat het enige criterium is geweest en dat er geen vergelijking van de kandidaten is geweest. - Betreffende de vergelijking van de kandidaten inzake hun profiel stelt verzoekende partij dat de kern van het beroep zich samenvat in drie vragen: * Gebeurde er een gedegen afweging en vergelijking van alle titels en verdiensten van alle kandidaten? *Zijn er pertinente en draagkrachtige motieven voorhanden die toelaten de ruim negen jaar lange ervaring van verzoekende partij met de materie van de te begeven functie en het gebrek aan ervaring van de voorgedragen kandidate te overbruggen? VII-40.624-33/46 * Laat de functie van afdelingshoofd toe dat enkel de opgedane ervaring als auditeur binnen het Auditoraat als relevant dient te worden beschouwd?; - Wat betreft het vertrouwd zijn met de materie van de afdeling volhardt verzoekster dat er geen pertinente, draagkrachtige en objectieve motieven zijn die toelaten te besluiten dat tussenkomende partij gelijkwaardig aan verzoekster is. Vast staat dat de tussenkomende partij beduidend minder, eigenlijk helemaal niet, vertrouwd is met de materie van de afdeling. Tot gelijkwaardigheid wordt besloten op basis van veronderstellingen; - Met betrekking tot de flexibiliteit van de tussenkomende partij repliceert verzoekende partij dat deze evenzeer voor haar geldt, maar dat deze niet tegen elkaar werden afgewogen. In zoverre de verwerende partij stelt dat verzoekster tijdelijk de afdeling wetgeving zou hebben vervoegd is dit onjuist vermits dit nooit is gebeurd, hetgeen ook aantoont dat haar kandidatuur niet zorgvuldig is onderzocht Met betrekking tot de vertrouwdheid met de materies van de afdeling volhardt verzoekende partij, met verwijzing naar de uiteenzetting in het verzoekschrift, dat zij wel degelijk vertrouwd is met alle materies van de afdeling, terwijl de tussenkomende partij deze ervaring volledig ontbeert; - Dat de tussenkomende partij een ruimere ervaring heeft met de meest voorkomende procedures bij de Rand van State wordt niet in concreto gestaafd. - In zoverre de verwerende partij stelt dat uit de na het bestreden besluit neergelegde verslagen blijkt dat tussenkomende partij zich snel vertrouwd zal kunnen maken met de materies van de afdeling is dit een niet toelaatbare motivering achteraf; - In zoverre de keuze voor de kandidaat die duidelijk minder vertrouwd is met de te behandelen materie gestaafd moet worden draagkrachtige motieven, vereist verzoekster allerminst meer verdiensten van de externe kandidaat, maar enkel vereist zij enkel verdiensten die het gebrek aan het vertrouwd zijn met de materie kunnen overbruggen. Dit standpunt staat geenszins op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel. Integendeel lijkt het er op dat de jarenlange inspanningen van verzoekster geen waarde hebben, minstens teniet worden gedaan op basis van veronderstellingen; - Dat verzoekster voorbijgaat aan de vaststelling dat de kandidaten Verheven en Neuts ook voor haar gerangschikt worden is niet relevant vermits de auditeur-generaal geen enkele daadwerkelijke afweging van titels en verdiensten VII-40.624-34/46 heeft gemaakt zodat de rangschikking met dezelfde onwettigheid is behept. Aangezien verzoekster meer dan zes jaar ervaring meer binnen het auditoraat heeft dan de kandidaten Verheven en Neuts, spreekt het voor zich dat zij niet als gelijkwaardig met deze kandidaten kan worden beschouwd, nu anciënniteit binnen het auditoraat voor de auditeur-generaal belangrijk is; - Wat de profielelementen groep 2 betreft volhardt verzoekster dat redelijkerwijze niet geoordeeld kon worden dat het meeste waarde gehecht moest worden aan de begeleiding van attachés binnen het auditoraat, die immers hiërarchisch ondergeschikt zijn, wat verschilt van het leiden van een afdeling van gelijken. Verzoekster heeft gewezen op haar ervaring in het leiden van een team van gelijken in het bankwezen. Dat niet alle elementen opgeworpen door verzoekster moeten vermeld en beantwoord worden, zoals de verwerende partij voorhoudt, strookt niet met de rechtspraak van de Raad inzake benoemingen en bevorderingen. In zoverre verwerende partij stelt dat de ervaring van bestuurlijk attaché moeilijk te vergelijken is met de leidinggevende rol die de tussenkomende partij had, verliest zij uit het oog dat de competentie leiding geven beoordeeld werd bij de profielelementen van groep
  51. Een daadwerkelijke vergelijking van de kandidaturen werd niet doorgevoerd en het limiteren van de titels en verdiensten tot deze verworven binnen het auditoraat komt de facto neer op het doen primeren van de anciënniteit als enig onderscheidingscriterium; - Wat de profielelementen groep 3 betreft volstaat het niet te stellen dat een positieve motivering volstaat. Het louter vermelden van een verdienste om ze vervolgens als niet relevant te bestempelen volstaat niet; - Wat betreft de overige competentievereisten doet het verweer dat de ervaring binnen het auditoraat voor iedere kandidaat gelijk werd getoetst geen afbreuk aan de vaststelling dat de ervaring van de kandidaten, in het bijzonder verzoekster, verworven buiten het auditoraat, niet vergeleken of gehonoreerd werd; - Inzake conflictbeheersing, flexibiliteit en resultaatgerichtheid herhaalt verzoekster wat zij uiteengezet heeft in het verzoekschrift.
