id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.074 Rolnummer: A. 231649/XIV-38467 Zaak: Arrest 249074 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 27/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.074 van 27 november 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.074 van 27 november 2020 in de zaak A. 231.649 /XIV-38.467 In zake: de BVBA FEESTARCHITECT Christ Schepens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ludo Haeseryn kantoor houdend te 9050 Ledeberg Jacques Eggermonstraat 11b bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 31 augustus 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: “het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken in zijn geheel, zoals gewijzigd door het Ministerieel besluit van 28.07.2020 en 20.08.2020, - in ondergeschikte orde artikel 11 van het ministerieel Besluit van 30.06.2020 - in ondergeschikte orde artikel 8 van het ministerieel Besluit van 28.07.2020 XIV-38.467- 1/14 - in ondergeschikte orde artikel 7 van het ministerieel Besluit van 22.08.2020.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Staatsraad Kaat Leus verslag uitgebracht. Advocaat Annick Haegeman, die loco advocaat Ludo Haeseryn verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Simon Claes en Maartje Jongbloet, die loco advocaten Nicolas Bondbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Zoals de verzoekende partij, die een professionele cateraar is, uiteenzet, wordt België sedert medio maart 2020 geconfronteerd met de XIV-38.467- 2/14 wereldwijde coronaviruspandemie. De verwerende partij wordt ertoe genoodzaakt, zoals de overheden in vele andere landen, om de noodzakelijke, bijwijlen ingrijpende en drastische maatregelen te nemen om die pandemie in te dijken. Bij artikel 1 van het ministerieel besluit van 13 maart 2020 „houdende de afkondiging van de federale fase betreffende de coördinatie en het beheer van de crisis coronavirus COVID-19‟ is de federale fase van het nationaal noodplan afgekondigd. Dit ministerieel besluit is diezelfde dag in werking getreden. Om deze pandemie te bestrijden, werd in de maanden maart, april en mei 2020 in België een algemene lockdown afgekondigd. Deze lockdown heeft geleid tot een totale sluiting van de meeste bedrijfssectoren, waaronder de evenementensector. Bij het ministerieel besluit van 13 maart 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ worden tot en met 3 april 2020, wat de evenementensector betreft, verboden “de privé- en publieke activiteiten van culturele, maatschappelijke, feestelijke, folkloristische, sportieve en recreatieve aard” (artikel 1, § 1, a)). Een daaropvolgend ministerieel besluit van 18 maart 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ bevat strengere maatregelen, en voorziet ook in strafsancties. Artikel 5 ervan bepaalt dat (onder meer) de “samenscholingen” worden verboden, evenals “de privé- en publieke activiteiten van culturele, maatschappelijke, feestelijke, folkloristische, sportieve en recreatieve aard”. Met datzelfde ministerieel besluit wordt nog een “thuisblijfplicht” afgekondigd, die inhoudt dat “[d]e personen ertoe gehouden [zijn] thuis te blijven. Het is verboden om zich op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden, behalve in geval van noodzakelijkheid en omwille van dringende redenen zoals […]” (artikel 8). XIV-38.467- 3/14 Het genoemde ministerieel besluit van 18 maart 2020 wordt meermaals gewijzigd, en vervolgens vervangen (door het ministerieel besluit van 23 maart 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟) maar de lockdown-maatregelen blijven in essentie nog gehandhaafd in april en (deels) mei 2020 en hebben gemeen, variërend in functie van de ernst en omvang van de pandemie, het aantal menselijke verplaatsingen en contacten tijdelijk te beperken om de verspreiding van het virus tegen te gaan. 3.
