← België

Arrest 249083 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 27/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.083 Rolnummer: A. 232280/X-17843 Zaak: Arrest 249083 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 27/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-01 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 249.083 van 27 november 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.083 van 27 november 2020 in de zaak A. 232.280/X-17.843 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Du Bois kantoor houdend te 1500 Halle Vandenpeereboomstraat 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Nicolas Bonbled kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 21 november 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “[a]rtikel 10 van het Ministerieel besluit van 1 november 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (publicatie Belgisch Staatsblad 1 november 2020)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. X-17.843-1/6 Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november 2020, om 13.30 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inge Van den dorpel, die loco advocaat Kris Du Bois verschijnt voor verzoeker, en advocaat Simon Claes, die loco advocaten Thomas Eyskens en Nicolas Bonbled verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberghe heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De COVID-19-pandemie heeft ertoe geleid dat de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken op 28 oktober 2020 het besluit ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ nam. Artikel 17 ervan luidt: “De collectieve uitoefening van de eredienst en de collectieve uitoefening van de niet-confessionele morele dienstverlening en van activiteiten binnen een filosofisch-levensbeschouwelijke vereniging, evenals de individuele bezoeken van gebouwen der eredienst en van gebouwen bestemd voor de openbare uitoefening van de niet-confessionele morele dienstverlening zijn toegestaan. De representatieve organen van de erediensten en van de organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele X-17.843-2/6 levensbeschouwing nemen de nodige maatregelen en vaardigen richtlijnen uit, met inachtneming van volgende voorwaarden: 1° het respect van de regels van social distancing, in het bijzonder het behoud van een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon, behalve voor personen die onder hetzelfde dak wonen; 2° het respect van het maximum van 40 personen in eenzelfde ruimte, kinderen tot en met 12 jaar niet meegeteld; 3° het verbod op fysieke aanrakingen van personen en van voorwerpen door verschillende deelnemers; 4° de terbeschikkingstelling van middelen om de noodzakelijke handhygiëne te voorzien bij de in- en uitgang.” Het artikel is door artikel 10 van het besluit van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 1 november 2020 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ vervangen geworden door: “De collectieve uitoefening van de eredienst en de collectieve uitoefening van de niet-confessionele morele dienstverlening en van activiteiten binnen een filosofisch-levensbeschouwelijke vereniging zijn verboden, met uitzondering van: - de erediensten en de niet-confessionele morele dienstverlening bedoeld in artikel 15, § 3 en 4; - de erediensten en de niet-confessionele morele dienstverlening die zijn opgenomen met de bedoeling ze via alle beschikbare kanalen te verspreiden en die alleen met maximaal 10 personen plaatsvinden, met inbegrip van de personen die voor die opname verantwoordelijk zijn, met het behoud van een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon, en voor zover de plaats van eredienst of niet-confessionele morele dienstverlening tijdens de opname voor het publiek gesloten blijft.” De maatregel is, gelet op artikel 12 van het besluit van 1 november 2020, van toepassing tot en met 13 december
  5. Hij is het voorwerp van de voorliggende vordering. IV. Ontvankelijkheid
  6. In de nota betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering. X-17.843-3/6 Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering zouden zich alleen opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn. Dit is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. V. Schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
  8. Verzoeker, die “tot het katholieke geloof behoort”, argumenteert dat de gelovigen tijdens de eredienst het sacrament van de eucharistie ontvangen en dat het de kern vormt van de eredienst. Dit sacrament kan enkel ontvangen worden als de mis in levenden lijve wordt bijgewoond. Het is deel van de katholieke geloofsbeleving dat de eucharistie minstens eenmaal per week wordt toegediend, namelijk op zondag. De katholieke gelovige is ervan overtuigd dat hij zonder de eucharistie geen écht leven leidt. Dat de gelovige gemeenschap gedurende onbepaalde tijd niet de eredienst kan bijwonen en niet de eucharistie kan ontvangen, maakt een ernstige beperking uit van de geloofsbeleving, met mogelijk gevolgen voor de mentale gezondheid. Het is, benadrukt verzoeker, voor elke katholieke gelovige absoluut noodzakelijk de mis in levenden lijve bij te wonen. Dit is de reden voor het aanvoeren van de uiterst dringende noodzakelijkheid: het volgen van de X-17.843-4/6 reguliere procedure voor de Raad van State zou betekenen dat de katholieke gelovigen gedurende meerdere maanden de eucharistie niet kunnen ontvangen. Beoordeling
  9. Verzoekers uiteenzetting blijkt gesteund op het foutieve uitgangspunt dat de bestreden bepaling voor onbepaalde duur geldt. De bestreden bepaling is integendeel alleen van toepassing tot en met 13 december 2020, met andere woorden gedurende nog een veertiental dagen.
  10. Bovendien blijkt verzoekers houding niet te stroken met het bestaan van een uiterste hoogdringendheid. Ofschoon het volgens verzoeker “absoluut noodzakelijk” is de mis fysiek te kunnen bijwonen, en dit minstens één keer week, heeft hij de voorliggende vordering slechts na verloop van drie weken ingesteld. Dit tijdsinterval, waarvoor geen enkele verontschuldiging wordt aangevoerd en blijkt, spreekt het bestaan van een uiterste urgentie tegen.
  11. In de gegeven omstandigheden kan verzoeker de Raad van State er niet van overtuigen ten gevolge van de bestreden bepaling in een situatie te verkeren die voor hem een geval van uiterst dringende noodzakelijkheid uitmaakt. Alleszins één van de grondvoorwaarden voor een schorsing is niet vervuld. Deze vaststelling verantwoordt de verwerping van de vordering. BESLISSING
  12. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. X-17.843-5/6
  13. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.843-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.083 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.266 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.