← België

Arrest 249061 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 26/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.061 Rolnummer: A. 225885/VII-40356 Zaak: Arrest 249061 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 26/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-10 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 249.061 van 26 november 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.061 van 26 november 2020 in de zaak A. 225.885/VII-40.356 In zake : Pierre VAN HOORDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Liesbeth Lafaut en Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Antwerpen (Edegem) Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid van 15 juni 2018 waarzij verzoekers aanvraag tot erkenning in de klinische genetica wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. VII-40.356-1/8 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gert Op de Beeck, die loco advocaten Liesbeth Lafaut en Joost Bosquet verschijnt voor verzoeker, die tevens in persoon verschijnt, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker dient op 16 juni 2017 een aanvraag in tot erkenning als arts-specialist in de klinische genetica. 3.
  6. De erkenningscommissie geeft een negatief advies, dat in essentie luidt: “Dr. Pierre Van Hoorde heeft een expertise betreffende de genetische aspecten in het domein van zijn specialiteit (nucleaire geneeskunde, radiotherapie-oncologie). Deze genetische expertise is echter beperkt. Hij vermeldt het aanbieden van een zeer beperkt gamma genetische testen, zoals NIPT. Dr. Pierre Van Hoorde heeft geen algemene opleiding genoten in de klinische genetica. VII-40.356-2/8 Bovenvermeld ministerieel besluit van 23 mei 2017 regelt de erkenning van klinische genetica als een aparte bijzondere beroepstitel (niveau 2). De Hoge Raad van Geneesheren-Specialisten en Huisartsen stelt in haar advies van 26 februari 2015 uitdrukkelijk dat er niet geopteerd werd voor een erkenning van niveau
  7. In bijlage 1 van dat advies wordt de definitie en scope van de discipline klinische genetica beschreven en verduidelijkt waarom dit niet gelijk staat met een expertise in de genetische aspecten van een specifieke specialiteit Het ministerieel besluit beschrijft de eindtermen van de opleiding klinische genetica, wat het brede domein van expertise van de klinisch geneticus onderlijnt. De Hoge Raad van Geneesheren-Specialisten en Huisartsen vermeldt in haar besluit dat elke arts in zijn basisopleiding voldoende basiskennis van de genetica verwerft, en deze op peil moet houden door continue vorming. Bepaalde arts-specialisten zoals dr. Pierre Van Hoorde hebben een expertise verworven in bepaalde genetische aspecten van hun specialiteit. Deze expertise moet uiteraard onderscheiden worden van expertise noodzakelijk om erkend te worden als klinisch geneticus, die een bredere scope heeft dan één bepaalde discipline of domein. De aanvrager is volgens de erkenningscommissie dus niet algemeen bekend als bijzonder bekwaam in het domein van de klinische genetica. Dr. Pierre Van Hoorde neemt géén deel aan de activiteiten die kenmerkend zijn voor de discipline klinische genetica (zoals multidisciplinaire raadplegingen binnen conventie genetische counseling en multidisciplinair overleg in de diverse domeinen van de klinische genetica), hij neemt niet deel aan congressen betreffende de klinische genetica en heeft géén publicaties in het domein van de klinische genetica. De erkenningscommissie adviseert daarom dat de bestaande expertise en activiteiten van de afgelopen 5 jaar niet beantwoorden aan de vereisten voor erkenning zoals gestipuleerd in het ministerieel besluit”. 3.
  8. Het Agentschap Zorg en Gezondheid licht met een brief van 19 maart 2018 verzoeker in over het voornemen de aangevraagde erkenning te weigeren. 3.