- Na die periode van strikte lockdown in het voorjaar kon de sociale, culturele en economische activiteit vanaf mei geleidelijk en gradueel worden hervat. De principiële sluiting van de ondernemingen en dienstverleners wordt vervangen door een voorwaardelijke toelating om diensten aan te bieden aan consumenten, in overeenstemming met een hele reeks gezondheidsregels die worden vastgesteld bij opeenvolgende ministeriële besluiten, genomen na advies van adviesorganen en na beraadslaging in onder meer de Ministerraad. De in acht te nemen sanitaire voorzorgsmaatregelen worden veelal per bedrijfssector in een zogenaamd sectorprotocol nader bepaald, ook wat de feest- en evenementensector betreft. Met het ministerieel besluit van 5 juni 2020 „houdende wijziging van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ wordt de eerdergenoemde veralgemeende “thuisblijfplicht” (na enkele eerdere gerichte versoepelingen) opgeheven waardoor - niet-essentiële - verplaatsingen weer mogelijk worden, althans in zoverre die niet leiden tot door het ministerieel besluit verboden samenscholingen of activiteiten. Vanaf dat ogenblik opent de horeca onder strikte sanitaire voorzorgsmaatregelen zoals vervat in artikel 3ter van het (aldus gewijzigde) ministerieel besluit van 23 maart
- Wat de evenementensector betreft, is relevant dat het samenscholingsverbod weliswaar wordt versoepeld: samenscholingen van XIV-38.467- 4/14 10 (of minder) personen zijn toegestaan (artikel 5, eerste lid, 1°, van het ministerieel besluit van 23 maart 2020, zoals gewijzigd door het ministerieel besluit van 5 juni 2020). Er zijn een aantal afwijkingen zoals voor burgerlijke huwelijken en begrafenissen (tot 100 en vanaf 1 juli tot 200 personen) en het gebruik van vaste of tijdelijke infrastructuren voor de organisatie van recepties en banketten vanaf 1 juli 2020 voor een maximum van 50 personen wordt toegestaan volgens dezelfde voorwaarden als deze voor het restaurantwezen (artikel 5, tweede lid, van het ministerieel besluit van 23 maart 2020, zoals aldus gewijzigd). Nog relevant voor de evenementensector is dat, bovendien,“[o]verminderd artikel 5, 1° elke persoon, bovenop de personen die onder hetzelfde dak wonen, per week maximum tien verschillende personen [mag] ontmoeten in het kader van privéovereenkomsten, met inbegrip van dezen die plaatsvinden in voor publiek toegankelijke plaatsen” (artikel 5bis, van het ministerieel besluit van 23 maart 2020, zoals aldus gewijzigd). 3.
- Bij de aanvang van de zomervakantie 2020 brengt het ministerieel besluit van 30 juni 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ (hierna: het ministerieel besluit van 30 juni 2020) - in het licht van de zogenaamde exit-strategie - verdere versoepelingen, steeds met inachtneming van de vereiste sanitaire maatregelen. Dit ministerieel besluit van 30 juni 2020, dat het ministerieel besluit van 23 maart 2020 opheft, is het eerste bestreden besluit. Het te dezen relevante artikel 11 ervan - onder hoofdstuk 5 „Samenscholingen‟ -, bevat de volgende bepalingen inzake catering, recepties en banketten: “Art.
- §
- Behoudens andersluidende bepaling voorzien door dit besluit, zijn samenscholingen van meer dan 15 personen enkel toegelaten onder de voorwaarden voorzien en voor de activiteiten toegelaten door dit artikel. […] §
- Een maximum van 50 personen tot en met 31 juli 2020 en van 100 personen tot en met 31 augustus 2020 mag gezeten recepties en banketten, met XIV-38.467- 5/14 privékarakter, bijwonen, die worden verzorgd door een professionele catering/traiteur onderneming, met naleving van de modaliteiten voorzien in artikel 5, 1° tot en met 3° en 5° tot en met 9° en onverminderd artikel 4, lid 2, 1° en 5° tot en met 8° of het toepasselijke protocol. […] §
- Een publiek van maximum 200 personen tot en met 31 juli 2020 en van maximum 400 personen vanaf 1 augustus 2020 mag evenementen, voorstellingen, gezeten recepties en banketten toegankelijk voor het publiek, en wedstrijden bijwonen, voor zover deze binnen worden georganiseerd met naleving van de modaliteiten voorzien in artikel 4, lid 2, of in het toepasselijke protocol, en onverminderd artikel
- Een publiek van maximum 400 personen tot en met 31 juli 2020 en van maximum 800 personen vanaf 1 augustus 2020 mag evenementen, voorstellingen, gezeten recepties en banketten toegankelijk voor het publiek, en wedstrijden bijwonen, voor zover deze buiten worden georganiseerd met naleving van de modaliteiten voorzien in artikel 4, lid 2, of in het toepasselijke protocol, en onverminderd artikel
- Wanneer een evenement, voorstelling, gezeten receptie of banket toegankelijk voor het publiek, of wedstrijd wordt georganiseerd voor een publiek van meer dan 200 personen of op de openbare weg, is de voorafgaande toelating van de bevoegde gemeentelijke overheid overeenkomstig artikel 13 vereist. […]. Dit besluit werd gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 juli 2020 „houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ en, vervolgens, bij het ministerieel besluit van 22 augustus 2020 „houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken. Deze besluiten zijn het tweede respectievelijk het derde bestreden besluit. Na vervanging door artikel 8 van het tweede bestreden besluit luiden de te dezen relevante bepalingen van artikel 11 van het eerste bestreden besluit als volgt: “Art.
