← België

Arrest 249090 - Wegverkeer van goederen - 30/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.090 Rolnummer: A. 226979/XII-8663 Zaak: Arrest 249090 - Wegverkeer van goederen - 30/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-15 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.090 van 30 november 2020 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 249.090 van 30 november 2020 in de zaak A. 226.979/XII-8663 In zake: de SRL SKIPTRANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20, bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 18 oktober 2018 waarbij aan de srl Skiptrans een administratieve geldboete van 1.400 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. XII-8663-1/48 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 september
  3. Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Gauthier Baudts, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Wat de feiten betreft, wordt verwezen naar de uiteenzetting ervan in het voormelde verslag dat het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het auditoraat op grond van artikel 24, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over de zaak heeft opgemaakt. Dit verslag is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Onderzoek van de middelen
  6. In het verzoekschrift, samengevat in het Nederlands in de memorie van wederantwoord, voert de verzoekende partij veertien middelen aan: “
  7. onwettige beslissing van 18 oktober 2018
  8. verjaring van de strafvordering
  9. overschrijding van de redelijke termijn
  10. niet-naleving van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden XII-8663-2/48
  11. Valsheid en gebruik van valsheid in geschriften in hoofde van Mevrouw [V] en van Mijnheer [K]
  12. afwending van macht
  13. een onvolledige overmaking van het strafdossier
  14. schending van het beginsel van goed bestuur en van fair play
  15. schending van het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten
  16. schending van het onpartijdigheidsbeginsel
  17. schending van het proportionaliteitsbeginsel
  18. ontoereikende motivering van de bestreden beslissing – schending van het beginsel van het gezag van de handelingen
  19. schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet
  20. schending van de regels betreffende de bewijslast.” Deze veertien middelen zijn, na te zijn onderzocht en beoordeeld, in het auditoraatsverslag deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond bevonden. De grieven die de voornoemde middelen vertolken – en elkaar trouwens vaak overlappen – kwamen, met uitzondering van het vijfde middel, reeds in verscheidene arresten gewezen door de Raad van State aan bod, met inbegrip van de argumenten die nog bij een aantal middelen in de laatste memorie worden naar voren gebracht. In die arresten worden deze middelen keer op keer na een uitvoerig en grondig onderzoek op een gemotiveerde wijze verworpen. De Raad van State verwijst hier onder meer naar het arrest nr. 245.849 van 22 oktober 2019 inzake de srl Skiptrans en Liviu Antohi, dat ook de eerste verzoekende partij betreft, en de in het auditoraatsverslag vernoemde arresten.
  21. De laatste memorie van de verzoekende partij komt neer op een zeer uitgebreid betoog waarin de argumentatie uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord letterlijk wordt herhaald en vervolgens nog, doch niet bij alle middelen, allerlei opmerkingen worden geuit die de beoordeling in het auditoraatsverslag betreffen en in wezen neerkomen op een volharden door de verzoekende partij in haar zienswijze. Deze opmerkingen nopen niet tot een andere beoordeling van de grieven die reeds in het auditoraatsverslag grondig zijn onderzocht en beoordeeld. XII-8663-3/48
  22. Op de terechtzitting onderneemt de verzoekende partij geen poging om de analyse van het auditoraat te weerspreken; zij verwijst enkel naar het arrest nr. 243.369 van 10 januari 2019 in verband met de hoorplicht bij het nemen van tuchtmaatregelen door een college. De huidige zaak betreft echter geen tuchtmaatregel maar het opleggen van een administratieve geldboete en het betrokken arrest is te dezen niet relevant.
  23. De Raad van State valt dan ook de in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van de veertien door de verzoekende partij aangevoerde middelen bij en verwerpt deze middelen op grond van de in dat verslag vermelde motieven. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het beroep.
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XII-8663-4/48 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig november tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8663-5/48 Brussel, 03 maart 2020 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK AUDITORAAT ROLNR.: A. 226.979/XII-8663 CODE: V-12-APR VERSLAG over een beroep tot nietigverklaring In zake: SRL SKIPTRANS, vennootschap naar Roemeens recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST dat woonplaats kiest te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 t.a.v. Veerle Vanempten I. VOORWERP VAN HET BEROEP
  26. Het beroep, ingesteld op 13 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Gewest van 18 oktober 2018 om aan de SRL Skiptrans een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig. II. RECHTSPLEGING
  27. Het door de verzoekende partij verschuldigde rolrecht en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand werden betaald. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Dit gebeurde telkens binnen de voorgeschreven termijnen en op regelmatige wijze. III. FEITEN 3.
  28. Op 6 december 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Catalin-Gabriel Mateescu, vrachtwagenbestuurder van de verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E40 te Wetteren. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 1.197 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‗betreffende de bescherming van de XII-8663-6/48 verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘ (hierna: ‗het decreet 1 bijzonder wegtransport‘). 3.
  29. Op 21 december 2017 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de bevoegde procureur des Konings met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen 2 welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Het Openbaar Ministerie deelt zijn beslissing niet tijdig mee. De administratieve procedure wordt voortgezet op basis van 3 artikel 17, § 3, laatste lid, van het decreet bijzonder wegtransport. 3.
  30. Op 9 maart 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de 4 verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. 3.
  31. Op 26 maart 2018 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen 5 die beslissing. 6 Op 15 mei 2018 heeft een hoorzitting plaats. Op 8 juni 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de 7 verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. 3.
  32. Op 5 juli 2018 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep 8 in bij de Vlaamse Regering. 9 Op 10 september 2018 heeft een hoorzitting in beroep plaats. Op 18 oktober 2018 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. Die beslissing wordt dezelfde dag met een 10 aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. IV. ONTVANKELIJKHEID
  33. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet. Ambtshalve dienen er evenmin opmerkingen te worden gemaakt. 1 Administratief dossier, stuk nr.
  34. 2 Administratief dossier, stuk nr.
  35. 3 Het Openbaar Ministerie deelt uiteindelijk op 22 maart 2018, overbodig, nog mee dat het geen vervolging zal instellen. Zie administratief dossier, stuk nr.
  36. 4 Administratief dossier, stuk nr.
  37. 5 Administratief dossier, stuk nr.
  38. 6 Administratief dossier, stuk nr. 7-
  39. 7 Administratief dossier, stuk nr.
  40. 8 Administratief dossier, stuk nr.
  41. 9 Administratief dossier, stuk nr. 14-
  42. 10 Administratief dossier, stuk nr.
  43. XII-8663-7/48 V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN
  44. De verzoekende partij voert veertien middelen tot nietigverklaring aan tegen de bestreden beslissing. V.
  45. EERSTE MIDDEL V.1.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.1.1.
  46. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het eerste middel in essentie aan dat de bestreden beslissing onwettig is omdat zij werd ondertekend door een andere ambtenaar dan degene voor wie de zaak bepleit werd. Zij verwijst daarbij naar artikel 779 Ger.W. 5.1.1.
  47. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.1.1.
  48. In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar artikel 19, § 4, van het decreet bijzonder wegtransport. Zij benadrukt dat de ambtenaar die de partijen heeft gehoord niet degene is die de beslissing heeft uitgesproken. Vervolgens stelt zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt en zoals het thans wordt toegepast en uitgelegd, niet artikel en 10 en 11 van de Grondwet daar enkel de beklaagden waarvan de zaak niet geseponeerd werd door het Parket gebruik kunnen maken van de procedurele waarborgen waarin voorzien wordt in artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl de beklaagden waarvan de zaak geseponeerd werd en tegen hun zin betrokken zijn in een administratieve procedure geen gebruik kunnen maken van deze waarborgen en veroordeeld kunnen worden door een ambtenaar die niet alle debatten heeft bijgewoond en waarvan niets aantoont dat hij kennis heeft kunnen nemen van de stukken en de conclusies die werden ingediend door de overtreder?‖ V.1.B. BEOORDELING 5.1.2.
  49. Artikel 779 Ger.W. luidt als volgt: ―Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid.‖ Artikel 1 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: ―Dit wetboek regelt de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging.‖ XII-8663-8/48 Er blijkt niet dat het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams Gewest behoort tot de hoven en rechtbanken waarop dat wetboek van toepassing is. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. 5.1.2.
  50. Artikel 19, § 4, eerste lid, decreet bijzonder wegtransport luidt: ―De Vlaamse Regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder en de onderneming op de hoogte brengen van de eventuele onontvankelijkheid van het beroep, die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. Deze ambtenaren mogen niet betrokken geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure.‖ Er blijkt niet dat deze bepaling zou opleggen dat de ambtenaar die de overtreder hoort ook dezelfde persoon dient te zijn die de uiteindelijke beslissing neemt. Voort het overige kan er worden verwezen naar de gevestigde rechtspraak van de Raad van State inzake de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waarin de Raad van State van oordeel is dat het horen niet dient te worden uitgevoerd door de beslissende overheid zelf. Het volstaat dat die overheid weet 11 welk standpunt de betrokkene inneemt. Te dezen heeft de verzoekende partij een schriftelijke conclusie ingediend en werd er een schriftelijk en uitvoerig verslag opgesteld van de hoorzitting in beroep waarop zij haar standpunten nog verder mondeling heeft toegelicht. 5.1.2.
  51. De door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat in een administratieve beroepsprocedure identiek dezelfde waarborgen zouden moeten gelden als in een jurisdictionele procedure voor een rechter. Zoals hierna zal blijken faalt dat uitgangspunt. Er is dan ook geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. 5.1.2.
