id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.052 Rolnummer: A. 228986/VII-40623 Zaak: Arrest 249052 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-10 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.052 van 26 november 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.052 van 26 november 2020 in de zaak A. 228.986/VII-40.623 In zake : Iris VERHEVEN woonplaats kiezend te 1600 Sint-Pieters-Leeuw J. Malderusstraat 10 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joos Roets en Stefan Sottiaux kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oostenstraat 38, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Marijke STERCK woonplaats kiezend te 9320 Nieuwerkerken Maaldreef 28 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van “het koninklijk besluit van 2 juni 2019 houdende de aanwijzing van mevrouw Marijke STERCK, eerste auditeur, als eerste auditeur-afdelingshoofd bij de Raad van State, […] bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 juli 2019”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.623-1/35 Marijke Sterck heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 november
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, die verschijnt in persoon, en advocaat Joos Roets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een dienstnota van 28 november 2018, gericht aan alle Nederlandstalige eerste auditeurs, wordt bekendgemaakt dat met ingang van 1 januari 2019 een adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd vacant is (afdeling II - Onderwijs en Lokale Besturen). Als bijlage wordt de functiebeschrijving en het profiel voor de functie van afdelingshoofd gevoegd. VII-40.623-2/35 Als belangrijkste bijzondere opdrachten van een afdelingshoofd worden in de functiebeschrijving vermeld: “2.1 Het afdelingshoofd zorgt voor een oordeelkundige verdeling van de zaken onder de leden van zijn afdeling rekening houdend met o.m. werkdruk en individuele specialiteiten en belangstelling. 2.2 Hij doet voorstellen ter voorkoming en wegwerking van de achterstand in zijn afdeling en neemt, na instemming van de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal, de nodige maatregelen. 2.3 Het afdelingshoofd fungeert als coach en klankbord voor de leden van de afdeling. Hij motiveert en stimuleert de leden van zijn afdeling en volgt hun prestaties nauwgezet op. Eventuele problemen worden aan de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal, gemeld. 2.4 Hij waakt over de naleving door de leden van zijn afdeling van de dienstnota‟s en instructies van de Auditeur-generaal en/of de Adjunct-auditeur-generaal. Zo zal hij in de afdeling bestuursrechtspraak meer in het bijzonder toezien op de naleving van de instructies aangaande de volgorde van behandeling van de zaken. In de afdeling wetgeving waakt hij in overleg met zijn Franstalige en Nederlandstalige collega‟s afdelingshoofden over de toepassing van de richtlijnen voor de deelname aan het onderzoek van de adviesaanvragen. 2.5 Algemene procedureproblemen bespreekt hij met de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal. Hij waakt over de eenheid van de rechtspraak binnen zijn afdeling en meldt de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal, elk gevaar voor uiteenlopende jurisprudentie, zodat een zaak eventueel met toepassing van artikel 92, tweede lid, gec.w. R.v.St., naar de algemene vergadering van de afdeling administratie kan worden verzonden. Dezelfde regel geldt voor de afdeling wetgeving, zodat de auditeur-generaal en de adjunct-auditeur-generaal, de eerste voorzitter desgevallend kunnen verwittigen. Hij deelt bovendien aan de auditeur-generaal of aan de adjunct-auditeur-generaal alle zaken mee die met toepassing van artikel 85bis, tweede lid, gec.w. R.v.St. naar de verenigde kamers zouden kunnen worden verzonden. 2.6 Hij waakt over de naleving van de deontologische regels opgenomen in de gecoördineerde wetten, het reglement van orde en het vademecum. In geval van moeilijkheden verwittigt hij de auditeur-generaal, c.q, de adjunct-auditeur-generaal. 2.7 Hij treft maatregelen teneinde de continuïteit van de afdeling te verzekeren tijdens vakantieperiodes, detacheringen en afwezigheid wegens gezondheidsredenen. Hij zorgt ervoor dat minstens één lid van de afdeling elke werkdag tussen 9u en 16.30u aanwezig is in de gebouwen van het Auditoraat. Hij ziet toe op de stipte naleving van de wachtdienst en neemt desgevallend de nodige dringende maatregelen. Het afdelingshoofd zal zelf ten minste drie volle dagen per week aanwezig zijn op de Raad van State. Wanneer hij niet bereikbaar is dient hij een collega van de afdeling als plaatsvervanger aan te duiden. VII-40.623-3/35 2.8 Het afdelingshoofd staat in beginsel in voor de opleiding van de adjunct-auditeurs. De adjunct-auditeurs oefenen hun ambt immers uit onder de leiding van een eerste auditeur-afdelingshoofd of een door hem aangewezen eerste auditeur. Die leiding houdt in dat de verslagen worden nagelezen, eventueel verbeterd en aangevuld volgens de richtlijnen van het afdelingshoofd of de aangewezen eerste auditeur. Het afdelingshoofd of de aangewezen eerste auditeur zal ook advies uitbrengen op de openbare terechtzitting voor de zaken behandeld door de adjunct-auditeur die minder dan één jaar dienst telt, of die niet gemachtigd is ter terechtzitting advies uit te brengen. 2.9 Een afdelingshoofd kan worden geroepen de auditeur-generaal, c.q. de adjunct-auditeur-generaal, te vertegenwoordigen telkens wanneer hij verhinderd is”. Als “Belangrijkste competentievereisten” worden vermeld: “3.1 Geschiktheid voor het leiden van een groep. 3.2 Motiverend optreden, 3.3 Empathie en luisterbereidheid. 3.4 Conflictbeheersing. 3.5 Organisatietalent. 3.6 Flexibiliteit. 3.7 Resultaatgerichtheid. 3.8 Beschikbaarheid 3.9 Zin voor communicatie en overleg. 3.10 Verantwoordelijkheidszin. 3.11 Zin voor systematiek en kwaliteit. 3.12 Groepsgeest en betrokkenheid bij de goede werking van het Auditoraat als geheel. 3.13 Kennis van de instelling en juridische deskundigheid verworven in de uitoefening van de functie van auditeur”. Overeenkomstig artikel 74/2, § 4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet) worden de eerste auditeurs-afdelingshoofden aangewezen onder de eerste auditeurs. Overeenkomstig artikel 74/4, § 1, 2° van de RvS-wet worden de eerste auditeurs-afdelingshoofden door de Koning aangewezen op eensluidend advies van de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, al naargelang het geval. 3.
- Op 12 december 2018 dient Marijke Sterck, de tussenkomende partij, haar kandidatuur in. Verzoekster dient haar kandidatuur in op 13 december VII-40.623-4/35
- Tevens dienen de eerste auditeurs Sofie De Doncker en Jurgen Neuts hun kandidatuur in. 3.
- Per brief van 21 februari 2019 deelt de auditeur-generaal het in artikel 74/4, § 1, 2°, van de RvS-wet bedoelde advies mee aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken. Aan verzoekster wordt een afschrift van dit advies overgemaakt. In dat advies wordt onder meer het volgende gesteld: “
- Vergelijking van de verschillende kandidaten en advies Anciënniteit 5.
- Volgens anciënniteit in de graad van eerste auditeur rangschikken de kandidaten zich als volgt:
- Marijke Sterck (17 januari 2011 - iets meer dan 8 j.);
- Iris Verheven (31 oktober 2018 - bijna 4 m.);
- Sofie De Doncker (31 oktober 2018 - bijna 4 m.);
- Jurgen Neuts (31 oktober 2018 - bijna 4 m.). Hun globale anciënniteit in het Auditoraat is als volgt :
- Marijke Sterck (18.08.2000 - 18j en 6 m.);
- Iris Verheven (31.10.2007 - 11 j en bijna 4 m);
- Sofie De Doncker (31.10.2007 - 11 j. en bijna 4 m.);
- Jurgen Neuts (31.10.2007 - 11 j. en bijna 4 m.). […] 5.
- Zoals de Raad van State nog oordeelde in het arrest Jozef Stevens, nr. 231.330 van 26 mei 2015, maken noch de voormelde bepalingen van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch een andere bepaling van geschreven recht van de anciënniteit een onderscheidingscriterium met het oog op de aanstelling van een eerste auditeur-afdelingshoofd - noch schrijven ze bijgevolg aan de anciënniteit van de kandidaat een dwingende draagwijdte toe. Een grotere anciënniteit verleent op zich dan ook geen voorrang voor een aanwijzing tot eerste auditeur-afdelingshoofd. Het is niet meer dan een element in de vergelijking tussen de kandidaten. Dat neemt niet weg dat het een element kan zijn dat toelaat gelijkwaardige kandidaten van elkaar te onderscheiden. Profiel 5.
- Specifiek voor de taak van een afdelingshoofd is het leiden van een afdeling. Hij of zij moet ervoor zorgen dat deze afdeling goed functioneert teneinde een optimaal rendement van de leden te bekomen. Dit vereist twee soorten kennis en vaardigheden. 5.
