id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.058 Rolnummer: A. 229816/VII-40725 Zaak: Arrest 249058 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-10 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 249.058 van 26 november 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.058 van 26 november 2020 in de zaak A. 229.816/VII-40.725 In zake :
- de NV S.R.A. INVEST
- de BVBA HEEREN GROUP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Nele Ansoms kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Bert HESSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Griet Cnudde kantoor houdend te 9000 Gent Brabantdam 56 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0213 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 29 oktober 2019 in de zaak 1718-RvVb-0487-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 16 januari
- VII-40.725-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nele Ansoms, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Griet Cnudde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- De deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) verleent bij een beslissing van 4 januari 2018 aan de nv S.R.A. Invest en bvba Heeren Group (hierna: vennootschappen) een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een winkelruimte na afbraak van een woning”. VII-40.725-2/10 3.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van Hesse de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van het enige middel Voorafgaandelijke opmerking
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat de Raad van State noopt tot het overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb is niet ontvankelijk. Het middel wordt hierna onderzocht zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Standpunt vennootschappen
- De vennootschappen voeren de schending aan van de artikelen 4.3.1, § 1, 1°, 4.8.2 in de op het geding toepasselijke versie, en 4.3.1, § 2, 3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten en artikel 149 van de Grondwet. Zij werpen op dat “de RvVb zich […] in de plaats stelt van de deputatie” en dat “de motivering van het arrest feitelijk onjuist is”. Zij zetten uiteen dat in de bestreden vergunningsbeslissing “een afweging wordt gemaakt van de inpasbaarheid van het aangevraagde” en dit “nochtans het verwijt [is] dat aanleiding gegeven heeft tot de tussengekomen vernietiging. De stelling in het VII-40.725-3/10 arrest dat de „focus‟ van de deputatie ligt op de Antwerpsesteenweg en de deputatie de ruimere omgeving op de ordening in de onmiddellijke omgeving laat voorgaan, is gelet op de uitvoerige motivering van het vergunningsbesluit niet correct. […] De analyse aangaande de motivering van het vergunningsbesluit is […] feitelijk niet correct. […] Voorts is/was het aan de deputatie om binnen haar discretionaire beslissingsbevoegdheid een eigen afweging te maken met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening en hiervoor te motiveren. Dit [is] onmiskenbaar wat gebeurde in het vergunningsbesluit. In [zijn] arrest stelt de RvVb zich echter kennelijk in de plaats van de deputatie. […] In de bestreden beslissing wordt op geen enkele wijze een waardering van de verschillende beoordelingsgronden ten opzichte van elkaar gemaakt. […] De RvVb gaat [zijn] bevoegdheden te buiten wanneer [hij] in het arrest bepaalt welke elementen finaal bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening dienen door te wegen. […] In [zijn] beoordeling, stelt de [RvVb] dat met een aanzienlijk aandeel argumenten geen rekening gehouden kan worden. […] Door aldus te oordelen, stelt de [RvVb] zich ook op dit punt kennelijk in de plaats van de vergunningverlenende overheid. Immers een dergelijke afweging kan niet worden [aangezien] als een beoordeling van een motivering op haar afdoende karakter, doch wel ontegensprekelijk als een eigen (vervangende) inhoudelijke beoordeling van de inpasbaarheid van een project in een concrete omgeving”. Uit de op het geding toepasselijke versie van artikel 4.8.2 VCRO en uit het grondwettelijk principe van de scheiding van de machten vloeit voort dat de RvVb zich niet in de plaats kan stellen van de vergunningverlenende overheid. Zij voegen toe dat de RvVb heeft “vastgesteld dat er weliswaar een motivering was, doch heeft in deze motivering een onderscheid gemaakt tussen motieven die naar [zijn] mening harder doorwogen dan andere. Het is de [RvVb] die oordeelde dat de onmiddellijke omgeving zou moeten primeren op de ruimere omgeving, daar waar de deputatie van mening was elk van deze elementen in rekening te moeten brengen. Dit is zeer duidelijk geen kritiek op het gebrek aan motivering, doch wel een inhoudelijke kritiek op de vergunningverlening. De [RvVb] heeft zich in de plaats gesteld van de deputatie bij het beoordelen van [de] vergunbaarheid van het aangevraagde, eerder dan de beslissing van de deputatie op haar wettigheid te toetsen. […] Hierdoor is het bestreden arrest [ook] in [zijn] motivering aangetast. VII-40.725-4/10 […] De RvVb stelt in [zijn] arrest dat de deputatie de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening ten onrechte heeft beperkt tot de inpasbaarheid in de ruimere omgeving. Dit is eenvoudig onjuist, en gaat in tegen de duidelijke tekst van de bestreden beslissing […]. Door aldus te oordelen, wordt niet enkel ingegaan tegen de duidelijke tekst van de beslissing van de deputatie, doch stelt de [RvVb] zich evenzeer in de plaats van de vergunningverlenende overheid, door een waardeoordeel te verbinden aan de verschillende motieven, en bepaalde volgens de deputatie, gelet op de omgeving pertinente motieven als niet relevant af te wijzen. […] Bovendien moet worden vastgesteld dat de loutere vaststelling dat een beslissing onvoldoende gemotiveerd is, wanneer een dergelijke uitgebreide motivering voorligt, niet anders [aangezien] kan worden dan als een stijlformule. Dat is geenszins wat vereist wordt door artikel 149 Gw”. Beoordeling
- Luidens artikel 3, §2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak wordt miskend.