  52. Het middel dient te worden verworpen. V.
  53. TWEEDE MIDDEL V.2.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.2.1.
  54. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het tweede middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijst erop dat de inbreuk die haar wordt verweten een overtreding van artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement betreft. Artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeersovertreding hoogstens een jaar 11 Zie bv. RvS 5 juli 2016, nr. 235.360, Thienpont. XII-8663-9/48 bedraagt. De feiten zijn gebeurd op 6 december
  55. Ze zijn dus ondertussen verjaard. De verzoekende partij dient te worden ontheven van de geldboete. Vervolgens doet zij gelden: ―Overwegende dat uw Hoog Rechtscollege weliswaar gesteld heeft dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 in casu niet van toepassing was et dat er daarentegen toepassing diende te worden gemaakt van artikel 14 §2 van het decreet dat voorziet in een correctionele straf, zodanig dat de verjaringstermijn vijf jaar zou bedragen; Overwegende dat er vastgesteld dient te worden dat de verjaringstermijn dus verschilt al naargelang het parket beslist om het strafdossier al dan niet te seponeren; Dat indien dit dossier niet geseponeerd zou worden en voorgelegd aan een gewoon rechtscollege de verjaringstermijn een jaar zou bedragen terwijl indien het Parket beslist om over te gaan tot een seponering, hetgeen in casu het geval is, de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt; Dat het derhalve overduidelijk is dat niet alle Belgen gelijk zijn voor de wet wanneer het gaat om de verjaring van een zelfde overtreding‖. Vervolgens stelt zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt en zoals momenteel toegepast en uitgelegd niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien dat enkel de beklaagden waarvan het dossier niet geseponeerd werd door het Parket een verjaringstermijn van een jaar krijgen, terwijl dat de beklaagden waarvan het dossier geseponeerd werd een verjaringstermijn van vijf jaar krijgen?‖ 5.2.1.
  56. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de verjaringstermijn wel degelijk vijf jaar is en niet werd overschreden. 5.2.1.
  57. In haar memorie van wederantwoord dringt de verzoekende partij aan op het stellen van de prejudiciële vraag. V.2.B. BEOORDELING 5.2.2.
  58. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―In verscheidene arresten, onder meer in de arresten nr. 239.904 van 17 november 2017 inzake de sa Jost en nr. 241.358 van 2 mei 2018 inzake de sa Jost & Cie, werd een bijna woordelijk identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk betreffen op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‗betreffende de politie over het wegverkeer‘ te dezen aldus niet van toepassing is. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen. XII-8663-10/48 Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar. Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond. Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen 12 immers vijf jaar.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.2.2.
  59. Daarnaast dient er te worden opgemerkt dat de verzoekende partij ten onrechte het middel steunt op het uitgangspunt dat er met de bestreden beslissing een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement wordt gesanctioneerd. Immers is er reeds in het aanvankelijk proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgesteld enkel sprake van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport. In geen enkel ander stuk van het administratief dossier, noch in enige beslissing in de administratieve besluitvormingsprocedure, is er sprake van het sanctioneren van een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement. In die mate blijkt het middel dus feitelijke en juridische grond te missen. 5.2.2.
  60. Wat betreft de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, kan er worden opgemerkt dat deze vraag eveneens op een onjuist juridisch uitgangspunt blijkt te berusten. Het verschil in behandeling dat de verzoekende partij veronderstelt blijkt immers niet voorhanden. De verjaringstermijn voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport is immers hoe dan ook vijf jaar, of de inbreuk nu wordt afgehandeld door het openbaar ministerie voor de strafrechter of door de verwerende partij. Er is dan ook geen reden om deze vraag te stellen. 5.2.2.
  61. Het middel dient te worden verworpen. V.
  62. DERDE MIDDEL V.3.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.3.1.
  63. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het derde middel aan dat de redelijke termijn werd overschreden. 12 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8663-11/48 De overtreding werd op 6 december 2017 vastgesteld en de bestreden beslissing genomen op 18 oktober 2018, bijna een jaar na de feiten. Het gaat om een gewoon overladingsdossier, de verzoekende partij heeft geen enkel vertragingsmanoeuvre gebruikt, de redelijke termijn werd overschreden of zal dit zijn wanneer de Raad van State uitspraak doet. Volgens de verzoekende partij moet, om de redelijke termijn te bepalen, ―de hele duur van de rechtspleging‖ in aanmerking worden genomen, met inbegrip van het beroep bij de Raad van State, dat is vanaf de vaststelling van de overtreding tot op het ogenblik waarop de Raad het arrest uitspreekt. Vervolgens verwijst de verzoekende partij naar artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en stelt zij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en in die zin geïnterpreteerd dat hij niet de mogelijkheid biedt aan een overtreder die, ingevolge een beslissing van het Parket om geen vervolgingen in te stellen, het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om de overschrijding van de redelijke termijn in te roepen en derhalve voordeel te halen uit de gunstige gevolgen die eruit voortvloeien terwijl een overtreder jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding beslist heeft om vervolgingen in stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?‖ 5.3.1.
  64. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de redelijke termijn niet werd overschreden. 5.3.1.
  65. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat er rekening moet worden gehouden met ―de hele duur van de rechtspleging‖ en dringt zij aan op het stellen van de prejudiciële vraag. V.3.B. BEOORDELING 5.3.2.
  66. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―5.8.
  67. Wat de redelijke termijn betreft voor het opleggen van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, moet worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat ze in de huidige zaak blijken te zijn gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent hebben gehandeld en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen overigens ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden. XII-8663-12/48 5.8.
  68. Tegen de eindbeslissing in de bestuurlijke procedure, die dateert van 20 maart 2017 werd door de verzoekende partijen een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld op 18 mei 2017, met twaalf middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten. Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, en enkel de voormelde procedure voor de Raad van State, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te 13 passen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Ook in de thans voorliggende zaak werd de redelijke termijn niet overschreden bij het nemen van de bestreden beslissing. 5.3.2.
  69. De door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag blijkt feitelijke grondslag te missen, nu, zoals reeds vastgesteld, bij het nemen van de bestreden beslissing de redelijke termijn niet werd overschreden. Ook blijkt de prejudiciële vraag juridische grondslag te missen, nu het de verzoekende partij wel degelijk mogelijk is om de overschrijding van de redelijke termijn aan te voeren voor de Raad van State en de Raad, indien hij een overschrijding van de redelijke termijn zou vaststellen, tot nietigverklaring van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete mag overgaan, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn dan een eenvoudige schuldigverklaring in de zin van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. 5.3.2.
  70. Het middel dient te worden verworpen. V.
  71. VIERDE MIDDEL V.4.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.4.1.
  72. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het vierde middel de schending aan van ―artikel 6.3.A van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden — schending van de rechten van de verdediging‖. Zij brengt dit middel aan in drie middelonderdelen. 5.4.1.1.
  73. In een eerste onderdeel wijst zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpt op de hoogte werd gesteld van de feiten die haar ten laste werden gelegd. De vaststelling van de overtreding werd enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was 13 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8663-13/48 ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Voorts wijst de verzoekende partij erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partij had bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. Er waren twee vertegenwoordigers van de verzoekende partij aanwezig op de hoorzitting en zij hebben nooit het recht gehad om het woord te nemen ten aanzien van de ambtenaren die zijn zaak dienden te berechten. Dat de verzoekende partij werd bijgestaan door een advocaat is irrelevant. De beklaagde heeft volgens artikel 320, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering immers in ieder geval het recht om gehoord te worden in verband met zijn rechtsmiddelen en uitleg. Dat er beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State verandert niets aan het probleem, de bestreden beslissing is onregelmatig gelet op het ontbreken van een tolk. De verzoekende partij verwijst naar artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Daarnaast wijst zij op de Europese richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling en rechtspraak van het Hof van Justitie op grond van die richtlijn. De weigering om de belangrijkste stukken van de rechtspleging te vertalen is een duidelijke schending van de rechten van de verdediging. Een tegenovergestelde redenering zou neerkomen op een schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet aangezien de procedurele waarborgen niet dezelfde zouden zijn al naargelang de overtreder voor een bestuursrechtscollege of voor een rechterlijke instantie zou worden gebracht. Zij wijst erop dat zij niet op voet van gelijkheid staat tegenover het Vlaams Gewest. Vervolgens stelt zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in die zin geïnterpreteerd dat het niet de mogelijkheid biedt aan de rechtsonderhorige die het Parket heeft beslist om niet te vervolgen en die derhalve het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om te worden bijgestaan door een tolk tijdens de zitting, om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier en om te vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar een rechtscollege van een andere taalrol, terwijl de rechtsonderhorige jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding besloten heeft om vervolgingen in te stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?‖ XII-8663-14/48 Daarnaast wil zij een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld zien: ―Is artikel 3 van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 20 oktober 2010, betreffende het recht op vertolking en vertaling in het raam van strafprocedures die in die zin uitgelegd dient te worden dat een rechtshandeling het nationale recht kan worden uitgevaardigd om kleinere strafrechtelijke inbreuken te bestraffen en die door een rechter na afloop van een vereenvoudigde eenzijdige procedure wordt gegeven, eveneens van toepassing op administratieve beslissingen die gewezen werden op het vlak van verkeersovertredingen die geregionaliseerd werden door de wetgever en voor zover de bevoegdheid van het Gewest enkel voortvloeit uit een loutere beslissing tot seponering in hoofde van het Parket van de Procureur des Konings?‖ 5.4.1.1.
  74. In een tweede middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. De verzoekende partij wijst op de grote financiële gevolgen voor de overtreders van een overladingsovertreding. De verzoekende partij wijst erop dat uit de begeleidende brief van 11 december 2017 bij het proces-verbaal van 6 december 2017 blijkt dat de verbalisanten de vrachtwagenbestuurder wel degelijk hebben verhoord. Dit verhoor moet bij het dossier worden gevoegd. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vrachtwagenbestuurder niet werd verhoord. Dit is strijdig met de brief van 11 december
  75. De verzoekende partij heeft naar eigen zeggen klacht met burgerlijke partijstelling ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken. 5.4.1.1.
