← België

Arrest 249055 - Milieuvergunningen - 26/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.055 Rolnummer: A. 222353/VII-40011 Zaak: Arrest 249055 - Milieuvergunningen - 26/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-10 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.055 van 26 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VII KAMER nr. 249.055 van 26 november 2020 in de zaak A. 222.353/VII-40.011 In zake : Marie-Jeanne VAN RONSELÉ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gilles Dewulf kantoor houdend te 9000 Gent Filips van Cleeflaan 105 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 9 maart 2017 “houdende afwijzen van het beroep ingesteld door Van Ronsele-Dolphen, Vanderkinderenweg 1 8480 te Bekegem tegen het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van Oudenburg waarbij de milieuvergunningsaanvraag van de heer Meyns Giesold gelegen te Roksem (Oudenburg), Vanderkinderenweg 34 wordt ingewilligd.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. VII-40.011-1/7 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Juriste Sandy Van Parys, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 4 oktober 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oudenburg aan een landbouwbedrijf de vergunning onder voorwaarden voor een nieuwe pluimveehouderij met 10.800 slachtkuikenouderdieren, een stalplaats voor drie voertuigen, een grondwaterwinning max 3 m³/d en 1080 m³/j in het Ieperiaan zand, gelegen Vanderkinderenweg 34 te Roksem, kadastraal gekend Oudenburg 3, afd/Roksem, Sie B, perceelnrs. 0347/G, 0350/A en 0355/A. De inrichting is volgens het gewestplan gelegen in agrarisch gebied. 3.
  6. Tegen die beslissing dient verzoekster, die omwonende is, een bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. VII-40.011-2/7 3.
  7. De afdeling Milieuvergunningen West-Vlaanderen adviseert op 20 december 2016 gunstig; het departement RWO Vlaanderen verleent een stilzwijgend gunstig advies; de Vlaamse Milieumaatschappij verleent op 30 januari 2017 een gunstig advies onder voorwaarden; de Provinciale milieuvergunningscommissie verleent, na de exploitant te hebben gehoord, op 3 februari 2017 een gunstig advies onder voorwaarden. 3.
  8. Op 9 maart 2017 verklaart de deputatie het beroep ongegrond. Zij verleent de vergunning onder naleving van de vergunningsvoorwaarden opgelegd door het college van burgemeester en schepenen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunten van de partijen
  9. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 4.3.3, § 2, eerste en tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: milieubeleidsdecreet), artikel 9, §5bis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), artikel 36, 1°bis, A), van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens verzoekster moet de beoogde kippenfokkerij worden gekwalificeerd als een screeningsplichtig project in de zin van rubriek 1 e) van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. Zij stelt vast dat de beslissing inzake de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag, genomen in eerste administratieve aanleg, de m.e.r.-screeningsnota niet heeft beoordeeld in het licht van de criteria van bijlage II VII-40.011-3/7 bij het milieubeleidsdecreet, en niet aangeeft of er al dan niet een volwaardig project-MER moet worden opgesteld. Evenmin werd een dergelijke beslissing genomen in graad van administratief beroep of werd dit aspect in de bestreden beslissing beoordeeld. In het gehele dossier is er volgens verzoekster eenvoudigweg geen enkele verwijzing naar de regelgeving inzake de milieueffectenrapportage te vinden. Zij besluit dat het vergunningverlenend orgaan niet met voldoende kennis van zaken kon beslissen, en aldus een volstrekt onwettige en onzorgvuldig tot stand gekomen vergunning heeft afgeleverd. Bovendien is de screeningsnota te summier om de basis te vormen van een behoorlijke beslissing over de MER-plicht.
  10. De verwerende partij repliceert dat het aan de vergunningverlenende overheid toekomt om te beoordelen of zij over alle nodige gegevens beschikt om te oordelen of er aanzienlijke effecten te verwachten zijn. In voorliggend geval zijn alle vereiste procedurele stappen doorlopen. De vergunningverlenende overheid zowel in eerste aanleg als in fase van beroep was van oordeel dat alle nodige elementen in het dossier vervat zaten en dat er geen aanzienlijke negatieve effecten te verwachten waren.
  11. In haar laatste memorie merkt de verwerende partij nog op dat bij de ontvankelijkheid en volledigheid niet uitgebreid werd ingegaan op de verschillende aanwezige en noodzakelijke dossierstukken wegens de kleinschaligheid van de betrokken inrichting. Zij refereert daarbij aan het aantal van “slechts” 10.800 slachtkuikenouderdieren. Bovendien zou verzoekster in de fase van beroep niet van oordeel zijn geweest dat de m.e.r.-screeningsnota niet afdoende was, en zou dit argument voor het eerst voor de Raad van State zijn opgeworpen. VII-40.011-4/7 Beoordeling
  12. Het wordt niet betwist dat de aanvraag valt onder bijlage III, rubriek 1 e), van het project-m.e.r.-besluit: “intensieve veeteeltbedrijven (projecten die niet in bijlage I of II zijn opgenomen)”. Artikel 9, § 5bis, van het milieuvergunningsdecreet, dat bij wijze van overgangsmaatregel op de huidige vergunningsaanvraag toepasselijk is, bepaalt dat de overheid bij wie de aanvraag is ingediend, de screeningsnota onderzoekt en beslist of er een milieueffectenrapport over het project moet worden opgesteld. Dit houdt in dat de overheid geval per geval nagaat, aan de hand van de criteria vermeld in bijlage II van het milieubeleidsdecreet, of het project aanzienlijke milieueffecten kan teweegbrengen. Het is eigen aan de voorafgaande screening dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wanneer dit niet op voorhand kan worden uitgesloten, moet een milieueffectenrapport worden opgemaakt dat een grondiger onderzoek inhoudt en bijgevolg grotere waarborgen biedt. Uit het administratief dossier blijkt niet dat de overheid die besliste over de ontvankelijkheid en volledigheid de screeningsnota heeft onderzocht, gelet op artikel 9, §5bis, van het milieuvergunningsdecreet. Evenmin blijkt dat de overheid die in beroep oordeelde, aandacht heeft besteed aan de MER-plicht. De voorafgaande screening om te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kadert binnen de Vlaamse MER-regelgeving die het gevolg is van de omzetting van richtlijn 2011/92/EU, en gebiedt dienvolgens een eigen beoordeling en uitdrukkelijke concrete motivering, die in dit geval ontbreekt. De milieuhygiënische beoordeling in de bestreden beslissing kan de beoordeling in het kader van de MER-plicht, gelet op de eigenheid ervan, niet vervangen. VII-40.011-5/7 Dit gebrek vormt een schending van de zorgvuldigheidsplicht in relatie tot de aangehaalde MER-regelgeving. De grief dat de MER-screeningsnota zelf ontoereikend zou zijn, behoeft, gelet op wat werd vastgesteld omtrent het ontbreken van enig onderzoek door de overheid, geen antwoord. De opmerking in de laatste memorie van de verwerende partij in verband met de beweerde kleinschaligheid doet aan het voorgaande niets af. Het tweede middel is gegrond. BESLISSING
  13. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 9 maart 2017 “houdende afwijzen van het beroep ingesteld door Van Ronsele-Dolphen, Vanderkinderenweg 1 8480 te Bekegem tegen het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van Oudenburg waarbij de milieuvergunningsaanvraag van de heer Meyns Giesold gelegen te Roksem (Oudenburg), Vanderkinderenweg 34 wordt ingewilligd.”
  14. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  15. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. VII-40.011-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.011-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.