- §
- Behoudens andersluidende bepaling voorzien door dit besluit, zijn samenscholingen van meer dan 10 personen, kinderen jonger dan 12 jaar niet meegeteld, enkel toegelaten onder de voorwaarden voorzien en voor de XIV-38.467- 6/14 activiteiten toegelaten door dit artikel. Onder „samenscholingen‟ worden ook recepties en banketten met privékarakter verstaan. […] §
- Een publiek van maximum 100 personen mag evenementen, voorstellingen, gezeten recepties en banketten toegankelijk voor het publiek, en wedstrijden bijwonen, voor zover deze binnen worden georganiseerd met naleving van de modaliteiten voorzien in artikel 4, lid 2, of in het toepasselijke protocol, en onverminderd artikel
- Een publiek van maximum 200 personen mag evenementen, voorstellingen, gezeten recepties en banketten toegankelijk voor het publiek, en wedstrijden bijwonen, voor zover deze buiten worden georganiseerd met naleving van de modaliteiten voorzien in artikel 4, lid 2, of in het toepasselijke protocol, en onverminderd artikel
- Wanneer een evenement, voorstelling, gezeten receptie of banket toegankelijk voor het publiek, of wedstrijd wordt georganiseerd op de openbare weg, is de voorafgaande toelating van de bevoegde gemeentelijke overheid overeenkomstig artikel 13 vereist. […]” Na vervanging door artikel 7 van het derde bestreden besluit luiden de bepalingen van artikel 11 van het eerste bestreden besluit als volgt: “Art.
- §
- Behoudens andersluidende bepaling voorzien door dit besluit, zijn samenscholingen van meer dan 10 personen, kinderen jonger dan 12 jaar niet meegeteld, enkel toegelaten onder de voorwaarden voorzien en voor de activiteiten toegelaten door dit artikel. Onder „samenscholingen‟ worden ook recepties en banketten met privékarakter verstaan. […] §
- Een publiek van maximum 200 personen mag evenementen, voorstellingen, gezeten recepties en banketten toegankelijk voor het publiek, lessen in auditoria en wedstrijden bijwonen, voor zover deze binnen worden georganiseerd met naleving van de modaliteiten voorzien in artikel 4, lid 2, of in het toepasselijke protocol, en onverminderd artikel
- Een publiek van maximum 400 personen mag evenementen, voorstellingen, gezeten recepties en banketten toegankelijk voor het publiek, en wedstrijden bijwonen, voor zover deze buiten worden georganiseerd met naleving van de modaliteiten voorzien in artikel 4, lid 2, of in het toepasselijke protocol, en onverminderd artikel
- Wanneer een evenement, voorstelling, gezeten receptie of banket toegankelijk voor het publiek, of wedstrijd wordt georganiseerd op de openbare weg, is de voorafgaande toelating van de bevoegde gemeentelijke overheid overeenkomstig artikel 13 vereist. […]” 3.
