← België

Arrest 249087 - Wegverkeer van goederen - 30/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.087 Rolnummer: A. 228549/XII-8759 Zaak: Arrest 249087 - Wegverkeer van goederen - 30/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-15 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 14:38 Fiche Arrest nr 249.087 van 30 november 2020 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 249.087 van 30 november 2020 in de zaak A. 228.549/XII-8759 In zake:

  1. de SRL SKIPTRANS
  2. Leonard-Costel GOIDESCU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20, bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 9 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 9 mei 2019 waarbij aan Leonard-Costel Goidescu een administratieve boete van 2.000 euro wordt opgelegd en de srl Skiptrans burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze geldboete. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XII-8759-1/42 Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 september
  5. Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Gauthier Baudts, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Wat de feiten betreft, wordt verwezen naar de uiteenzetting ervan in het voormelde verslag dat het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het auditoraat op grond van artikel 24, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over de zaak heeft opgemaakt. Dit verslag is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Onderzoek van de middelen
  8. In het verzoekschrift, samengevat in het Nederlands in de memorie van wederantwoord, voeren de verzoekende partijen twaalf middelen aan: “
  9. Onwettige beslissing van 9 mei 2019 XII-8759-2/42
  10. Overschrijding van de redelijke termijn
  11. Niet-naleving van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
  12. Klacht tegen Mevrouw [V.] en Meneer [K.]
  13. Afwending van macht
  14. Een onvolledige overmaking van het strafdossier
  15. Schending van het onpartijdigheidsbeginsel
  16. Schending van het proportionaliteitsbeginsel
  17. Schending van de regels betreffende de bewijslast
  18. Gebrek aan bewijs
  19. Ontoereikende motivering van de bestreden beslissing – schending van het beginsel van het gezag van de handelingen
  20. Schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet.” Deze twaalf middelen zijn, na te zijn onderzocht en beoordeeld, in het auditoraatsverslag deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond bevonden. De grieven die de voornoemde middelen vertolken – en elkaar trouwens vaak overlappen – kwamen, met uitzondering van het vierde middel, reeds in verscheidene arresten gewezen door de Raad van State aan bod, met inbegrip van de argumenten die nog bij een aantal middelen in de laatste memorie worden naar voren gebracht. In die arresten worden deze middelen keer op keer na een uitvoerig en grondig onderzoek op een gemotiveerde wijze verworpen. De Raad van State verwijst hier onder meer naar het arrest nr. 245.849 van 22 oktober 2019 inzake de srl Skiptrans en Liviu Antohi, dat ook de eerste verzoekende partij betreft, en de in het auditoraatsverslag vernoemde arresten.
  21. De laatste memorie van de verzoekende partijen komt neer op een zeer uitgebreid betoog waarin de argumentatie uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord letterlijk wordt herhaald en vervolgens nog, doch niet bij alle middelen, allerlei opmerkingen worden geuit die de beoordeling in het auditoraatsverslag betreffen en in wezen neerkomen op een volharden van de verzoekende partijen in hun zienswijze. Deze opmerkingen nopen niet tot een andere beoordeling van de grieven die reeds in het auditoraatsverslag grondig zijn onderzocht en beoordeeld.
  22. Op de terechtzitting ondernemen de verzoekende partijen geen poging om de analyse van het auditoraat te weerspreken; zij verwijzen enkel naar XII-8759-3/42 het arrest nr. 243.369 van 10 januari 2019 in verband met de hoorplicht bij het nemen van tuchtmaatregelen door een college. De huidige zaak betreft echter geen tuchtmaatregel maar het opleggen van een administratieve geldboete en het betrokken arrest is te dezen dus niet relevant.
  23. De Raad van State valt dan ook de in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van de twaalf door de verzoekende partijen aangevoerde middelen bij en verwerpt deze middelen op grond van de in dat verslag vermelde motieven. V. Kosten
  24. De kosten dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟ en van de wet van 26 april 2017 „houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft‟, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  25. XII-8759-4/42 Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en de retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bedragen. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het beroep.
  27. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor helft, en een bijdrage van 20 euro. De onterecht betaald bijdrage ten bedrage van 20 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8759-5/42 Brussel, 03 maart 2020 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK AUDITORAAT ROLNR.: A. 228.549/XII-8759 CODE: V-12-APR VERSLAG over een beroep tot nietigverklaring In zake:
  28. GOIDESCU Leonard-Costel
  29. SRL SKIPTRANS, vennootschap naar Roemeens recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST dat woonplaats kiest te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 t.a.v. Veerle Vanempten I. VOORWERP VAN HET BEROEP
  30. Het beroep, ingesteld op 9 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Gewest van 9 mei 2019 om aan Leonard-Costel Goidescu een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de SRL Skiptrans burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. II. RECHTSPLEGING
  31. Het door de verzoekende partijen verschuldigde rolrecht en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand werden betaald. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Dit gebeurde telkens binnen de voorgeschreven termijnen en op regelmatige wijze. III. FEITEN 3.
  32. Op 23 april 2018 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Leonard-Costel Goidescu, eerste verzoekende partij en vrachtwagenbestuurder van de tweede verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E40 te Wetteren. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 1.531 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‗betreffende de XII-8759-6/42 bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘ (hierna: 1 ‗Decreet Bijzonder Wegtransport‘). 3.
  33. Op 17 mei 2018 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de bevoegde procureur des Konings met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, Decreet Bijzonder Wegtransport, binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan 2 de zaak zal worden gegeven. Het Openbaar Ministerie deelt zijn beslissing niet tijdig mee. De administratieve procedure wordt voortgezet op basis van artikel 17, § 3, laatste 3 lid, van het decreet bijzonder wegtransport. 3.
  34. Op 13 september 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de 4 betaling van deze administratieve geldboete. 3.
  35. Op 8 oktober 2018 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan 5 tegen die beslissing. 6 Op 11 december 2018 heeft een hoorzitting plaats. Op 7 januari 2019 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling 7 van deze administratieve geldboete. 3.
  36. Op 21 januari 2019 stellen de verzoekende partijen tegen die 8 beslissing beroep in bij de Vlaamse Regering. 9 Op 28 maart 2019 heeft een hoorzitting in beroep plaats. Op 9 mei 2019 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die 1 Administratief dossier, stuk nr.
  37. 2 Administratief dossier, stuk nr.
  38. 3 Het Openbaar Ministerie deelt uiteindelijk op 8 november 2018, overbodig, nog mee dat het geen vervolging zal instellen. Zie administratief dossier, stuk nr.
  39. 4 Administratief dossier, stuk nr.
  40. 5 Administratief dossier, stuk nr.
  41. 6 Administratief dossier, stuk nr. 9-
  42. 7 Administratief dossier, stuk nr.
  43. 8 Administratief dossier, stuk nr.
  44. 9 Administratief dossier, stuk nr. 15-
  45. XII-8759-7/42 beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen 10 ter kennis gebracht. IV. ONTVANKELIJKHEID
  46. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet. Ambtshalve dienen er evenmin opmerkingen te worden gemaakt. V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN
  47. De verzoekende partijen voeren twaalf middelen tot nietigverklaring aan tegen de bestreden beslissing. V.
  48. EERSTE MIDDEL V.1.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.1.1.
  49. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het eerste middel in essentie aan dat de bestreden beslissing onwettig is omdat zij werd ondertekend door een andere ambtenaar dan degene voor wie de zaak bepleit werd. Zij verwijzen naar artikel 779 Ger.W. Vervolgens stellen zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt en zoals het thans wordt toegepast en uitgelegd, niet artikel en 10 en 11 van de Grondwet daar enkel de beklaagden waarvan de zaak niet geseponeerd werd door het Parket gebruik kunnen maken van de procedurele waarborgen waarin voorzien wordt in artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl de beklaagden waarvan de zaak geseponeerd werd en tegen hun zin betrokken zijn in een administratieve procedure geen gebruik kunnen maken van deze waarborgen en veroordeeld kunnen worden door een ambtenaar die niet alle debatten heeft bijgewoond en waarvan niets aantoont dat hij kennis heeft kunnen nemen van de stukken en de conclusies die werden ingediend door de overtreder?‖ 5.1.1.
  50. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.1.1.
  51. In de memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 19, § 4, Decreet Bijzonder Wegtransport. Zij benadrukken dat de ambtenaar die de partijen heeft gehoord niet degene is die de beslissing heeft uitgesproken. V.1.B. BEOORDELING 5.1.2.
  52. Artikel 779 Ger.W. luidt als volgt: ―Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid.‖ 10 Administratief dossier, stuk nr.