  52. In haar laatste memorie stelt verzoekster in wezen dat de tussenkomende partij voor geen van de onderzochte profielelementen over titels en verdiensten beschikt die een voordracht verantwoorden, dat door het ontbreken van een curriculum vitae van de tussenkomende partij het voor de VII-40.624-35/46 auditeur-generaal onmogelijk was haar loopbaan op zorgvuldige wijze te reconstrueren, dat er ten voordele van de tussenkomende partij loutere hypothese in plaats van objectieve vaststellingen werden gedaan, dat de gegevens omtrent haar anciënniteit niet correct zijn, dat de auditeur-generaal wat betreft het onderlinge gewicht dat hij aan de criteria toekent niet objectief en pertinent tewerk is gegaan, omdat er in casu noch objectieve, noch pertinente motieven voorliggen die het toekennen van een groter -zelfs uitsluitend- gewicht aan de ervaring opgedaan binnen het auditoraat verantwoorden, dat in het auditoraatsverslag met twee maten gewogen wordt, dat aan de ruime, reeds jarenlange opgedane ervaring van verzoekster met de materie zoals behandeld binnen afdeling II heel snel wordt voorbijgegaan, maar dat aan de geringe ervaring van de tussenkomende partij met gelijkaardige dossiers een waarde wordt toegekend die “buiten alle proporties is”. Voorts beklemtoont zij dat de flexibiliteit van de tussenkomende partij moet worden genuanceerd Beoordeling Algemeen
  53. Bij de vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten beschikt de benoemende overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid, inzonderheid wat betreft de criteria die zij hiervoor in aanmerking neemt en het onderling gewicht dat zij aan deze criteria toekent, op voorwaarde dat ze objectief en pertinent zijn en op alle kandidaten op gelijke wijze worden toegepast. De Raad van State mag zich op dit vlak niet in de plaats stellen van de overheid. Hij mag wel nagaan of de benoemende overheid al dan niet op een willekeurige wijze van haar beoordelingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Dit zal enkel het geval zijn indien de benoemende overheid handelt op een wijze waarop geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden zou handelen. Dan moet worden vastgesteld dat de benoemende overheid onredelijk heeft gehandeld en dient de Raad van State beteugelend op te treden. De Raad van State is aldus bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur bij de vergelijking van de kandidaten objectieve criteria, die VII-40.624-36/46 verband houden met de functie, heeft gehanteerd en of het bestuur, afgaand op de feitelijke gegevens die voorlagen en die het juist heeft bevonden, niet elke redelijkheid te buiten is gegaan door aan de tussenkomende partij de voorkeur te geven.