- Het middel dat de “bevoegdheids- en machtsoverschrijding” en de schending van artikelen 4.3.1, § 1, 1° en 4.3.1, § 2, 3° VCRO aanvoert, is niet ontvankelijk bij gebreke van een voldoende omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel, dan wel van de wijze waarop de aangevoerde rechtsregel door het bestreden arrest wordt miskend. VII-40.725-5/10 Het middel dat de schending aanvoert van de op het geding toepasselijke versie van artikel 4.8.2 VCRO en zich steunt op een geciteerde historische versie van artikel 4.8.3 VCRO ontbeert eveneens een voldoende omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel. Het middel is onontvankelijk. Het middel wordt hierna onderzocht in de mate het ontvankelijk is.
- De aan de RvVb grondwettelijk opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering, of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
- Het middel dat het bestreden arrest bekritiseert omdat de motivering feitelijk onjuist of niet correct of een stijlformule is, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht.
- Het middel gaat terug op de gegrondverklaring door de RvVb van het tweede onderdeel van het middel van Hesse waarin de beoordeling in de bestreden vergunningsbeslissing van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving wordt betwist. Het bestreden arrest besluit niet tot de schending van artikel 4.7.23, eerste lid, VCRO maar “dat de bestreden beslissing geen draagkrachtige motivering bevat van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving” en steunt daarvoor na parafrasering van VII-40.725-6/10 onder meer artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de in het geding toepasselijke versie van artikel 4.3.1, § 1, 1°, d) VCRO, artikel 4.3.1, § 2 VCRO, samengevat op volgende motieven: - de RvVb mag zijn beoordeling van de feiten niet in de plaats van die van het bestuur stellen, het wettigheidstoezicht is beperkt tot het nagaan of het vergunningverlenend bestuur de aan de RvVb toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend; - de feitelijke beschrijving in de bestreden vergunningsbeslissing stemt overeen met het advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar “waarin de onmiddellijke omgeving van de bouwplaats tevoorschijn komt als een uitgesproken residentiële, groene omgeving met ruime percelen en hoogstammen” die “aanschouwelijk” worden gemaakt met de in het verzoekschrift opgenomen foto‟s; de deputatie kan “op dat vlak geen onzorgvuldige feitenvinding worden verweten”; - de opmerking van de deputatie in de bestreden vergunningsbeslissing “dat de bestaande Delhaize-vestiging om diverse redenen slecht gelegen is en de verplaatsing een positieve zaak is voor de onmiddellijke omgeving daar, verantwoordt […] niet dat het winkelpand stedenbouwkundig inpasbaar is in de omgeving waarin ze ingeplant wordt; - de deputatie legt “[t]en onrechte […] de focus op de Antwerpsesteenweg, als „drukke gewestweg‟ met „tal van handelszaken‟ om ondanks de eigen gemaakte beschrijving van de onmiddellijke omgeving de afgifte van de vergunning te wettigen” en laat “klaarblijkelijk de ruimere omgeving op de ordening in de onmiddellijke omgeving voorgaan”; - de overweging van de deputatie in de bestreden vergunningsbeslissing in verband met de aangevraagde “detailhandel” is “juist maakt […] haar conclusie dat het gebouw stedenbouwkundig inpasbaar is niet minder problematisch”, “[d]e in de aanvraag begrepen groene bufferzone en groeninrichting vooraan het pand volstaan in redelijkheid niet om die conclusie te verantwoorden”, het motief van de deputatie in verband met een “maximale groene aanleg” en een “ruime groenzone” kan niet worden verzoend “met de onder de beschrijving van de aanvraag gedane VII-40.725-7/10 vaststelling dat het terrein „nagenoeg volledig verhard (is), op een groeninrichting vlak voor de winkel en de bufferstroken van 3m breed naar de aanpalende percelen na‟”; - de overwegingen van de deputatie in de bestreden vergunningsbeslissing in verband met de bereikbaarheid en ontsluitbaarheid van de locatie, de zichtbaarheid op de site, het veiligheidsgevoel, de bouwhoogtes, de “45°regel”, de visuele en geluidshinder “doen niet afzien van de conclusie van de RvVb.
- Het middel dat aanvoert dat de RvVb met het bestreden arrest het wettigheidstoezicht over de bestreden vergunningsbeslissing schendt door zich in de plaats te stellen van de deputatie, mist feitelijke grondslag.
- Het bestreden arrest is met de in randnummer 10 aangehaalde motieven naar eis van recht gemotiveerd.
- Het middel wordt verworpen. V. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟ en van de wet van 26 april 2017 „houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft‟, de VII-40.725-8/10 woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De onterecht betaalde bijdrage van 20 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. VII-40.725-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.725-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.058 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div