- Vooreerst moet het afdelingshoofd in staat zijn de leden van de afdeling te leiden en te begeleiden in de behandeling van hun dossiers, zij het met respect voor ieders onafhankelijkheid. Hij of zij moet dus een uitstekend jurist zijn en vertrouwd zijn met de materies die in zijn/haar afdeling worden behandeld, of er zich zonder problemen vertrouwd mee kunnen maken (hierna : profielelementen groep 1). VII-40.623-5/35 Het staat buiten kijf dat de vier kandidaten uitstekende juristen zijn en in staat als afdelingshoofd de leden van de afdeling te leiden en te begeleiden. Wat betreft de vertrouwdheid met de materies […] die worden behandeld in afdeling II, zijn Sofie De Doncker, Jurgen Neuts en Iris Verheven meer vertrouwd met de materies die in deze afdeling worden behandeld dan Marijke Sterck. Zij werken immers reeds meerdere jaren in deze afdeling. Marijke Sterck heeft nooit gewerkt in deze afdeling en heeft minder ervaring met deze materies. Behoudens een korte periode dat zij als adjunct-referendaris belast was met wetgevingsdossiers onderwijs en als adjunct-auditeur met ambtenarenzaken, behandelde Marijke Sterck als lid van het Auditoraat tot december 2017 voornamelijk vreemdelingenzaken en in mindere mate dossiers leefmilieu in afdeling III - Leefmilieu (en toen ook vreemdelingenzaken). Een afdelingshoofd moet echter niet noodzakelijk uit de leden van de betrokken Afdeling aangewezen worden en een doorstroming moet mogelijk zijn en kan ook nuttig zijn. Marijke Sterck is flexibel zoals zij nog bewees door haar overgang in december 2017 naar afdeling IV - Statuutzaken, waar zij naast de dossiers vreemdelingenzaken, materie die in december 2017 werd overgedragen aan deze afdeling IV, intussen ook al meer dan één jaar statuutzaken behandelt, een ervaring die ook relevant is bij het behandelen van de personeelszaken lokale besturen en onderwijs in afdeling II. Zij deed dit eerder ook reeds bij het begin van haar carrière in het Auditoraat. Zij is ongetwijfeld in staat om zich snel verder in te werken in de materies behandelt door afdeling II. Uit haar kandidatuur blijkt ook dat zij zich reeds de materies behandelt door deze afdeling probeert eigen te maken, hetgeen ook motivatie aantoont en dat zij hier volledig voor zal gaan, indien aangewezen als afdelingshoofd. Inzake de verschillende procedures voor de Raad van State blijkt uit haar kandidatuur dat zij ruime ervaring heeft met de meest voorkomende procedures bij de Raad van State, namelijk annulatieberoepen, vorderingen tot schorsing en vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en zelfs meer ervaring dan de drie andere kandidaten in cassatie-zaken. Ook al is het aantal cassatiezaken in afdeling II eerder beperkt, toch kan ook die ervaring nuttig blijken in afdeling II. Het verplichtte Marijke Sterck immers binnen korte termijnen te werken en in het kader van een vaak wijzigende reglementering. Uit haar kandidatuur blijkt wel niet dat zij reeds zaken behandelde „in volle rechtsmacht‟ in de zin van artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voor afdeling II met name de verkiezingszaken, noch de zogenaamde „randgemeentenzaken‟, maar er is geen reden om aan te nemen dat zij zich dit contentieux niet snel eigen zal kunnen maken. Verder betreft dit een in verhouding klein deel van de zaken binnen afdeling II. Tenslotte dient opgemerkt dat de drie andere kandidaten binnen afdeling II elk toch ook een eigen specialisatie hadden en dus niet zonder meer allen volledig en even vertrouwd zijn met alle materies die deze afdeling behandelt. Aldus kan worden besloten dat wat hun juridische kennis betreft en inzetbaarheid voor afdeling II de vier kandidaten evenwaardig geschikt zijn om het ambt van afdelingshoofd in afdeling II op te nemen. In de mate Jurgen Neuts en Iris Verheven ook wijzen op hun werk in de afdeling wetgeving, ter ondersteuning van hun deskundigheid in de materies behandelt door afdeling II, is die ervaring ongetwijfeld nuttig, maar volstaat dit VII-40.623-6/35 niet om de kandidaten niet gelijkwaardig te achten. Marijke Sterck had in het Coördinatiebureau trouwens ook ervaring in dossiers onderwijs. Er is weliswaar een verschil tussen enerzijds Jurgen Neuts en Iris Verheven en de twee andere kandidaten anderzijds, wat betreft wetenschappelijke activiteiten en publicaties. Sofie De Doncker gaat hier niet op in en Marijke Sterck verwijst enkel naar één publicatie in vreemdelingenzaken. Tegelijk verklaart zij waarom zij koos voor volledige inzet voor haar werk in het Auditoraat, een keuze die even verdedigbaar is. Alhoewel publicaties en wetenschappelijke activiteiten ongetwijfeld kunnen bijdragen tot de uitstraling van het Auditoraat en de deskundigheid van een auditeur, sluit de afwezigheid daarvan in hoofde van een kandidaat dan ook bezwaarlijk uit dat ter zake de voorkeur kan worden gegeven aan deze laatste kandidaat of dat deze evenwaardig kan worden gerangschikt inzake juridische deskundigheid en ook het leiden en begeleiden van leden van zijn/haar afdeling (zie verder 5.5). Dit geldt ook voor de ervaring te werken of gewerkt te hebben in een universiteit of, zoals Jurgen Neuts, in een schoolbestuur, ervaring die ook verschilt van het jurisdictioneel werk in bestuursgeschillen van een auditeur of afdelingshoofd. Iris Verheven benadrukt in haar kandidatuur trouwens zelf het voordeel van het feit dat zij geen functie meer uitoefent aan de universiteit zodat haar aandacht exclusief en onverdeeld kan uitgaan naar het leiden van de afdeling. Dit geldt dan logischerwijze ook voor Marijke Sterck en Sofie De Doncker. Om al deze redenen globaal genomen worden de kandidaturen hier als evenwaardig beoordeeld. 5.
- De opdracht van het afdelingshoofd bestaat er daarnaast in om ervoor te zorgen of er toe bij te dragen dat er in de afdeling een positieve werksfeer bestaat waar collegialiteit en vandaar samenwerking op een zo optimaal mogelijke manier kan worden gerealiseerd. Vandaar dat onder de belangrijkste competentievereisten er verschillende zijn die betrekking hebben op de intermenselijke relaties, zoals empathie en luisterbereidheid, groepsgeest, zin voor communicatie en overleg, motiverend optreden (hierna : profielelementen groep 2). In dit verband blijkt uit de kandidaturen dat elk van de vier kandidaten zich ter zake op enige praktische ervaring kunnen beroepen. Zo verwijzen zowel Sofie De Doncker, Marijke Sterck als Iris Verheven naar het feit dat zij hun afdelingshoofden vervangen hebben, de eerste in afdeling II, de tweede in afdeling III - Leefmilieu en (dan ook nog) vreemdelingenzaken, en daarna in afdeling IV - Statuutzaken, en de derde in afdeling II. Sofie De Doncker benadrukt dat zij van februari 2000 tot januari 2001 als hoofd van de juridische dienst, afdeling geschillen, werkzaam bij het hoofdkantoor van het toenmalige Onderlinge Beroepskrediet, mee onderhandelde over de overname van de instelling door het Franse Crédit Mutuel en daarbij de leiding had over een team van een vijftal personeelsleden. Jurgen Neuts wijst in het bijzonder op zijn ervaring opgedaan als bestuurder van een groot schoolbestuur en van de vzw Katholiek Onderwijs voor Volwassen en zijn functies binnen de Universiteit Gent. Marijke Sterck wijst verder op het feit dat zij tussen 2007 en 2010 bij het behandelen van grote aantalen vreemdelingenzaken, vnl. blijkbaar de regularisatiezaken, een team van 4 bestuurlijk attachés heeft gemotiveerd en VII-40.623-7/35 geleid, en ook op heden een bestuurlijk attaché begeleidt. Een kabinet bestaande uit enkele duizenden dossiers heeft haar organisatorische aanpak verscherpt en haar verplicht tot een nauwgezette opvolging van de dossiers hierbij een nog grotere achterstand vermijdend. Het leerde haar ook omgaan met druk. Iris Verheven wijst concreet ook op haar vroegere ervaring als advocate bij het coördineren van divers samengestelde teams belast met bepaalde projecten onder meer van lokale entiteiten en bij het opleiden van advocaten-stagiairs, alsook op het feit dat zij de afgelopen 11 jaar de vier documentalisten van de afdeling wetgeving en 4 bestuurssecretarissen heeft mogen bijstaan en als medewerker aan de Rechtsfaculteit van de Vrije Universiteit Brussel verschillende studenten begeleidde. Aldus blijken Marijke Sterck en Iris Verheven zich te kunnen beroepen op relevante concrete ervaring van leiden en begeleiden van attachés binnen het Auditoraat; Iris Verheven wijst ook op het begeleiden van documentalisten in de afdeling wetgeving. Er blijkt uit de kandidaturen niet dat dit voor de andere kandidaten ook het geval is, alhoewel Jurgen Neuts het sui generis karakter benadrukt van de functie van afdelingshoofd en meent dat het leiden van een groep in de hiërarchische zin zoals ten overstaan van ambtenaren onvoldoende met die opdracht vergeleken kan worden, en ook kandidate Iris Verheven wijst op de bijzondere invulling die het „leiding geven‟ aan een afdeling van het Auditoraat vereist waarbij het afdelingshoofd staat tegenover de „peers‟ van zijn afdeling, is dit bijzonder karakter niet van die aard dat dit elke relevantie ontneemt aan de voormelde ervaring van leiden en begeleiden van attachés binnen het Auditoraat. De ervaring van Iris Verheven in het begeleiden van documentalisten in de afdeling wetgeving is daarbij voor de functie van afdelingshoofd in een afdeling bestuursrechtspraak minder relevant. Anders dan voor Marijke Sterck blijkt uit haar kandidatuur niet in dezelfde mate dat de begeleiding van de attachés bestuursrechtspraak betreft minstens niet zoals voor Marijke Sterck uitsluitend en in het kader van een opvolging van een zeer groot aantal te verwerken dossiers. Verder blijkt in ieder geval uit geen van de kandidaturen specifieke ervaring in het leiden, motiveren of coördineren van het werk van een team van auditeurs. Iris Verheven verwijst in haar kandidatuur ook naar haar beroepservaring als advocate en geeft concreet en onderbouwd voorbeelden van projecten uitgevoerd door multidisciplinaire teams die zij heeft geleid en opgevolgd. Hiertegenover staat dat het voor Marijke Sterck ging om het beheren en wegwerken van grote aantallen zaken binnen het Auditoraat, in het motiveren van een team om te blijven geloven in de afbouw van een soms niet aflatende stroom zaken en in het overleggen om in de mate van het mogelijke tot een gezamenlijk standpunt te komen. Dat het daarbij niet ging om dossiers in materies eigen aan afdeling II maakt dit niet minder relevant. De ervaring van Iris Verheven bij de behandeling van de in de dossiers „randgemeenten‟ waar een Nederlandstalig en Franstalig auditeur één verslag moeten opstellen voor de algemene vergadering, en waarbij zij steeds de afgesproken planning behaalde en steeds terugkoppelde opdat het verslag van meet af aan een weerspiegeling zou zijn van de gemeenschappelijke visie, is waardevol maar om dezelfde reden minder bepalend en vergelijkbaar . Er is een verschil tussen één dossier samen behandelen en het organiseren, coördineren en motiveren van een team. VII-40.623-8/35 Jurgen Neuts wijst ook op het feit dat hij thans al enige tijd deze dossiers „randgemeenten‟ behandelt ter vervanging van Iris Verheven maar werkt dit niet in dezelfde mate uit. Minstens geldt ook hier dat er een verschil is tussen één dossier samen behandelen en het organiseren, coördineren en motiveren van een team. Jurgen Neuts en Iris Verheven verwijzen ook naar hun ervaring bij het begeleiden van studenten. Alhoewel ongetwijfeld nuttig voor de opleiding van adjunct-auditeurs, volstaat dit niet om hen op dit punt te rangschikken vóór Marijke Sterck, die ook verschillende attachés motiveerde en begeleidde in het behandelen van een groot volume van dossiers zoals blijkt uit haar kandidatuur. Dit geldt ook voor de verwijzing door Iris Verheven naar de opleiding en begeleiding van advocaten stagiairs. De vroegere beroepservaring van de twee andere kandidaten Sofie De Doncker en Jurgen Neuts in dit verband is ongetwijfeld nuttig maar blijkt minder onmiddellijk relevant, minstens wordt dit minder concreet uitgewerkt. Elk van de vier kandidaten geven in hun kandidatuur ook voldoende concrete inzichten op de manier waarop zij de functie van afdelingshoofd in afdeling II willen invullen. In wezen gaan de kandidaten elk uit van een noodzaak van herverdeling en versterking van de afdeling en aandacht voor de specialisatie en eigenheid van elk lid van de afdeling gecombineerd met flexibiliteit. Bij Jurgen Neuts is dit alles wel nog iets concreter en het meest cijfermatig onderbouwd. Om al deze redenen samen genomen worden daarom hier een voorkeur gegeven aan de kandidatuur van Marijke Sterck gevolgd door de kandidatuur van Iris Verheven en daarna deze van Jurgen Neuts en vervolgens deze van Sofie De Doncker. 5.