  54. In de bekendmaking van de vacature en oproep aan de kandidaten van 28 november 2018 wordt niet vermeld dat een afzonderlijk curriculum vitae bij de kandidatuurstelling moet worden gevoegd. Dat de tussenkomende partij dit niet heeft gedaan maakt haar kandidatuur bijgevolg niet onontvankelijk. In haar kandidatuurstelling heeft de tussenkomende partij wel degelijk melding gemaakt van haar studie- en loopbaanervaring. Het valt niet in te zien waarom het vermelden van de studie- en loopbaanervaring in de kandidatuurstelling zelf tot een minder objectieve afweging van de loopbanen van beide concurrerende kandidaten zou moeten leiden, dan wanneer dit curriculum vitae in afzonderlijk document is opgenomen. Eigenlijk is elke toelichting bij een kandidatuurstelling een “promotie” voor de kandidaat zelf. Het ingediende verzoekschrift is dat trouwens ook ten aanzien van verzoekster zelf. Het afwegen van de kandidaturen van verzoekster en de tussenkomende partij zonder dat deze laatste een afzonderlijk curriculum vitae bij haar kandidatuurstelling heeft gevoegd schendt het zorgvuldigheidsbeginsel niet.
  55. De indruk die verzoekster beweert te hebben dat het advies is geschreven met als enig uitgangspunt de keuze voor de tussenkomende partij te verantwoorden enkel en alleen wegens haar anciënniteit zonder daadwerkelijke afweging van alle titels en verdiensten is louter subjectief en toont op zich niet de onwettigheid aan van de bestreden beslissing.
  56. Waar in het advies verwezen wordt naar de “globale anciënniteit in het Auditoraat” wordt bedoeld de anciënniteit verworven als magistraat binnen het auditoraat. Anciënniteit moet onderscheiden worden van ervaring en wordt berekend binnen een zelfde hoedanigheid. De hoedanigheid van auditeur/magistraat is niet dezelfde als deze van bestuurssecretaris. Dat dit zo moet begrepen worden blijkt uit de vaststelling dat voor de tussenkomende partij evenmin de anciënniteit die zij als bestuurssecretaris binnen het auditoraat heeft VII-40.624-37/46 verworven in aanmerking genomen werd voor de berekening van haar “globale anciënniteit in het Auditoraat”. Het is voorts niet onredelijk dat de auditeur-generaal, daarin gevolgd door de benoemende overheid, bij de aanwijzing van een afdelingshoofd, die een afdeling van het auditoraat moet leiden, meer belang hecht aan de titels en verdiensten die de kandidaten verworven hebben binnen het auditoraat, veeleer dan aan voorheen verworven titels en verdiensten buiten het auditoraat. Dat het voor zich zou spreken dat de diverse ervaring die verzoekster buiten het auditoraat heeft verworven voor de te begeven betrekking relevanter zou zijn dan de loutere ervaring die de tussenkomende partij binnen het auditoraat verworven heeft is een eigen appreciatie van verzoekster die evenwel niet aantoont dat de auditeur-generaal de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden door meer belang te hechten aan de ervaring van de tussenkomende partij verworven binnen het auditoraat. Profielelementen groep 1
  57. Overeenkomstig artikel 74/2, § 4, van de RvS-wet worden de eerste auditeur-afdelingshoofden aangewezen onder de eerste auditeurs. Gelet op deze bepaling kan aan de ervaring verworven binnen de afdeling geen bijkomend, laat staan een doorslaggevend, gewicht gegeven worden in de vergelijking van de kandidaturen. Het lidmaatschap van de afdeling waar het afdelingshoofd moet aangewezen worden verleent bijgevolg geen merkbaar grotere aanspraken op die aanwijzing.
  58. De vaststelling in het advies dat de tussenkomende partij flexibel is steunt op de vaststelling dat zij in 2017 de overstap naar afdeling IV gemaakt heeft, waar zij naast de dossiers vreemdelingenzaken ook reeds meer dan een jaar statuutzaken behandelt, een ervaring die relevant is voor de behandeling de personeelszaken in de materies van afdeling II. Verzoekster maakt, zeker niet met haar subjectieve appreciaties, niet aannemelijk dat deze vaststelling niet overeenstemt met de werkelijkheid. Dat de auditeur-generaal op grond van die vaststellingen besluit dat de tussenkomende partij in staat is om zich snel in te VII-40.624-38/46 werken in de materies van afdeling II is niet onredelijk. Een verzoekende partij mag niet zomaar eisen dat de benoemende overheid uitlegt waarom zij voor de ene redelijke afweging heeft gekozen en niet voor een andere, als zij niet eerst zelf minimaal twijfel kan doen rijzen omtrent de deugdelijkheid van de gehanteerde werkwijze. Een verzoekende partij slaagt er pas in om een beoordeling onwettig te horen verklaren, indien zij aantoont dat het bestuur steunt op onjuiste of onbewezen feiten of op een verkeerde beoordeling van of gevolgtrekking uit de feiten - de zogenaamde kennelijke beoordelingsfout die het bestuur maakt als het voorbijgaat aan voor eenieder zichtbare grotere aanspraken van de verzoekende partij. In zoverre verzoekster er daarbij ook op wijst dat haar eigen flexibiliteit (overstap van afdeling V naar afdeling II) niet in aanmerking genomen werd in het advies, wordt vastgesteld dat deze overstap dateert van 1 mei 2011, waardoor zij inderdaad reeds veel meer vertrouwd is met de materies van afdeling II. Het is in die context niet kennelijk onredelijk dat de auditeur-generaal hierin met het oog op de te begeven betrekking geen voordeel inzake flexibiliteit heeft gezien. Inzake benoemingen en bevorderingen moeten uit de motivering enkel de concrete redenen blijken waarom aan een bepaalde kandidaat de voorkeur wordt gegeven. Bijgevolg dient niet elk gegeven dat iedere kandidaat heeft aangebracht in de motivering weerlegd te worden.
