← België

Arrest 249102 - Overheidsopdrachten - 01/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.102 Rolnummer: A. 232183/XII-8982 Zaak: Arrest 249102 - Overheidsopdrachten - 01/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-03 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 249.102 van 1 december 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 249.102 van 1 december 2020 in de zaak A. 232.183/XII-8982 In zake: de NV SANDOZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT (UZ Gent) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Matthias De Groot en Niels Tack kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 6 november 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “1) De beslissing van 26 oktober 2020 vanwege het Bestuurscomité van het UZ Gent waarbij beslist wordt de overheidsopdracht [voor het leveren van Infliximab] te gunnen aan Celltrion Healtcare Netherlands, alsmede de offerte van [de nv Sandoz] als substantieel onregelmatig te verklaren […] 2) [d]e impliciete beslissing waarbij de overheidsopdracht niet aan [de nv Sandoz] wordt gegund.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-8982-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 november 2020, om 11.00 uur. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Niels Tack, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Het UZ Gent schrijft een overheidsopdracht voor leveringen uit met als voorwerp een “raamovereenkomst voor het leveren van Infliximab” aan twee ziekenhuizen, het UZ Gent en het AZ Jan Palfijn. Het betreft een occasionele gezamenlijke opdracht waarbij het UZ Gent als aanbestedende overheid optreedt. Op de opdracht is het bestek met referentie OP/JDM/DDW/D34200092 van toepassing. De opdracht heeft een looptijd van twee jaar, tweemaal stilzwijgend verlengbaar met telkens één jaar. Het UZ Gent gunt de opdracht met een openbare procedure. Het betreft een opdracht tegen prijslijst, waarbij de opdracht wordt gegund op grond van de eenheidsprijzen opgegeven in de offerte en de posten worden verrekend op grond van de werkelijk bestelde en gepresteerde hoeveelheden, en waarbij het vermoedelijk aantal te leveren hoeveelheden wordt XII-8982-2/16 geraamd op 37.200 eenheden voor het UZ Gent en op 2.376 eenheden voor het AZ Jan Palfijn gedurende een periode van vier jaar. 3.
  5. De aankondiging van de opdracht wordt op 12 juni 2020 gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen en op 15 juni 2020 in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie. 3.
  6. Als selectiecriterium om de technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijvers aan te tonen, wordt in het bestek bepaald: “Een lijst van de voornaamste leveringen waarop de opdracht betrekking heeft die hij gedurende de afgelopen 3 jaar heeft verricht, hun bedrag/hoeveelheden, data en de instanties waarvoor ze bestemd waren.” Het minimumvereiste is één referentie. 3.
  7. Het UZ Gent ontvangt offertes van vier ondernemingen: de nv Biogen Belgium, Celltrion Healthcare Netherlands, de bvba MSD Belgium en de verzoekende partij. Om aan te tonen dat zij voldoet aan het selectiecriterium inzake de technische en beroepsbekwaamheid geeft de verzoekende partij in haar UEA volgende referenties op: leveringen van Rixathon (rituximab IV) aan 1) Instituut Bordet

(2020), 2) CHU Brugmann
(2020)en 3) La Citadelle
(2020); In het document “Uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectie” wordt het volgende vermeld: “UEA Zie bijlage: we verwijzen naar de reeds ingediende UEA van de overheidsopdracht voor de levering van rituximab en trastuzumab (OP/JDM/DDW/D34200091) We bevestigen dat deze UEA nog correct en van toepassing is voor deze overheidsopdracht.” en “Technische en beroepsbekwaamheid XII-8982-3/16 Zessly® (infliximab IV) is sinds januari 2019 gecommercialiseerd, maar tot op heden geen verkopen. Onze eerste klant (CHR La Citadelle), via een overheidsopdracht, werd gegund in Juni
  1. Voornaamste leveringen in 2019 (eerste verkopen Rixathon®: Juni 2019) […] Institut Bordet […] […] CHU Brugmann […] […] Hopital Citadelle […] […] CHU St Pierre.” 3.