- Tenslotte kan een afdelingshoofd deelnemen aan de leiding van de werkzaamheden van het Auditoraat. De voormelde competentievereisten zijn daartoe opnieuw belangrijk alsook oog voor de algemene werking en het algemeen belang van het Auditoraat (en de Raad van State in het algemeen) (hierna : profielelementen groep 3). De vier kandidaten geven blijk oog te hebben voor de algemene werking en het algemeen belang van het Auditoraat (en de Raad van State in het algemeen). Wat dit punt betreft, wordt vastgesteld dat Jurgen Neuts via het lidmaatschap van verschillende werkgroepen binnen het Auditoraat of de Raad van State - nl. de werkgroep „laatste memories‟, de werkgroep „elektronische procesvoering‟, de werkgroep „sociaal statuut‟, de stuurgroep „lunchseminaries van het Auditoraat‟, als medeverantwoordelijke van de Vriendenkring Auditoraat, en als persmagistraat Auditoraat, getuigt van een grote en concrete betrokkenheid bij de werking van het Auditoraat in zijn geheel. Iris Verheven staat met Sofie De Doncker in voor de selectie van arresten lokale besturen voor de maandelijkse Nieuwsbrief Bestuursrechtspraak. Zij is ook verantwoordelijk voor het onderdeel „lokale besturen‟ van de databank Audidoc. Tevens heeft zij deel uitgemaakt van het team dat de „lunchseminaries Auditoraat‟ organiseert. Binnen de afdeling wetgeving was zij een tijd aanspreekpunt voor de documentalisten en heeft zij bemiddeld. Zij was ook lid van de werkgroep die, onder leiding van auditeur-generaal Philippe Bouvier en toenmalig adjunct-auditeur-generaal, een procedure uitwerkte voor de aanwijzing van de korpschefs van het Auditoraat in 2017 en nam daar volgens VII-40.623-9/35 de kandidatuur een verzoenende rol in. Ook dit getuigt van een grote en concrete betrokkenheid bij de werking van het Auditoraat in zijn geheel. Marijke Sterck is effectief lid van de commissie voor de vertaling van de arresten en staat auditeur Joke Goris bij met het onthaal van studenten die interesse voor het vreemdelingenrecht betonen. In dit kader kan ook in enige mate rekening gehouden worden met de leiding en begeleiding van attachés door Marijke Sterck, en met haar rol in het wegwerken van achterstand in het vreemdelingencontentieux en in het motiveren van attachés om de overstap te maken naar het Auditoraat, en met de begeleiding van attachés en, alhoewel minder relevant voor afdeling II, van documentalisten door Iris Verheven. Sofie De Doncker wijst op het feit dat zij als bestuurlijk attaché in afdeling V - Stedenbouw, samen met collega Tessel Adriaensens, de databank Audidoc hervormde, en op de selectie en samenvatting van arresten (van de lokale besturen) van afdeling II die zij samen met collega Iris Verheven verzorgt voor de Nieuwsbrief Bestuursrechtspraak. Op dit punt worden de kandidaturen van Jurgen Neuts en Iris Verheven evenwaardig beoordeeld en krijgen deze een lichte voorkeur boven de kandidaturen van Marijke Sterck en vervolgens Sofie De Doncker. 5.
- De kandidaturen van Jurgen Neuts, Marijke Sterck en Iris Verheven komen aldus als evenwaardig voor. Zij worden immers (met Sofie De Doncker) ex aequo gerangschikt voor profielelementen groep 1 terwijl voor profielelementen groep 2 een lichte voorkeur wordt gegeven aan de kandidatuur van Marijke Sterck en vervolgens aan deze van Iris Verheven, gevolgd door de kandidaturen van Jurgen Neuts en vervolgens Sofie De Doncker; voor profielelementen groep 3 wordt een lichte voorkeur gegeven aan de gelijkwaardig beoordeelde kandidaturen van Jurgen Neuts en Iris Verheven gevolgd door deze van Marijke Sterck en vervolgens Sofie De Doncker. In dat geval kan de voorkeur worden gegeven aan mevrouw Marijke Sterck die van deze kandidaten duidelijk de grootste anciënniteit heeft. Deze voorkeur wordt ook bevestigd door het grote belang van de profielelementen groep 1 en groep 2 en gelet op het aantal dossiers en oude dossiers in afdeling II met name profielelementen groep 2, inzonderheid het aspect leiden, motiveren en organiseren van een team bij de behandeling van die dossiers. Competentievereisten 5.
- Via de beoordeling sub 5.4 tot 5.7 werden reeds tegelijk de verschillende competentievereisten beoordeeld opgenomen in de bij de oproep lot kandidaten d.d. 28 november 2018 gevoegde functiebeschrijving en profiel betreffende het ambt van eerste auditeur-afdelingshoofd. Volledigheidshalve worden deze hieronder nog eens kort beoordeeld: 5.
- Geschiktheid voor het leiden van een groep Herhaald wordt dat alle vier de kandidaten deze geschiktheid hebben of kunnen verwerven, maar dat Marijke Sterck en vervolgens Iris Verheven om de redenen uiteengezet supra en inzonderheid in punt 5.
- op dit punt blijk geven van meer relevante en concrete ervaring. Jurgen Neuts werkt van de vier kandidaten het meest concreet uit hoe hij het leiden van de afdeling ziet. De concrete ervaring weegt echter zwaarder. 5.
- Motiverend optreden VII-40.623-10/35 Aangenomen kan worden dat de vier kandidaten, elk op hun manier, beantwoorden aan deze competentievereiste, maar dat Marijke Sterck en vervolgens Iris Verheven dit reeds het meest concreet deden binnen het Auditoraat. 5.
- Empathie en luisterbereidheid De vier kandidaten voldoen aan deze competentievereisten en worden ex aequo gerangschikt. 5.
- Conflictbeheersing De vier kandidaten voldoen aan deze competentievereiste, maar Iris Verheven geeft in haar kandidatuur een concreet voorbeeld hoe zij dit reeds in de praktijk toepaste als auditeur binnen de afdeling wetgeving en wijst op haar verzoenende rol in de werkgroep belast met het uitwerken van een procedure voor de aanwijzing van de nieuwe korpschefs van het Auditoraat. Daarnaast wijst zij, alhoewel dit wat minder onmiddellijk relevant lijkt, ook op het feit dat zij als advocaat in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, na afweging van zaak, verschillende rechtzoekenden kon overtuigen een compromis te sluiten. Daarom wordt zij voor deze competentievereiste vόόr de drie andere kandidaten gerangschikt. Van deze drie kandidaten wijst Sofie De Doncker op haar vroegere beroepservaring bij het begeleiden van een team bij de overname van de Onderlinge Kredietmaatschappij, Jurgen Neuts op zijn ervaring als bestuurder van een scholengemeenschap en Marijke Sterck op het feit dat zij lange tijd een team bestuurlijke attachés leidde, maar zij geven net wat minder concreet en specifiek aan hoe zij aldus binnen hun team conflicten dienden te beheersen. Voor Sofie De Doncker en Jurgen Neuts gaat het ook niet om ervaring binnen het Auditoraat. Iris Verheven en Jurgen Neuts hebben in de dossiers „randgemeenten‟ samen met een Franstalig auditeur gezamenlijke verslagen opgesteld met een consensusbesluit. Zij vermelden niet hoe dit in die zaken in concreto conflictbeheersing veronderstelde en vermelden het evenmin uitdrukkelijk bij die competentie. 5.
- Organisatietalent Uit hun kandidaturen blijkt dat de vier kandidaten reeds blijk hebben gegeven van organisatietalent, maar dit is wat het begeleiden en organiseren van teamwerk binnen het Auditoraat in bestuursrechtspraak om de redenen uiteengezet iets meer aangetoond door Marijke Sterck. 5.
- Flexibiliteit Sofie De Doncker, Marijke Sterck en Iris Verheven hebben binnen het Auditoraat hun flexibiliteit al bewezen door te werken in verschillende afdelingen. Jurgen Neuts deed dit door de bijstand aan de afdeling wetgeving. De vier kandidaten worden hier dan ook ex aequo gerangschikt. 5.
- Resultaatgerichtheid De vier kandidaten gaven in hun werk als auditeur reeds blijk van resultaatgerichtheid. Van de vier kandidaten werkt Jurgen Neuts dit in zijn kandidatuur het meest concreet uit wat betreft de toepassing op de werking van die afdeling II. Specifiek is er voor Marijke Sterck haar ervaring in het resultaatgericht werken in vreemdelingenzaken en de tijdsdruk in het behandelen van vele cassatiezaken en voor Sofie De Doncker en Jurgen Neuts hun ervaring bij het behandelen van grote aantallen procedures uiterst dringende noodzakelijkheid. VII-40.623-11/35 Voor Iris Verheven is er voornamelijk haar concreet beschreven ervaring in het coördineren van multi-disciplinaire projecten als advocaat, en in wetgeving (die langer is dan deze van Jurgen Neuts) en in de dossiers „randgemeenten‟ (zoals sinds een tijd ook bij Jurgen Neuts). Sofie De Doncker en Jurgen Neuts behandelden gemiddeld meer schorsingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid dan de twee andere kandidaten, en wijzen in dit verband op de daarvoor vereiste resultaatgerichtheid en organisatie. Hiertegenover staat, zoals al opgemerkt, de rol van Marijke Sterck in het samen met een team van bestuurlijk attachés, wegwerken van de achterstand in vreemdelingzaken en het grote aantal cassatiezaken dat zij behandelt met de corresponderende termijnen, hetgeen, zeker gecombineerd met de zaken ten gronde, eveneens resultaatgerichtheid en organisatie vereist. Dit geldt ook voor Iris Verheven bij de behandeling van een wat groter aantal zaken ten gronde vergeleken met de eerste twee kandidaten. De vier kandidaten worden daarom voor deze competentievereiste ex aequo beoordeeld, 5.
