id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.053 Rolnummer: A. 225047/VII-40257 Zaak: Arrest 249053 - Milieuvergunningen - 26/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-10 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 249.053 van 26 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.053 van 26 november 2020 in de zaak A. 225.047/VII-40.257 In zake : de VZW HONDENVERENIGING DE SPIJKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 april 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 15 februari 2018, waarbij het beroep van Robert Van Hecke, tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge van 18 september 2017, die de milieuvergunning verleende voor twee jaar aan verzoekende partij voor de inrichting gelegen aan de Aardenburgseweg 131 te Sint-Kruis Brugge, werd ingewilligd en de vergunning wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. VII-40.257-1/13 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november 2020. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Juriste Sandy Vanparys, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 20 maart 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge een vergunning voor het exploiteren van een hondenschool voor een termijn van 20 jaar. Een omwonende stelt hiertegen beroep in bij de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Deze besluit op 20 augustus 2015 om de vergunning slechts te verlenen voor een beperkte termijn van twee jaar, met als einddatum 19 maart 2017. Deze beperking wordt verklaard doordat de inrichting zonevreemd gelegen is en houdt rekening met het feit dat de stad Brugge de opmaak beoogt van een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP). 3.2. De verzoekende partij dient op 12 mei 2017 een milieuvergunningsaanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge voor een hondenschool met maximum 150 honden gelegen te Brugge (Sint-Kruis), Aardenburgseweg 131. VII-40.257-2/13 3.3. Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning voor een termijn van twee jaar, met als einddatum 18 september 2019. Tegen deze beslissing wordt opnieuw door de omwonende beroep aangetekend. 3.4. In graad van beroep worden de volgende adviezen verstrekt: - afdeling Milieuvergunningen (1 december 2017): gunstig; - de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: PSA) (21 december 2017): ongunstig; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) (19 januari 2018): ongunstig, beroep gegrond. 3.5. Op 15 februari 2018 willigt de deputatie dit beroep in. Zij heft de beslissing van het college van burgemeester en schepenen in beroep op, en weigert de vergunning. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij 4. In het eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 5.6.7 en 4.1.1.7° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) in samenhang met artikel 4.2.14, § 2, VCRO, de schending van de motiveringsplicht zoals vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. VII-40.257-3/13 Zij betoogt: “In casu is de eigen reden van weigering van de milieuvergunning voor verzoekster, dat de exploitatie van een hondenschool in een bestemming volgens het Gewestplan van 1977, zonevreemd is”. De verzoekende partij bekritiseert het feit dat weliswaar in het ongunstig advies van de PSA wordt verwezen naar artikel 5.6.7 VCRO, met toepassing van welke bepaling een milieuvergunning wel gunstig kan geadviseerd en vergund worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan twee specifieke voorwaarden, maar dat te dezen op geen enkel ogenblik werd onderzocht of aan de tweede voorwaarde is voldaan, namelijk of de gebouwen en constructies die door haar worden gebruikt, hoofdzakelijk vergund zijn. Zij merkt daarbij op dat de functie recreatie reeds aanwezig is van voor het Gewestplan Brugge-Oostkust van 7 april 1977 en er derhalve beroep kan worden gedaan op een vermoeden van vergunning. Nu de functie recreatie bestond vóór het gewestplan, is die functie volgens haar niet zonevreemd, en is ook een hondenschool, waar wordt gesteld dat die als recreatie kan worden beschouwd, niet zonevreemd. De verzoekende partij wijst er voorts op dat bepaalde constructies als bestaand en vergund dienen te worden beschouwd: - het vrijstaand gebouw met cafetaria, kleedruimten, sanitair, berging en bureel; - het speelveld gelegen ten noorden van de percelen; - de verharding tussen de Aardenburgseweg en de cafetaria. Dat dit niet door de PSA en ook niet door de provincie in het bestreden besluit werd onderzocht, vormt volgens de verzoekende partij een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De schending van artikel 4.2.14, § 2, VCRO blijkt volgens haar uit het feit dat niet werd onderzocht of de inrichting vergunbaar is, dan wel of zij bij toepassing van artikel 4.1.1.7° VCRO, als vergund of vergunbaar kan worden beschouwd, ook wat de functie betreft. VII-40.257-4/13 Nu op basis van een afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften, bij toepassing van artikel 5.6.7 VCRO, zelfs een vergunning van ten hoogste vijf jaar kon worden gegeven, indien de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, en die termijn met het oog op herlokalisatie ten hoogste kan gelijk zijn aan vijf jaar, is er volgens haar een schending van het redelijkheidsbeginsel, aangezien er na de eerste vergunning van twee jaar nog een vergunning van drie jaar kon worden verstrekt. 5. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat uit het feit dat de stad Brugge een ontwerp van een RUP heeft opgesteld, blijkt dat wordt erkend dat de hondenschool zonevreemd is. De intentie om een RUP op te stellen, had volgens de verzoekende partij een veel ruimer doel “dan enkel de sport- en recreatieve activiteiten in de geëigende bestemmingszone van recreatie te brengen”. Dat de verzoekende partij de intentie had om te herlokaliseren blijkt volgens haar voorts uit het bestreden besluit zelf, waar wordt gesteld dat de exploitant op de vergadering van de PMVC meedeelde “dat de gronden eigendom zijn van de Stad Brugge en dat zij hun terreinen ter beschikking gesteld hebben van de hondenclub. De hondenvereniging heeft geen zicht op een ander terrein om de activiteiten uit te oefenen. Dit probleem kan enkel de Stad Brugge oplossen”. Beoordeling 6. De door de verzoekende partij geschonden geachte bepalingen uit de VCRO luiden: “Artikel 5.6.7 § 1 Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden, in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden: 1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de vastgestelde verweving van functies de aanwezige VII-40.257-5/13 of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; 2° de inrichting of activiteit is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, als het gaat om een bestaande inrichting of activiteit, is hoofdzakelijk vergund. Als de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting of activiteit te herlokaliseren. Die termijn is ten hoogste gelijk aan zeven jaar. De Vlaamse Regering kan de categorieën van bedrijven bepalen die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Ze kan de gebieden aanwijzen waarin het eerste lid niet kan worden toegepast. § 2 Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan ongunstig geadviseerd worden en geweigerd worden om de reden, vermeld in artikel 4.3.2. § 3 De mogelijkheden of verplichtingen om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, zoals die bij of krachtens deze codex zijn vastgesteld ten aanzien van de vergunningverlenende bestuursorganen en de ambtenaren van ruimtelijke ordening, gelden onder dezelfde voorwaarden ten aanzien van de instanties en organen die over een vergunningsaanvraag adviseren en ten aanzien van de instanties en organen die adviseren of beslissen over een onteigeningsplan of over een aanvraag van een onteigeningsmachtiging of een vergunning als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of in het Bosdecreet van 13 juni 1990, of andere vergunningen”; “Artikel 4.1.1 Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: […] 7° hoofdzakelijk vergund: een vergunningstoestand, waarbij voor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen geldt dat:
- a)bedrijven en hun constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn, ook wat de functie betreft,
- b)overige constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien ten minste negentig procent van het bruto-bouwvolume van de constructie, gemeten met inbegrip van buitenmuren en dak, en met uitsluiting van het volume van de gebruikelijke onderkeldering onder het maaiveld en van de fysisch aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw, vergund of vergund geacht is, ook wat de functie betreft […]”. “Artikel 4.2.14 § 1 Bestaande constructies waarvan een door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden voor de toepassing van deze codex te allen tijde geacht te zijn vergund. VII-40.257-6/13 § 2 Bestaande constructies waarvan een door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. Het tegenbewijs, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden geleverd eens de constructie één jaar als vergund geacht opgenomen is in het vergunningenregister. 1 september 2009 geldt als eerste mogelijke startdatum voor deze termijn van één jaar. Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. § 3 Indien met betrekking tot een vergund geachte constructie handelingen zijn verricht die niet aan de voorwaarden van § 1 en § 2, eerste lid, voldoen, worden deze handelingen niet door de vermoedens, vermeld in dit artikel, gedekt. § 4 Dit artikel heeft nimmer voor gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die het vergund karakter van een constructie tegenspreken”. Luidens artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning dient de beslissing over de vergunningsaanvraag met redenen omkleed te zijn. De vereiste van een formele motivering is vervat in artikel 52, 3° van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze; het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Bij milieuvergunningen kan de overheid van de uitgebrachte adviezen afwijken, op grond van een eigen beoordeling, mits die niet onredelijk is en op afdoende wijze wordt verantwoord. Een beslissing die de feitelijke en juridische gronden vermeldt en die de fundamentele redenen doet kennen waaruit kan worden afgeleid waarom andersluidende adviezen niet worden gevolgd, beantwoordt in beginsel aan de vereisten van een afdoende formele motivering. VII-40.257-7/13 Aldus is de beslissingnemende overheid, in het kader van de formelemotiveringsplicht, niet verplicht zich ten aanzien van elk advies afzonderlijk uit te spreken waarom het niet wordt bijgetreden. Dit geldt des te meer ten aanzien van bepaalde punten of onderdelen van een welbepaald advies. Wanneer evenwel de overheid afwijkt van een voorafgaand advies dat op duidelijke en concrete elementen steunt, moet dit des te concreter en preciezer worden vermeld in haar eigen motivering. In dergelijke gevallen mag de overheid zich niet beperken tot het niet-gemotiveerd tegenspreken van het advies, doch dient zij integendeel duidelijk te maken, in de genomen beslissing, waarom zij van oordeel is dat het uitgebrachte advies niet kan worden gevolgd. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat de activiteiten waarvoor de vergunning wordt gevraagd als zonevreemd worden beoordeeld in agrarisch gebied, wat gelet op het geldende gewestplan, de geldende regelgeving en de rechtspraak, correct is. Voorts blijkt uit het advies van de PSA dat de uitzonderingsregelgeving van artikel 5.6.7 VCRO te dezen niet kan worden toegepast. Hoewel dit niet expliciet wordt herhaald in de bestreden beslissing blijkt uit dit advies dat bij de vorige vergunningsaanvraag deze problematiek ook reeds speelde en wordt dit in het advies eveneens herhaald, waarbij wordt gesteld: “In 1975 werd een vergunning verleend voor het bijbouwen van kleedkamers en bureel. Wanneer gekeken wordt naar de diverse luchtfoto’s blijkt dat er na 1975 nog werken werden uitgevoerd aan het gebouw. Uit de luchtfoto’s blijkt ook dat er een bijkomend gebouwtje werd opgericht naast het bestaande gebouw. Ook in het beroepsschrift is er sprake van het optrekken van een nieuw gebouw. Men beschikt echter over onvoldoende informatie hieromtrent zodat er geen uitspraak kan worden gedaan over het hoofdzakelijk vergund karakter. Bijgevolg beschikt men over onvoldoende gegevens om met kennis van zaken over de aanvraag te oordelen. Een vergunning die steunt op onjuiste of onvolledige gegevens is onwettig”. Deze vaststellingen liggen mee aan de basis van het ongunstige advies van de stedenbouwkundig ambtenaar en hebben geleid tot de weigering van de gevraagde vergunning in beroep. VII-40.257-8/13 Deze stedenbouwkundige problemen waren reeds gekend ten tijde van het verstrekken van de vroegere vergunning, zodat kan worden aangenomen dat de verzoekende partij hiervan op de hoogte was. De opmaak van het ruimtelijke uitvoeringsplan waarvan sprake dient te worden beschouwd als een bevestiging van de strijdigheid van de recreatiefunctie ten opzichte van het geldende bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied. De uitzonderingsregeling waarin artikel 5.6.7 VCRO voorziet in geval van zonevreemde inrichtingen heeft steeds een facultatief karakter, en er moet aan twee criteria voldaan zijn opdat van die uitzonderingsregeling gebruik zou kunnen worden gemaakt. Zodra aan één van de twee criteria niet is voldaan, is de toepassing ervan uitgesloten. Gelet op de vaststellingen die in het advies van de stedenbouwkundig ambtenaar worden vermeld, komen een aantal constructies op de site van de inrichting niet in aanmerking om als vergund geachte constructie te worden beschouwd in de zin van artikel 4.2.14 VCRO. Artikel 4.1.1, 7°, b), VCRO stelt dat er sprake is van een hoofdzakelijk vergunde toestand indien minstens 90% van het bruto-bouwvolume vergund is of vergund kan worden geacht. Uit het advies blijkt dat over deze toestand onvoldoende gegevens kenbaar zijn gemaakt aan de instellingen die dienden te adviseren en te beslissen. Nadat het advies van de stedenbouwkundig ambtenaar werd verstrekt, en rekening houdende met het feit dat deze problematiek reeds aan bod kwam ten tijde van de eerdere vergunning, kon de verzoekende partij steeds bijkomende informatie met betrekking tot deze toestand aan deze instanties hebben medegedeeld, met name aan de PMVC waar de verzoekende partij werd gehoord. Dit is niet gebeurd zoals blijkt uit de vermeldingen in de bestreden beslissing. Van de eventuele begunstigde van een uitzonderingsregeling mag worden verwacht dat hij aantoont te voldoen aan de vereisten om van deze regeling te genieten. Uit de stukken van het dossier blijkt echter dat dit hier niet het geval is. De bestreden beslissing heeft de toepasbaarheid van de uitzonderingsregeling van artikel 5.6.7 VCRO wel onderzocht, maar is van oordeel dat deze niet kan worden toegepast. VII-40.257-9/13 De kritiek van de verzoekende partij