  76. In een derde middelonderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de bestreden beslissing werd getekend door een andere ambtenaar dan degene die de debatten heeft bijgewoond. Dat miskent het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. 5.4.1.
  77. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.4.1.3.
  78. In de memorie van wederantwoord dringt de verzoekende partij aan op het stellen van de prejudiciële vragen wat het eerste middelonderdeel betreft. XII-8663-15/48 5.4.1.3.
  79. Wat het tweede middelonderdeel betreft doet de verzoekende partij nog het volgende gelden in de memorie van wederantwoord: ―Overwegende dat de tegenpartij overigens de zaken verkeerd voor te stellen en verwarring probeert te zaaien tussen de begrippen "verhoor" en "verklaringen"; Dat deze begrippen helemaal niet hetzelfde zijn; Dat er in de brief van 11 december 2017 gewag wordt gemaakt van ―verklaringen", hetgeen met zich brengt dat deze verklaringen (―déclarations" in het Frans) opgetekend hebben moeten zijn door de verbalisanten en ondertekend hebben moeten zijn door de chauffeur; Dat indien dit niet het geval is, in weerwil van het standpunt van de tegenpartij, het duidelijk wel degelijk gaat om een geval van valsheid in openbare geschriften; Dat het feit dat de beslissing van administrateur-generaal gebaseerd is op de feitelijke vaststellingen van de verbalisanten echter niet is bewezen en niets verandert aan het feit dat de brief van 11 december 2017 het voorwerp uitmaakt van valsheid‖. 5.4.1.3.
  80. Aan het derde middelonderdeel voegt de verzoekende partij niets toe in de memorie van wederantwoord. V.4.B. BEOORDELING 5.4.2.1.
  81. Wat het eerste middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek eerste middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: ―Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling. Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‗op het gebruik der talen in gerechtszaken‘ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld. Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde XII-8663-16/48 kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt. Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland). [...] Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen. De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting. De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar [...] een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden 14 zijn.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.4.2.1.
  82. Het gaat te dezen immers evenzeer om een relatief eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat. De verzoekende partij maakt in de huidige zaak evenmin geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde 14 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8663-17/48 feiten, die ook te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt ook te dezen uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft kunnen nemen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Aldus is te dezen evenmin aangetoond dat de verzoekende partij in concreto zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een vertaling van het volledige dossier en een tolk op de hoorzitting. De verzoekende partij blijkt overigens, zoals de Raad van State al in het verleden heeft vastgesteld, een in Roemenië ondergebrachte dochtervennootschap van de Belgisch-Luxemburgse Jost Groep te zijn die de facto vanuit België wordt 15 bestuurd , zodat er geen enkele reden voorhanden is om te veronderstellen dat de verzoekende partij behoefte zou hebben aan een tolk Roemeens of aan de aanwezigheid van een tolk Nederlands-Roemeens op de hoorzitting. Voorts blijkt het middel feitelijke grond te missen waar er wordt aangevoerd dat er twee vertegenwoordigers van de verzoekende partij in persoon aanwezig zouden zijn geweest op de hoorzitting. Naast de raadsman van de verzoekende partij blijkt op die hoorzitting enkel een persoon genaamd Stefan Gheorge Moraru aanwezig te zijn geweest. Uit niets blijkt echter wat diens hoedanigheid was. Uit geen enkel voorgelegd stuk blijkt dat hij een vertegenwoordiger zou zijn van de verzoekende partij. Op het verslag van de hoorzitting wordt er daarentegen vermeld dat deze persoon ―werknemer [is] van Jost & Cie‖. 5.4.2.1.
  83. Waar de verzoekende partij in het eerste middelonderdeel in het verzoekschrift nog diverse rechtsnormen inroept, kan het volgende worden opgemerkt. Artikel 320 van het Wetboek van Strafvordering betreft de specifieke rechtspleging voor het Hof van Assisen. Er blijkt niet dat de verzoekende partij te dezen voor dat Hof berecht is geworden. Artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 ‗op het gebruik der talen in gerechtszaken‘, is reeds op het eerste gezicht niet van toepassing op de bestuurlijke 15 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, Skiptrans e.a. waarin de Raad van State als volgt oordeelde: ―Voor zover de eerste verzoekende partij hier nog stelt dat de door haar op de hoorzitting afgevaardigde persoon geen Nederlands verstond, en bijgevolg nood zou hebben gehad aan de bijstand van een tolk op de hoorzitting, stelt de Raad nog vast dat zij deel uitmaakt van de Jost Group, een grootschalige transportonderneming die ook in het Vlaamse gewest aanzienlijke commerciële activiteiten ontwikkelt en aldus mag worden geacht het Nederlands te beheersen of minstens te beschikken over medewerkers die het Nederlands beheersen.‖ XII-8663-18/48 procedure gevoerd voor de verwerende partij op grond van het decreet bijzonder wegtransport. Deze bepaling betreft immer het gebruik der talen bij het vooronderzoek en het onderzoek in strafzaken, alsmede voor de strafgerechten in eerste aanleg en voor het Hof van Assisen. De verwijzing naar de richtlijn 2010/64/EU is evenmin dienstig. De verzoekende partij laat immers geheel na om een specifieke bepaling uit die richtlijn aan te voeren. Nog minder zet zij uiteen waarom er volgens haar te dezen zou zijn voldaan aan de stringente voorwaarden opdat de bepalingen van een richtlijn directe werking zouden hebben. Bovendien blijkt deze richtlijn enkel betrekking te hebben op het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en aldus te dezen niet van toepassing te zijn, nu het om een bestuurlijke procedure gaat. Dat een administratieve sanctieprocedure met andere waarborgen is omkleed dan een strafrechtelijke procedure maakt, anders dan de verzoekende partij uitentreuren doet gelden doorheen het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, op zich geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. Dat werd door het Grondwettelijk Hof overigens uitdrukkelijk bevestigd in het kader van een beroep tot 16 nietigverklaring van het oude Aslastendecreet van 19 december
  84. Voorts kan er worden opgemerkt dat een persoon wiens inbreuk wordt afgehandeld door een bestuur zich in de bestuurlijke procedure in een fundamenteel andere positie bevindt dan een persoon wiens inbreuk door het openbaar ministerie wordt vervolgd voor de strafrechter. Beide situaties zijn reeds op het eerste gezicht niet zonder meer met elkaar in vergelijking te brengen. Voorts kan er in dit verband op worden gewezen dat de Raad van State al in talrijke arresten heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‗volle rechtsmacht‘, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat (zie recent bv. EHRM 6 november 2018, 55391/13, 57728/13 en 17 74041/13, Ramos Nunes De Carvalho ). Zoals de Raad van State steeds opnieuw dient te onderlijnen voldoet hij als rechtscollege aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2 en Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). 16 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  85. 17 In dit arrest bevestigde het EHRM ondubbelzinnig zijn gevestigde rechtspraak als volgt in § 132: ―[T]he Court reiterates its settled case-law according to which, even where an administrative body determining disputes over ‗civil rights and obligations‘ does not comply with Article 6 § 1 in some respect, no violation of the Convention can be found if the proceedings before that body are ‗subject to subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction and does provide the guarantees of Article 6 § 1‘ […] that is, if any structural or procedural shortcomings identified in the proceedings before an administrative authority are remedied in the course of the subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction‖. XII-8663-19/48 5.4.2.1.
  86. Dat de verzoekende partij niet op voet van gelijkheid staat tegenover het Vlaams Gewest, zoals zij opwerpt, lijkt inherent aan de verhouding tussen burger en bestuur. Het is net die fundamentele ongelijkheid die de wetgever ertoe heeft gebracht te voorzien in rechtsbescherming ten aanzien van het bestuur door een bijzondere bestuursrechter, te dezen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het louter in herinnering brengen van het machtsverschil tussen burger en bestuur kan in elk geval niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 5.4.2.1.
  87. Er werd reeds opgemerkt dat de verzoekende partij ten onrechte veronderstelt dat een persoon wiens inbreuk door het bestuur wordt afgehandeld in een bestuurlijke procedure identiek dezelfde waarborgen zou moeten genieten als degenen 18 die gelden in een strafrechtelijke procedure voor de strafrechter. De voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof berust in haar geheel op deze onterechte veronderstelling. Er is dan ook geen grond tot het stellen van die vraag. Wat betreft de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient er te worden vastgesteld:

(1)dat richtlijn 2010/64/EU enkel betrekking heeft op procedures voor de strafrechter; en
(2)dat deze richtlijn zelf reeds het antwoord op de voorgestelde vraag blijkt te bevatten. In artikel 1, lid 3, wordt immers verduidelijkt dat, ―[a]ls de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt opgelegd door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij deze rechtbank kan worden ingesteld, […] deze richtlijn alleen van toepassing [is] op de procedure voor deze rechtbank‖. Aldus blijkt de richtlijn zelf reeds uitdrukkelijk te bepalen dat zij niet van toepassing is op een administratieve procedure die een gerechtelijke procedure voorafgaat. De consideransen van de richtlijn vermelden zelfs expliciet: ―
(16)In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties met betrekking tot relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Als de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie worden opgelegd door een dergelijke autoriteit, en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij een in strafzaken bevoegde rechtbank kan worden ingesteld, moet deze richtlijn derhalve alleen van toepassing zijn op de procedure die bij deze rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dit beroep.‖ Net zoals het geval is bij artikel 6 EVRM blijken de waarborgen waarin de richtlijn 2010/64/EU voorziet dus enkel van toepassing op de procedure voor de rechter en niet reeds in de administratieve procedure. Dit vloeit zonder meer uit de 18 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  1. XII-8663-20/48 richtlijn zelf voort. Er is, gelet op de acte clair-leer dus geen grond om het Hof van Justitie van de Europese Unie op dit punt te bevragen. 5.4.2.1.