  59. De bewering dat de tussenkomende partij een veeleer gering aantal statuutzaken heeft behandeld toont de onredelijkheid van het oordeel van de auditeur-generaal niet aan. Dit argument kan dan ook niet dienen ter staving van het standpunt dat geen correcte en zorgvuldige vergelijking van de kandidaturen is gebeurd.
  60. Dat het lezen van een handboek over de gemeenteraadsverkiezingen, aangelegenheid die tot de materies van afdeling II behoort in aanmerking genomen wordt om te besluiten dat de tussenkomende partij zich snel zal kunnen inwerken en haar motivatie aantoont, is een stelling die noch kennelijk onjuist, noch onredelijk is. Wanneer de uitverkoren kandidaat de verwachtingen niet waarmaakt, bieden de latere functioneringsgesprekken en VII-40.624-39/46 evaluaties overigens de mogelijkheid om bij te sturen of desnoods zelfs het adjunct-mandaat te beëindigen.
  61. In zoverre verzoekster meent dat de behandeling van de procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid haar een voordeel zou moeten geven op de andere kandidaten, valt niet meteen in te zien waarom het behandelen van die zaken een bijzondere relevantie zou hebben voor het te begeven adjunct-mandaat. Bovendien wordt vastgesteld dat de tussenkomende partij evenzeer procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandelt -in vreemdelingenzaken was dit zeer vaak het geval- zodat ook niet ingezien kan worden -voor zover relevant met betrekking tot het te begeven adjunct-mandaat- waarom verzoekster een voordeel zou moeten krijgen op de tussenkomende partij.
  62. Verzoekster kan dan ook niet bijgevallen worden dat er met betrekking tot de profielen groep 1 geen daadwerkelijke vergelijking van de kandidaten is gebeurd en dat geen van de in het advies gehanteerde motieven in redelijkheid verantwoorden waarom de voorkeur gegeven wordt aan de tussenkomende partij. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat de aangehaalde motieven feitelijk onjuist en /of kennelijk onredelijk zijn. Met betrekking tot de profielen groep 1 wordt in het advies overigens besloten dat de vier kandidaten evenwaardig zijn. Profielelementen groep 2
  63. In zoverre verzoekster aanvoert dat het frappant is dat enkel de ervaring opgedaan binnen het auditoraat als relevant wordt beschouwd (daar waar bij de profielelementen groep 1 nog geoordeeld werd dat concrete ervaring niet doorslaggevend hoeft te zijn), moet dit worden genuanceerd in die zin dat uit de motivering blijkt dat de auditeur-generaal de ervaring opgedaan buiten het auditoraat wel degelijk mee in aanmerking genomen heeft, maar dat hij deze ervaring minder relevant acht voor het te begeven mandaat. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat dit oordeel onjuist of kennelijk onredelijk is. VII-40.624-40/46
  64. Waar het bij de profielelementen groep 1 in essentie de juridische deskundigheid en leiding geven betreft, betreft het bij de profielelementen groep 2 in essentie de competenties inzake intermenselijke relaties. De loutere vaststelling dat er meer of minder gewicht gehecht wordt aan de ervaring opgedaan binnen het auditoraat voor de ene groep van profielelementen dan voor de andere groep, toont op zich geen tegenstrijdigheid aan. Dat de auditeur-generaal voor de profielelementen groep 1 minder belang gehecht heeft aan de concrete ervaring binnen de afdeling wordt verantwoord door het feit dat conform artikel 74/2, § 4, van de RvS-wet alle eerste auditeurs zich kandidaat kunnen stellen en dat de auditeur-generaal een doorstroming nuttig acht. Dit oordeel is niet in strijd met de wet, noch kennelijk onredelijk. Het is evenmin onredelijk dat de auditeur-generaal voor de profielelementen groep 2 (competenties inzake intermenselijke relaties) meer belang hecht aan de concrete ervaring binnen het auditoraat (afdeling bestuursrechtspraak), in acht genomen het te begeven adjunct-mandaat van afdelingshoofd van een afdeling bestuursrechtspraak.