- Nadat de voorliggende vordering tot schorsing is ingesteld, wordt het eerste bestreden besluit nogmaals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 25 september 2020 „houdende wijziging van het ministerieel besluit van XIV-38.467- 7/14 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om het coronavirus COVID-19 te beperken‟ (hierna: het ministerieel besluit van 25 september 2020). Deze wijziging houdt een belangrijke versoepeling in voor feesten met een familiaal of bedrijfskarakter. Na vervanging door artikel 4 van het genoemde ministerieel besluit van 25 september 2020, dat in werking is getreden op 1 oktober 2020 (artikel 13 van het ministerieel besluit van 25 september 2020), luiden de te dezen relevante bepalingen van artikel 11 van het eerste bestreden besluit als volgt: “§
- Behoudens andersluidende bepaling voorzien door dit besluit, zijn samenscholingen van meer dan 10 personen, kinderen jonger dan 12 jaar niet meegeteld, enkel toegelaten onder de voorwaarden voorzien en voor de activiteiten toegelaten door dit artikel. […] §
- In afwijking van paragraaf 1 mag een onbeperkte aantal personen gezeten recepties en banketten bijwonen, wanneer die worden verzorgd door een professionele catering/traiteur onderneming, met naleving van de modaliteiten voorzien in artikel 5, 1° tot en met 3° en 5° tot en met 10° en onverminderd artikel 4, lid 2, 1° en 5° tot en met 8° of het toepasselijke protocol.” 3.
- Inmiddels is echter, na het zomerreces 2020, gebleken dat de epidemiologische situatie opnieuw zorgen baart. De steeds snellere, exponentiële toename van het aantal besmettingen vanaf eind september zet de verwerende partij ertoe aan om opnieuw opeenvolgende en strengere noodmaatregelen te nemen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, wat gebeurt bij ministeriële besluiten van 18, 23, 28 oktober en 1 november
- Concreet worden vanaf 18 oktober 2020 de regels inzake samenscholingen en de mogelijkheid om personen te ontvangen opnieuw in belangrijke mate teruggedraaid zowel wat het aantal toegelaten personen als wat de voorwaarden en toegelaten activiteiten betreft. De evenementen worden sterk beperkt, de horeca wordt opnieuw gesloten, enzovoort. De striktere maatregelen beogen te vermijden dat de ziekenhuizen en meer in het bijzonder de diensten voor XIV-38.467- 8/14 intensieve zorg niet langer in staat zouden zijn om in de vereiste gezondheidszorgen te voorzien. Omdat er na de maatregelen genomen bij het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 nog steeds geen noemenswaardige verbetering was waar te nemen van de epidemiologische situatie en die door de adviserende organen, mede gelet op de druk op de ziekenhuizen, als “dramatisch” wordt aangezien, neemt de minister van Binnenlandse Zaken op 1 november 2020 een nieuw ministerieel besluit „houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna: het ministerieel besluit van 1 november 2020). Met dit laatste ministerieel besluit van 1 november 2020 wordt een zogenaamde „lockdown light‟ ingevoerd: die maatregelen zijn van toepassing tot en met 13 december
- IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. XIV-38.467- 9/14 VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting door de verzoekende partij
- In haar verzoekschrift zet de verzoekende partij uiteen dat de schorsing spoedeisend is omdat zij financieel nadeel lijdt onder de genomen maatregelen en wordt geconfronteerd met een “enorm verlies dat enkel bij een snelle besluitvorming nog kan beperkt worden zodat er terug perspectief wordt geboden aan verzoekster en de sector waarin zij actief is”. Wanneer het resultaat van de procedure ten gronde moet worden afgewacht is het onwaarschijnlijk dat er nog feesten worden geboekt om plaats te vinden in het jaar 2020 en is het weinig waarschijnlijk dat er nog bijkomende boekingen zullen komen voor
- Er dient perspectief te komen. Anders oordelen zou onherroepelijke schade veroorzaken aan de verzoekende partij die zij mogelijks niet te boven zal komen, gelet op de maandelijkse financiële lasten die zij moet dragen en waarvan zij niet wordt vrijgesteld ondanks het zo goed als stilleggen van haar bedrijf en het gebrek aan inkomsten. Alle bedrijfsevents zijn afgeschaft tot in januari/februari
- De verzoekende partij wordt ook geconfronteerd met “feestlocaties” die door de wisselende besluiten geen feesten meer willen organiseren op hun locaties, wat uiteraard gevolgen heeft voor de verzoekende partij die locaties nodig heeft om feesten te kunnen organiseren. Zij voert nog aan dat het personeel meer dan ongerust is en dat cliënteel betaalde voorschotten begint terug te vragen. De verzoekende partij heeft niet de financiële ruimte om deze voorschotten terug te betalen omdat haar reserves zijn opgebruikt en de stock weg is. Zij voert aan dat zij een maandelijkse kost heeft “van ongeveer 30.000 à 35.000 euro voor afgesloten leningen, onderhoud van het gebouw, afgesloten verzekeringen, vakantiegeld, eindejaarspremie, …”. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten XIV-38.467- 10/14 [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bijte brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Een door de Raad van State te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling heeft enkel uitwerking voor de toekomst. Met het instellen van eenvordering tot schorsing streeft een verzoekende partij voorts na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een zodanige XIV-38.467- 11/14 omvang dat een later arrest niet nuttig meer tussenkomt. Vereist is dan ook dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd.