  2. Op 20 juli 2020 verzoekt het UZ Gent de verzoekende partij om bijkomende inlichtingen te verschaffen over de overheidsopdracht die aan haar in juni 2020 werd gegund door de opdrachtgever CHR La Citadelle, waaraan zij voor de eerste keer Zessly® – een biosimilair geneesmiddel met infliximab als werkzame stof dat zij heeft ontwikkeld – zou verkopen. De verzoekende partij beantwoordt dit verzoek met e-mailberichten van 28 juli 2020 en 30 juli
  3. Zij deelt mee dat de voormelde opdracht werd gegund, maar nog niet gesloten. Gedurende de standstillperiode had een andere kandidaat in deze procedure immers de gunningsbeslissing aangevochten. Zij verwijst in het eerste e-mailbericht eveneens naar verkopen van Zessly® in andere landen. Voorts bezorgt zij bij e-mailbericht van 30 juli 2020 ook een overzicht van de tien beste klanten voor Binocrit en Rixathon, twee andere biosimilaire geneesmiddelen. 3.
  4. Het verslag van nazicht besluit om de verzoekende partij niet te selecteren wegens het ontbreken van de vereiste referentie en, na vergelijking van de offertes aan de hand van de gunningscriteria, aan het bestuurscomité voor te stellen de opdracht te gunnen aan de onderneming met de economisch meest voordelige en regelmatige offerte, zijnde Celltrion Healthcare Netherlands. Op 28 september 2020 beslist het Bestuurscomité van het UZ Gent om de opdracht te gunnen aan Celltrion Healthcare Netherlands. Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 6 oktober 2020 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. XII-8982-4/16 3.
  5. Bij brief van 15 oktober 2020 verzoekt de raadsman van de verzoekende partij het UZ Gent om de beslissing om haar niet te selecteren in te trekken. Bij brief van 19 oktober 2020 deelt het UZ Gent haar voornemen mee om de gunningsbeslissing van 28 september 2020 in te trekken. Met een verzoekschrift van 21 oktober 2020 stelt de verzoekende partij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen de gunningsbeslissing van 28 september
  6. Deze procedure is gekend onder het rolnummer A. 232.064/XII-
  7. 3.
  8. Op 26 oktober 2020 beslist het Bestuurscomité van het UZ Gent om de gunningsbelissing van 28 september 2020 in te trekken en op grond van de motieven van het herziene verslag van nazicht van 20 oktober 2020 die het zich eigen maakt, de opdracht te gunnen aan de onderneming met de economisch meest voordelige regelmatige offerte, zijnde Celltrion Healthcare Netherlands. De verzoekende partij wordt opnieuw niet geselecteerd. Dit is de thans bestreden beslissing. Bij arrest nr. 248.951 van 17 november 2020 wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de ingetrokken gunningsbeslissing van 28 september 2020 verworpen. De niet-selectie van de verzoekende partij wordt thans als volgt gemotiveerd: “Niet in orde na opvraging bijkomende inlichtingen. Voor wat betreft de gevraagde referentie
  9. verwijst de inschrijver in zijn offerte naar de verkoop van Zessly aan CHR La Citadelle: gegund in juni 2020, evenwel nog niet uitgevoerd op het moment van indienen van de offerte. De wetgeving bepaalt uitdrukkelijk dat de bij te voegen referenties betrekking moeten hebben op „uitgevoerde‟ opdrachten, wat referenties uitsluit waarvan de uitvoering niet is begonnen. Om deze reden kunnen wij de aangehaalde referentie niet aanvaarden. XII-8982-5/16
  10. verwijst de inschrijver in zijn offerte eveneens naar de verkoop van Binocrit en Rixathon. Deze producten hebben betrekking op de resp. moleculen epoëtine alfa en rituximab. De klinische indicaties van de aangehaalde referenties zijn niet dezelfde als deze voor Infliximab. Gezien het totaal verschillende moleculen betreft, zijn ze therapeutisch niet uitwisselbaar en hebben dus geen betrekking op het voorwerp van de opdracht. Aangezien deze referenties geen betrekking hebben op het voorwerp van de opdracht, namelijk de levering van infliximab; kunnen de aangeboden referenties Binocrit en Rixathon niet in aanmerking worden genomen. (De moleculen epoëtine alfa en rituximab werden reeds via andere overheidsopdrachten aanbesteed, resp. „Middelen bloedvorming‟ en „RituximabTrastuzumab‟.