- Beschikbaarheid De vier kandidaten hebben binnen het Auditoraat reeds hun beschikbaarheid bewezen, en worden daarom voor deze competentievereiste ex aequo gerangschikt. 5.
- Zin voor communicatie en overleg De vier kandidaten voldoen, elk met hun eigen stijl, aan deze competentievereiste. Jurgen Neuts kan zich dan weer als enige beroepen op zijn opleiding en ervaring als persmagistraat. Daarom is er hier een licht voordeel voor Jurgen Neuts. 5.
- Verantwoordelijkheidszin De vier kandidaten gaven als auditeur blijk van verantwoordelijkheidszin en doen dit ook in hun kandidaturen. Daaruit blijken geen elementen die een ex aequo rangschikken voor deze competentievereiste uitsluiten. 5.
- Zin voor systematiek en kwaliteit De vier auditeurs hebben in hun verslagen en adviezen reeds blijk gegeven van zin voor systematiek en kwaliteit. Zij doen dit ook in hun kandidaturen, weze het dat de kandidaturen van Jurgen Neuts en Iris Verheven iets systematischer ingaan op het profiel en de competentievereisten. Dit verschil is echter niet voldoende om hier een ex aequo rangschikking van de vier kandidaten uit te sluiten, nu dit ook in de twee andere kandidaturen aan bod komt. Herhaald wordt dat inhoudelijk de voorstellen voor de verbetering van de werking van afdeling II in grote lijnen vergelijkbaar zijn. 5.
- Groepsgeest en betrokkenheid bij de goede werking van het Auditoraat als geheel. De vier kandidaten beschikken ongetwijfeld over deze competentie. Om de redenen uiteengezet sub 5.7 blijkt dit iets duidelijker uit de kandidaturen van Jurgen Neuts en Iris Verheven. 5.
- Kennis van de instelling en juridische deskundigheid verworden in de uitoefening van de functie van auditeur. De vier kandidaten beschikken over een goede kennis van de instelling en juridische deskundigheid en zijn elk uitstekende juristen. VII-40.623-12/35 Om de redenen eerder ook uiteengezet bij de beoordeling van profielelementen groep 1 sub 5.4 worden zij hier ex aequo gerangschikt. 5.
- [O]ok deze vergelijking op basis van elk van de individuele competentievereisten op zich en de optelsom ervan bevestigt de conclusie sub 5.
- dat de voorkeur kan worden gegeven aan mevrouw Marijke Sterck”. 3.
- Bij brief van 6 maart 2019 maakt de auditeur-generaal “voor zover nodig” nog een ontwerp van koninklijk besluit tot aanwijzing van Marijke Sterck in het adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd aan de minister over. 3.
- Bij koninklijk besluit van 2 juni 2019 wordt de tussenkomende partij (Marijke Sterck) aangewezen in het adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd. Dit is het hier bestreden besluit. Het bestreden besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 juli
- Per brief van 9 juli 2019 ontvangt verzoekster een voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden besluit. Het bestreden besluit wordt als volgt gemotiveerd: “[…] Overwegende dat de kandidaturen van mevrouw Sofie DE DONCKER, van de heer Jurgen NEUTS en van mevrouwen Marijke STERCK en Iris VERHEVEN, ontvankelijk zijn; Overwegende dat uit het advies van de auditeur-generaal blijkt dat naar graadanciënniteit mevrouw Marijke STERCK zich op de eerste plaats rangschikt maar dat een grotere anciënniteit op zich geen voorrang verleent voor de aanwijzing tot afdelingshoofd; dat het niet meer is dan één van de elementen in de vergelijking tussen de kandidaten; Overwegende dat uit het advies van de auditeur-generaal blijkt dat specifiek voor de taak van een afdelingshoofd het leiden is van een afdeling en dat hij of zij ervoor moet zorgen dat deze afdeling goed functioneert ten einde een optimaal rendement van de leden te bekomen; Overwegende dat aldus, volgens dit advies, een afdelingshoofd vooreerst in staat moet zijn de leden van de afdeling te leiden en te begeleiden in de behandeling van hun dossier, zij het met respect voor ieders onafhankelijkheid; dat hij of zij dus een uitstekend jurist moet zijn en vertrouwd zijn met de VII-40.623-13/35 materies die in zijn/haar afdeling worden behandeld of er zich zonder problemen vertrouwd mee kunnen maken; Overwegende dat uit het advies van de auditeur-generaal blijkt dat elk van de kandidaten als een uitstekend jurist kan beschouwd worden en dat, wat hun juridische kennis en inzetbaarheid voor afdeling II betreft, de vier kandidaten geschikt zijn om het ambt van afdelingshoofd in deze afdeling op te nemen; dat, om al de redenen ter zake uiteengezet in het advies globaal genomen, de kandidaturen op dit punt door de auditeur-generaal als evenwaardig worden beoordeeld; Overwegende dat in het advies van de auditeur-generaal verder wordt gesteld dat het leiden van een afdeling meer is dan het verlenen van juridisch-technische ondersteuning aan de leden ervan maar dat de opdracht van het afdelingshoofd er ook in bestaat om ervoor te zorgen of ertoe bij te dragen dat er in zijn/haar afdeling een positieve werksfeer bestaat waar collegialiteit en vandaar samenwerking op een zo optimaal mogelijke manier kan worden gerealiseerd en dat daarom uit de functiebeschrijving blijkt dat de kandidaat ook moet beschikken over een aantal intermenselijke competenties zoals empathie en luisterbereidheid, conflictbeheersing, zin voor communicatie en overleg, motiverend optreden; Overwegende dat uit het advies blijkt dat alle vier de kandidaten zich op enige praktische ervaring ter zake kunnen beroepen, maar dat mevrouw Marijke STERCK en vervolgens mevrouw Iris VERHEVEN zich kunnen beroepen op de meest concrete en relevante ervaring ook binnen het Auditoraat, en dat de vier kandidaten voldoende concrete inzichten geven over de manier waarop zij de functie van afdelingshoofd willen invullen, maar dat dit in de kandidatuur van de heer Jurgen NEUTS nog iets concreter en het meest cijfermatig is onderbouwd; dat, om al de redenen ter zake uiteengezet in het advies globaal genomen, de auditeur-generaal hier een voorkeur geeft aan de kandidatuur van mevrouw Marijke STERCK, gevolgd door deze van mevrouw Iris VERHEVEN en vervolgens de kandidatuur van de heer Jurgen NEUTS en daarna deze van mevrouw Sofie DE DONCKER; Overwegend dat de auditeur-generaal in zijn advies verder stelt dat een afdelingshoofd ten slotte kan deelnemen aan de leiding van de werkzaamheden van het Auditoraat en dat daarvoor de vermelde competentievereisten opnieuw belangrijk zijn alsook oog voor de algemene werking en het algemeen belang van het Auditoraat (en de Raad van State in het algemeen); Overwegende dat ter zake het advies besluit dat de vier kandidaten blijk geven oog te hebben voor de algemene werking en het algemeen belang van het Auditoraat, maar dat de heer Jurgen NEUTS en mevrouw Iris VERHEVEN dit iets meer in de praktijk brachten dan de twee andere kandidaten en dit via onder meer deelname aan meerdere commissies en, voor de heer Jurgen NEUTS, via zijn functie als persmagistraat van het Auditoraat; dat, om al de redenen ter zake uiteengezet in het advies globaal genomen, de auditeur-generaal de kandidaturen van de heer Jurgen NEUTS en van mevrouw Iris VERHEVEN hier als evenwaardig beoordeelt en op dit punt aan deze kandidaturen een lichte voorkeur geeft boven deze van mevrouw Marijke STERCK en vervolgens de kandidatuur van mevrouw Sofie DE DONCKER; Overwegende dat het advies van de auditeur-generaal, op basis van de beoordeling van al deze elementen, besluit dat de heer Jurgen NEUTS en mevrouwen Marijke STERCK en Iris VERHEVEN als evenwaardige VII-40.623-14/35 kandidaten kunnen worden beschouwd en dat in dat geval de voorkeur kan gegeven worden aan de kandidatuur van mevrouw Marijke STERCK die van deze kandidaten de grootste anciënniteit heeft; Overwegende dat het advies hieraan toevoegt dat, gelet op het aantal dossiers en oude dossiers van afdeling II, deze voorkeur ook wordt bevestigd door het grote belang van bepaalde van deze elementen, inzonderheid het aspect leiden, motiveren en organiseren van een team bij de behandeling van deze dossiers; Overwegende dat het advies van de auditeur-generaal verder volledigheidshalve elk van de verschillende competentievereisten in het bij de oproep gevoegde profiel op zich beoordeelt en besluit dat ook deze opstelsom de voorkeur voor de kandidatuur van mevrouw Marijke STERCK bevestigt; Overwegende dat de auditeur-generaal om die redenen adviseert mevrouw Marijke STERCK, eerste auditeur, aan te wijzen in het adjunct-mandaat van eerste auditeurafdelingshoofd; Overwegende dat zich in het dossier geen elementen bevinden die noodzaken af te wijken van het gemotiveerd advies van de auditeur-generaal”. IV. Enige middel Standpunten van de partijen