- Te dezen, heeft de aangevochten regeling van artikel 11 van het eerste bestreden besluit (zoals vervangen door artikel 8 van het tweede bestreden besluit en, vervolgens, door artikel 7 van het derde bestreden besluit) waardoor de verzoekende partij stelt een financieel nadeel te lijden, gelet op de vervanging ervan door artikel 4 van het wijzigingsbesluit van 25 september 2020 niet langer gelding. Artikel 11, § 7, van het eerste bestreden besluit, zoals dat is gewijzigd door artikel 4 van het ministerieel besluit van 25 september 2020, hield een belangrijke versoepeling in waardoor vanaf 1 oktober 2020 een onbeperkt aantal personen gezeten recepties en banketten mocht bijwonen, wanneer die werden verzorgd door een professionele cateraar of traiteur (cfr. punt 3.4). Weliswaar is, wat de ondernemingsactiviteit van de verzoekende partij betreft, deze tussentijdse versoepeling die ook voor de verzoekende partij voordeliger was dan de door haar bestreden regeling, weer ongedaan gemaakt met de ministeriële besluiten van 18, 23, 28 oktober en 1 november 2020 die opnieuw een substantiële verstrenging inhouden (cfr. punt 3.5), maar ook dat brengt mee dat een schorsing van de door de verzoekende partij bestreden besluiten geen nuttig effect meer kan opleveren. De aspecten van het nadeel dat de verzoekende partij stelt te lijden, vloeien immers niet (langer) voort uit de door haar bestreden besluiten, maar uit de sedert oktober 2020 tussengekomen ministeriële besluiten. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten zou dan ook niet beletten dat de verzoekende partij het door haar aangevoerde nadeel hoe dan ook blijft ondergaan, ingevolge de tenuitvoerlegging van de hiervoor aangehaalde latere besluiten met eenzelfde of gelijkaardig voorwerp. Het door haar aangevoerde nadeel kan door de gevorderde schorsing niet worden verholpen. Tot slot, in de mate dat volgens de verzoekende partij de schorsing van de bestreden besluiten van aard zou zijn om de verzoekende partij XIV-38.467- 12/14 duidelijkheid of perspectief te bieden, moet worden vastgesteld - daargelaten of de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling zulks tot doel heeft nu zij ertoe strekt te beletten dat de verzoekende partij zich in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen - dat het aangevoerde “gebrek aan perspectief” evenmin nog (langer) voortvloeit uit de bestreden besluiten maar wel uit die later tussengekomen besluiten. Het aangevoerde gebrek aan perspectief kan door de schorsing van de bestreden besluiten niet ongedaan worden gemaakt omdat de verwerende partij zich inmiddels, ingevolge de epidemiologische evolutie, genoodzaakt zag om door middel van een zogenoemde lockdown light strengere maatregelen in te voeren, wat is gebeurd met het ministerieel besluit van 1 november 2020 dat (alvast) geldt tot 13 december
- De Raad van State merkt daarbij op dat het gebrek aan (termijn) perspectief veeleer lijkt voort te vloeien uit de aard van de calamiteit waartegen de verwerende partij weerstand moet bieden dan uit de genomen en te nemen (tijdelijke) maatregelen op zich.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Kosten
- Wat de vraag van de verzoekende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. XIV-38.467- 13/14 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig november tweeduizend twintig door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.467- 14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.074 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div