  2. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.4.2.2.
  3. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek tweede middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: ―Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‗verhoor‘. In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‗tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis‘, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
  4. B.5.5). De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagen- bestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig 19 mag verder zetten.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Uit wat ondertussen gerust rotsvaste rechtspraak van de Raad van State mag worden beschouwd, overigens uitdrukkelijk en ondubbelzinnig bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Iwan Wertz), volgt dat de bijstand van een advocaat bij het vaststellen van een overladingsinbreuk -een eenvoudige wegcontrole waarbij het 19 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8663-21/48 voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken- in beginsel niet vereist is. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zulks te dezen wel het geval had moeten zijn. 5.4.2.2.
  5. Ook te dezen gaat het om een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig verder zetten. Er blijkt niet dat het daarbij inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten in het kader van een dergelijke eenvoudige controle, dat dan zijn neerslag vindt in het invullen van het modelformulier proces-verbaal, dient te worden aangemerkt als een verhoor in de specifieke strafrechtelijke betekenis van dat begrip. Het standpunt van de verzoekende partij bijtreden zou inhouden dat elke identiteitscontrole door de politionele overheden voortaan enkel in het bijzijn van een advocaat zou mogen verlopen. Er blijkt niet dat zulk absurd gevolg het einddoel zou zijn van de Salduz-rechtspraak waar de verzoekende partij zich op beroept. Overigens berust het middel op een onjuist feitelijk uitgangspunt waar er wordt aangevoerd dat ―de vervolgingen‖ zouden steunen op het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering wordt immers objectief vastgesteld met een weging van de assen van het voertuig met een asweger en niet op grond van een verhoor in de welomschreven strafrechtelijke zin van dat begrip. Waar de verzoekende partij verwijst naar de begeleidende brief van 11 december 2017 bij het proces-verbaal van 6 december 2017 kan het volgende worden opgemerkt. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld ―verhoord - nee‖ aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het voornoemd inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten en het noteren daarvan in het aanvankelijk proces-verbaal, wat, zoals reeds opgemerkt, reeds prima facie niet onder de strafrechtelijke definitie van het begrip verhoor valt. Minstens blijkt niet, zoals reeds opgemerkt, dat het vaststellen van de identiteit van een vrachtwagenbestuurder en die van diens werkgever op zich reeds de bijstand van een advocaat zou vereisen. De loutere bewering van de verzoekende partij dat zij een klacht met burgerlijke partijstelling heeft ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken, wordt niet gestaafd. Het bij het verzoekschrift gevoegde XII-8663-22/48 proces-verbaal van burgerlijke partijstelling blijkt betrekking te hebben op een niet nader omschreven klacht die werd ingediend door andere vennootschappen, maar niet door de verzoekende partij. Er blijkt bovendien niet dat deze klacht met burgerlijke partijstelling betrekking heeft op voorliggend dossier. Daarnaast blijkt dat proces-verbaal gedateerd op 21 juni 2018, zodat er niet wordt ingezien hoe deze gericht kan zijn tegen de thans bestreden beslissing, die immers pas op 18 oktober 2018 werd genomen. 5.4.2.2.
  6. Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.4.2.
  7. Het derde middelonderdeel betreft in de eerste plaats wezenlijk een herhaling van grieven die reeds werden aangevoerd onder het eerste middel. De verwerping van dat middel werd reeds voorgesteld. Er zijn geen redenen om deze kritiek, verkleed als een schending van artikel 6 EVRM, nu wel te aanvaarden. Ook het derde middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.4.2.
  8. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  9. VIJFDE MIDDEL V.5.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.5.1.
  10. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een vijfde middel ―valsheid en gebruik van valsheid in geschriften in hoofde van Mevrouw Van Empten en van Mijnheer Knippenberg‖ aan. De begeleidende brief van 11 december 2017 bij het proces-verbaal van 6 december 2017 verwijst naar verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partij heeft gevraagd om deze verklaring voor te leggen. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat zij niet is gebaseerd op verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partij betoogt: ―Dat door gewag te maken van een verklaring die niet zou zijn afgelegd , Mevrouw Vanempten zich duidelijk schuldig maakt aan valsheid in openbare geschriften door onderhavige vervolgingen hierop te stoelen. De vennootschap Skiptrans heeft bovendien haar raadsman gemachtigd om bij de onderzoeksrechter klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen tegen Mijnheer Knippenberg en een andere ambtenaar voor valsheid en gebruik van valsheid in geschriften; Dat de bestreden beslissing in deze omstandigheden uiteraard nietig dient te worden verklaard aangezien deze beslissing oorspronkelijk gebaseerd is op valsheid in openbare geschriften in hoofde van een ambtenaar. Dat als er hier twijfel over zou blijven bestaan , de uitspraak uitgesteld zou dienen te worden in afwachting van de beslissing van de onderzoeksgerechten overeenkomstig artikel 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering dat stelt dat ‗een strafzaak een burgerlijke zaak opschort‘.‖ XII-8663-23/48 5.5.1.
  11. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.5.1.
  12. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. V.5.B. BEOORDELING 5.5.2.
  13. Zoals reeds opgemerkt bij het onderzoek van het vorige middel hebben de ingewonnen identiteitsinlichtingen inzake de vrachtwagenbestuurder en zijn werkgever hun neerslag gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal. Dat de begeleidende brief bij dit proces-verbaal verwijst naar ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder, blijkt kennelijk louter een verwijzing te betreffen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Voorts blijkt ook dit middel te berusten op het onjuist feitelijk uitgangspunt dat ―de vervolgingen‖ zouden steunen op een verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering werd, zoals reeds opgemerkt, immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op basis van een verhoor in de strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 5.5.2.
  14. Voorts kan er, zoals ook reeds bij het onderzoek van het vorige middel werd opgemerkt, op worden gewezen dat de bewering dat er door de verzoekende partij klacht met burgerlijke partijstelling werd ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken, niet wordt gestaafd. Het bij het verzoekschrift gevoegde proces-verbaal van burgerlijke partijstelling blijkt betrekking te hebben op een niet nader omschreven klacht die werd ingediend door andere vennootschappen, maar niet door de verzoekende partij. Er blijkt bovendien niet dat deze klacht met burgerlijke partijstelling betrekking heeft op voorliggend dossier. 5.5.2.
  15. Artikel 4, eerste lid, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering luidt: ―De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld, in zoverre er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter en onverminderd de uitzonderingen uitdrukkelijk bepaald door de wet.‖ XII-8663-24/48 Deze bepaling is niet van toepassing op de administratieve beroepsprocedures zoals degene die te dezen voor de verwerende partij werd 20 gevoerd. In die mate mist het middel juridische grond. In zoverre het middel ertoe zou strekken dat de Raad van State deze bepaling zou moeten toepassen, dient er te worden opgemerkt dat, indien deze wetsbepaling al van toepassing zou zijn op de rechtspleging voor de Raad van State - wat niet evident lijkt, nu zij ―[d]e burgerlijke rechtsvordering‖ betreft- er niet blijkt dat er in voorliggend dossier een strafvordering werd ingesteld. In die mate mist het middel feitelijke grond. 5.5.2.
  16. Het middel dient te worden verworpen. V.
  17. ZESDE MIDDEL V.6.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.6.1.
  18. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een zesde middel machtsafwending aan. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruikmaken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM, had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partij enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending. Daarnaast is er sprake van machtsafwending omdat de verwerende partij weigert de stukken van het dossier te vertalen, de aanwezigheid van een tolk op de zitting en zich baseert op een brief die het voorwerp uitmaakt van valsheid in geschrifte. Het doel bestaat erin het Nederlands voor procedurele doeleinden te gebruiken en achteraf de taal van de overtreder om het bedrag van de boetes te kunnen innen. De aangehaalde bezwaren hebben tot doel om de taak van de verwerende partij te vergemakkelijken om zo de de verzoekende partij te verhinderen om op een rechtsgeldige manier de boetes te betwisten. 20 In die zin: RvS 27 september 2001, nr. 99.205, XXX. In gelijkaardige zin: RvS 23 februari 2005, nr. 141.071, XXX. XII-8663-25/48 5.6.1.
  19. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.6.1.
  20. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. V.6.B. BEOORDELING 5.6.2.
  21. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de ‗diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt‘, als volgt: ‗§
  22. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken: 1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal; 2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal. §
  23. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen. Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits. §
  24. [...].‘ Aangezien de verzoekende partijen niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd zijn dan wel wonen, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken. In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partijen doen gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij hebben […] zowel in hun conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zouden zijn geweest door de verwerende partij. [...] Het door de verzoekende partijen ingeroepen artikel 39 GWHI luidt: ‗Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen. De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.‘ Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt op zijn beurt: XII-8663-26/48 ‗De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.‘ Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied. Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt. [...] Waar de verzoekende partijen in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijten dienen zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Een dergelijke verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft 21 gesteld, toont dit alleszins niet aan. [...] Het derde middel wordt verworpen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.6.2.