  53. XII-8759-8/42 Artikel 1 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: ―Dit wetboek regelt de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging.‖ Er blijkt niet dat het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams Gewest behoort tot de hoven en rechtbanken waarop dat wetboek van toepassing is. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. 5.1.2.
  54. Artikel 19, § 4, eerste lid, Decreet Bijzonder Wegtransport, luidt: ―De Vlaamse Regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder en de onderneming op de hoogte brengen van de eventuele onontvankelijkheid van het beroep, die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. Deze ambtenaren mogen niet betrokken geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure.‖ Er blijkt niet dat deze bepaling zou opleggen dat de ambtenaar die de overtreder hoort ook dezelfde persoon dient te zijn die de uiteindelijke beslissing neemt. Voort het overige kan er worden verwezen naar de gevestigde rechtspraak van de Raad van State inzake de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waarin de Raad van State van oordeel is dat het horen niet dient te worden uitgevoerd door de beslissende overheid zelf. Het volstaat dat die overheid weet 11 welk standpunt de betrokkene inneemt. Te dezen hebben de verzoekende partijen een schriftelijke conclusie ingediend en werd er een schriftelijk en uitvoerig verslag opgesteld van de hoorzitting in beroep waarop zij hun standpunten nog verder mondeling hebben toegelicht. 5.1.2.
  55. De door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat in een administratieve beroepsprocedure identiek dezelfde waarborgen zouden moeten gelden als in een jurisdictionele procedure voor een rechter. Zoals hierna zal blijken faalt dat uitgangspunt. Er is dan ook geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. 5.1.2.
  56. Het middel dient te worden verworpen. V.
  57. TWEEDE MIDDEL V.2.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.2.1.
  58. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het tweede middel aan dat de redelijke termijn werd overschreden. 11 Zie bv. RvS 5 juli 2016, nr. 235.360, Thienpont. XII-8759-9/42 De overtreding werd op 17 april 2018 vastgesteld en de bestreden beslissing genomen op 9 juli 2019, meer dan een jaar na de feiten. Het gaat om een gewoon overladingsdossier, de verzoekende partijen hebben geen enkel vertragingsmanoeuvre gebruikt, de redelijke termijn werd overschreden of zal dit zijn wanneer de Raad van State uitspraak doet. Volgens de verzoekende partijen moet, om de redelijke termijn te bepalen, ―de hele duur van de rechtspleging‖ in aanmerking worden genomen, met inbegrip van het beroep bij de Raad van State, dat is vanaf de vaststelling van de overtreding tot op het ogenblik waarop de Raad het arrest uitspreekt. Vervolgens verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en stellen zij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en in die zin geïnterpreteerd dat hij niet de mogelijkheid biedt aan een overtreder die, ingevolge een beslissing van het Parket om geen vervolgingen in te stellen, het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om de overschrijding van de redelijke termijn in te roepen en derhalve voordeel te halen uit de gunstige gevolgen die eruit voortvloeien terwijl een overtreder jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding beslist heeft om vervolgingen in stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?‖ 5.2.1.
  59. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de redelijke termijn niet werd overschreden. 5.2.1.
  60. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat er rekening moet worden gehouden met ―de hele duur van de rechtspleging‖ en dringen zij aan op het stellen van de prejudiciële vraag. V.2.B. BEOORDELING 5.2.2.
  61. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―5.8.
  62. Wat de redelijke termijn betreft voor het opleggen van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, moet worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat ze in de huidige zaak blijken te zijn gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent hebben gehandeld en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen overigens ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden. XII-8759-10/42 5.8.
  63. Tegen de eindbeslissing in de bestuurlijke procedure, die dateert van 20 maart 2017 werd door de verzoekende partijen een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld op 18 mei 2017, met twaalf middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten. Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, en enkel de voormelde procedure voor de Raad van State, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te 12 passen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Ook in de thans voorliggende zaak werd de redelijke termijn niet overschreden bij het nemen van de bestreden beslissing. 5.2.2.
  64. De door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag blijkt feitelijke grondslag te missen, nu, zoals reeds vastgesteld, bij het nemen van de bestreden beslissing de redelijke termijn niet werd overschreden. Ook blijkt de prejudiciële vraag juridische grondslag te missen, nu het de verzoekende partijen wel degelijk mogelijk is om de overschrijding van de redelijke termijn aan te voeren voor de Raad van State en de Raad, indien hij een overschrijding van de redelijke termijn zou vaststellen, tot nietigverklaring van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete mag overgaan, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn dan een eenvoudige schuldigverklaring in de zin van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. 5.2.2.
  65. Het middel dient te worden verworpen. V.
  66. DERDE MIDDEL V.3.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.3.1.
  67. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het derde middel de schending aan van ―artikel 6.3.A van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden — schending van de rechten van de verdediging‖. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.3.1.1.
  68. In een eerste onderdeel wijzen zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpen op de hoogte werden gesteld van de feiten die hen ten laste werden gelegd. De vaststelling van de overtreding werd enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien 12 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8759-11/42 was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De tweede verzoekende partij heeft om vertaling naar het Roemeens van het dossier gevraagd, dit werd geweigerd. De verzoekende partijen hadden bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. Dat de verzoekende partijen werden bijgestaan door een advocaat is volgens de verzoekende partijen irrelevant. De beklaagde heeft volgens artikel 320, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering immers in ieder geval het recht om gehoord te worden in verband met zijn rechtsmiddelen en uitleg. Dat er beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State verandert volgens de verzoekende partijen niets aan het probleem, de bestreden beslissing is onregelmatig gelet op het ontbreken van een tolk en bovendien worden de zaken die betrekking hebben op het Vlaams Gewest stelselmatig behandeld door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State alwaar het probleem opnieuw aan de orde is volgens de verzoekende partijen. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Daarnaast wijzen zij op de Europese richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling en rechtspraak van het Hof van Justitie op grond van die richtlijn. De weigering om de belangrijkste stukken van de rechtspleging te vertalen is een duidelijke schending van de rechten van de verdediging. Een tegenovergestelde redenering zou neerkomen op een schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet aangezien de procedurele waarborgen niet dezelfde zouden zijn al naargelang de overtreder voor een bestuursrechtscollege of voor een rechterlijke instantie zou worden gebracht. Zij wijzen erop dat zij niet op voet van gelijkheid staan tegenover het Vlaams Gewest. Vervolgens stellen zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in die zin geïnterpreteerd dat het niet de mogelijkheid biedt aan de rechtsonderhorige die het Parket heeft beslist om niet te vervolgen en die derhalve het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om te worden bijgestaan door een tolk tijdens de zitting, om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn XII-8759-12/42 dossier en om te vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar een rechtscollege van een andere taalrol, terwijl de rechtsonderhorige jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding besloten heeft om vervolgingen in te stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?‖ 5.3.1.1.
  69. In een tweede middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. De verzoekende partijen wijzen op de grote financiële gevolgen voor de overtreders van een overladingsovertreding. 5.3.1.
  70. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.3.1.3.
  71. In de memorie van wederantwoord dringen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, aan op het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Daarnaast stellen zij nog een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor: ―Is artikel 3 van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 20 oktober 2010, betreffende het recht op vertolking en vertaling in het raam van strafprocedures die in die zin uitgelegd dient te worden dat een rechtshandeling het nationale recht kan worden uitgevaardigd om kleinere strafrechtelijke inbreuken te bestraffen en die door een rechter na afloop van een vereenvoudigde eenzijdige procedure wordt gegeven, eveneens van toepassing op administratieve beslissingen die gewezen werden op het vlak van verkeersovertredingen die geregionaliseerd werden door de wetgever en voor zover de bevoegdheid van het Gewest enkel voortvloeit uit een loutere beslissing tot seponering in hoofde van het Parket van de Procureur des Konings?‖ 5.3.1.3.
  72. Aan het tweede middelonderdeel voegen de verzoekende partijen niets toe in de memorie van wederantwoord. V.3.B. BEOORDELING 5.3.2.1.
  73. Wat het eerste middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek eerste middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: XII-8759-13/42 ―Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling. Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‗op het gebruik der talen in gerechtszaken‘ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld. Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt. Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland). [...] Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen. De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige XII-8759-14/42 ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting. De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar [...] een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden 13 zijn.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.3.2.1.