  9. Op 17 april 2018 dient verzoeker een bezwaarnota in met bijkomende stavingsstukken. 3.
  10. De hoorzitting van de Adviescommissie vindt plaats op 14 mei
  11. VII-40.356-3/8 3.
  12. De kamer voor artsen-specialisten en huisartsen van de Adviescommissie volgt op 14 mei 2018 het advies van de erkenningscommissie en adviseert geen erkenning te verlenen als arts-specialist in de klinische genetica: “Als inleiding geeft de adviescommissie mee dat de zeer algemene en vage bewoordingen van de overgangsmaatregel zoals vervat in artikel 15 van het ministerieel besluit, enkel kunnen betreurd worden. De formulering van het artikel maakt het onmogelijk om een onbetwiste interpretatie van de regelgeving te hanteren, wat zeker niet de rechtszekerheid ten goede komt. De adviescommissie is van oordeel dat dr. Van Hoorde niet voldoet aan de vereisten vermeld in het ministerieel besluit van 23 mei 2017 om erkend te worden als arts-specialist in de klinische genetica. Meer bepaald voldoet dr. Van Hoorde niet aan de criteria uit art. 15 en de eindcompetenties vermeld in de bijlage van het ministerieel besluit van 23 mei
  13. Dr. Van Hoorde is in het bezit van een erkenning in de nucleaire geneeskunde en radiotherapie. Dr. Van Hoorde heeft een zekere expertise betreffende de genetische aspecten in het domein van zijn specialiteit (nucleaire geneeskunde, radiotherapie-oncologie). Deze genetische expertise is echter beperkt. Hij vermeldt het aanbieden van een zeer beperkt gamma genetische testen. Dr. Van Hoorde is niet algemeen bekend als bijzonder bekwaam in het domein van de klinische genetica: hij heeft geen counseling gehouden en hij heeft in de laatste 5 jaar geen publicatie gehad in de klinische genetica. Dr. Van Hoorde is werkzaam in laboratoria met weinig tot geen contact met patiënten en/of families. Hij houdt geen counseling van patiënten en hij geeft aan dat in de nabije toekomst ook niet van plan te zijn. De adviescommissie meent ook dat dr. Van Hoorde de rechtsfiguur „derogatie‟, die per definitie enkel van toepassing is bij paramedische beroepen, met de overgangsmaatregel om erkend te worden als arts-specialist in de klinische genetica”. 3.
  14. Met een schrijven van 15 juni 2018 deelt de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid aan verzoeker mee dat hij het advies van 14 mei 2018 van de Adviescommissie volgt en dat zijn erkenning tot het verkrijgen van de bijzondere beroepstitel klinische genetica wordt geweigerd. Dit is de bestreden beslissing. VII-40.356-4/8 IV. Onderzoek van het enige middel Standpunten van de partijen
  15. Verzoeker voert in zijn enige middel de schending aan van het “• Legaliteitsbeginsel en rechtstaatbeginsel als algemene rechtsbeginselen met grondwettelijke waarde; • Rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde; • Het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; • Art. 15 Ministerieel Besluit dd. 23 mei 2017 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van arts-specialisten, stagemeesters en stagediensten klinische genetica [hierna: ministerieel besluit van 23 mei 2017], en [het ontbreken] van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. Hij betoogt kort samengevat dat artikel 15 van het ministerieel besluit van 23 mei 2017 dermate vaag en onduidelijk is dat het interpretatie behoeft, en dat de interpretatie die de verwerende partij huldigt niet deugdelijk is. Volgens verzoeker bedient de verwerende partij zich van criteria die ofwel niet zijn terug te vinden in artikel 15, ofwel loutere voorbeelden verheffen tot decisieve elementen, of niet relevant zijn. Het enige dat volgens verzoeker ter beoordeling voorligt is of de aanvrager een arts is die algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam in de klinische genetica gedurende de laatste vijf jaar. Het bewijs daarvan is volgens hem op elke wijze mogelijk. Verzoeker acht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden doordat de verwerende partij de voorgelegde stukken niet in aanmerking heeft genomen, terwijl hij aan de hand van verscheidene voorgelegde stukken bij zijn verzoek tot erkenning zou hebben aangetoond dat hij reeds geruime tijd wel degelijk algemeen bekend staat als arts die bijzonder bekwaam is in de klinische genetica, VII-40.356-5/8
  16. De verwerende partij zet in de memorie van antwoord uiteen dat zij drie criteria hanteert om een aanvraag in het kader van artikel 15 te beoordelen. Vooreerst volgt volgens de verwerende partij de vereiste dat de klinische genetische activiteit één bepaalde subspecialiteit overstijgt, uit de bijlage die is gevoegd bij het ministerieel besluit en waaruit de eindtermen van de klinische genetica blijken. Verder wordt de vraag gesteld of de kandidaten voldoen aan de eindcompetenties, zoals gesteld in de bijlage. Ten slotte dient de kandidaat in de laatste vijf jaar -niet aaneensluitend- actief te zijn geweest in de discipline.