  25. Het middel dient te worden verworpen. V.
  26. ZEVENDE MIDDEL V.7.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.7.1.
  27. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een zevende middel aan dat ‗het strafdossier‘ haar niet volledig werd bezorgd. Zij heeft geen kennis kunnen nemen van de verklaring van de vrachtwagenbestuurder. Zij betoogt: ―Dat het in de brief van 11 december 2017 nochtans vaststaat dat de verklaringen werden gedaan door Mijnheer Catalin-Gabriel Mateescu aangezien het Vlaams Gewest in een brief die getekend werd door Mevrouw Vanempten en die het tegendeel beweert in haar procedurestukken , stelt dat er uit de uitleg van Mijnheer Mateescu voortvloeit dat hij op het ogenblik van de feiten reed voor rekening van de vennootschap Skiptrans; Dat Mevrouw Vanempten derhalve duidelijk het bestaan van verklaringen van Mijnheer Catalin-Gabriel Mateescu erkent terwijl deze helemaal niet worden overgelegd; Dat indien deze verklaringen niet zouden bestaan , ervan uit zou dienen te worden gegaan dat de brief van 11 december 2017 het voorwerp uitmaakt van valsheid in openbare geschriften in hoofde van Mevrouw Vanempten‖. 5.7.1.
  28. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 21 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8663-27/48 5.7.1.
  29. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. V.7.B. BEOORDELING 5.7.2.
  30. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materiële vaststellingen verricht door middel van een asweger, waarbij het verhoor van de vrachtwagenbestuurder of het door hem laten invullen van een vragenlijst geenszins noodzakelijk is. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf neemt het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (nr. 515, A.R. P01.1149.N) aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen ‗grond van rechtvaardiging‘ of ‗schulduitsluitingsgrond‘ aannemelijk maakt. Nu er dient te worden aangenomen dat er überhaupt geen vragenlijst werd overhandigd aan en ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd. 22 [...] Het vierde middel wordt verworpen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.7.2.
  31. Voor het overige kan er worden opgemerkt, wat betreft de begeleidende brief van 11 december 2017 bij het proces-verbaal van 6 december 2017, dat hieruit niet blijkt dat de vrachtwagenbestuurder werd verhoord in de specifieke strafrechtelijke zin van dat begrip. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een strafrechtelijk verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld ―verhoord - nee‖ aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Deze identiteitsinlichtingen blijken hun neerslag te hebben gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal nu daarin de identiteit van zowel de vrachtwagenbestuurder als zijn werkgever wordt vermeld. Dit aanvankelijk proces-verbaal werd aan de verzoekende partij bezorgd van bij aanvang van de bestuurlijke procedure. In die mate mist het middel feitelijke grond. 22 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8663-28/48 Voorts blijkt ook dit middel te berusten op het onjuist feitelijk uitgangspunt dat ―de vervolgingen‖ zouden steunen op een verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering werd, zoals reeds opgemerkt, immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op basis van een verhoor in de strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 5.7.2.
  32. Het middel dient te worden verworpen. V.
  33. ACHTSTE MIDDEL V.8.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.8.1.
  34. De verzoekende partij voert in een achtste middel de schending aan van ―de beginselen van goed bestuur en fair play‖. Krachtens het beginsel van fair play moet het bestuur blijk geven van elementaire eerlijkheid in zijn relaties met de burger, zo doet de verzoekende partij gelden. Zij betoogt: ―Dat er in casu vastgesteld dient te worden dat de tegenpartij de inlichtingen slechts mondjesmaat en na het einde van de eerste procedure voor de inspecteur-controleur verschaft heeft, waardoor zij duidelijk de mogelijkheid ontneemt aan de eiser om een eerste beroep in te stellen voor deze overheid aangezien de eiser niet over alle noodzakelijke stukken beschikt; Dat deze houding duidelijk strijdig is met de meest elementaire fair play ; Dat het eveneens vaststaat dat de verzoeken om vertaling en om bijstand van een tolk die werden gedaan door de concluant die stelselmatig met een grond van niet ontvankelijkheid geconfronteerd werd, eveneens een gebrek aan fair play aantonen in hoofde van het bestuurslichaam aangezien deze laatste de mogelijkheid ontneemt aan de eisers om op gelijke voet te staan met haar terwijl ze, eenmaal de beslissing gewezen is, niet aarzelt om de betaling van de boetes in de taal van de overtreder te vorderen; Dat het veelzeggend is om te moeten vaststellen, dat eisende partij, in een ander dossier, conclusies in het Roemeens voor het Vlaams Gewest heeft ingediend en dat deze conclusies verworpen werden door de ambtenaar die ermee belast was dit beroep te bestuderen om de eenvoudige reden dat het Vlaams Gewest het Roemeens niet machtig is […]; Dat hier derhalve uit voortvloeit dat het bestuurslichaam stelt er niet toe gehouden te zijn om een andere Europese taal dan het Nederlands te kennen maar alle vreemdelingen wel de verplichting oplegt om deze taal te kennen, hetgeen duidelijk een schrijnend gebrek aan fair play uitmaakt‖. 5.8.1.
  35. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.8.1.
  36. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. XII-8663-29/48 V.8.B. BEOORDELING 5.8.2.
  37. Het middel betreft in de eerste plaats een herneming van kritieken - vertaling, tolk, taalgebruik in bestuurszaken- die de verzoekende partij ook reeds onder haar andere middelen doet gelden. Er kan worden verwezen naar het onderzoek en de voorgestelde verwerping van die kritieken. 5.8.2.
  38. Waar de verzoekende partij gewag maakt van niet tijdig verschaffen van inlichtingen, dient te worden opgemerkt dat zij niet concretiseert om welke inlichtingen het gaat. Aan de verzoekende partij werd alleszins reeds van bij het begin van de administratieve procedure het aanvankelijk proces-verbaal bezorgd, welk stuk op zich alle nodige gegevens blijkt te bevatten opdat de verzoekende partij zich met kennis van zaken zou kunnen verweren, minstens om een begin van verweer te voeren. 5.8.2.
  39. Voorts kan de loutere toepassing van de wetgeving op het taalgebruik in bestuurszaken die de verzoekende partij in dit middel aan de verwerende partij verwijt, niet als een gebrek aan fair play worden aangemerkt. Voor het overige, in zoverre fair play als een beginsel van behoorlijk bestuur zou dienen te worden beschouwd, kan er worden opgemerkt dat beginselen van behoorlijk bestuur niet prevaleren op duidelijke wetsbepalingen. Voor het overige dient er te worden opgemerkt dat een kritiek gesteund op een handelwijze van de overheid in een procedure die niet aan de basis lag van de thans bestreden beslissing, op zich niet tot de vaststelling van de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden. 5.8.2.
  40. Het middel dient te worden verworpen. V.
  41. NEGENDE MIDDEL V.9.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.9.1.
  42. De verzoekende partij voert in een negende middel de schending aan van ―het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten‖. Zij betoogt het volgende: ―
  43. Overwegende dat de tegenpartij duidelijk niet het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten naleeft daar ze in de bestreden beslissing het volgende schrijft: ― De term "verklaring" dient in deze zin te worden gelezen als een uitspraak die werd gedaan door de chauffeur . De identificatie van de betrokkenen valt bovendien niet onder de noemer "verhoor" "; Dat er immers niet betwist kan worden dat indien de wegeninspecteur-controleur in zijn brief van 4 mei 2017 het over een "uitspraak‖ wilde hebben, hij zeker niet nagelaten zou hebben om dit te doen in plaats van gebruik te maken van de term ―verklaringen"; Dat a posteriori en nadat de eiser de aandacht van de tegenpartij gevestigd heeft op het feit dat er geen ―verklaringen‖ bij het strafdossier gevoegd waren, de zin volgens dewelke het eigenlijk niet gaat om ―verklaringen‖ maar om een uitspraak‖ een duidelijke schending uitmaakt van het gezag van gerechtelijke akten en meer bepaald van de brief van 4 mei 2017; XII-8663-30/48
  44. Overwegende dat de eiser bovendien in zijn conclusies een aantal opmerkingen had geformuleerd met betrekking tot de goede werking van de weegschaal en inzonderheid met betrekking tot het feit dat deze weegschaal voorzien was voor een maximumgewicht tot twintig ton en dat hij verwonderd was dat deze weegschaal gebruikt kon worden voor een voertuig van vierenveertig ton; Dat er in het kader van de bestreden beslissing een antwoord geformuleerd wordt op deze argumentatie door te stellen dat het maximum gewicht van twintig ton waarnaar verwezen wordt betrekking had op een maximum gewicht aan de wielas en niet het totale maximum gewicht van het voertuig; Dat er opnieuw vastgesteld dient te worden dat deze bewering opnieuw niet gestaafd wordt door welk element dan ook uit het dossier daar de tegenpartij geen enkel document bijvoegt die het mogelijk maakt om na te gaan of deze beweringen kloppen; Dat er echter uit het dossier dat opgesteld werd door de verbalisanten voortvloeit dat deze laatsten genoegen nemen met het volgende te stellen : ―maximum gewicht 20.000 kg - minimum gewicht 500 kg‖ en hierbij helemaal niets vermelden met betrekking tot een beperking van het gewicht aan de wielas; Dat door deze verduidelijking toe te voegen in de beslissing, de tegenpartij het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten en van de verklaringen van haar eigen agenten schendt‖. 5.9.1.
  45. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.9.1.