  74. Het gaat te dezen immers evenzeer om een relatief eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat. De verzoekende partijen maken in de huidige zaak evenmin geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die ook te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt ook te dezen uit het administratief dossier dat de verzoekende partijen op behoorlijke wijze hun verdediging op zich hebben kunnen nemen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van hun keuze hun standpunt over de feiten hebben kunnen doen gelden en deze hebben kunnen betwisten. Op de hoorzitting hebben zij ook hun standpunt kunnen doen gelden in de taal van hun keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Aldus is te dezen evenmin aangetoond dat de verzoekende partijen in concreto zouden zijn benadeeld door de afwezigheid van een vertaling van het volledige dossier en een tolk op de hoorzitting. De tweede verzoekende partij blijkt overigens, zoals de Raad van State al in het verleden heeft vastgesteld, een in Roemenië ondergebrachte dochtervennootschap van de Belgisch-Luxemburgse Jost Groep te zijn 14 die de facto vanuit België wordt bestuurd , zodat er geen enkele reden voorhanden is om te veronderstellen dat de tweede verzoekende partij behoefte zou hebben aan een vertaling van het dossier naar het Roemeens, een tolk Roemeens of aan de aanwezigheid van een tolk Nederlands-Roemeens op de hoorzitting. 13 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. 14 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, Skiptrans e.a. waarin de Raad van State als volgt oordeelde: ―Voor zover de eerste verzoekende partij hier nog stelt dat de door haar op de hoorzitting afgevaardigde persoon geen Nederlands verstond, en bijgevolg nood zou hebben gehad aan de bijstand van een tolk op de hoorzitting, stelt de Raad nog vast dat zij deel uitmaakt van de Jost Group, een grootschalige transportonderneming die ook in het Vlaamse gewest aanzienlijke commerciële activiteiten ontwikkelt en aldus mag worden geacht het Nederlands te beheersen of minstens te beschikken over medewerkers die het Nederlands beheersen.‖ XII-8759-15/42 5.3.2.1.
  75. Waar de verzoekende partijen in het verzoekschrift nog diverse rechtsnormen inroepen, kan het volgende worden opgemerkt. Artikel 320 van het Wetboek van Strafvordering betreft de specifieke rechtspleging voor het Hof van Assisen. Er blijkt niet dat de verzoekende partijen te dezen voor dat Hof berecht zijn geworden. Artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 ‗op het gebruik der talen in gerechtszaken‘, is reeds op het eerste gezicht niet van toepassing op de bestuurlijke procedure gevoerd voor de verwerende partij op grond van het Decreet Bijzonder Wegtransport. Deze bepaling betreft immer het gebruik der talen bij het vooronderzoek en het onderzoek in strafzaken, alsmede voor de strafgerechten in eerste aanleg en voor het Hof van Assisen. De verwijzing naar de richtlijn 2010/64/EU is evenmin dienstig. De verzoekende partijen laten immers geheel na om een specifieke bepaling uit die richtlijn aan te voeren. Nog minder zetten zij uiteen waarom er te dezen zou zijn voldaan aan de stringente voorwaarden opdat de bepalingen van een richtlijn directe werking zouden hebben. Bovendien blijkt deze richtlijn enkel betrekking te hebben op het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en aldus te dezen niet van toepassing te zijn, nu het om een bestuurlijke procedure gaat. Dat een administratieve sanctieprocedure met andere waarborgen is omkleed dan een strafrechtelijke procedure maakt, anders dan de verzoekende partijen uitentreuren doen gelden doorheen het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, op zich geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. Dat werd door het Grondwettelijk Hof overigens uitdrukkelijk bevestigd in het kader van een beroep tot 15 nietigverklaring van het oude Aslastendecreet van 19 december
  76. Voorts kan er worden opgemerkt dat een persoon wiens inbreuk wordt afgehandeld door een bestuur zich in de bestuurlijke procedure in een fundamenteel andere positie bevindt dan een persoon wiens inbreuk door het openbaar ministerie wordt vervolgd voor de strafrechter. Beide situaties zijn reeds op het eerste gezicht niet zonder meer met elkaar in vergelijking te brengen. Voorts kan er in dit verband op worden gewezen dat de Raad van State al in talrijke arresten heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‗volle rechtsmacht‘, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat 15 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  77. XII-8759-16/42 begrip verstaat (zie recent bv. EHRM 6 november 2018, 55391/13, 57728/13 en 16 74041/13, Ramos Nunes De Carvalho ). Zoals de Raad van State steeds opnieuw dient te onderlijnen voldoet hij als rechtscollege aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2 en Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). 5.3.2.1.
  78. Dat de verzoekende partijen niet op voet van gelijkheid staan tegenover het Vlaams Gewest, zoals zij opwerpen, lijkt inherent aan de verhouding tussen burger en bestuur. Het is net die fundamentele ongelijkheid die de wetgever ertoe heeft gebracht te voorzien in rechtsbescherming ten aanzien van het bestuur door een bijzondere bestuursrechter, te dezen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het louter in herinnering brengen van het machtsverschil tussen burger en bestuur kan in elk geval niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 5.3.2.1.
  79. Er werd reeds opgemerkt dat de verzoekende partijen ten onrechte veronderstellen dat een persoon wiens inbreuk door het bestuur wordt afgehandeld in een bestuurlijke procedure identiek dezelfde waarborgen zou moeten genieten als 17 degenen die gelden in een strafrechtelijke procedure voor de strafrechter. De voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof berust in haar geheel op deze onterechte veronderstelling. Er is dan ook geen grond tot het stellen van die vraag. Wat betreft de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient er te worden vastgesteld:

(1)dat richtlijn 2010/64/EU enkel betrekking heeft op procedures voor de strafrechter; en
(2)dat deze richtlijn zelf reeds het antwoord op de voorgestelde vraag blijkt te bevatten. In artikel 1, lid 3, wordt immers verduidelijkt dat, ―[a]ls de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt opgelegd door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij deze rechtbank kan worden ingesteld, […] deze richtlijn alleen van toepassing [is] op de procedure voor deze rechtbank‖. Aldus blijkt de richtlijn zelf reeds uitdrukkelijk te bepalen dat zij niet van toepassing is op een administratieve procedure die een gerechtelijke procedure voorafgaat. De consideransen van de richtlijn vermelden zelfs expliciet: ―
(16)In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties met betrekking tot 16 In dit arrest bevestigde het EHRM ondubbelzinnig zijn gevestigde rechtspraak als volgt in § 132: ―[T]he Court reiterates its settled case-law according to which, even where an administrative body determining disputes over ‗civil rights and obligations‘ does not comply with Article 6 § 1 in some respect, no violation of the Convention can be found if the proceedings before that body are ‗subject to subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction and does provide the guarantees of Article 6 § 1‘ […] that is, if any structural or procedural shortcomings identified in the proceedings before an administrative authority are remedied in the course of the subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction‖. 17 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  1. XII-8759-17/42 relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Als de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie worden opgelegd door een dergelijke autoriteit, en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij een in strafzaken bevoegde rechtbank kan worden ingesteld, moet deze richtlijn derhalve alleen van toepassing zijn op de procedure die bij deze rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dit beroep.‖ Net zoals het geval is bij artikel 6 EVRM blijken de waarborgen waarin de richtlijn 2010/64/EU voorziet dus enkel van toepassing op de procedure voor de rechter en niet reeds in de administratieve procedure. Dit vloeit zonder meer uit de richtlijn zelf voort. Er is, gelet op de acte clair-leer dus geen grond om het Hof van Justitie van de Europese Unie op dit punt te bevragen. 5.3.2.1.
  2. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.3.2.2.
  3. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek tweede middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: ―Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‗verhoor‘. In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‗tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis‘, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
  4. B.5.5). De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de XII-8759-18/42 vrachtwagen- bestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig 18 mag verder zetten.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Uit wat ondertussen gerust rotsvaste rechtspraak van de Raad van State mag worden beschouwd, overigens uitdrukkelijk en ondubbelzinnig bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Iwan Wertz), volgt dat de bijstand van een advocaat bij het vaststellen van een overladingsinbreuk -een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken- in beginsel niet vereist is. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat zulks te dezen wel het geval had moeten zijn. 5.3.2.2.
  5. Ook te dezen gaat het om een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig verder zetten. Er blijkt niet dat het daarbij inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten in het kader van een dergelijke eenvoudige controle, dat dan zijn neerslag vindt in het invullen van het modelformulier proces-verbaal, dient te worden aangemerkt als een verhoor in de specifieke strafrechtelijke betekenis van dat begrip. Het standpunt van de verzoekende partijen bijtreden zou inhouden dat elke identiteitscontrole door de politionele overheden voortaan enkel in het bijzijn van een advocaat zou mogen verlopen. Er blijkt niet dat zulk absurd gevolg het einddoel zou zijn van de Salduz-rechtspraak waar de verzoekende partijen zich op beroepen. Overigens berust het middel op een onjuist feitelijk uitgangspunt waar er wordt aangevoerd dat ―de vervolgingen‖ zouden steunen op het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering wordt immers objectief vastgesteld met een weging van de assen van het voertuig met een asweger en niet op grond van een verhoor in de welomschreven strafrechtelijke zin van dat begrip. Minstens blijkt niet, zoals reeds opgemerkt, dat het vaststellen van de identiteit van een vrachtwagenbestuurder en die van diens werkgever op zich reeds de bijstand van een advocaat zou vereisen. 5.3.2.2.