- Schending van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel alsook de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟. Daarenboven is de bestreden beslissing behept met manifeste beoordelingsfouten. Dit middel wordt in het verzoekschrift in essentie als volgt ontwikkeld en toegelicht: De bestreden beslissing, die zich het advies van de auditeur-generaal van 21 februari 2019 eigen heeft gemaakt, is niet overgegaan tot een daadwerkelijke vergelijking van de titels en verdiensten, vereist op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de zorgvuldigheidsplicht; Vooreerst wijst verzoekster er op dat in de bestreden beslissing en het advies de titels en verdiensten verworven tijdens de loopbaan in het auditoraat worden vergeleken, maar dat slechts summier of terzijde de verdiensten VII-40.623-15/35 buiten het auditoraat worden vermeld, zonder deze concreet tegen elkaar af te wegen, hoewel verzoekster in haar kandidatuur omstandig heeft uiteengezet dat zij naast haar loopbaan als auditeur dertien jaar relevante werkervaring kan voorleggen (balie, onderzoekswerkzaamheden aan universiteit). Het valt niet in te zien waarom met deze ervaring geen rekening wordt gehouden. Die ervaring buiten het auditoraat werd wel integraal in aanmerking genomen voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit. Door met de verdiensten buiten het auditoraat geen rekening te houden is het gelijkheidsbeginsel geschonden, minstens wordt niet aangegeven waarom er geen rekening mee gehouden is, zodat de bestreden beslissing aangetast is door een motiveringsgebrek. “Het is niet redelijk te verantwoorden waarom ervaring weliswaar binnen het Auditoraat maar binnen een zeer specifieke tak, namelijk het vreemdelingenrecht, wel wordt meegeteld en ervaring weliswaar buiten het Auditoraat, maar binnen de materies van afdeling II niet zouden worden verrekend”. Verzoekster meent verder dat het beperken van de titels en verdiensten tot deze verworven binnen het auditoraat de facto neerkomt op het laten primeren van de anciënniteit als onderscheidingscriterium. Verzoekster kan zich niet van de indruk ontdoen dat dit criterium ook de gehanteerde maatstaf is: de vergelijking vat aan met de weergave van de anciënniteit en vervolgens wordt de kandidaat met de meeste anciënniteit centraal geplaatst en wordt partieel en sporadisch vergeleken met die van de andere kandidaten, zonder onderlinge vergelijking van de titels en verdiensten van de overige kandidaten, en zonder systematische en globale vergelijking van de titels en verdiensten. Tevens wordt gebruik gemaakt van de techniek van het “saucissoneren”: telkens wordt één aspect van verzoekster “ongetwijfeld nuttig” bevonden en getoetst aan de enige verdienste van de aangewezen kandidaat, zonder dat tot een globale weging wordt overgegaan. “Zo wordt voor profielelementen groep 2 de onderscheiden vormen van leiden en begeleiden met name van documentalisten, van bestuurlijk attachés, van multidisciplinaire teams en studenten telkens individueel getoetst aan de enige ervaring van de benoemde kandidaat, met name de begeleiding van een groep attachés, zonder het geheel van de gevarieerde ervaringen van verzoekster af te wegen ten opzichte hiervan.” Dit is ook zo voor de profielelementen groep 2 waar de activiteiten binnen de Raad, de wetenschappelijke activiteiten en bijdragen, en VII-40.623-16/35 de ervaring in de advocatuur en aan de universiteit in globo niet worden vergeleken met de verdiensten van de aangewezen kandidaat. Door in te zoomen op afzonderlijke verdiensten wordt het totaalbeeld verknipt, en aldus wordt ook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden aangezien het geheel van verdiensten minutieus ten opzichte van elkaar moeten worden beoordeeld. Verzoekster meent voorts dat er willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gehandeld waar vastgesteld wordt dat de aangewezen kandidaat zeer beslagen is in dossiers vreemdelingenrecht en dat verzoekster meer ervaring heeft met de materies van de afdeling II (onderwijs - lokale besturen), maar dat beide kandidaten voor de profielelementen van groep 1 evenwaardig bevonden worden, en dit omdat de aangewezen kandidaat intussen in de afdeling IV (statuutzaken) al meer dan een jaar statuutzaken behandelt, hetgeen ook relevant is bij het behandelen van personeelszaken, lokale besturen en onderwijs. De overgang naar afdeling IV ging ook gepaard met de overdracht van de dossiers vreemdelingenzaken zodat de werkzaamheden in statuutzaken uiterst beperkt zijn. In het advies wordt ook gesteld dat de aangewezen kandidaat “ongetwijfeld in staat is om zich snel verder in te werken in de materies behandeld door afdeling II, en inzake het gebrek aan ervaring met de zaken “in volle rechtsmacht” (verkiezingen, randgemeenten), dat er geen reden is “om aan te nemen dat zij zich dit contentieux niet snel eigen zal kunnen maken”. Een vergelijking van titels en verdiensten dient op basis van concrete gegevens, en niet op grond van hypotheses en veronderstellingen, waarvan noch de Raad, noch verzoekster de juistheid kan nagaan, te gebeuren. Zij acht het gelijkheidsbeginsel tevens geschonden doordat in het advies de verdiensten van de andere kandidaten worden geminimaliseerd, terwijl deze van de aangewezen kandidaat worden gemaximaliseerd. Bij de profielelementen groep 1 wordt benadrukt dat de aangewezen kandidaat intussen al meer dan een jaar statuutzaken behandelt en zij ongetwijfeld in staat is zich snel verder in te werken in de materies van afdeling II, terwijl met betrekking tot verzoekster en haar collega‟s wordt gesteld dat deze kandidaten binnen afdeling II over een eigen specialisatie beschikken en dus niet zonder meer allen volledig en even vertrouwd zijn met alle materies die deze afdeling behandelt. In haar VII-40.623-17/35 kandidatuur heeft verzoekster benadrukt dat zij niet alleen de haar toegewezen geschillen inzake openbare centra voor maatschappelijk welzijn, brandweer, taxi- en personenvervoer en bevolkingsregister behandelt, maar tevens zaken die niet specifiek aan een lid van de afdeling zijn toegewezen. Zij behandelt ook alle tweetalige zaken en heeft, bij afwezigheid van het afdelingshoofd, in de zes maanden voorafgaand aan het advies ook oudere Nederlandstalige onderwijsdossiers behandeld. Zij heeft in die zes maanden evenveel verslagen neergelegd als de benoemde kandidaat in statuutzaken op meer dan één jaar. Verzoekster is aldus all-round inzetbaar, hetgeen in het advies op geen enkele wijze wordt weerlegd, zodat aldus de motiveringsplicht geschonden wordt. Ook lijkt het advies aan te geven dat de ervaring van de aangewezen kandidaat in de dossiers onderwijs in het Coördinatiebureau evenwaardig is aan de ervaring van verzoekster bij de afdeling wetgeving in de materies onderwijs en lokale besturen, terwijl het advies niet preciseert dat verzoekster bijna drie jaar werkzaam was bij de afdeling wetgeving, terwijl de aangewezen kandidaat slechts een zestal maanden bij het coördinatiebureau werkzaam was. In zoverre in aanmerking wordt genomen dat de aangewezen kandidaat attachés motiveert om de overstap te maken naar het auditoraat, lijkt een dergelijke overstap eerder de verdienste te zijn van de attaché die geslaagd is in het vergelijkend examen. Het advies en de bestreden beslissing trekken motiveringen van verzoekster uit hun context: onder de rubriek “beschikbaarheid van een afdelingshoofd” deelt verzoekster mee dat zij geen functie in het hoger onderwijs zal aannemen om zich ten volle op de leiding van de afdeling te kunnen concentreren, hetgeen dan in het advies bij de deskundigheid betrokken wordt als zou verzoekster de door haar geleverde wetenschappelijke prestaties zelf nuanceren. Aldus schendt het advies de materiëlemotiveringsplicht: toekomstgerichte intenties doen geen afbreuk aan de geleverde onderzoeksactiviteiten. VII-40.623-18/35 In zoverre gewezen wordt op de flexibiliteit van de aangewezen kandidaat omwille van haar overstap naar een andere afdeling met behoud van dossiers valt niet in te zien in welke mate zij zich op het vlak van flexibiliteit onderscheidt van de overige kandidaten. In zoverre het advies er op wijst dat er een verschil is inzake wetenschappelijke activiteiten tussen enerzijds verzoekster en Jurgen Neuts, en anderzijds Sofie De Doncker, die hier niet op ingaat, en de tussenkomende partij, die naar één publicatie in vreemdelingenzaken verwijst, hetgeen zij verantwoordt om zich volledig te kunnen inzetten voor haar werk in het auditoraat, hetgeen in het advies beoordeeld wordt als een keuze die even verdedigbaar is, wijst verzoekster er op dat haar wetenschappelijke activiteiten de vrucht van avond- en weekendwerk zijn. Het is beledigend te moeten vaststellen dat de recente publicatie van „het handboek voor de gemeenteraadsverkiezingen in het Vlaamse Gewest‟, dat zij onder meer met collega Jurgen Neuts geüpdated heeft, weggewuifd wordt, maar dat de aangewezen kandidaat er voor geprezen wordt omdat zij dit handboek gelezen heeft, hetgeen haar motivatie zou aantonen. Daar waar de publicatie geen bijkomend gewicht wordt toegekend, krijgt de aangewezen kandidaat een streepje voor wegens het vermeend lezen ervan. Het lezen van een bijdrage is bijgevolg belangrijker dan het schrijven ervan. Het betreft een manifeste beoordelingsfout, een redenering die indruist tegen alle redelijkheid. De afdeling II bestaat de laatste jaren uit een eerste auditeur-afdelingshoofd en vier auditeurs, bijgestaan door een bestuurlijk attaché die deeltijds werkt. Het “leiding geven”, onderdeel van de profielelementen groep 2, betreft bijgevolg in hoofdzaak het sturen van de auditeurs, en in mindere mate de bestuurlijke attaché. Rekening houdend met de vaststelling in het activiteitenverslag van de Raad van State 2016-2017, dat het invoeren van arresten in de databank “Audidoc” 65,20 % van het tijdsgebruik van de bestuurlijke attachés opslorpt, heeft het leiding geven aan deze attachés slechts een beperkte pertinentie. In het advies wordt de beoordeling van de profielelementen groep 2 evenwel volledig opgehangen aan dit minuscuul aspect. Het gehanteerde criterium is bijgevolg kennelijk onevenredig met het beoogde doel, met name het toetsen van de competentie “leiding geven en begeleiden”. VII-40.623-19/35 Het advies, en bij uitbreiding de bestreden beslissing, besluit dat uit geen van de kandidaturen specifieke ervaring in het leiden, motiveren of coördineren van het werk van een team auditeurs blijkt. Er wordt zelfs niet onderzocht of mogelijke andere gelijkaardige ervaring in aanmerking komt of dat de getoetste competentie op een andere manier is verworven, waardoor het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is. Nochtans heeft verzoekster in haar kandidatuur uiteengezet dat zij over gelijkaardige expertise beschikt. Er wordt niet gemotiveerd waarom deze niet in acht genomen wordt, zodat ook de formelemotiveringsplicht geschonden is. Het advies plaatst integendeel de competenties van verzoekster verworven in de advocatuur tegenover “het beheren en wegwerken van grote aantallen zaken binnen het auditoraat, in het motiveren van een team om te blijven geloven in de afbouw van een soms niet aflatende stroom zaken en in het overleggen om in de mate van het mogelijke tot een gezamenlijk standpunt te komen van het leiding geven aan bestuurlijke attachés”. Deze vergelijking loopt mank. Een auditeur heeft het laatste woord, gelet op zijn verantwoordelijkheid voor het verslag,terwijl de knowhow van verzoekster het in goede