  46. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog het volgende toe aan dit middel: ―Overwegende dat er voor zover als nodig aan het volgende herinnerd dient te worden: "Het gezag van gerechtelijke akten wordt geschonden wanneer men aan welk geschreven stuk dan ook - een proces-verbaal van verhoor, conclusies van partijen, een expertiseverslag - een betekenis en een draagwijdte geeft die een verloochening is van wat de auteurs hebben willen zeggen in hun geschreven stuk." (la Présentation des Moyens de Cassation, Jean de CODT en Pierre MONVILLE, mei 2015 pagina 56); ―Het gezag van gerechtelijke akten schenden betekent dus dat men deze akte iets anders laat zeggen dan wat erin staan. Kortom, men laat deze akte liegen. (F. DUMON de la Motivation des Jugements et Arrêts et de la Foi Due aux Actes, toespraak gebracht op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 1978, JT 1978, pagina 470 nr. 14); Dat dit beginsel voortvloeit uit artikelen 1319 t/m 1322 van het Gerechtelijk Wetboek; Dat er in casu duidelijk sprake is van een schending van het beginsel van het gezag van de gerechtelijke akten daar er in het kader van de bestreden beslissingen helemaal geen rekening wordt gehouden met de brief van 14 augustus 2017 [(sic)] waarin er inzake verklaringen van de chauffeur op de meest duidelijke manier gesteld wordt dat er helemaal geen verklaringen werden afgelegd‖. XII-8663-31/48 V.9.B. BEOORDELING 5.9.2.
  47. In zoverre het middel steunt op een schending van ―het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten‖, dient er te worden opgemerkt dat er niet blijkt dat dit beginsel, dat de verzoekende partij afleidt uit de artikelen 1319 tot en met 1322 van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing zou zijn op de bestuurlijke procedure gevoerd voor de verwerende partij. Artikel 1 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: ―Dit wetboek regelt de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging.‖ Er blijkt niet dat het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams Gewest behoort tot de hoven en rechtbanken waarop dat wetboek van toepassing is. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. Het middel wordt hierna opgevat als betreffend een schending van de materiële motiveringsplicht. 5.9.2.
  48. Een eerste kritiek steunt op de reeds meermaals aangehaalde begeleidende brief van 11 december 2017 bij het proces-verbaal van 6 december
  49. In dit verband kan opnieuw worden opgemerkt dat hieruit niet blijkt dat de vrachtwagenbestuurder werd verhoord in de specifieke strafrechtelijke zin van dat begrip. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een strafrechtelijk verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld ―verhoord - nee‖ aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Deze identiteitsinlichtingen blijken hun neerslag te hebben gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal, aangezien daarin de identiteit van zowel de vrachtwagenbestuurder als zijn werkgever wordt vermeld. Dit aanvankelijk proces-verbaal werd aan de verzoekende partij bezorgd van bij aanvang van de bestuurlijke procedure. De eerste kritiek mist aldus feitelijke grond. 5.9.2.
  50. Een tweede kritiek betreft de asweger. In het aanvankelijk proces verbaal wordt vermeld dat voor het vaststellen van de inbreuk een weegbrug type XII-8663-32/48 Supaweigh II met serienummer 5520 werd gebruikt, dat deze metingen uitvoert met een minimumgewicht van 500 kg en een maximumgewicht van 20.000 kg. De verzoekende partij wijst erop dat het voertuig een totaalgewicht had van 44.000 kg. Volgens haar wordt er geen enkel stuk voorgelegd waaruit blijkt dat het maximumgewicht van twintig ton waarnaar verwezen wordt betrekking had op een maximumgewicht aan de wielas en niet het totale maximumgewicht van het voertuig. Bij het administratief dossier is evenwel het verslag van metrologische controle gevoegd dat betrekking heeft op de desbetreffende weegbrug. Hieruit blijkt dat het wel degelijk om een asweger gaat en dat het opgegeven maximumgewicht dan ook per wielas geldt en niet het totale gewicht van het voertuig betreft. Overigens blijkt de kritiek feitelijke grond te missen. Uit de weegbon bij het aanvankelijk proces-verbaal blijkt immers dat geen enkele individuele meting op de individuele assen van de trekker en de oplegger het maximumgewicht van 20.000 kg blijkt te hebben overschreden. Ook de tweede kritiek blijkt aldus feitelijke grond te missen. Overigens kan er worden opgemerkt dat, anders dan de verzoekende partij doet gelden, in haar conclusie in administratief beroep niets wordt vermeld over het punt inzake het totaalgewicht. Aldus blijkt de tweede kritiek ook op dit punt feitelijke grondslag te missen. 5.9.2.
  51. Het middel dient te worden verworpen. V.
  52. TIENDE MIDDEL V.10.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.10.1.
  53. De verzoekende partij voert in een tiende middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. De verzoekende partij wijst er op dat het verslag van metrologische controle werd ondertekend door de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer. De bestreden beslissing werd ook door hem ondertekend, zonder dat hij het debat heeft bijgewoond. Hij is dus zowel rechter als partij aangezien hij de beslissing in laatste aanleg uitspreekt en hij zijn administratie een bewijs voor goede werking van de asweger bezorgt, wat absoluut in strijd is met de regels die voortvloeien uit het Gerechtelijk Wetboek. XII-8663-33/48 Dit is onaanvaardbaar aangezien het resultaat dat weergegeven wordt door de weegschaal de mogelijkheid biedt om vervolgingen in te stellen, zodanig dat de verzoekende partij het recht heeft om te eisen dat de testen met alle nodige objectiviteits- en onpartijdigheids–waarborgen worden uitgevoerd. De verwerende partij heeft een verzoek tot deskundig onderzoek geweigerd. 5.10.1.
  54. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.10.1.
  55. In haar memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij gelden dat het feit dat het Gewest bevoegd is om meetinstrumenten te keuren, niet inhoudt dat zij zichzelf een blanco volmacht mag toekennen. Zij dient een onafhankelijke instelling op te dragen haar toestellen te keuren. V.10.B. BEOORDELING 5.10.2.
  56. In zoverre ook dit middel berust op de veronderstelling dat de verwerende partij bij het volgend van de administratieve procedure gehouden is door de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, wordt er verwezen naar wat reeds bij eerdere middelen werd opgemerkt. Artikel 1 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: ―Dit wetboek regelt de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging.‖ Er blijkt niet dat het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams Gewest behoort tot de hoven en rechtbanken waarop dat wetboek van toepassing is. 5.10.2.
  57. Waar de verzoekende partij in dit middel doet gelden dat de bestreden beslissing werd ondertekend door de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer, zonder dat hij aanwezig was op de hoorzitting, wordt er verwezen naar het onderzoek en verwerping van diezelfde grief onder een eerder middel. Er is geen reden om deze grief onder dit middel wel te aanvaarden. 5.10.2.
  58. Voorts dient er te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige middel als volgt heeft verworpen: ―De omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook […] de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, [behoort] en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en kan dienvolgens niet dienstig XII-8663-34/48 worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te 23 betwisten.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.10.2.
  59. Voorts kan worden opgemerkt dat noch het decreet bijzonder wegtransport, noch het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‗betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘ de verwerende partij opleggen om de door haar gebruikte aswegers door een derde te laten testen. De verzoekende partij maakt niet afdoende aannemelijk dat de metrologische controle door de cel metrologie van de sectie verkeershandhavingssystemen van de afdeling elektromechanica en telematica, het behoorlijk functioneren van de asweger niet afdoende zou waarborgen. 5.10.2.
  60. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  61. ELFDE MIDDEL V.11.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.11.1.
  62. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het elfde middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. Zij acht dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 1.400 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‗betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen‘ met een geldboete tussen ―10 BEF en 10.000 BEF‖ worden bestraft. Zij verwijst naar twee vonnissen van de politierechtbank, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partij heeft in haar conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen dan wel het bedrag van de boete te verlagen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan. De verzoekende partij doet gelden dat het proportionaliteitsbeginsel ontegensprekelijk deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht die toegepast 23 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8663-35/48 worden door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om na te gaan of het proportionaliteitsbeginsel geëerbiedigd is, moet er in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die aangewend werden om het doel te bereiken stroken met het belang van dit doel en in de tweede plaats of deze middelen noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. De verzoekende partij stelt voor om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Dat de eiser uw Hoog Rechtscollege derhalve verzoekt om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of de sancties waarin voorzien wordt door het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt, het proportionaliteitsbeginsel, gelezen in combinatie met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden?‖ 5.11.1.
  63. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.11.1.
  64. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schenden de sancties waarin voorzien wordt in het decreet van 3 mei 2013 en de manier waarop deze worden toegepast door de tegenpartij niet het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet in samenhang gelezen met artikelen 10 en 11 van de grondwet daar de rechtbanken van de rechterlijke macht waarbij een identiek probleem aanhangig wordt gemaakt, in het geval dat het Parket de vervolgingen niet seponeert, sancties uitspreekt die veel lager liggen dan de sancties die worden uitgesproken door de tegenpartij wanneer het Parket het dossier seponeert, hetgeen met zich meebrengt dat de rechtsonderhorigen anders behandeld en veroordeeld worden al naar gelang de beslissing die door het Parket genomen wordt.‖ V.11.B. BEOORDELING 5.11.2.
  65. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden reeds meermaals verworpen, zie o.m. RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, Skiptrans e.a. Die laatste zaak betreft overigens dezelfde verzoekende partij als in huidige zaak. Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Deze beoordeling zal hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak. 5.11.2.
  66. Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum XII-8663-36/48 geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. De overlading bedroeg te dezen op de tweede as van de trekker 1.197 kg. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 1.000 kg tot minder dan 1.500 kg vast op 175 euro. Verhoogd met de op de voorliggende inbreuk van toepassing zijnde opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 1.400 euro. Aldus blijkt de verwerende partij wel degelijk de minimumgeldboete te hebben opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn. 5.11.2.
  67. Wat betreft de toepassing van verzachtende omstandigheden of het verlenen van uitstel oordeelde de Raad van State in voornoemde arresten als volgt: ―Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij op bladzijde 13 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen. Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen ‗aannemelijke element[en]‘ hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het ‗tegendeel te bewijzen‘. [...] In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware ‗automatisch‘ uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partijen gaan er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat ‗de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen [...] restrictief [dienen] te XII-8663-37/48 worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.‘ Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt: ‗het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.‘ Het gaat dus niet louter om het ‗laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur‘ zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze te dezen vervuld zouden zijn. In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Er blijkt in de huidige zaak evenmin dat de verwerende partij verzachtende omstandigheden in aanmerking had moeten nemen of uitstel had moeten verlenen. 5.11.2.