  6. Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 18 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8759-19/42 5.3.2.
  7. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  8. VIERDE MIDDEL V.4.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.4.1.
  9. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het vierde middel ―valsheid en gebruik van valsheid in geschriften in hoofde van Mevrouw Van Empten en van Mijnheer Knippenberg‖ aan. De verzoekende partijen hebben naar eigen zeggen klacht ingediend tegen deze twee ambtenaren van het Vlaams Gewest voor valsheid en gebruik van valsheid in openbare geschriften. Bij toepassing van het adagium ‗de strafrechtelijke procedure heeft voorrang op de burgerlijke procedure‘ is het nodig het einde van het onderzoek af te wachten om te weten of deze twee ambtenaren bevoegd blijven. 5.1.1.
  10. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.1.1.
  11. In de memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden beslissing nietig dient te worden verklaard aangezien deze berust op valsheid in openbare geschriften waaraan een ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt. Als hierover twijfel bestaat dient de uitspraak te worden uitgesteld in toepassing van artikel 4 V.T.Sv. Vervolgens zetten de verzoekende partijen uiteen wat de samenstellende bestanddelen zijn van valsheid in geschrifte en waarom er te dezen aan die bestanddelen is voldaan. V.4.B. BEOORDELING 5.4.2.
  12. De stelling van de verzoekende partijen dat zij een klacht met burgerlijke partijstelling hebben ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken, blijkt feitelijke grondslag te missen. Het bij het verzoekschrift gevoegde proces-verbaal van burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken blijkt betrekking te hebben op een niet nader omschreven klacht die werd ingediend door derden, maar niet door de verzoekende partijen zelf. Er blijkt bovendien niet dat deze klacht met burgerlijke partijstelling betrekking heeft op het voorliggende dossier. 5.4.2.
  13. Het middel dient te worden verworpen. Er is geen grond voorhanden om de behandeling van deze zaak uit te stellen. XII-8759-20/42 V.
  14. VIJFDE MIDDEL V.5.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.5.1.
  15. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een vijfde middel machtsafwending aan. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruikmaken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM, had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partijen enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending. Daarnaast is er sprake van machtsafwending omdat de verwerende partij weigert de stukken van het dossier te vertalen en de aanwezigheid van een tolk op de zitting weigert. Het doel bestaat erin het Nederlands voor procedurele doeleinden te gebruiken en achteraf de taal van de overtreder om het bedrag van de boetes te kunnen innen. De aangehaalde bezwaren hebben tot doel om de taak van de verwerende partij te vergemakkelijken om zo de de verzoekende partijen te verhinderen om op een rechtsgeldige manier de boetes te betwisten. 5.5.1.
  16. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.5.1.
  17. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.5.B. BEOORDELING 5.5.2.
  18. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de ‗diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt‘, als volgt: ‗§
  19. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken: XII-8759-21/42 1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal; 2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal. §
  20. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen. Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits. §
  21. [...].‘ Aangezien de verzoekende partijen niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd zijn dan wel wonen, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken. In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partijen doen gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij hebben […] zowel in hun conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zouden zijn geweest door de verwerende partij. [...] Het door de verzoekende partijen ingeroepen artikel 39 GWHI luidt: ‗Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen. De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.‘ Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt op zijn beurt: ‗De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.‘ Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied. Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt. [...] Waar de verzoekende partijen in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijten dienen zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Een dergelijke verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft XII-8759-22/42 gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft 19 gesteld, toont dit alleszins niet aan. [...] Het derde middel wordt verworpen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.5.2.
  22. Het middel dient te worden verworpen. V.
  23. ZESDE MIDDEL V.6.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.6.1.
  24. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het zesde middel de onvolledige overmaking van het strafdossier aan. Zij doen gelden dat uit de bestreden beslissing voortvloeit dat het dossier op 17 mei 2018 werd bezorgd aan de Procureur des Konings en dat deze geen beslissing heeft genomen binnen de termijn. Deze documenten werden niet tijdig bezorgd. Het attest van metrologische controle van de asweger werd evenmin bezorgd. Deze handelwijze van de verwerende partij heeft de verzoekende partijen hun eerste graad van aanleg ontnomen aangezien zij op dat ogenblik niet hebben kunnen debatteren op basis van een volledig dossier. Stukken die te laat worden bezorgd dienen volgens de verzoekende partijen uit het debat te worden geweerd. 5.6.1.
  25. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.6.1.
  26. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat omdat de stukken hun niet tijdig werden bezorgd, zij zich niet behoorlijk hebben kunnen verdedigen. Zij hebben twee graden van aanleg verloren. De verzoekende partijen wijzen op de kosten die zij hebben moeten maken om zich te laten bijstaan door een advocaat in de administratieve procedure en in de procedure voor de Raad van State om een debat te kunnen voeren op basis van een volledig dossier. De niet-bezorgde stukken dienen uit het debat geweerd zodat de overtreding die de verzoekende partijen wordt verweten niet als bewezen kan worden beschouwd. V.6.B. BEOORDELING 5.6.2.
  27. In dit middel voeren de verzoekende partijen in essentie een gebrek in het verloop van de administratieve sanctieprocedure aan. 19 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8759-23/42 Zij doen gelden dat de stukken inzake de doorzending van het proces-verbaal aan het parket en het bewijs van goede werking van de asweger niet werden bezorgd voor de hoorzitting in graad van bezwaar. Zij voeren evenwel geen enkele bepaling aan van het Decreet Bijzonder Wegtransport, noch van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‗betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘, die opleggen dat deze stukken dienen te worden gevoegd bij de kennisgeving van de initiële beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete. 5.6.2.
  28. De stukken inzake de doorzending van het proces-verbaal aan het parket en het attest van metrologische controle van de asweger werden aan de verzoekende partijen bezorgd met de beslissing in graad van bezwaar, dat is met de eerstvolgende beslissing in de administratieve procedure nadat zij om het voorleggen van die stukken hadden verzocht. Aldus blijken de verzoekende partijen die documenten aan kritiek te hebben kunnen onderwerpen, zowel in graad van administratief beroep als thans in de procedure voor de Raad van State. In dit verband kan, voor zover als nodig, worden gewezen op de devolutieve werking van het administratief beroep. Het louter poneren dat de verzoekende partijen een aanleg zou zijn ontnomen volstaat niet. Immers blijkt niet hoe de verzoekende partijen te dezen in concreto zouden zijn gehinderd in het nuttig voorbereiden van hun verweer of het opkomen voor hun standpunt in graad van bezwaar door het niet bij de initiële beslissing voegen van de betrokken stukken. In tegendeel blijkt dat de verzoekende partijen reeds in graad van bezwaar een uitvoerige schriftelijke conclusie hebben neergelegd en op de hoorzitting heeft hun raadsman uitvoerig hun standpunt kunnen doen gelden. 5.6.2.
  29. Voorts werd, wat de huidige procedure voor de Raad van State betreft, onmiddellijk een op het eerste gezicht volledig administratief dossier neergelegd door de verwerende partij. De verzoekende partijen blijken de stukken van dat dossier aan uitvoerige tegenspraak te hebben kunnen onderwerpen in de memorie van wederantwoord, die 12 middelen bevat en 35 bladzijden telt. Er is dan ook geen grond om stukken van het administratief dossier uit het debat te weren, zoals de verzoekende partijen doen gelden. 5.6.2.
  30. De verwijzing naar de kosten verbonden aan de bijstand door een advocaat in de administratieve procedure en in de procedure voor de Raad van State is niet relevant om de wettigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. XII-8759-24/42 5.6.2.
  31. Het middel dient te worden verworpen. V.
  32. ZEVENDE MIDDEL V.7.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.7.1.
  33. De verzoekende partijen voeren in een zevende middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.7.1.1.
  34. In een eerste middelonderdeel doen zij gelden dat de heer Knippenberg in geen geval over de nodige objectiviteit beschikt om uitspraak te doen over dit dossier bij gevolg van de klacht van de verzoekende partijen tegen hem. 5.7.1.1.