  17. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat het niet aan hem is om aan te tonen dat zijn interpretatie van het geschonden geachte artikel 15 te verkiezen is boven deze van de verwerende partij. Beoordeling
  18. Artikel 15 van het ministerieel besluit van 23 mei 2017 luidt: “In afwijking van hoofdstuk 2 kan als arts-specialist in de klinische genetica worden erkend iedere arts die algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam in de klinische genetica gedurende de laatste vijf jaren, voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Hij kan zich hiertoe uiterlijk op 30 juni 2017 melden bij de voor de erkenning bevoegde overheid. Het bewijs dat hij algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam, kan onder meer worden geleverd aan de hand van persoonlijke publicaties, zijn actieve deelname aan (inter)nationale congressen, aan wetenschappelijke vergaderingen met betrekking tot de klinische genetica, alsook aan activiteiten die kenmerkend zijn voor deze discipline”. Hoofdstuk 2 van hetzelfde ministerieel besluit bepaalt de bijzondere erkenningscriteria voor de arts-specialist in de klinische genetica. Het betreft het doorlopen van een stage aan het eind waarvan overeenkomstig artikel 6 de kandidaat-specialist beschikt over de competenties zoals vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. VII-40.356-6/8 Verzoeker kon zich eraan verwachten dat zijn “bijzondere bekwaamheid” overeenkomstig de afwijkingsbepaling van artikel 15 zou worden onderzocht rekening houdende met de competenties zoals vastgesteld in de bijlage bij het ministerieel besluit van 23 mei
  19. Een dergelijke interpretatie die de afwijking in essentie situeert op het niveau van de opleiding en niet op niveau van de competenties/bijzondere bekwaamheid, kan in artikel 15 worden ingepast. De opsomming van bewijsmogelijkheden door artikel 15 is exemplatief. Dit neemt evenwel niet weg dat de bijzondere bekwaamheid, zoals geïnterpreteerd door de verwerende partij, door de aanvrager moet worden aangetoond. De opgegeven motieven zoals deze in verband met counseling en publicaties, zijn niet het resultaat van een beperkende toetsing aan de bewijsmogelijkheden vermeld in artikel 15 van het besluit van 23 mei
  20. Zij zijn de weerslag van de hoorzitting en vormen onderdeel van een motivering die in haar geheel moet worden begrepen als beoordeling van de vereiste “bijzondere bekwaamheid” om op grond van de afwijkingsbepaling te worden erkend als arts-specialist in de klinische genetica. Verzoekers redenering als zou de verwerende partij zich bedienen van bijkomende criteria die niet kunnen worden teruggevonden in artikel 15, overtuigt niet. Zijn stelling dat de notie “bijzondere bekwaamheid” vrij kan worden ingevuld, valt niet te rijmen met de logica van het ministerieel besluit van 23 mei 2017 in zijn geheel. Anders dan verzoeker in zijn laatste memorie voorhoudt, toont het onderscheid dat in het ministerieel besluit gemaakt wordt tussen twee categorieën artsen-specialist niet aan dat de interpretatie die hij voorstaat te verkiezen is boven deze van de verwerende partij. Met betrekking tot de beweerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel geeft verzoeker enkel een eigen inzicht weer, maar toont hij niet aan dat de bestreden beslissing de zorgvuldigheidstoets niet doorstaat. VII-40.356-7/8 Het enige middel is niet gegrond. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het beroep.
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.356-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.