  11. Verwijst de inschrijver in een e-mail dd. 28/07/2020 naar de verkoop van Zessly uit andere landen. Hoewel de wetgeving op de overheidsopdrachten niet vereist dat de referenties betrekking hebben op opdrachten die zijn uitgevoerd in het land waar de aanbestedende overheid is gevestigd, kan en mag de aanbestedende overheid enkel rekening houden met de referenties die zijn aangebracht in de offerte. Zij heeft weliswaar principieel het recht om de inschrijvers om bijkomende inlichtingen te verzoeken, maar naar aanleiding van dergelijke vraag […] kan zij geen rekening houden met referenties die de inschrijver niet zelf heeft bijgevoegd bij zijn offerte. Zo niet zou de aanbestedende overheid de betrokken inschrijver toestaan om zijn offerte te wijzigen. Aangezien het van groot belang is dat de referenties relevant zijn om de bekwaamheid voor de te gunnen opdracht te kunnen beoordelen, beslist het UZ Gent om deze inschrijver als substantieel onregelmatig te beoordelen omwille van het ontbreken van een referentie voor de levering van Infliximab over de afgelopen 3 jaar.” 3.
  12. Bij e-mailbericht van 29 oktober 2020 wordt de verzoekende partij in kennis gesteld van de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  13. In haar nota betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering tegen de impliciete weigeringsbeslissing. Zij verwijst naar de rechtspraak van algemene vergadering van de Raad van State ter zake. De nietigverklaring van de impliciete beslissing tot niet gunning van de opdracht aan de verzoekende partij vereist dat uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn. De verzoekende partij dient in dit verband XII-8982-6/16 specifiek aannemelijk te maken, in haar middelen, dat de opdracht aan haarzelf had moeten worden gegund. Het onderzoek van de exceptie valt dan ook samen met het onderzoek van de grond van de zaak. V. Schorsingsvoorwaarden 5.
  14. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
  15. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. XII-8982-7/16 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van het bestek, het rechtsbeginsel patere legem quam ipse fecisti, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, het zorgvuldigheidsbeginsel en het formelemotiverings- beginsel. Zij doet gelden dat zij wel degelijk meerdere referenties heeft bijbracht die voldoen aan de vereisten van het bestek en dat dit bestek geen referentie inzake een levering, die betrekking heeft op het geneesmiddel infliximab, vereist. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij, “[i]n de hypothese dat het bestek […] als referentie een levering betreffende het geneesmiddel infliximab vereist, quod non”, de schending aan van artikel 4 juncto artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), het proportionaliteits- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State en rechtsleer waaruit volgens haar blijkt dat bij het bepalen van de referentievereisten onder meer het evenredigheidsbeginsel moet worden gerespecteerd, dat een ruime interpretatie wordt voorgestaan van het begrip gelijkaardige referenties, zijnde referenties die een grote overeenstemming inhouden met het voorwerp van de opdracht, dat de appreciatiebevoegdheid van de aanbestedende overheid geenszins zo ver gaat dat ze zou kunnen oordelen dat gelijkaardige, vergelijkbare of analoge referenties in werkelijkheid identieke referenties zouden moeten zijn en dat een te strikte interpretatie van het begrip gelijkaardige opdrachten het immers onmogelijk zou maken voor een onderneming die wel pertinente ervaring heeft opgedaan, doch voorheen nooit een opdracht heeft kunnen uitvoeren waarvan het voorwerp identiek was, om voor dergelijke opdrachten te worden geselecteerd. Zij voegt XII-8982-8/16 daaraan nog toe dat zeker wanneer het overheidsopdrachten