  35. Tweede middelonderdeel. Het verslag van metrologische controle dat bij de bestreden beslissing werd gevoegd, werd ondertekend door de administrateur- generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer. De bestreden beslissing werd ook door hem ondertekend. Hij is dus zowel rechter als partij aangezien hij de beslissing in laatste aanleg uitspreekt en hij zijn administratie een bewijs voor goede werking van de asweger bezorgt. Dit is onaanvaardbaar aangezien het resultaat dat weergegeven wordt door de weegschaal de mogelijkheid biedt om vervolgingen in te stellen, zodanig dat de verzoekende partijen het recht hebben om te eisen dat de testen met alle nodige objectiviteits- en onpartijdigheidswaarborgen worden uitgevoerd. De controle van de asweger moet door een onafhankelijk orgaan gebeuren. 5.7.1.
  36. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.7.1.
  37. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan het middel. V.7.B. BEOORDELING 5.7.2.
  38. Wat het eerste middelonderdeel betreft, dient er te worden vastgesteld dat, waar de verzoekende partijen ook hier verwijzen naar het indienen van een strafklacht, dit middelonderdeel feitelijke grondslag blijkt te missen. Het bij het verzoekschrift gevoegde proces-verbaal van burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken blijkt betrekking te hebben op een niet nader omschreven klacht die werd ingediend door derden, maar niet door de verzoekende partijen zelf. Er blijkt bovendien niet dat deze klacht met burgerlijke partijstelling betrekking heeft op het voorliggende dossier. XII-8759-25/42 Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.7.2.2.
  39. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige tweede middelonderdeel als volgt heeft verworpen: ―De omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te 20 betwisten.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.7.2.2.
  40. De stelling dat het verslag van metrologische controle pas na het sluiten van het debat werd bezorgd blijkt feitelijke grondslag te missen. Uit het administratief dossier dossier blijkt dat dit stuk werd bezorgd met de beslissing na bezwaar, zodat de verzoekende partijen de gelegenheid hebben gehad om dit stuk aan kritiek te onderwerpen zowel in graad van administratief beroep als thans in de jurisdictionele procedure voor de Raad van State. 5.7.2.2.
  41. Voorts kan worden opgemerkt dat noch het decreet bijzonder wegtransport, noch het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‗betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘ de verwerende partij opleggen om de door haar gebruikte aswegers door een derde te laten testen. De verzoekende partijen maken op geen enkele wijze aannemelijk dat de metrologische controle door de cel metrologie van de sectie verkeershandhavingssystemen van de afdeling elektromechanica en telematica het behoorlijk functioneren van de asweger niet afdoende zou waarborgen. 5.7.2.2.
  42. Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.7.2.
  43. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. 20 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8759-26/42 V.
  44. ACHTSTE MIDDEL V.8.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.8.1.
  45. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het achtste middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. Zij achten dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 2.000 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‗betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen‘ met een geldboete tussen ―10 BEF en 10.000 BEF‖ worden bestraft. Zij verwijzen naar twee vonnissen van de politierechtbank, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verzoekende partijen doen gelden dat het proportionaliteitsbeginsel ontegensprekelijk deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht die toegepast worden door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om na te gaan of het proportionaliteitsbeginsel geëerbiedigd is, moet er in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die aangewend werden om het doel te bereiken stroken met het belang van dit doel en in de tweede plaats of deze middelen noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. Daarnaast verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 37, § 2, van de wet van 3 mei 1999, dat bepaalt dat de lader of opdrachtgever eveneens strafrechtelijk aansprakelijk is in het kader van een overladingsovertreding. Te dezen werd de lader nooit in verdenking gesteld en werden enkel de verzoekende partijen vervolgd, dat is discriminerend. De verzoekende partijen stellen vervolgens voor om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ―Dat de eiser uw Hoog Rechtscollege derhalve verzoekt om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of de sancties waarin voorzien wordt door het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt, het proportionaliteitsbeginsel, gelezen in combinatie met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden?‖ 5.8.1.
  46. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. XII-8759-27/42 5.8.1.
  47. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen voor om nog een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ―Dat eveneens de volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld zou moeten worden: ‗Schenden de sancties voorzien door het decreet van 3 mei 2013 en de manier waarop deze worden toegepast niet het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet in samenhang gelezen met artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien de rechtscolleges van de rechterlijke macht die gevat worden van een identiek probleem, gesteld dat het Parket de vervolgingen niet seponeert, sancties uitspreekt die veel lager liggen dan de sancties die worden uitgesproken door de tegenpartij, wanneer het Parket het dossier seponeert, hetgeen met zich brengt dat de rechtzoekenden op een andere manier worden 21 behandeld en veroordeeld al naargelang de beslissing van het Parket‘‖. V.8.B. BEOORDELING 5.8.2.
  48. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden reeds meermaals verworpen, zie o.m. RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, Skiptrans e.a. Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Deze beoordeling zal hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak. 5.8.2.
  49. Artikel 17, § 2, eerste lid, Decreet Bijzonder Wegtransport, bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. De overlading bedroeg te dezen op de tweede as van de trekker 1.531 kg. Artikel 14, § 2, Decreet Bijzonder Wegtransport, stelt de minimum geldboete bij een overlading met 1.500 kg tot minder dan 2.000 kg vast op 250 euro. Verhoogd met de op de voorliggende inbreuk van toepassing zijnde opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 2.000 euro. Aldus blijkt de verwerende partij wel degelijk de minimumgeldboete te hebben opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn. 5.8.2.
  50. Wat betreft de toepassing van verzachtende omstandigheden of het verlenen van uitstel oordeelde de Raad van State in voornoemde arresten als volgt: 21 Eigen vertaling door de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord. XII-8759-28/42 ―Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij op bladzijde 13 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen. Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen ‗aannemelijke element[en]‘ hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het ‗tegendeel te bewijzen‘. [...] In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware ‗automatisch‘ uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partijen gaan er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat ‗de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen [...] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.‘ Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt: ‗het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.‘ Het gaat dus niet louter om het ‗laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur‘ zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze te dezen vervuld zouden zijn. In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.‖ XII-8759-29/42 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Er blijkt in de huidige zaak evenmin dat de verwerende partij verzachtende omstandigheden in aanmerking had moeten nemen of uitstel had moeten verlenen. 5.8.2.
  51. Wat betreft de voorgestelde prejudiciële vraag over de proportionaliteit van de bedragen van de geldboetes waarin het Decreet Bijzonder Wegtransport voorziet, worden de verzoekende partijen erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om wetgevende handelingen te toetsen aan beginselen van behoorlijk bestuur zoals het in dit middel ingeroepen evenredigheidsbeginsel. Voor het overige kunnen de verzoekende partijen erop worden gewezen dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 90/2018 van 5 juli 2018 reeds heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om de bedragen van (administratieve) geldboetes 22 voor overladingsinbreuken te toetsen aan het beginsel van evenredigheid. In zoverre de verzoekende partijen het voorstel van prejudiciële vraag betrekt op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan er worden opgemerkt dat wie het Grondwettelijk Hof wil laten ondervragen omdat hij ten onrechte verschillend zou worden behandeld, voor de verwijzende rechter eerst het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling moet staven, minstens minimaal aannemelijk moet maken. Te dezen blijven de verzoekende partijen in gebreke om bij de adstructie van de vraag een ongelijke behandeling te concretiseren en beperken zij zich louter tot een proportionaliteitsvraag. Ten overvloede kan er worden opgemerkt dat de administratieve geldboetes waarin het Decreet Bijzonder Wegtransport voorziet reeds op het eerste gezicht in een redelijke verhouding staan tot de inbreuk die ermee wordt bestraft. Bovendien blijkt niet dat de decreetgever aan de beoordelingsbevoegdheid van de rechter of van de administratieve overheid al te enge grenzen heeft gesteld die het niet mogelijk maken rekening te houden met de relevante elementen van de zaak, noch dat hij één enkele sanctie heeft opgelegd die kennelijk onevenredig is ten opzichte van de 23 ernst van het gedrag dat hij wil bestraffen. Aldus blijkt er alvast in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen basis terug te vinden om eventueel ambtshalve op dit punt een prejudiciële vraag te construeren. 5.8.2.
  52. De voorgestelde prejudiciële vraag inzake de vermeende lagere sancties door de rechtbanken dan door de verwerende partij dient evenmin te worden 22 Het arrest GwH 5 juli 2018, nr. 90/2018 betreft een beroep tot vernietiging van de nieuwe regeling van het Waalse Gewest inzake overladingsinbreuken. Dit beroep werd verworpen. 23 In die zin: GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.