  68. Wat betreft de vraag in het verzoekschrift om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de proportionaliteit van de bedragen van de geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet, wordt de verzoekende partij erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om wetgevende handelingen te toetsen aan beginselen van behoorlijk bestuur zoals het in dit middel ingeroepen evenredigheidsbeginsel. Voor het overige kan de verzoekende partij erop worden gewezen dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 90/2018 van 5 juli 2018 reeds heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om de bedragen van (administratieve) 24 geldboetes voor overladingsinbreuken te toetsen aan het beginsel van evenredigheid. In zoverre de verzoekende partij het voorstel van prejudiciële vraag betrekt op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan er worden opgemerkt dat wie het Grondwettelijk Hof wil laten ondervragen omdat hij ten onrechte verschillend zou worden behandeld, voor de verwijzende rechter eerst het feitelijk bestaan van die ongelijke 24 Het arrest GwH 5 juli 2018, nr. 90/2018 betreft een beroep tot vernietiging van de nieuwe regeling van het Waalse Gewest inzake overladingsinbreuken. Dit beroep werd verworpen. XII-8663-38/48 behandeling moet staven, minstens minimaal aannemelijk moet maken. Te dezen blijft de verzoekende partij in gebreke om bij de adstructie van haar vraag een ongelijke behandeling te concretiseren en beperkt zij zich louter tot een proportionaliteitsvraag. Ten overvloede kan er worden opgemerkt dat de administratieve geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet reeds op het eerste gezicht in een redelijke verhouding staan tot de inbreuk die ermee wordt bestraft. Bovendien blijkt niet dat de decreetgever aan de beoordelingsbevoegdheid van de rechter of van de administratieve overheid al te enge grenzen heeft gesteld die het niet mogelijk maken rekening te houden met de relevante elementen van de zaak, noch dat hij één enkele sanctie heeft opgelegd die kennelijk onevenredig is ten opzichte van de 25 ernst van het gedrag dat hij wil bestraffen. Aldus blijkt er alvast in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen basis terug te vinden om eventueel ambtshalve op dit punt een prejudiciële vraag te construeren. 5.11.2.
  69. De in de memorie van wederantwoord voorgestelde prejudiciële vraag -inzake de vermeende lagere sancties door de rechtbanken dan door de verwerende partij- dient evenmin te worden gesteld. Het Grondwettelijk Hof is immers niet bevoegd om het bestuurlijk handhavingsbeleid van de verwerende partij te toetsen aan rechterlijke uitspraken gedaan in concrete casussen. Bovendien blijken de rechterlijke uitspraken die de verzoekende partij voorlegt niet te zijn geveld op basis van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport, zodat de veronderstelling aan de basis van de prejudiciële vraag in elk geval juridische grond blijkt te missen. 5.11.2.
  70. Het middel dient te worden verworpen. V.
  71. TWAALFDE MIDDEL V.12.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.12.1.
  72. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het twaalfde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is en ―het beginsel van het gezag van de handelingen‖ schendt. Volgens de verzoekende partij is de motivering van de bestreden beslissing strijdig met de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘. De motivering is niet toereikend om te begrijpen waarom er een sanctie werd opgelegd: a) de bestreden beslissing vermeldt niet de redenen waarom er geen tolk ter beschikking werd gesteld en ook niet waarom er geen vertaling van het strafdossier werd opgesteld; 25 In die zin: GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.
  73. XII-8663-39/48 b) de bestreden beslissing evenmin een antwoord formuleert op het argument dat voortvloeit uit de onbestaande vermeldingen op de wegingsbon; c) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op het argument inzake ―de brief van 24 april 2017‖; d) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op het argument dat voortvloeit uit het gebrek aan onpartijdigheid in hoofde van de ambtenaren van de verwerende partij; e) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op de argumentatie dat de vrachtwagen–bestuurder geen middelen had om het gewicht van de lading na te gaan, dat hij verantwoordelijk was voor de overlading en dat de schade aan het wegdek verondersteld was. 5.12.1.
  74. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.12.1.
  75. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. V.12.B. BEOORDELING 5.12.2.
  76. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een ―afdoende‖ wijze. 5.12.2.
  77. Het middel blijkt over de gehele lijn feitelijke grondslag te missen. De bestreden beslissing is immers uitvoerig formeel gemotiveerd overheen veertien bladzijden en de verwerende partij blijkt daarin bovendien uitdrukkelijk te antwoorden op elk van de middelen die de verzoekende partij had aangevoerd in haar conclusies in graad van beroep. De bestreden beslissing bevat wel degelijk motieven inzake het gebruik van talen door het bestuur en tijdens de hoorzittingen, de vermeldingen op de weegbon, het begeleidend schrijven bij het aanvankelijk proces-verbaal, de onpartijdigheid van de ambtenaren van de verwerende partij, de beweerde onmogelijkheid om het gewicht van de lading na te gaan, de verzachtende omstandigheden die de verzoekende partij had ingeroepen en het uitstel dat zij had gevraagd. Deze motieven volstaan. Er is geen grond om tot miskenning van de formele motiveringsplicht te besluiten. 5.12.2.
  78. Het middel dient te worden verworpen. XII-8663-40/48 V.
  79. DERTIENDE MIDDEL V.13.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.13.1.
  80. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het dertiende middel de schending aan van ―het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet‖. Volgens de verzoekende partij is het gelijkheidsbeginsel te dezen om de volgende redenen geschonden: a) in het geval dat het Parket beslist om het dossier niet te seponeren en om strafrechtelijke vervolgingen in te stellen, mag de overtreder gebruikmaken van de waarborgen waarin de artikelen 779 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek voorzien, die stellen dat het vonnis enkel gewezen kan worden door de rechters die alle terechtzittingen hebben bijgewoond gedurende dewelke de zaak behandeld werd; indien het Parket overgaat tot een seponering wordt deze waarborg niet toegekend aan de overtreders aangezien de beslissing ondertekend wordt door een ambtenaar die de debatten niet heeft bijgewoond; b) in tegenstelling tot een beklaagde die voor een gewone strafrechtbank gedagvaard wordt en die kan vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar de dichtstbij gelegen Franstalige rechtbank of gebruik kan maken van de diensten van een tolk, een beklaagde die voor een bestuursrechtscollege berecht wordt zowel in eerste aanleg als in graad van beroep niet over deze mogelijkheid beschikt; terwijl de beklaagde het recht heeft om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier, er vastgesteld dient te worden dat dit niet het geval is voor een uitzonderingsrechtbank zoals de verwerende partij; c) de verjaringstermijn is verschillend al naargelang de zaak geseponeerd wordt en men uitleg dient te verschaffen voor een bestuursrechtscollege of men doorverwezen wordt naar een gewone strafrechtbank; d) overtreders worden anders behandeld wat betreft de gegevens die worden vermeld op de weegbon en op het proces-verbaal al naargelang ze gecontroleerd worden door de diensten van de verwerende partij of door de diensten van het Waals Gewest dan wel de federale politie; e) de rechtbanken van de rechterlijke macht niet aarzelen om het element van twijfel toe te passen wanneer ze geconfronteerd worden met wegingsbonnen die even onnauwkeurig zijn als de documenten die overgelegd worden door de verwerende partij, terwijl een bestuursrechtscollege waarbij hetzelfde probleem en dezelfde stukken aanhangig worden gemaakt de mening is toegedaan dat er helemaal geen reden is om de vaststellingen van zijn eigen diensten in twijfel te trekken. Vervolgens vraagt de verzoekende partij om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: XII-8663-41/48 ―Schendt het Vlaams decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met het Waals decreet van 19 maart 2009 niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien de overtreders jegens wie het Parket besloten heeft om vervolgingen in te stellen aan een zelfde regeling van vervolgingen en sancties onderworpen worden en zich kunnen beroepen op identieke procedurele waarborgen voor de rechtbanken van de rechterlijke macht, zonder dat hierbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de delen van het Belgisch grondgebied waarop de overtreding werd begaan, terwijl de overtreders jegens wie het Parket besloten heeft om geen vervolgingen in te stellen onderworpen worden aan andere regelingen van vervolgingen en sancties, waardoor niet dezelfde procedurele waarborgen geboden kunnen worden al naargelang de overtreding begaan werd op het grondgebied van het Waals Gewest of van het Vlaams Gewest‖. 5.13.1.
  81. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.13.1.
  82. In haar memorie van wederantwoord dringt de verzoekende partij aan op het stellen van de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. V.13.B. BEOORDELING 5.13.2.
  83. Het middel zoals aangebracht in het verzoekschrift betreft een loutere herneming van diverse grieven die reeds in andere middelen zijn aangevoerd. In die mate kan naar de beoordeling en de voorgestelde verwerping van die grieven worden verwezen. Er zijn geen redenen voorhanden om die grieven, nu verkleed als een schending van het gelijkheidsbeginsel, wel te aanvaarden. 5.13.2.