banen leiden van projecten door multidisciplinaire teams betrof, waarbij elke expert op grond van gelijkheid zijn bijdrage levert om te komen tot een gemeenschappelijk doel. In zoverre het advies bij de beoordeling van „leiden en begeleiden” stelt dat de ervaring van verzoekster in het begeleiden van documentalisten in de afdeling wetgeving minder relevant is voor de functie van een afdelingshoofd in de afdeling bestuursrechtspraak waarbij zij niet in dezelfde mate bestuurlijk attachés bestuursrechtspraak heeft begeleid, minstens niet in het kader van de opvolging van een zeer groot aantal te verwerken dossiers, merkt verzoekster op dat niet aangegeven wordt waarom haar ervaring minder relevant zou zijn. Het onderscheid tussen documentalisten en bestuurlijk attachés is niet bepalend om de competentie leiden en begeleiden te beoordelen. Integendeel kan net aangenomen worden dat documentalisten nauwgezetter moeten opgevolgd worden aangezien zij geen juristen zijn, zodat dit bijgevolg verdienstelijker is dan het begeleiden van bestuurlijk attachés. VII-40.623-20/35 Verzoekster meent ten slotte dat het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt doordat vergeleken wordt wat niet vergeleken kan worden: het advies verwijst naar de grote aantallen vreemdelingenzaken die de aangewezen kandidaat in de periode 2007-2010 behandeld heeft, is dit te verklaren door de specifieke geschillenbeslechting waarbij de verslagen opgesteld werden door een team van bestuurlijke attachés, hetgeen in afdeling II niet het geval is omdat de materie zich daar niet toe leent en omdat deze afdeling ook niet over een team bestuurlijk attachés beschikt. Een vergelijking op basis van cijfergegevens is bijgevolg niet mogelijk. Ten onrechte gaan het advies en de bestreden beslissing ervan uit dat de aanpak van de achterstand in het vreemdelingencontentieux transponeerbaar is op het wegwerken van “het aantal dossiers en oude dossiers in afdeling II”. Er wordt dan ook niet aangetoond dat de aangewezen kandidaat beter geplaatst is om de achterstand weg te werken. Inzake de competentie “resultaatgerichtheid” worden alle kandidaten overigens ex aequo gerangschikt. Het betreft een manifeste beoordelingsfout.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord in essentie: - Met verwijzing naar arrest nr. 242.563 van 9 oktober 2018 brengt zij in herinnering dat een benoemende overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt en zet zij uiteen waar de grenzen van deze bevoegdheid liggen. Zij verwijst verder naar de rechtspraak van de Raad die stelt dat uit de motivering van een benoemingsbeslissing enkel moet blijken dat de vergelijking van titels en verdiensten daadwerkelijk is gebeurd, welke de objectieve, redelijke en pertinente criteria zijn die hierbij werden gehanteerd, en welke de concrete redenen zijn waarom aan de benoemde de voorkeur werd gegeven; - Met betrekking tot de beoordeling van de profielelementen groep 1 wijst zij er op dat de overwegingen van het advies bezwaarlijk als onredelijk kunnen worden beschouwd, hetgeen des te meer geldt nu alle kandidaten voor deze groep als evenwaardig worden beschouwd; VII-40.623-21/35 - Dat geen rekening gehouden werd met de ervaring buiten het auditoraat wordt tegengesproken door het advies. Dat de ervaring van verzoekster als advocaat niet uitdrukkelijk beoordeeld wordt toont niet aan dat de tussenkomende partij hier kennelijk niet als gelijkwaardig kon worden gerangschikt. De verwerende partij stelt ook vast dat de criteria op gelijke wijze werden toegepast op alle kandidaten. Dat het meeste gewicht werd toegekend aan de ervaring binnen het auditoraat is gelet op de relevantie voor de te begeven functie niet kennelijk onredelijk. Dat in eerste instantie naar de ervaring van de auditeur wordt gekeken is veeleer de logica zelf. De vergelijking met het wel in aanmerking nemen van de ervaring buiten het auditoraat bij de vaststelling van de geldelijke anciënniteit gaat niet op aangezien de ratio die aan een aanwerving (benoeming) ten grondslag ligt niet dezelfde is als deze van een bevordering. In zoverre de flexibiliteit van de tussenkomende partij in vraag gesteld wordt is deze wel degelijk gesteund op concrete gegevens (overstap naar afdeling IV). Ook de motivatie van de tussenkomende partij steunt op concrete gegevens. In zoverre verzoekster stelt dat geen rekening gehouden werd met haar “all-round” ervaring en haar academische verdiensten, wijst de verwerende partij er op dat een positieve motivering in beginsel volstaat, zodat niet alle door verzoekende partij aangebrachte elementen expliciet moeten worden vermeld en afgewogen. De wezenlijke elementen aangebracht door verzoekster worden overigens wel degelijk betrokken in het advies. Verzoekster toont niet aan dat de auditeur-generaal zich gesteund heeft op onjuiste of onbewezen feiten. Het motief dat het afdelingshoofd niet noodzakelijk uit de betrokken afdeling moet worden aangewezen, wordt door verzoekende partij inhoudelijk niet betwist. De sterke nadruk die gelegd wordt op de verworven ervaring in de materies van afdeling II, bijna als een pleidooi om deze als doorslaggevend te beschouwen, staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel aangezien die de doorstroom van eerste auditeurs uit andere afdelingen bemoeilijkt; - Met betrekking tot de profielelementen groep 2, stelt de verwerende partij met verwijzing naar de betrokken passage uit het advies dat de auditeur-generaal tot de bevinding kwam dat redelijkerwijze het meeste waarde kon gehecht worden aan de begeleiding van attachés en dat de tussenkomende partij op dit punt dus de meest geschikte was. Dat de auditeur-generaal de door verzoekster aangebrachte ervaring buiten het auditoraat minder relevant geacht heeft kan niet als onredelijk beschouwd worden gelet op de taak van een afdelingshoofd. Dat er momenteel VII-40.623-22/35 slechts één bestuurlijk attaché is toegewezen aan de afdeling doet daaraan geen afbreuk, aangezien tussenkomende partij in het verleden leiding gegeven heeft aan een team van vier bestuurlijke attachés. Dat er geen reden is om aan te nemen dat ook verzoekster daartoe niet in staat zou zijn is niet pertinent vermits zij zich niet op een dergelijke ervaring beroept zodat daarover ook geen gemotiveerd standpunt moest worden ingenomen. Dat verzoekster ervaring bij het begeleiden van documentalisten (niet-juristen) voorlegt, toont niet aan dat de auditeur-generaal onredelijk heeft geoordeeld door de ervaring van de tussenkomende partij als meer dienstig te beschouwen; - Dat het werk van de tussenkomende partij in het vreemdelingencontentieux niet te vergelijken is met het werk in de afdeling II, merkt de verwerende partij op dat in het advies niet wordt gesteld dat dit wel het geval zou zijn. Daarin wordt wel gesteld dat de tussenkomende partij daar nuttige ervaring heeft verworven om in moeilijke omstandigheden een groot aantal beroepen te verwerken; - Uit het voorgaande blijkt ook dat de stelling dat de facto de anciënniteit als onderscheidingscriterium zou zijn gehanteerd grondslag mist.
- De tussenkomende partij sluit zich in haar toelichtende memorie aan bij de repliek in de memorie van antwoord.
- Verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord in essentie: Verzoekster stelt in haar verzoekschrift uiteengezet te hebben dat aan één ervaring een gewicht is toegekend dat onredelijk is in verhouding tot het te begeven profiel, terwijl haar verdiensten kunstmatig afgezonderd zijn om minder door te wegen. De bestreden beslissing is aldus een emanatie van een beoordelingsbevoegdheid die getuigt van een wijze waarop geen enkel ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden. De verwerende partij legt te veel de nadruk op het gegeven dat een positieve motivering zou volstaan, zonder rekening te houden met de vereiste van een daadwerkelijke vergelijking van titels en verdiensten. Het volstaat immers VII-40.623-23/35 niet dat de kandidaat die goed is wordt gekozen, het gelijkheidsbeginsel vereist dat de beste gekozen wordt. De voornaamste vragen die voorliggen zijn eenvoudig en kunnen herleid worden tot volgende punten:
- Is een kandidaat die geen ervaring heeft in de materies waarop de te begeven functie betrekking heeft en zich nog moet inwerken evenwaardig aan een kandidaat die met vrucht bewezen heeft reeds over de nodige kennis en vaardigheden in die materies te beschikken, rekening houdend dat het functieprofiel vooropstelt dat het afdelingshoofd juridisch-technische ondersteuning geeft aan de leden van zijn afdeling en moet waken over de eenheid van de rechtspraak?;
- Is het redelijk te verantwoorden dat de voorkeur gegeven wordt aan ervaring binnen het auditoraat die vreemd is aan de te begeven functie eerder dan aan relevante ervaring buiten het auditoraat?;
- Laat een objectieve vergelijking van titels en verdiensten toe de verdiensten van een kandidaat te maximaliseren en die van de overige kandidaten te minimaliseren?. Indien het antwoord op één van deze vragen neen is, dient de bestreden beslissing vernietigd te worden. Voor de repliek inzake de beoordeling van de profielelementen groep 1 wordt verwezen naar de memorie van wederantwoord (p. 4-11). De rode draad in dat betoog is dat ten onrechte te weinig gewicht werd gegeven aan de vertrouwdheid met en beheersing van de materies van afdeling II en dat a priori de anciënniteit het doorslaggevend criterium is geweest. Voor de repliek inzake de beoordeling van de profielelementen groep 2 wordt verwezen naar de memorie van wederantwoord (p. 12-15). Daarin wordt in essentie beklemtoond dat de voorkeur gegeven wordt aan niet te vergelijken ervaring binnen het auditoraat zonder te onderzoeken of er relevante gelijkaardige ervaring is buiten het auditoraat. VII-40.623-24/35 Verzoekster merkt ook nog op dat in de memorie van antwoord op tal van haar grieven niet wordt geantwoord, inzonderheid met betrekking tot de elementen die bewijzen dat de bestreden beslissing haar verdiensten minimaliseert en deze van de tussenkomende partij maximaliseert.