  53. XII-8759-30/42 gesteld. Het Grondwettelijk Hof is immers niet bevoegd om het bestuurlijk handhavingsbeleid van de verwerende partij te toetsen aan rechterlijke uitspraken gedaan in concrete casussen. Bovendien blijken de rechterlijke uitspraken die de verzoekende partijen voorleggen niet te zijn geveld op basis van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, Decreet Bijzonder Wegtransport, zodat de veronderstelling aan de basis van de prejudiciële vraag juridische grond blijkt te missen. 5.8.2.
  54. Het betoog dat steunt op artikel 37, § 2, van de wet van 3 mei 1999, faalt. In zoverre de verzoekende partijen hiermee willen verwijzen naar de wet van 3 mei 1999 ‗betreffende het vervoer van zaken over de weg‘, dient erop te worden gewezen 24 dat deze wet reeds in 2013 werd opgeheven. Voorts dient erop te worden gewezen dat met de bestreden beslissing geen inbreuk op die wet van 3 mei 1999, noch op de nieuwe wet van 15 juli 2013 ‗betreffende het goederenvervoer over de weg […]‘, wordt gesanctioneerd. 5.8.2.
  55. Het middel dient te worden verworpen. V.
  56. NEGENDE MIDDEL V.9.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.9.1.
  57. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het negende middel de schending aan van de regels betreffende de bewijslast in strafzaken. In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 5520 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. De agenten van het Waalse Gewest gaan op een andere manier te werk bij het vaststellen van overladingsovertredingen en vermelden op de weegbon de gegevens van het gebruikte weegtoestel. Hoewel op de weegbon het kenteken van een trekker en een aanhangwagen wordt vermeld, hebben de verbalisanten in hun proces-verbaal niet het kenteken genoteerd zodat uit de stukken niet blijkt dat de weegbon betrekking heeft op het voertuig dat toebehoorde aan de eerste verzoekende partij. Voorts verwijzen zij naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd ―bevestigd‖ door het Hof van Cassatie, waar in een vergelijkbare situatie een beklaagde werd vrijgesproken. De verwerende partij heeft een document van de metrologische dienst aan de verzoekende partijen bezorgd. Uit het verslag van de metrologische dienst blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken. De test is bovendien anderhalf jaar oud. Dit document werd opgesteld door het Agentschap Wegen en Verkeer zelf en niet door een onafhankelijk orgaan met de nodige onpartijdigheidswaarborgen, zodat de 24 Art. 54 van de wet van 15 juli 2013 ‗betreffende het goederenvervoer over de weg […]‘. XII-8759-31/42 verwerende partij opnieuw rechter en partij is. De controle moet volgens de verzoekende partijen door een onafhankelijk orgaan gebeuren. De verzoekende partijen wijzen er op dat het hoogst toegelaten gewicht van de weegschaal 20 ton bedraagt, zodat zij verbaasd zijn dat er gewichten tussen de 24 en 37 ton werden gemeten. Zij willen de aanstelling van een deskundige om de weegschaal te onderzoeken, om de goede werking ervan te bepalen en om voor recht te zeggen op deze correct werd gebruikt door de verbalisanten. Daarnaast willen zij een verhoor onder ede van de verbalisanten over de manier waarop de weging werd uitgevoerd. De vrachtwagen was geladen met gebroken kwarts in bulk. De vrachtwagenbestuurder heeft met instemming van de controleurs de laadbak lichtjes verhoogd zodat de lading zou verschuiven. Hieruit kan worden afgeleid dat het om een ladingsbeweging gaat tijdens de rit. In die omstandigheden is de inbreuk niet bewezen. Het vermoeden dat op de verzoekende partijen rust is omgekeerd. Aan de deskundige dient te worden gevraagd om na te gaan of de aslastoverschrijding het wegdek heeft beschadigd op de plaats waar het voertuig werd aangehouden door de verbalisanten. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 66 Strafwetboek en rechtspraak van het Hof van Cassatie over die bepaling. Zij betogen dat in het kader van een overladingsinbreuk nauwkeurig dient te worden bepaald wie de materiële daden heeft gesteld die aan de overtreding ten grondslag liggen. Dat is hier niet het geval geweest. Ook het morele element van het misdrijf is niet aangetoond. Uit het strafdossier volgt niet dat de verzoekende partijen de overtreding opzettelijk of met nalatigheid zouden hebben begaan. Het voertuig werd geladen door een derde, hetgeen vaak voortkomt in de vervoerssector. De verwerende partij toont niet aan dat het voertuig werd geladen door de tweede verzoekende partij of haar personeelsleden. De tweede verzoekende partij beschikt trouwens over een groot wagenpark, zodat zij ―niet op de hoogte kan zijn van elk geval van overlading waar een of andere chauffeur aan ten grondslag zou liggen‖. 5.9.1.
  58. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.9.1.
  59. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.9.B. BEOORDELING 5.9.
  60. In dit middel voeren de verzoekende partijen in wezen vier kritieken aan op de bestreden beslissing, die worden opgevat als betreffend een schending van de materiële motiveringsplicht. XII-8759-32/42 5.9.2.
  61. Een eerste kritiek betreft de asweger en de weegbon. Wat deze kritiek betreft dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan deze kritiek als volgt heeft verworpen: ―4.
  62. De verzoekende partijen betwisten in wezen het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon. Het verslag van metrologische controle werd aan de verzoekende partijen bezorgd samen met de bestreden beslissing, zo erkennen zij zelf. Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt dit stuk aldus het voorwerp te hebben kunnen uitmaken van tegenspraak in de procedure voor de Raad van State. Het verslag, opgesteld door de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer, dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Dit verslag komt immers uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt ―voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen‖. De verzoekende partijen laken voorts nog het feit dat het Vlaamse gewest zichzelf bewijsmiddelen verschaft die niet kunnen worden betwist. Zoals reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het derde middel en het tweede onderdeel van het vijfde middel, is de omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. Voorts dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal. Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt. 4.
  63. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat op grond van de gegevens van het proces-verbaal niet vaststaat dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort. Het middel mist op dit punt kennelijk feitelijke grondslag. Het proces-verbaal blijkt immers in zijn bijlage 2 uitdrukkelijk te vermelden: het merk, de nummerplaten van trekker en oplegger, het chassisnummer van beide bestanddelen van het voertuig en de eigenaars ervan. Ook wordt de burgerlijk aansprakelijke van het voertuig uitdrukkelijk vermeld. Er blijkt niet dat de verwerende partij aan de hand van deze gegevens niet wettig kon achterhalen aan wie het voertuig toebehoorde en aan wie er een administratieve geldboete diende te worden opgelegd omwille van de inbreuk die met dat voertuig werd begaan. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Namen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking heeft op een zaak die valt onder de toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 ‗betreffende de instandhouding van het gewestelijk XII-8759-33/42 openbaar wegen- en waterwegendomein‘ en niet onder het te dezen van 25 toepassing zijnde decreet bijzonder wegtransport van het Vlaamse Gewest.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Er zijn in de voorliggende zaak evenmin elementen om te besluiten dat de gebruikte asweger niet naar behoren functioneert en om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Ook te dezen blijkt het proces-verbaal alle vereiste gegevens te bevatten opdat zou vaststaan dat het betrokken voertuig aan de tweede verzoekende partij toebehoort. Er blijkt niet dat de in dit middel ingeroepen en niet nader gespecificeerde ―regels betreffende de bewijslast in strafzaken‖ zouden zijn miskend bij het nemen van de bestreden beslissing. Evenmin blijkt een schending van de materiële motiveringsplicht voorhanden. 5.9.2.
  64. Een tweede kritiek betreft het hoogst toegelaten gewicht van de asweger. In het aanvankelijk proces verbaal wordt vermeld dat voor het vaststellen van de inbreuk een weegbrug type Supaweigh II met serienummer 5520 werd gebruikt, dat deze metingen uitvoert met een minimumgewicht van 500 kg en een maximumgewicht van 20.000 kg. De verzoekende partijen wijzen erop dat er gewichten tussen de 24 en 37 ton werden gemeten. Bij het administratief dossier is evenwel het verslag van metrologische controle gevoegd dat betrekking heeft op de desbetreffende weegbrug. Hieruit blijkt dat het wel degelijk om een asweger gaat en dat het opgegeven maximumgewicht dan ook per wielas geldt en niet het totale gewicht van het voertuig betreft. Overigens blijkt de kritiek feitelijke grond te missen. Uit de weegbon bij het aanvankelijk proces-verbaal blijkt immers dat geen enkele individuele meting op de individuele assen van de trekker en de oplegger het maximumgewicht van 20.000 kg blijkt te hebben overschreden. De vermelde en door de verzoekende partijen 25 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a.; RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. XII-8759-34/42 aangehaalde hogere gewichten betreffen louter het samentellen van de individuele asmetingen om tot een totaal gewogen gewicht van trekker en oplegger te komen. Ook de tweede kritiek blijkt aldus feitelijke grond te missen. Gelet op die vaststelling is er geen grond om een deskundige aan te stellen, noch om een verhoor van de verbalisanten te bevelen. Een schending van de materiële motiveringsplicht op dit punt is niet aangetoond. 5.9.2.
