id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.056 Rolnummer: A. 229870/VII-40731 Zaak: Arrest 249056 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-10 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.056 van 26 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.056 van 26 november 2020 in de zaak A. 229.870/VII-40.731 In zake : de NV ALGEMEEN AANNEMINGSBEDRIJF DE CONINCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Offermans kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235 tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0252 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 12 november 2019 in de zaak 1718-RvVb-0897-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 16 januari
- VII-40.731-1/8 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Van Dyck, die loco advocaten Konstantijn Roelandt en Frederik Offermans verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: Rvs-wet). III. Feiten 3.
- De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) weigert bij een beslissing van 14 juni 2018 aan de verzoekende VII-40.731-2/8 partij een stedenbouwkundige vergunning “voor het regulariseren van een functiewijziging van commerciële ruimte naar hotelfunctie”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij om de vergunningsbeslissing van de deputatie te vernietigen. IV. Onderzoek van het enige middel Voorafgaandelijke opmerking
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat de Raad van State noopt tot het overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb is niet ontvankelijk. Het middel wordt hierna onderzocht zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.3.1, § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de bewijskracht van stukken en artikel 149 van de Grondwet. Zij zet uiteen dat het bestreden arrest haar middel ongegrond afdoet “op basis van de overweging dat „de verzoekende partij niet gevolgd [kan] worden dat de motieven in de bestreden beslissing met betrekking tot het aspect VII-40.731-3/8 hinder niet concreet genoeg of niet afdoende zijn‟” terwijl “de hinderaspecten” in de bestreden vergunningsbeslissing “worden afgeleid uit een onvolledige motivering waarbij de ontleende feitelijke elementen die worden aangereikt op verschillende vlakken foutief zijn”. Het bestreden arrest miskent bijgevolg “de inhoud van het begrip goede ruimtelijke ordening zoals weergegeven in artikel 4.3.1, § 2 VCRO. Dat de overweging in het arrest, dewelke stelt dat niet blijkt dat de kwalificatie als „overwegend residentiële buurt‟ onjuist is en dat de aanwezigheid van openbaar vervoer de motivering omtrent de hinderaspecten niet zou ondergraven, niet in de weg staat dat de overeenstemming van de goede ruimtelijke ordening niet werd gemotiveerd op basis van de concrete toestand in de omgeving. […] Dat bijgevolg niet passend wordt geantwoord op het middel van verzoekende partij[…] aangaande de schending van de motiveringsplicht en bijgevolg het bestreden arrest ook niet regelmatig met redenen omkleed is in de zin van artikel 149 van de Grondwet”. Zij voegt in de memorie van wederantwoord toe dat “de motivering in het bestreden arrest tegenstrijdig is met de motivering zoals opgenomen in het bestreden besluit” door te overwegen “dat het gegeven dat er wel nachtbussen rijden in elk geval niet het doorslaggevend motief voor de bestreden beslissing [ondergraaft], met name dat het kort verblijf en het voortdurend aankomen en vertrekken bij dag en nacht, hinder voor de buurtbewoners veroorzaakt” terwijl “de bestreden beslissing zich nochtans integraal tot het gebrek aan openbaar vervoer om de overdreven hinder aan te tonen, door te stellen dat „door het ontbreken van openbaar vervoer „s nachts, [men] veelal moet terugvallen op taxi‟s, wat de (nacht)rust van de (buurt)bewoners kan verstoren‟”. Beoordeling
- Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de VII-40.731-4/8 verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”. Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van de middelen die niet in deze samenvattende memorie zijn opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan. De Raad van State kan voor de beoordeling van de gegrondheid van het enige middel enkel rekening houden met het in de memorie van wederantwoord opnieuw aangevoerde middel en de eventuele toelichting ervan. De verzoekende partij voert in het enige middel in de memorie van wederantwoord niet langer de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet). Er is geen aanleiding om uitspraak te doen over de schending van de motiveringswet.
- Het middel dat de schending van de “bewijskracht van stukken” aanvoert zonder nadere uiteenzetting, is niet ontvankelijk.
- Het middel dat om de aangehaalde redenen aanvoert dat - het bestreden arrest “de inhoud van het begrip goede ruimtelijke ordening zoals weergegeven in artikel 4.3.1, § 2 VCRO” miskent, en dat - de aangehaalde overweging in het bestreden arrest “niet in de weg staat dat de overeenstemming van de goede ruimtelijke ordening niet werd gemotiveerd op basis van de concrete toestand in de omgeving”, noopt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak. De Raad van State als cassatierechter is daartoe niet bevoegd. VII-40.731-5/8 Het middel dat om die reden de schending aanvoert van artikel 4.3.1, § 2 VCRO is onontvankelijk.
- De aan de RvVb grondwettelijk opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering, of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. Het middel dat het bestreden arrest bekritiseert omdat de motivering “niet passend” is, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, gaat terug op de verwerping door de RvVb van het tweede middel van de verzoekende partij waarin zij “in essentie [stelt] dat de [deputatie] de inpasbaarheid van het aangevraagde niet (voldoende) concreet en foutief heeft beoordeeld en geen rekening heeft gehouden met de repliek van de verzoekende partij op het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar”, dat “het weigeringsmotief dat er een gebrek is aan natuurlijke lichtinval in de kamers manifest ondeugdelijk en kennelijk onredelijk” is en “dat de beoordeling met betrekking tot de folie aan de ramen geen weigeringsmotief kan uitmaken”. Het arrest verwerpt het middel van de verzoekende partij om volgende redenen: - het middel betreft kritiek op de beoordeling in de bestreden beslissing van de verenigbaarheid van de aanvraag met goede ruimtelijke ordening; de RvVb oefent VII-40.731-6/8 enkel een wettigheidstoezicht uit en kan zich niet in de plaats stellen van de deputatie; - de verzoekende partij overtuigt niet dat de kwalificatie door de deputatie van de buurt als een “„overwegend‟ residentiële buurt” onjuist of kennelijk onredelijk is; - de deputatie steunt haar weigeringsbeslissing “op doorslaggevende wijze […] op de beoordeling dat het aangevraagde storend zal zijn voor de nachtrust voor de (buurt)bewoners”; - de deputatie gaat er “niet ten onrechte van uit dat er beroep gedaan wordt op taxi‟s” gelet op het feit dat de verzoekende partij “zelf aangeeft dat het aangevraagde gericht is op doorreizende passagiers, die niet over een eigen wagen beschikken maar gebruik maken van het openbaar vervoer of een taxi” en het “gegeven dat er wel nachtbussen rijden ondergraaft in elk geval niet het doorslaggevend motief voor de bestreden beslissing, met name dat het kort verblijf en het voortdurend aankomen en vertrekken bij dag en nacht, hinder voor de (buurt)bewoners veroorzaakt”. Het bestreden arrest besluit dat de verzoekende partij - niet kan worden gevolgd “dat de motieven in de bestreden beslissing met betrekking tot het aspect hinder niet concreet genoeg of niet afdoende zijn. Uit de overwegingen blijkt op voldoende en duidelijke wijze om welke redenen de [deputatie] het aangevraagde hinderlijk acht voor de „overwegend‟ residentiële buurt”, - “er niet in slaagt de onwettigheid aan te tonen van de overwegingen in de bestreden beslissing dat het aangevraagde ter plaatse niet kan worden aanvaard omwille van het hinderlijk karakter” en die “overwegingen volstaan om de bestreden weigeringsbeslissing te dragen”. Het arrest is naar eis van recht gemotiveerd.
- Het middel wordt verworpen. VII-40.731-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.731-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div