- In haar laatste memorie voegt verzoekster nog toe: “De bestreden beslissing die de ervaring opgedaan buiten het Auditoraat, uitsluit of minder laat doorwegen bij de beoordeling van de titels en verdiensten, zonder dat hiervoor een pertinent criterium en motivering voorhanden is, schendt het gelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht. De schending heeft een invloed op zowel profielelementen groep 1 als groep 2, zodat ten onrechte is besloten tot de evenwaardigheid van de kandidaturen. […] Het spreekt toch voor zich dat een kandidaat die reeds een grondige kennis heeft van de materies beter geplaatst is om de collega‟s juridisch technisch bij te staan en te ondersteunen, een adjunct-auditeur op te leiden en te waken over de eenheid van de rechtspraak in de desbetreffende materies dan een kandidaat die zich nog moet inwerken en vertrouwd moet worden met de desbetreffende materies. […] Echter, noch artikel 74/2, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State noch het gelijkheidsbeginsel, die waarborgen dat alle eerste auditeurs toegang hebben tot de bestreden functie, beletten dat deze algemene bepalingen door profielvereisten aangaande de toegang tot het ambt juridisch conform meer gespecificeerd worden en dat deze vereisten derhalve vergen dat onderzocht wordt in welke mate eraan wordt voldaan. Het spreekt toch voor zich dat een bestuur in zijn zoektocht naar personeel rekening mag houden met de specificiteit van het te begeven ambt. De kernvereiste van de taak van afdelingshoofd is om de dossiers te kunnen behandelen en de overige leden bij de behandeling te kunnen bijstaan. […] Rekening houdend dat het functieprofiel vooropstelt dat het afdelingshoofd juridisch-technische ondersteuning geeft aan de leden van zijn afdeling en moet waken over de eenheid van de rechtspraak, kan een kandidaat die geen ervaring heeft in de materies waarop de te begeven functie betrekking heeft en die zich nog moet inwerken niet evenwaardig worden beschouwd aan verzoekster die met vrucht bewezen heeft reeds over de nodige kennis en vaardigheden in die materies te beschikken. […] Daarenboven is duidelijk dat in casu wel ervaring met betrekking tot de juridische deskundigheid en vaardigheden voorlag voor alle kandidaten, maar dat verzoekster bijkomend kennis en ervaring had in de materies en procedures van de te begeven functie in afdeling II, „lokale besturen en onderwijs‟, en de uitverkoren kandidaat niet. Met de overweging „Dat de verzoekende partij kennelijk alle materies die aan afdeling II zijn toegewezen goed beheerst toont niet aan dat de VII-40.623-25/35 tussenkomende partij niet over de vereiste juridische deskundigheid om zich in te werken in de afdeling II zou beschikken‟, bevestigt de auditeur-verslaggever al dat de benoemde kandidaat voor de desbetreffende profielelementengroep minder scoort dan verzoekster. Uiteraard kan verzoekster niet aantonen dat de tussenkomende partij zich niet zou kunnen inwerken, net zomin als de verwerende partij op het ogenblik van de bestreden beslissing kon bewijzen dat zij dit wel zou kunnen doen. Het betreft immers geen verdienste maar een in de toekomst gelegen veronderstelling. Daarenboven, het argument van de auditeur-verslaggever toepassend, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing ook niet heeft aangetoond dat verzoekster geen team van bestuurlijke attachés zou kunnen leiden. Een competentie moet vooraf aangetoond worden, zo niet betreft het geen verdienste. Niet aantoonbare motieven staan gelijk met onjuiste motieven. Een benoeming die afhangt van de welwillende inschattingen en veronderstellingen van het bestuur is een terugkeer naar willekeur en „vriendjespolitiek‟, die de Raad van State met zijn rechtspraak betreffende de concrete vergelijking van titels en verdiensten, doorheen de voorbije decennia heeft willen bannen. De bestreden beslissing die „verhoopte‟ ervaring van de benoemde kandidaat vergelijkt met daadwerkelijke verdiensten van verzoekster, schendt het gelijkheidsbeginsel en de materiële motivering”. Voorts brengt verzoekster een aantal beschouwingen bij die zouden aantonen dat op kunstmatige wijze is geijverd om de kandidaten als gelijkwaardig te kunnen rangschikken, ten einde de anciënniteit als doorslaggevend element te kunnen aanwenden. Beoordeling
- Bij de vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten beschikt de benoemende overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid, inzonderheid wat betreft de criteria die zij hiervoor in aanmerking neemt en het onderling gewicht dat zij aan deze criteria toekent, op voorwaarde dat ze objectief en pertinent zijn en op alle kandidaten op gelijke wijze worden toegepast. De Raad van State mag zich op dit vlak niet in de plaats stellen van de overheid. Hij mag wel nagaan of de benoemende overheid al dan niet op een willekeurige wijze van haar beoordelingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Dit zal enkel het geval zijn indien de benoemende overheid handelt op een wijze waarop geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden zou handelen. Dan moet worden vastgesteld VII-40.623-26/35 dat de benoemende overheid onredelijk heeft gehandeld en dient de Raad van State beteugelend op te treden. De Raad van State is aldus bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur bij de vergelijking van de kandidaten objectieve criteria, die verband houden met de functie, heeft gehanteerd en of het bestuur, afgaand op de feitelijke gegevens die voorlagen en die het juist heeft bevonden, niet elke redelijkheid te buiten is gegaan door aan de tussenkomende partij de voorkeur te geven. Dat de benoemende overheid beschikt over een beoordelingsvrijheid, betekent dat verschillende beslissingen mogelijk zijn, zij het enkel binnen de grenzen van de redelijkheid. De Raad van State mag zich echter als wettigheidsrechter bij de beoordeling van de aangevoerde wettigheidskritiek, wat de appreciatie van de titels en verdiensten van de kandidaten betreft, niet in de plaats van de overheid stellen. Bijgevolg volstaat het niet dat een verzoeker beweert dat hij de door de verwerende partij doorgevoerde waardering van de kandidaten als onredelijk of onrechtvaardig ervaart. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de verwerende partij aan te tonen, kan hij ook niet volstaan met persoonlijke appreciaties van wat hij zelf redelijk vindt, laat staan met speculatieve verklaringen, onbewezen logenstraffingen of het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling berust of van die beoordeling zelf. Ook mag hij niet zomaar eisen dat de benoemende overheid uitlegt waarom zij voor de ene redelijke afweging heeft gekozen en niet voor een andere, als verzoeker niet eerst zelf minimaal twijfel kan doen rijzen omtrent de deugdelijkheid van de gehanteerde werkwijze. Een verzoeker slaagt er maar in om een beoordeling onwettig te horen verklaren, indien hij aantoont dat het bestuur steunt op onjuiste of onbewezen feiten of op een verkeerde beoordeling van of gevolgtrekking uit de feiten - de zogenaamde kennelijke beoordelingsfout die het bestuur maakt als het voorbijgaat aan zijn voor eenieder zichtbare grotere aanspraken.
- De auditeur-generaal heeft als adviserende instantie geoordeeld dat de kandidaturen van verzoekster en de tussenkomende partij (en van Jurgen VII-40.623-27/35 Neuts) evenwaardig zijn, en dat hij daarom de voorkeur gegeven heeft aan de kandidaat met grootste anciënniteit, voorkeur die bevestigd wordt door het grote belang van de competenties leiden, motiveren en organiseren van een team bij de behandeling van de dossiers, waaronder oude, van afdeling II (competenties waarvan de auditeur-generaal van oordeel is dat deze iets meer aanwezig zijn bij de aangewezen kandidaat dan bij de andere kandidaten).
- Het middel wordt in het verzoekschrift op nogal ongestructureerde wijze uiteengezet hoewel verzoekster kritiek levert op verschillende onderdelen van het advies/de bestreden beslissing waarin zij diverse onwettigheden ontwaart. Verzoekster maakt hierbij geen onderscheid tussen het motief in hoofdorde (kandidaten evenwaardig, voorrang aan kandidaat met meeste anciënniteit) en in ondergeschikte orde (competenties leiden, motiveren en organiseren van een team iets meer aanwezig bij de tussenkomende partij).
- Verzoekster kan niet worden bijgevallen wanneer zij beweert dat de ervaring buiten het auditoraat niet mee in aanmerking genomen werd. Uit het advies blijkt dat alle door verzoekster aangebrachte informatie betreffende haar ervaring buiten het auditoraat vermeld wordt en dat deze bij de beoordeling in de groepen van profielelementen betrokken worden. Dit geldt overigens voor alle kandidaturen. De auditeur-generaal heeft kennelijk gemeend voor de toewijzing van het adjunct-mandaat van eerste auditeur-afdelingshoofd minder gewicht te moeten toekennen aan de ervaring opgedaan buiten het auditoraat. Het is niet onredelijk dat de auditeur-generaal bij de aanwijzing van een afdelingshoofd, die een afdeling van het auditoraat moet leiden, meer belang hecht aan de titels en verdiensten die de kandidaten verworven hebben binnen het auditoraat, eerder dan aan (reeds lang) voorheen verworven titels en verdiensten buiten het auditoraat. Dat verzoekster er (ook reeds in haar kandidatuur) op wijst dat haar ervaring buiten het auditoraat wel in aanmerking genomen werd voor de vaststelling van haar geldelijke anciënniteit doet niet anders besluiten. De ervaring VII-40.623-28/35 buiten het auditoraat werd immers wel degelijk betrokken bij de beoordeling. Dat deze voorheen opgedane werkervaring werd “gevaloriseerd” bij de aanwerving van verzoekster toont nog niet aan dat deze ervaring relevant is in het kader van een aanwijzing in een adjunct-mandaat. In zoverre verzoekster in dit “onderdeel” nog aanvoert dat niet gemotiveerd wordt waarom geen rekening gehouden wordt met de (door haar vermelde) ervaring buiten het auditoraat, mist die bewering elke grondslag. Anders dan verzoekster meent, blijkt uit de motivering wel degelijk waarom de auditeur-generaal gemeend heeft dat de ervaring van verzoekster die zij verworven heeft buiten het auditoraat niet opweegt tegen de ervaring van de tussenkomende partij als leidinggevende bij het wegwerken van de achterstand in het vreemdelingencontentieux. Dat de auditeur-generaal van oordeel is dat de ervaring die de tussenkomende partij heeft opgedaan door het leiden van een team van bestuurlijke attachés binnen de afdeling bestuursrechtspraak zwaarder doorweegt dan de ervaring van verzoekster is, in acht genomen het te begeven adjunct-mandaat van afdelingshoofd van een afdeling bestuursrechtspraak, niet onredelijk.