  84. In de prejudiciële vraag wil de verzoekende partij in essentie het Grondwettelijk Hof bevraagd zien over de wettigheid van het bestaan van onderscheiden regelingen inzake de administratieve sanctionering van overladingsinbreuken in het Vlaams Gewest en het Waals Gewest, dan wel op het federale niveau indien de inbreuk strafrechtelijk wordt afgehandeld in plaats van administratief. Die principiële kwestie is evenwel reeds uitentreuren beslecht in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Het Hof oordeelt daarbij -sinds decennia- steevast dat een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de verschillende wetgevers van de federale deelentiteiten over eigen bevoegdheden beschikken, het gevolg is van een verschillend beleid dat voortvloeit uit hun autonomie en als zodanig 26 niet kan worden geacht strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Er zijn geen redenen voorhanden om het Grondwettelijk Hof opnieuw te bevragen over een dergelijke al sinds tientallen jaren uitgeklaarde kwestie. 26 Zie, als slechts enkele voorbeelden: GwH 23 oktober 2014, nr. 157/2014, B.6.2.; GwH 5 oktober 2011, nr. 149/2011, B.6.2.; GwH 26 april 2007, nr. 67/2007, B.4.; GwH 18 februari 1993, nr. 14/93, B.2.6.; GwH 18 november 1992, nr. 74/92, B.3.
  85. XII-8663-42/48 Er is aldus evenmin grond om de prejudiciële vraag te stellen. 5.13.2.
  86. Het middel dient te worden verworpen. V.
  87. VEERTIENDE MIDDEL V.14.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.14.1.
  88. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het veertiende middel de schending aan van de regels betreffende de bewijslast in strafzaken. Zij brengt dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.14.1.1.
  89. Eerste middelonderdeel. Uit niets in het dossier blijkt dat Catalin- Gabriel Mateescu ondergeschikt zou zijn aan de verzoekende partij. Het enige element dat wordt voorgelegd door de verwerende partij is een brief van 11 december 2017 waarbij geen enkele verklaring van de vrachtwagenbestuurder was gevoegd. Niets toont de hoedanigheid van burgerrechtelijke aansprakelijke partij van de verzoekende partij aan. 5.14.1.1.
  90. Tweede middelonderdeel. Het strafdossier in deze zaak is bijzonder pover en bevat geen verklaring van de vrachtwagenbestuurder zodat niet kan worden beweerd dat deze de inbreuk niet betwist. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder over middelen beschikte om het gewicht van de lading te kennen, noch dat deze op de hoogte was van de overlading. In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 5520 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. De agenten van het Waalse Gewest gaan op een andere manier te werk bij het vaststellen van overladingsovertredingen en vermelden op de weegbon de gegevens van het gebruikte weegtoestel. Hoewel op de weegbon het kenteken van een trekker en een aanhangwagen wordt vermeld, hebben de verbalisanten in hun proces-verbaal niet het kenteken genoteerd zodat uit de stukken niet blijkt dat de weegbon betrekking heeft op het voertuig dat toebehoorde aan de verzoekende partij. Voorts verwijzen zij naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd ―bevestigd‖ door het Hof van Cassatie, waar in een vergelijkbare situatie een beklaagde werd vrijgesproken. De verwerende partij heeft pas na de beslissing in administratief beroep een document van de metrologische dienst aan de verzoekende partij bezorgd. Uit het verslag van de metrologische dienst blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken. De test is bovendien anderhalf jaar oud. Dit document werd opgesteld door het Agentschap Wegen en Verkeer zelf en niet door een onafhankelijk orgaan met de nodige onpartijdigheidswaarborgen, zodat de verwerende partij opnieuw rechter en partij is. XII-8663-43/48 Vervolgens vraagt de verzoekende partij om een deskundige aan te stellen: ―Overwegende tenslotte en in uiterst ondergeschikte orde dat in het onwaarschijnlijke geval dat uw Hoog Rechtscollege twijfels zou hebben over de beweringen van de eiseres, er in dat geval over zou dienen te worden gedaan tot de aanstelling van een deskundige die als taak zou hebben om de bestreden weegschaal te onderzoeken, om te bepalen of deze weegschaal al dan niet correct werkte op het ogenblik dat de overtreding vastgesteld werd en om te bepalen in welke mate de minieme overlading die vastgesteld werd aan een wielas van het voertuig dat toebehoorde aan de eiseres al dan niet een invloed heeft gehad op het wegdek, zoals beweerd wordt door de tegenpartij; Dat dit deskundig onderzoek des te noodzakelijker is daar de verbalisanten op pagina 20 van het oorspronkelijk proces-verbaal stellen dat de weegschaal ontworpen is voor een maximum gewicht van 20 ton, maar desondanks dit feit slaagt men er toch in om een aanhangwagen van 44 ton te wegen!‖. Daarnaast vraagt zij: ―Dat eveneens de verschijning van verbalisanten in hun hoedanigheid van getuigen bevolen zou dienen te worden zodat er uitleg kan worden gegeven over de vastgestelde schade aan het wegdek en over de manier waarop de wegingstesten werden uitgevoerd‖. 5.14.1.
  91. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.14.1.
  92. In hun memorie van wederantwoord komt de verzoekende partij niet terug op het eerste middelonderdeel. Wat het tweede middelonderdeel betreft merkt zij nog het volgende op: ―Dat het Gewest bovendien ten onrechte beweert dat de vermeldingen van de verbalisanten betreffende het maximumgewicht dat gewogen zou kunnen worden betrekking zouden hebben hop een weging aan de wielassen, terwijl deze bewering helemaal niet voortvloeit uit het strafdossier en dat het Gewest overigens geen enkel element indient waarmee deze bewering, die in werkelijkheid een schending uitmaakt van het beginsel van het gezag van de gerechtelijke akten, geloofwaardig zou kunnen worden gemaakt; Dat de tegenpartij beweert dat het om een weegschaal gaat voor het wegen van het gewicht aan elke wielas en dat het gewicht aan elke wielas niet hoger kon liggen dan twintig ton, zonder hier echter opnieuw het minste verantwoordingsstuk voor in te dienen; Dat er vastgesteld dient te worden dat de tegenpartij nog maar eens vraagt op haar woord geloofd te worden en helemaal geen verantwoordingsstuk overlegt dat bijvoorbeeld afkomstig zou kunnen zijn van de fabrikant van de weegschaal en dat haar beweringen zou kunnen staven; Dat er bovendien vastgesteld dient te worden dat de stukkenbundel die bezorgd werd door de tegenpartij geen enkel element bevat waarmee geloofwaardigheid zou kunnen worden gegeven aan haar eenzijdige bewering dat de vermeldingen betreffende het gewicht enkel betrekking hebben op de wegingsverrichtingen aan elke wielas; XII-8663-44/48 Dat de tegenpartij zich er zorgvuldig van onthoudt om de gebruikshandleiding van de weegschaal over te leggen die haar bewering zou kunnen staven; Dat het, in tegenstelling tot de ongegronde beweringen van de tegenpartij, dus helemaal niet bewezen is dat het gewicht van twintig ton wel degelijk overeenstemt met een weging aan de wielas‖. V.14.B. BEOORDELING 5.14.2.1.
  93. Wat het eerste middelonderdeel betreft dient te worden vastgesteld dat dit feitelijke grondslag mist waar de verzoekende partij doet gelden dat uit niets in het dossier blijkt dat de betrokken vrachtwagenbestuurder werknemer zou zijn van de verzoekende partij. Immers blijkt het aanvankelijk proces-verbaal uitdrukkelijk als ‗burgerlijk aansprakelijke‘ te verwijzen naar de verzoekende partij. Gelet op artikel 16, derde lid, decreet bijzonder wegtransport, volstaat die vermelding in een proces-verbaal reeds op zich om de hoedanigheid van burgerrechtelijke aansprakelijke partij van de verzoekende partij aan te tonen, tot bewijs van het tegendeel. De verzoekende partij slaagt er niet in dat tegendeel aannemelijk te maken. Daarenboven blijkt de verzoekende partij zelf, zowel doorheen de diverse fasen van de administratieve sanctieprocedure als thans in de procedure voor de Raad van State, zichzelf en de betrokken vrachtwagenbestuurder meermaals ondubbelzinnig te omschrijven als ―de eiseres en haar chauffeur‖ of nog ―de chauffeur van de eiseres‖. In het licht van die vaststelling komt het middelonderdeel zelfs als veeleer onberaden over. 5.14.2.1.
  94. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.14.2.2.
  95. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het tweede middelonderdeel als volgt heeft verworpen: ―4.
  96. De verzoekende partijen betwisten in wezen het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon. Het verslag van metrologische controle werd aan de verzoekende partijen bezorgd samen met de bestreden beslissing, zo erkennen zij zelf. Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt dit stuk aldus het voorwerp te hebben kunnen uitmaken van tegenspraak in de procedure voor de Raad van State. Het verslag, opgesteld door de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer, dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Dit verslag komt immers uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt ―voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen‖. De verzoekende partijen laken voorts nog het feit dat het Vlaamse gewest zichzelf bewijsmiddelen verschaft die niet kunnen worden betwist. Zoals reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het derde XII-8663-45/48 middel en het tweede onderdeel van het vijfde middel, is de omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. Voorts dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal. Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt. 4.
  97. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat op grond van de gegevens van het proces-verbaal niet vaststaat dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort. Het middel mist op dit punt kennelijk feitelijke grondslag. Het proces-verbaal blijkt immers in zijn bijlage 2 uitdrukkelijk te vermelden: het merk, de nummerplaten van trekker en oplegger, het chassisnummer van beide bestanddelen van het voertuig en de eigenaars ervan. Ook wordt de burgerlijk aansprakelijke van het voertuig uitdrukkelijk vermeld. Er blijkt niet dat de verwerende partij aan de hand van deze gegevens niet wettig kon achterhalen aan wie het voertuig toebehoorde en aan wie er een administratieve geldboete diende te worden opgelegd omwille van de inbreuk die met dat voertuig werd begaan. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Namen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking heeft op een zaak die valt onder de toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 ‗betreffende de instandhouding van het gewestelijk openbaar wegen- en waterwegendomein‘ en niet onder het te dezen van 27 toepassing zijnde decreet bijzonder wegtransport van het Vlaamse Gewest.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontenti

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.