dat de bestreden beslissing geen beoordeling van de overeenstemming van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening bevat, is gericht op het ontbreken van een overtollig motief, zodat de formelemotiveringsplicht ter zake niet wordt geschonden. Met betrekking tot de termijn waarvoor de vergunning, in geval van herlokalisatie bij strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening kan worden verleend, geldt er geen automatisch recht op de volle termijn van vijf jaar, noch op de toekenning van dergelijke vergunning. Dit betreft steeds een beslissing waarbij de overheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Bovendien kan uit het dossier niet worden afgeleid dat de verzoekende partij de intentie had om te herlocaliseren of hiermee kon instemmen, de verwijzing in haar laatste memorie naar een mededeling van de exploitant op een vergadering van de PMVC ten spijt. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 7. De verzoekende partij voert in het tweede middel de schending van de materiëlemotiveringsplicht aan, en van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Waar de provincie in het bestreden besluit verwijst naar het ongunstig advies van de PSA, die stelt dat de inrichting van de verzoekende partij zonevreemd is, is volgens haar niet onderzocht wat dan wel de functie van een hondenschool is, en of deze verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften van agrarisch gebied, zoals voorzien door artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit). VII-40.257-10/13 De functie recreatie, namelijk “voetbalvelden en bijhorende infrastructuur” is volgens de verzoekende partij immers al aanwezig van voor de eerste inwerkingtreding van het Gewestplan van 1977, minstens bestaat deze functie reeds van voor het decreet van 28 juni 1984 waarbij een vergunningsplicht werd ingevoerd voor het gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed. In het bestreden besluit werd de functie van een hondenschool volgens de verzoekende partij door de provincie niet onderzocht, hetgeen een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel zou uitmaken. Er is, steeds volgens de verzoekende partij, ook geen enkele motivering voorhanden waarom de functie van hondenschool niet verenigbaar zou zijn met recreatie/sportinfrastructuur, die volgens haar vermoed wordt vergund te zijn. Er kon door de provincie in het bestreden besluit dan ook niet besloten worden tot het zonevreemd karakter van haar inrichting. Dit is een schending van de formelemotiveringsplicht. Tevens is er een schending van de materiëlemotiveringsplicht, aangezien, waar de provincie impliciet stelt dat de functie van hondenschool niet verenigbaar is met agrarisch gebied als bestemming, geen rekening gehouden wordt met “de reeds bestaande vermoed vergund geachte functie van voetbal, zijnde sport en recreatie”. De provincie had volgens de verzoekende partij in redelijkheid moeten beslissen dat de hondenclub een recreatieve functie heeft en derhalve strikt gezien thuishoort in recreatieve zone, functie die reeds van voor 1984 aanwezig is. Het feit dat de stad Brugge van plan was met een gemeentelijk RUP de bestemming te wijzigen in recreatie, impliceert volgens de verzoekende partij dat de functie van de hondenschool beschouwd wordt als recreatie en derhalve wel verenigbaar is met de “vermoed vergund geachte functie”. 8. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog toe dat artikel 16.5.0 van het inrichtingsbesluit niet omschrijft wat onder “recreatieve accommodatie” dient te worden verstaan, en dat dit begrip daarom in de spraakgebruikelijke betekenis moet worden uitgelegd. Zo betekent recreatief VII-40.257-11/13 volgens haar “betrekking hebbend op ontspanning en vrijetijdsbesteding”, en wordt er in de volksmond gesproken over “hondensport” als “het in de vrije tijd bezig zijn met de opleiding en training van honden”. Haar activiteit kan dus volgens haar worden beschouwd als “recreatie”. Beoordeling 9. Wat de geschonden geachte algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreft kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middel. Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag dient te worden uitgegaan van de geldende regelgeving op het ogenblik dat de beslissing wordt genomen. De bestemmingsvoorschriften van een (gewest)plan dienen bij dergelijke beoordeling te worden geëerbiedigd. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, kunnen niet met goed gevolg worden ingeroepen contra legem. Beginselen van behoorlijk bestuur prevaleren immers niet op duidelijke wetsbepalingen. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, kon de verwerende partij terecht vaststellen dat de milieuvergunningsaanvraag betrekking had op een zonevreemde activiteit, die niet in aanmerking kwam voor een uitzonderingsregeling. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-40.257-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.257-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div