- In tegenstelling tot wat verzoekster beweert blijkt uit het advies niet dat de tussenkomende partij “centraal geplaatst” wordt. Het advies vergelijkt onder punt 5 alle kandidaturen per groep van profielelementen, waarbij de sterke en zwakke punten van de kandidaten worden belicht. Het is evident dat daarbij de elementen die in het voordeel van de tussenkomende partij spelen benadrukt worden. Dit advies moet immers de motieven bevatten die de aanwijzing van de tussenkomende partij in feite en in rechte kunnen verantwoorden. Verzoekster meent evenwel dat bij de vergelijking van de titels en verdiensten de ongeoorloofde techniek van, wat zij noemt, het “saucissonneren” gebruikt werd, wat betreft de beoordeling van de competentie leiden en begeleiden, en wat betreft de beoordeling van de wetenschappelijke activiteiten en de ervaring buiten de Raad, zonder globale vergelijking van titels en verdiensten. VII-40.623-29/35 Uit het advies blijkt dat de auditeur-generaal de wijze waarop de tussenkomende partij als leidinggevende van vier bestuurlijke attachés het wegwerken van de achterstand in het vreemdelingencontentieux ten aanzien van de te begeven betrekking relevanter acht dan de ervaring waarop verzoekster zich beroept. Verzoekster toont niet aan dat deze vaststelling feitelijke grondslag mist. Dat de auditeur-generaal die ervaring als relevanter beschouwt dan de ervaring die verzoekster inroept (als advocaat teams coördineren, stagiairs begeleiden, het bijstaan van vier documentalisten van de afdeling wetgeving en vier bestuurssecretarissen, alsook begeleiding studenten aan de universiteit) is niet onredelijk nu de te begeven betrekking zich situeert in de afdeling bestuursrechtspraak. Het valt niet meteen in te zien waarom dit onwettig zou zijn. Wat de ervaring buiten de Raad betreft, kan worden verwezen naar hetgeen hierover onder punt 12 geoordeeld werd. Uit het advies blijkt dat de auditeur-generaal de waarde van wetenschappelijke activiteiten en publicaties erkent, maar dat hij hieraan geen doorslaggevend gewicht geeft ten aanzien van de vereiste competenties inzake het leiden en begeleiden van de leden van de afdeling. De auditeur-generaal hecht in zijn advies meer gewicht aan de competenties leiden, motiveren en organiseren (zie 5.7 van het advies). Vermits de auditeur-generaal over een discretionaire bevoegdheid beschikt om het onderling gewicht van de criteria te bepalen is dit niet onwettig. Dat meer belang gehecht wordt aan de competenties inzake leiden en begeleiden is niet onredelijk in acht genomen de te begeven leidinggevende betrekking.
- In zoverre verzoekster zou beogen te stellen dat de te begeven betrekking hoe dan ook aan één van de leden van afdeling II had moeten worden toegewezen, strookt dit niet met artikel 74/2, § 4, van de RvS-wet. De auditeur-generaal stelt in het advies dan ook terecht: “Een afdelingshoofd moet echter niet noodzakelijk uit de leden van de betrokken afdeling aangewezen worden”. Hij voegt daar aan toe: “een doorstroming moet mogelijk zijn en kan ook nuttig zijn”. Deze opportuniteitsoverweging is niet kennelijk onredelijk. VII-40.623-30/35 In de oproep tot de kandidaten wordt overigens als competentie vermeld “Kennis van de instelling en juridische deskundigheid verworven in de uitoefening van de functie auditeur”, zonder dat die deskundigheid op de materies van een afdeling betrokken wordt. Gelet op het wettelijk voorschrift kan aan de ervaring verworven binnen de afdeling geen bijkomend, laat staan een doorslaggevend, gewicht gegeven worden in de vergelijking van de kandidaturen. Het lidmaatschap van de afdeling waar het afdelingshoofd moet worden aangewezen verleent bijgevolg geen merkbaar grotere aanspraken op die aanwijzing. De kandidaat moet bijgevolg zelf niet concreet aantonen dat hij of zij over een gedegen kennis beschikt van de materies die in de betrokken afdeling worden behandeld. Een niet ongefundeerde veronderstelling dat hij of zij zich deze materies snel eigen kan maken volstaat. In het advies wordt er onder meer op gewezen dat de tussenkomende partij sinds een jaar ook statuutzaken behandelt die vergelijkbaar zijn met de materies van afdeling II, en dat zij een ruime ervaring heeft met de meest voorkomende procedures bij de Raad, waarbij zij meer ervaring heeft met cassatiezaken en geen ervaring heeft met verkiezingszaken en randgemeentenzaken, maar deze beide soorten zaken vormen slechts een klein deel van de zaken binnen afdeling II. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat deze vaststellingen feitelijk onjuist zouden zijn.
- Dat verzoekster, zoals zij beweert, kennelijk alle materies die aan afdeling II zijn toegewezen goed beheerst toont niet aan dat de tussenkomende partij niet over de vereiste juridische deskundigheid zou beschikken om zich in te werken in deze afdeling. De vaststelling in het advies dat de tussenkomende partij door haar overstap naar afdeling IV statuutzaken heeft behandeld en dat dit zaken zijn die vergelijkbaar zijn met de materies die in afdeling II behandeld worden is niet onjuist. Het is evenmin onredelijk dat op grond daarvan besloten wordt dat zij zich snel zal kunnen inwerken in die materies. Een bijzondere motivering waarom de “all-round inzetbaarheid” van verzoekster niet hoger gewaardeerd wordt is in die context niet vereist. VII-40.623-31/35 Wat de ervaring in het coördinatiebureau betreft, blijken uit het advies duidelijk de redenen waarom deze ervaring als minder relevant werd beoordeeld. Verzoekster toont opnieuw niet aan dat de feitelijke gegevens onjuist zijn, noch dat de gevolgtrekkingen die daaruit worden afgeleid onredelijk zijn.
- Verzoekster stelt voorts ten onrechte dat haar aankondiging (onder de rubriek “beschikbaarheid van een afdelingshoofd”) dat zij geen functie in het hoger onderwijs meer zou aannemen uit zijn context gerukt wordt en dat zo gepretendeerd wordt dat zij zelf de door haar geleverde wetenschappelijke activiteiten zou nuanceren, quod non, waardoor de materiëlemotiveringsplicht wordt geschonden. In het advies wordt gesteld: “Iris Verheven benadrukt in haar kandidatuur trouwens zelf het voordeel van het feit dat zij geen functie meer uitoefent aan de universiteit zodat haar aandacht exclusief en onverdeeld kan uitgaan naar het leiden van de afdeling.” Hieruit kan niet worden afgeleid dat verzoekster zelf de door haar geleverde wetenschappelijke activiteiten zou nuanceren, zodat de materiëlemotiveringsplicht niet geschonden wordt.
- Uit het advies volgt niet dat de flexibiliteit van de tussenkomende partij op zich als een motief ter ondersteuning van haar kandidatuur wordt aangenomen. Dit motief wordt wel gevonden in de vaststelling dat de tussenkomende partij in de afdeling IV ook zaken behandeld heeft in materies die vergelijkbaar zijn met de materies van afdeling II. Overigens duidt verzoekster met betrekking tot dit aspect van de betwisting niet aan welke regel of welk beginsel geschonden is.
- In het advies wordt vastgesteld dat uit geen van de kandidaturen specifieke ervaring in het leiden, motiveren of coördineren van het werk van een team van auditeurs blijkt. Dit is ook logisch vermits geen van hen, behoudens de tijdelijke vervanging bij afwezigheid van het afdelingshoofd, de functie van afdelingshoofd van een team van auditeurs heeft uitgeoefend. Het is niettemin niet onredelijk dat de auditeur-generaal de competenties leiden, motiveren en coördineren voor de te begeven betrekking van even groot belang acht als bij VII-40.623-32/35 voorbeeld de juridische deskundigheid, en al evenmin is het onredelijk dat hij daarbij meer belang heeft gehecht aan ervaring die opgedaan werd binnen het auditoraat, afdeling bestuursrechtspraak, vermits de te begeven betrekking zich daar situeert. Dat, zoals verzoekster beweert, de hele beoordeling van de profielelementen groep 2 volledig opgehangen wordt aan het minuscule aspect van de begeleiding van de (enige) bestuurlijke attaché vindt geen steun in het advies. In zoverre in het advies rekening gehouden wordt met het leiden en begeleiden van bestuurlijke attachés betreft het in hoofdzaak het leiden en begeleiden van het team van bestuurlijke attachés dat onder leiding van de tussenkomende partij de achterstand in het vreemdelingencontentieux heeft weggewerkt. Bij gebreke aan andere referentiepunten inzake ervaring met leiding geven binnen het auditoraat, afdeling bestuursrechtspraak, is het niet kennelijk onredelijk dat met die ervaring rekening wordt gehouden bij de vergelijking van de kandidaturen. Uit het advies blijkt eveneens dat de ervaring van verzoekster in het begeleiden van documentalisten in de afdeling wetgeving voor de functie van afdelingshoofd in een afdeling bestuursrechtspraak minder relevant is. Die mindere relevantie wordt bijgevolg verklaard doordat die ervaring zich situeert in de afdeling wetgeving, terwijl de te begeven betrekking zich in de afdeling bestuursrechtspraak situeert. Deze vaststelling is noch kennelijk onjuist, noch onredelijk.
- De vaststelling dat de aangewezen kandidaat de grote achterstand in het vreemdelingencontentieux slechts kon wegwerken door de ondersteuning van het team van bestuurlijke attachés dat ter beschikking stond, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat zij de leiding had over dat team en dat zij die opdracht in die hoedanigheid tot een goed einde heeft gebracht. In het advies wordt hierover gesteld: “Hiertegenover staat dat het voor Marijke Sterck ging om het beheren en wegwerken van grote aantallen zaken binnen het Auditoraat, in het motiveren van een team om te blijven geloven in de afbouw van de soms niet aflatende stroom zaken en in het overleggen om in de mate van het mogelijke tot een gezamenlijk standpunt te komen. Dat het daarbij VII-40.623-33/35 niet ging om dossiers in materies eigen aan afdeling II maakt dit niet minder relevant”. Uit deze motivering blijkt dat niet zozeer het wegwerken van het groot aantal zaken op zich als vergelijkingspunt in aanmerking genomen wordt, maar wel de competenties en vaardigheden die daarvoor als leidinggevende vereist waren. Dat in het advies besloten wordt dat die ervaring niet minder relevant is omdat het geen dossiers in de materies van afdeling II betrof, is noch feitelijk onjuist, noch onredelijk. Dat vastgesteld wordt dat de aangewezen kandidaat er als leidinggevende in geslaagd is de achterstand in het vreemdelingencontentieux in een afdeling weg te werken, dit met ondersteuning van een team, waaraan zij leiding gaf, is wel degelijk een pertinente vaststelling met het oog op het beoordelen van de kandidaturen voor de betrekking van afdelingshoofd in de afdeling bestuursrechtspraak. De auditeur-generaal vermocht in alle redelijkheid die ervaring als leidinggevende als objectief en pertinent criterium in aanmerking te nemen bij de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten.
- Uit de beoordeling van het middel is gebleken dat de door verzoekster in haar memorie van wederantwoord geformuleerde vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De opmerkingen in de laatste memorie van verzoekster, die eigenlijk reeds waren vervat in de uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift, houden vooral opportuniteitskritiek in of zijn gebaseerd op subjectieve indrukken. Verzoekster slaagt er met haar betoog niet in het objectief en uitgebreid advies van de auditeur-generaal, waarin de titels en verdiensten van de vier kandidaten nauwkeurig worden afgewogen, onderuit te halen. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. VII-40.623-34/35
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.623-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div