  65. In een derde kritiek voeren de verzoekende partijen in wezen aan dat het materiële element van de inbreuk niet bewezen is, nu de vrachtwagen geladen was met een goed dat zou kunnen verschuiven tijdens de rit. Dit verweer doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de vrachtwagen op het ogenblik van de weging wel degelijk overladen was op de tweede as met 1.531 kg. Die vaststelling van het materieel element door middel van een eenvoudige weging van het voertuig op een asweger volstaat in beginsel op zich reeds opdat een administratieve geldboete zou kunnen worden opgelegd in toepassing van artikel 17 Decreet Bijzonder Wegtransport. Er is geen grond om aan te nemen dat het wettelijk vermoeden van beschadiging van het wegdek door overlading van de assen van het voertuig te dezen dermate aan het wankelen zou zijn gebracht dat de wettigheid van de bestreden beslissing in het gedrang komt. Bovendien blijken de verzoekende partijen te dwalen waar zij veronderstellen dat er zou moeten worden aangetoond dat een welbepaalde plaats op het wegdek zou zijn beschadigd door de overlading. Die vereiste volgt alleszins niet uit het Decreet Bijzonder Wegtransport. Het is daarentegen de cumulatieve schade die het overladen voertuig aan het wegdek toebrengt over zijn hele traject in overladen toestand, die wordt gesanctioneerd. Er is dan ook geen grond om een deskundige aan te stellen om na te gaan of de aslastoverschrijding het wegdek heeft beschadigd op de plaats waar het voertuig werd aangehouden door de verbalisanten, zoals de verzoekende partijen vragen. Een schending van de materiële motiveringsplicht op dit punt is niet aangetoond. 5.9.2.
  66. In een vierde kritiek voeren de verzoekende partijen in wezen aan dat het morele element van de inbreuk niet bewezen is, in wezen omdat zij het voertuig niet zelf hebben geladen. XII-8759-35/42 De verzoekende partijen veronderstellen bij het aanbrengen van deze kritiek dat het laden van het voertuig een relevant gegeven is bij de sanctionering van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, Decreet Bijzonder Wegtransport. Dat is echter niet het geval. De gesanctioneerde handeling die aan de basis ligt van de inbreuk inbreuk bestaat overeenkomstig artikel 3, tweede lid, Decreet Bijzonder Wegtransport, immers uit het zich op de openbare weg bevinden met een voertuig waarvan de massa op de grond onder een van de assen het toegestane maximum met meer dan 5 procent overschrijdt. Niet meer, niet minder. De vraag naar wie het in inbreuk zijnde voertuig heeft geladen vooraleer het de openbare weg op ging, is in beginsel irrelevant. De nalatigheid die het morele element van de inbreuk uitmaakt, bestaat erin dat de verzoekende partijen zich op de openbare weg hebben begeven met het betrokken voertuig ondanks het voertuig in overtreding was van artikel 3, tweede lid, Decreet Bijzonder Wegtransport. Gelet op artikel 3, tweede lid, Decreet Bijzonder Wegtransport, komt het aan elke bestuurder en transportonderneming toe om de nodige maatregelen te nemen om een overladingsinbreuk te vermijden. Louter poneren dat de tweede verzoekende partij over ‗een groot wagenpark‘ beschikt, is irrelevant en leidt er niet toe dat de tweede verzoekende partij niet mede moreel verantwoordelijk zou zijn voor de inbreuk. Zij dient daarentegen als professionele transportondernemer haar voertuigen met de nodige apparatuur uit te rusten opdat haar vrachtwagenbestuurders zich wettig met haar voertuigen op de openbare weg kunnen begeven. Een schending van de materiële motiveringsplicht op dit punt is evenmin aangetoond. 5.9.2.
  67. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  68. TIENDE MIDDEL V.10.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.10.1.
  69. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het tiende middel een gebrek aan bewijs aan. Zij betogen dat als de beklaagde een omstandigheid aanvoert die zijn verantwoordelijkheid uitsluit en indien deze omstandigheid niet ontdaan is van alle geloofwaardigheid, de vervolgende partij ertoe gehouden is de onjuistheid ervan te bewijzen. Welnu, de verzoekende partijen voeren aan dat het voertuig door een derde werd geladen zonder dat de chauffeur daarbij aanwezig kon zijn en zonder dat hij beschikte over enig middel om de lading na te gaan, zodanig dat noch de werkgever noch de chauffeur de mogelijkheid hadden om het precieze gewicht na te gaan dat vervoerd werd door het voertuig. De vervolgingen zijn dan ook onterecht ingesteld. Deze beweringen zijn perfect aannemelijk en stroken met een vaak voorkomende handelwijze op het vlak van transport. XII-8759-36/42 5.10.1.
  70. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.10.1.
  71. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.10.B. BEOORDELING 5.10.2.
  72. Waar er wordt aangevoerd dat het voertuig door een derde werd geladen, betreft dit middel louter een herhaling van een kritiek die reeds onder een vorig middel werd aangevoerd. Er wordt verwezen naar het onderzoek en de voorgestelde verwerping van die kritiek. De verzoekende partijen kunnen zich voorts niet verschuilen achter het niet voorhanden zijn van een middel om het precieze gewicht onder de assen na te gaan. De tweede verzoekende partij dient daarentegen als professionele transportondernemer haar voertuigen met de nodige apparatuur uit te rusten opdat haar vrachtwagenbestuurders zich wettig met haar voertuigen op de openbare weg kunnen begeven. Aanvoeren dat de verzoekende partijen het gewicht onder de assen van het voertuig niet kunnen weten, is niet dienstig. Het komt aan hen toe dat gewicht juist wel te weten. 5.10.2.
  73. Het middel dient te worden verworpen. V.
  74. ELFDE MIDDEL V.11.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.11.1.
  75. De verzoekende partijen voeren in het elfde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is. Volgens de verzoekende partijen is de motivering van de bestreden beslissing strijdig met de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘. De motivering is niet toereikend om te begrijpen waarom er een sanctie werd opgelegd: a) de bestreden beslissing vermeldt niet de redenen waarom er geen tolk ter beschikking werd gesteld en ook niet waarom er geen vertaling van het strafdossier werd opgesteld; b) de bestreden beslissing evenmin een antwoord formuleert op het argument dat voortvloeit uit de onbestaande vermeldingen op de wegingsbon; c) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op de argumentatie dat de vrachtwagen–bestuurder geen middelen had om het gewicht van de lading na te gaan, dat hij verantwoordelijk was voor de overlading en dat de schade aan het wegdek verondersteld was; XII-8759-37/42 d) de bestreden beslissing rechtvaardigt niet waarom het uitstel dat gevraagd werd, geweigerd werd. 5.11.1.
  76. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.11.1.
  77. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.11.B. BEOORDELING 5.11.2.
  78. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een ―afdoende‖ wijze. 5.11.2.
  79. Het middel blijkt over de gehele lijn feitelijke grondslag te missen. De bestreden beslissing is immers uitvoerig formeel gemotiveerd overheen dertien bladzijden en de verwerende partij blijkt daarin bovendien uitdrukkelijk te antwoorden op elk van de middelen die de verzoekende partijen hadden aangevoerd in hun conclusies in graad van beroep. De bestreden beslissing bevat wel degelijk motieven inzake het gebruik van talen door het bestuur en tijdens de hoorzittingen, de vermeldingen op de weegbon, de verzachtende omstandigheden die de verzoekende partijen hadden ingeroepen en het uitstel dat zij hadden gevraagd. Deze motieven volstaan. Er is geen grond om tot miskenning van de formele motiveringsplicht te besluiten. 5.11.2.