betreft, waarvoor ook een biosimilair geneesmiddel kan worden aangeboden, de selectievoorwaarden dermate moeten worden opgesteld dat een maximale toegang tot de markt mogelijk wordt gemaakt. Daarenboven, zo vervolgt zij, oordeelde de Raad van State uitdrukkelijk dat een aanbestedende overheid geen identieke referenties mag eisen, aangezien daardoor op onevenwichtige wijze de toegang tot de overheidsopdrachtenmarkt en dienvolgens de mededinging wordt beperkt. Ten slotte meent zij dat minstens de selectiecriteria op een duidelijke wijze omschreven moeten zijn in de respectieve aankondigingen en in het bestek: “Geen van de aankondigingen, noch in het Bulletin der Aanbestedingen, noch op het Europees platform, evenmin het bestek vermeldt dat een referentie inzake het geneesmiddel infliximab dient bijgebracht te worden”. Beoordeling Eerste onderdeel
  17. Uit de lezing van de bestekbepalingen inzake het voorwerp van de opdracht en de vereiste technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijvers, hiervoor onder randnummer 3.3 geciteerd, volgt dat minstens één referentie moet worden voorgelegd van een levering “waarop de opdracht betrekking heeft” die de inschrijver gedurende de afgelopen drie jaar heeft verricht. Nu het voorwerp van de opdracht het leveren van infliximab betreft, mist de stelling die de verzoekende partij vooropstelt, namelijk dat door het bestek geen referentie inzake een levering die betrekking heeft op het geneesmiddel infliximab wordt gevraagd, op het eerste gezicht feitelijke grondslag. Die vaststelling lijkt te volstaan om het middelonderdeel dat daarvan uitgaat, te verwerpen. Het eerste onderdeel van het middel is niet ernstig. XII-8982-9/16 Tweede onderdeel
  18. De verzoekende partij betoogt in een tweede onderdeel dat, indien het bestek de referenties toch enkel tot de levering van infliximabgeneesmiddelen zou beperken, quod non, dit op onevenwichtige wijze de toegang tot de overheidsopdrachtenmarkt en dienvolgens tot de mededinging zou beperken en dat om die reden het bestek en de beslissing van de verwerende partij om de verzoekende partij uit te sluiten onwettig is. Zij betoogt dat haar referenties betrekking hebben op gelijkaardige producten als infliximab, omdat ze eveneens geneesmiddelen zijn die vallen onder “bio-similair hoofdstuk IV-geneesmiddelen” en “absoluut gelijkaardig” zijn aan het geneesmiddel dat het voorwerp van de opdracht uitmaakt, zodat ze dus ook aanvaard hadden moeten worden.
  19. Dit uitgangspunt lijkt echter niet te kunnen worden bijgevallen.
  20. In de eerste plaats wordt vastgesteld, zoals blijkt uit de prima-faciebeoordeling van het eerste middelonderdeel, dat het bestek vereist dat minstens één referentie moet worden opgegeven van een levering van infliximab. In de bestreden beslissing heeft de verwerende partij vastgesteld dat de voorgestelde referenties met betrekking tot de levering van Binocrit en Rixathon hieraan niet beantwoorden, aangezien deze respectievelijk de molecule epoëtine alfa en rituximab bevatten, die te onderscheiden zijn van de molecule infliximab en dat deze therapeutisch niet uitwisselbaar zijn. De verzoekende partij toont met haar loutere bewering dat haar geneesmiddelenreferenties vallen onder “bio-similair hoofdstuk IV-geneesmiddelen” en “absoluut gelijkaardig” zijn aan infliximab, niet aan dat de analyse van de verwerende partij – die zij inhoudelijk, wat de moleculaire samenstelling en de therapeutische niet-uitwisselbaarheid betreft, overigens niet betwist – niet mag worden bijgevallen, waardoor op het eerste gezicht mag worden geoordeeld dat deze geneesmiddelen niet “absoluut gelijkaardig” zijn zoals de verzoekende partij beweert. XII-8982-10/16 De gelijkheid onder de inschrijvers noch de vrije mededinging worden op het eerste gezicht in het gedrang gebracht