  65. Geen van de kandidaten heeft, behoudens het tijdelijk vervangen van het afdelingshoofd bij afwezigheid, ervaring met het leiden van een team van auditeurs. Op dit punt kunnen de kandidaturen derhalve niet met elkaar vergeleken worden, terwijl de betrokken competenties toch moeten worden vergeleken en beoordeeld. De auditeur-generaal vermocht in die context in redelijkheid te oordelen dat de concreet aangetoonde ervaring binnen het auditoraat, afdeling bestuursrechtspraak, met betrekking tot het begeleiden van een team, weze het van bestuurlijke attachés, zwaarder weegt dan de ervaring opgedaan buiten het auditoraat. Anders dan verzoekster heeft kandidaat Verheven in haar kandidatuur er wel op gewezen dat zij als advocate teams gecoördineerd heeft en advocaten-stagiairs heeft opgeleid. Verzoekster heeft in haar kandidatuur niet VII-40.624-41/46 aangegeven of verduidelijkt dat zij als advocaat leiding heeft gegeven of teams gecoördineerd heeft. Dat bij de beoordeling van de profielelementen groep 2 geen gewag gemaakt wordt van de ervaring van verzoekster als advocaat is bijgevolg geen onzorgvuldigheid, noch diende de auditeur-generaal te motiveren waarom hij haar ervaring als advocaat niet in aanmerking heeft genomen, vermits die ervaring met betrekking tot de profielelementen groep 2 niet blijkt uit de kandidatuur. Verzoekster verwijst voorts naar haar ervaring “binnen het bankwezen” waar zij de leiding had over een team van een vijftal personeelsleden (die in het advies wel vermeld wordt). Het betreft een ervaring van ongeveer een jaar (februari 2000-januari 2001). Het is niet onredelijk dat de auditeur-generaal deze ervaring als minder relevant heeft beschouwd in vergelijking met de ervaring van de tussenkomende partij in het leiden en begeleiden van een team van vier bestuurlijke attachés binnen het auditoraat, afdeling bestuursrechtspraak gedurende een drietal jaar (2007-2010), in acht genomen dat het te begeven adjunct-mandaat zich situeert in de afdeling bestuursrechtspraak.
  66. In zoverre verzoekster meent dat het beperken van de titels en verdiensten verworven binnen het auditoraat de facto neerkomt op het laten primeren van de anciënniteit als enig onderscheidingscriterium, kan zij niet worden bijgevallen. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen anciënniteit (het aantal jaren dienst als auditeur) en de ervaring die men in die hoedanigheid heeft opgedaan. Bij de beoordeling van de competenties wordt rekening gehouden met de ervaring, niet met de anciënniteit.
  67. Verzoekster erkent zelf dat zij haar ervaring als bestuurssecretaris niet afdoende in de verf heeft gezet in haar kandidatuur. Bijgevolg kon de auditeur-generaal met deze verdienste geen rekening houden. Hij moest evenmin uit eigen beweging op zoek gaan naar titels en verdiensten die niet in een kandidatuurstelling zijn opgenomen. Dit is in het licht van het gelijkheidsbeginsel trouwens niet te verantwoorden. Ter verschoning van het niet vermelden van deze verdienste in haar kandidatuurstelling roept verzoekster nog in dat het VII-40.624-42/46 vreemdelingencontentieux een geheel eigen karakter heeft zodat de werkzaamheden ervan niet relevant zijn voor het hier te begeven adjunct-mandaat, en dat door dit toch in aanmerking te nemen vergeleken wordt wat niet te vergelijken is. Uit de motivering (profielelementen groep 2) blijkt niet zozeer dat de auditeur-generaal van oordeel is dat de ervaring van de tussenkomende partij met het vreemdelingencontentieux relevant is, maar wel haar ervaring in het begeleiden en motiveren van het team dat de achterstand in dat contentieux heeft weggewerkt. Met betrekking tot de beoordeling van deze competenties is dit criterium wel degelijk relevant. Het is niet kennelijk onredelijk dat de auditeur-generaal, bij gebreke aan enige ervaring bij alle kandidaten inzake het leiden van een team van auditeurs, geoordeeld heeft dat het leiden van een team van bestuurlijke attachés, een pertinent criterium is bij het vergelijken van de betrokken competenties.