  80. Het middel dient te worden verworpen. V.
  81. TWAALFDE MIDDEL V.12.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.12.1.
  82. In het twaalfde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet. Volgens de verzoekende partijen is het gelijkheidsbeginsel te dezen om de volgende redenen geschonden: a) in tegenstelling tot een beklaagde die voor een gewone strafrechtbank gedagvaard wordt en die kan vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar de dichtstbij gelegen Franstalige rechtbank of gebruik kan maken van de diensten van een tolk, een beklaagde die voor een bestuursrechtscollege berecht wordt zowel in eerste aanleg als in graad van beroep niet over deze mogelijkheid beschikt; terwijl de beklaagde het recht heeft om een vertaling te krijgen van de XII-8759-38/42 belangrijkste stukken van zijn dossier, er vastgesteld dient te worden dat dit niet het geval is voor een uitzonderingsrechtbank zoals de verwerende partij; b) de verjaringstermijn is verschillend al naargelang de zaak geseponeerd wordt en men uitleg dient te verschaffen voor een bestuursrechtscollege of men doorverwezen wordt naar een gewone strafrechtbank; c) overtreders worden anders behandeld wat betreft de gegevens die worden vermeld op de weegbon en op het proces-verbaal al naargelang ze gecontroleerd worden door de diensten van de verwerende partij of door de diensten van het Waals Gewest dan wel de federale politie; d) de rechtbanken van de rechterlijke macht niet aarzelen om het element van twijfel toe te passen wanneer ze geconfronteerd worden met wegingsbonnen die even onnauwkeurig zijn als de documenten die overgelegd worden door de verwerende partij, terwijl een bestuursrechtscollege waarbij hetzelfde probleem en dezelfde stukken aanhangig worden gemaakt de mening is toegedaan dat er helemaal geen reden is om de vaststellingen van zijn eigen diensten in twijfel te trekken. Vervolgens vragen de verzoekende partijen om twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien voor een zelfde overtreding en al naargelang het Parket beslist om te vervolgen of om het dossier te seponeren, dit decreet aan sommige rechtsonderhorigen de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van de procedurele waarborgen betreffende de gerechtelijke vervolgingen en het verloop van het proces voor de rechtbanken van de rechterlijke macht terwijl andere rechtsonderhorigen die onderworpen zijn aan de administratieve sanctieprocedure niet over deze mogelijkheid beschikken, terwijl de administratieve sancties die opgelegd kunnen worden nochtans van dezelfde orde zijn als de sancties die opgelegd kunnen worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht?‖ en ―Schendt het Vlaams decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met het Waals decreet van 19 maart 2009 niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien de overtreders jegens wie het Parket besloten heeft om vervolgingen in te stellen aan een zelfde regeling van vervolgingen en sancties onderworpen worden en zich kunnen beroepen op identieke procedurele waarborgen voor de rechtbanken van de rechterlijke macht, zonder dat hierbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de delen van het Belgisch grondgebied waarop de overtreding werd begaan, terwijl de overtreders jegens wie het Parket besloten heeft om geen vervolgingen in te stellen onderworpen worden aan andere regelingen van vervolgingen en sancties, waardoor niet dezelfde procedurele waarborgen geboden kunnen worden al naargelang de overtreding begaan werd op het grondgebied van het Waals Gewest of van het Vlaams Gewest‖. XII-8759-39/42 5.12.1.
  83. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.12.1.
  84. In de memorie van wederantwoord dringen de verzoekende partijen aan op het stellen van de twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. V.12.B. BEOORDELING 5.12.2.
  85. Het middel zoals aangebracht in het verzoekschrift betreft een loutere herneming van diverse grieven die reeds in andere middelen zijn aangevoerd. In die mate kan naar het onderzoek en de voorgestelde verwerping van die grieven worden verwezen. Er zijn geen redenen voorhanden om die grieven, nu verkleed als een schending van het gelijkheidsbeginsel, wel te aanvaarden. 5.12.2.
  86. Wat betreft de eerste voorgestelde prejudiciële vraag dient erop te worden gewezen dat deze berust op de premisse dat de administratieve geldboete die opgelegd kan worden wegens een overladingsinbreuk van dezelfde orde is als de strafrechtelijke sancties die opgelegd kunnen worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht. Die veronderstelling faalt volledig. Overeenkomstig artikel 17, § 2, eerste lid, Decreet Bijzonder Wegtransport, is het tarief van de administratieve geldboete immers gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. Uit artikel 14, § 2, Decreet Bijzonder Wegtransport, blijkt dat de strafrechter voor elke in die bepaling opgenomen overladingscategorie een strafrechtelijke geldboete kan opleggen tussen het minimumbedrag en een maximumbedrag dat honderd
(100)maal hoger ligt. Op dat bedrag dienen dan nog, net zoals de bij de administratieve geldboete, de opdeciemen te worden toegepast. Voor een overlading zoals degene in de huidige zaak aan de orde is kan een strafrechter aldus een geldboete opleggen tot een maximumbedrag van 30.000 euro, met opdeciemen (in de huidige zaak een factor 8) wordt dat aldus 240.000 euro. Het bestuur is er daarentegen toe gehouden een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. Bovendien kan de strafrechter overeenkomstig artikel 14, § 2, Decreet Bijzonder Wegtransport, daarnaast ook een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar opleggen. Voorts dient de strafrechter, wanneer hij een veroordeling uitspreekt voor een inbreuk die gepleegd is op gewestwegen en bestraft wordt overeenkomstig artikel 14, § 2, krachtens artikel 15 Decreet Bijzonder Wegtransport, ook nog eens de overtreder te veroordelen tot een forfaitair bedrag als bijdrage tot financiering van het Vlaams Infrastructuurfonds. Dat bedrag varieert tussen 25 en 375 euro, afhankelijk van de overladingscategorie, maar dient eveneens nog te worden verhoogd met de strafrechtelijke opdeciemen. Te dezen zou die bijdrage aldus 1.000 euro bedragen. XII-8759-40/42 In een extreem maar niet onmogelijk scenario voor de strafrechter gaan de verzoekende partijen aldus te dezen naar huis met een geldboete van 240.000 euro, een te betalen bijdrage van 1.000 euro en een veroordeling tot een gevangenisstraf van een jaar. Dit alles wordt bovendien in het strafregister opgenomen. In de administratieve sanctieprocedure kan hun te dezen hoogstens een administratieve geldboete van 2.000 euro worden opgelegd. De verzoekende partijen dwalen aldus volstrekt waar zij de eerste prejudiciële vraag steunen op de premisse dat de sancties die het bestuur kan opleggen van dezelfde orde zouden zijn als degene die de strafrechter kan uitspreken. Er is dan ook geen grond om de eerste prejudiciële vraag te stellen. 5.12.2.
  1. In de tweede prejudiciële vraag willen de verzoekende partijen in essentie het Grondwettelijk Hof bevraagd zien over de wettigheid van het bestaan van onderscheiden regelingen inzake de administratieve sanctionering van overladingsinbreuken in het Vlaams Gewest en het Waals Gewest, dan wel op het federale niveau indien de inbreuk strafrechtelijk wordt afgehandeld in plaats van administratief. Die principiële kwestie is evenwel reeds uitentreuren beslecht in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Het Hof oordeelt daarbij -sinds decennia- steevast dat een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de verschillende wetgevers van de federale deelentiteiten over eigen bevoegdheden beschikken, het gevolg is van een verschillend beleid dat voortvloeit uit hun autonomie en als zodanig 26 niet kan worden geacht strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Er zijn geen redenen voorhanden om het Grondwettelijk Hof opnieuw te bevragen over een dergelijke al sinds tientallen jaren uitgeklaarde kwestie. Er is aldus evenmin grond om de tweede prejudiciële vraag te stellen. 5.12.2.
  2. Het middel dient te worden verworpen. V.
  3. BESLUIT 5.
  4. Geen van de middelen is gegrond gebleken. Dienvolgens dient het beroep te worden verworpen. 26 Zie, als slechts enkele voorbeelden: GwH 23 oktober 2014, nr. 157/2014, B.6.2.; GwH 5 oktober 2011, nr. 149/2011, B.6.2.; GwH 26 april 2007, nr. 67/2007, B.4.; GwH 18 februari 1993, nr. 14/93, B.2.6.; GwH 18 november 1992, nr. 74/92, B.3.
  5. XII-8759-41/42 VI. KOSTEN EN RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
  6. De kosten van het beroep, te begroten op het rolrecht en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, dienen ten laste te worden gelegd van de verzoekende partijen. VII. BESLUIT - Voorgesteld wordt het beroep te verwerpen. - De kosten van het beroep tot nietigverklaring dienen dan ook ten laste te worden gelegd van de verzoekende partijen. - Dit verslag zal overeenkomstig artikel 12, vierde lid, van het algemeen procedurereglement eerst aan de verzoekende partijen betekend worden en daarna aan de verwerende partij. Thomas G. MAES Auditeur (id : 04c6-6f8h-9bfk-ekfL-lPHl-7f9X-u2yz-txA7- Origineel ondertekend door de auditeur- verslaggever bDGJ) XII-8759-42/42 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.