  68. Gelet op het voorgaande wordt niet aangetoond dat de auditeur-generaal bij het beoordelen van de profielelementen groep 2 is uitgegaan van onjuiste feiten en/of kennelijk onredelijk heeft geoordeeld. Profielelementen groep 3
  69. De profielelementen groep 3 hebben betrekking op de leiding, de werking en het algemeen belang van het auditoraat, zodat het niet vermelden dat verzoekster toegevoegd griffier is geweest bij deze groep van profielelementen niet als onwettig kan worden beschouwd.
  70. Ter beoordeling van de rangschikking van de tussenkomende partij en verzoekster dienen hun verdiensten tegenover elkaar te worden geplaatst. Voor verzoekster betreft het de hervorming van de databank in afdeling V en de selectie van arresten voor de nieuwsbrief. Voor de tussenkomende partij betreft dit het lidmaatschap van de commissie vertaling arresten, bijstand bij onthaal studenten, leiding en begeleiding attachés, motiveren van de attachés om de overstap te maken naar het auditoraat. VII-40.624-43/46 Wat dit laatste element betreft mag niet uit het oog verloren worden dat dit element beoordeeld wordt in het kader van de profielelementen groep 3, waarbij men oog heeft voor de algemene werking en het algemeen belang van het auditoraat. In die context is het in aanmerking nemen van het motiveren van bestuurlijke attachés om de overstap naar het auditoraat te maken niet onredelijk. Voor het overige kunnen uit de vergelijking van de verdiensten van verzoekster en de tussenkomende partij op dit punt geen merkbaar grotere aanspraken afgeleid worden. In die omstandigheden kan het oordeel van de auditeur-generaal waarbij de tussenkomende partij voor verzoekster gerangschikt wordt niet als kennelijk onredelijk gekwalificeerd worden.
  71. De auditeur-generaal overschrijdt de grenzen van de redelijkheid niet door in de eerste plaats motiverend optreden binnen het auditoraat in aanmerking te nemen en daaraan een grotere waarde te hechten in acht genomen het te begeven adjunct-mandaat.
  72. Het argument betreffende de ervaring binnen het auditoraat gaat uit van een selectieve lezing van het advies. Daarin wordt in de eerste plaats onderzocht in hoeverre de competentie concreet aanwezig is, waarna ondergeschikt ook in aanmerking genomen wordt of de ervaring binnen het auditoraat werd opgedaan. In het advies wordt daarom besloten dat Iris Verheven voor de andere kandidaten wordt gerangschikt aangezien zij net iets minder concreet en specifiek aangeven hoe zij binnen hun team conflicten beheersten. Tegen dit argument brengt verzoekster niets in. Pas daarna wordt nog opgemerkt dat haar ervaring zich niet binnen het auditoraat situeert. Dit motief is bijgevolg niet decisief geweest bij het bepalen van de rangorde. De stelling van verzoekster dat enkel rekening houden met ervaring binnen het auditoraat neerkomt op het laten primeren van de anciënniteit mist bijgevolg grondslag. VII-40.624-44/46 Het argument dat enkel teamwerk binnen het auditoraat in aanmerking werd genomen, zodat ander teamwerk niet relevant is werd bij de beoordeling van de profielelementen groep 2 reeds weerlegd.
  73. De opmerkingen in de laatste memorie van verzoekster, die eigenlijk reeds waren vervat in de uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift, houden vooral opportuniteitskritiek in of zijn gebaseerd op subjectieve indrukken. Verzoekster slaagt er met haar betoog niet in het objectief en uitgebreid advies van de auditeur-generaal, waarin de titels en verdiensten van de vier kandidaten nauwkeurig worden afgewogen, onderuit te halen.
  74. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
  75. De Raad van State verwerpt het beroep.
  76. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.624-45/46 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.624-46/46 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.