door de beslissing van de verwerende partij om aan te nemen dat een inschrijver niet aantoont te beschikken over de vereiste bekwaamheid om het TNF-alfablokkerend middel infliximab te leveren indien hij bij zijn offerte enkel referenties voegt die betrekking hebben op geneesmiddelen met een andere werkzame stof waarvan hij niet in concreto aantoont dat deze – in tegenstelling tot de bevindingen van de verwerende partij – “absoluut gelijkaardig” en dus biosimilair zijn met het referentiegeneesmiddel met de werkzame stof infliximab. Daarenboven blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing dat de moleculen epoëtine alfa en rituximab het voorwerp hebben uitgemaakt van andere overheidsopdrachten, hetgeen door de verzoekende partij niet wordt betwist, waaruit op het eerste gezicht ten overvloede mag worden afgeleid dat er onvoldoende overeenstemming is met het voorwerp van de huidige opdracht. De maximale toegang tot de markt van biosimilaire geneesmiddelen waarvoor op beleidsniveau wordt gepleit en waarnaar de verzoekende partij nog verwijst, is ter zake niet relevant omdat ze te dezen niet lijkt te worden beperkt, nu, zoals de verwerende partij toelicht, zij “biosimilar geneesmiddelen ook in het kader van deze overheidsopdracht een kans [biedt], hoewel Sandoz anders laat uitschijnen. [De verwerende partij] verzoekt immers enkel referenties met betrekking tot de molecule Infliximab, en legt geen beperkingen op rond het soort geneesmiddel dat hierin voorziet (biologisch of biosimilar)”. Met de verwerende partij lijkt ten slotte te mogen worden vastgesteld dat het mededingingsbeperkend effect dat beweerdelijk van deze eis zou uitgaan op zich al wordt ontkracht door het gegeven dat meerdere inschrijvers wél hebben kunnen voldoen aan de betrokken selectie-eis. De verwerende partij wijst er ook op dat de verzoekende partij bovendien binnen de Europese groep waartoe ze behoort wél dergelijke referentie-opdrachten inzake de verkoop van het geneesmiddel Zessly, dat wel de molecule infliximab bevat, had kunnen voorleggen, doch dit niet heeft gedaan in haar offerte. De verzoekende partij betwist in haar verzoekschrift niet de motivering in de bestreden beslissing, XII-8982-11/16 waarom de nadien voorgelegde referenties ter zake worden afgewezen, noch het motief dat de wél in de offerte bijgebrachte referentie inzake de verkoop van het biosimilar geneesmiddel Zessly aan CHR La Citadelle, gegund in juni 2020, wordt afgewezen, omdat deze nog niet uitgevoerd bleek.
  21. Ook het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig.
  22. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  23. In een tweede middel voert de verzoekende partij aan dat de steller van de akte onbevoegd is, alsook de schending van artikel 48 van de wet overheidsopdrachten 2016 en van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op machtsoverschrijding. Zij betoogt dat noch op grond van het bestek, noch op grond van de gunningsbeslissing kan worden nagegaan of het AZ Jan Palfijn aan de verwerende partij een mandaat heeft gegeven om binnen het kader van de gezamenlijke overheidsopdracht een bestek op te stellen en namens haar te contracteren en of in voorkomend geval een dergelijk vereist mandaat uitgaat van het daartoe bevoegde orgaan binnen het AZ Jan Palfijn. Aldus meent zij, indien geen rechtsgeldig mandaat voorligt, dat de bestreden beslissing uitgaat van een daartoe onbevoegd orgaan. Beoordeling
  24. Uit het administratief dossier blijkt dat het AZ Jan Palfijn zijn akkoord gaf met het voorstel tot samenwerkingsovereenkomst dat uitging van de verwerende partij vooraleer de opdracht werd uitgeschreven, dat een samenwerkingsovereenkomst tussen de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij en de bestuurder-directeur van het AZ Jan Palfijn werd gesloten voor de XII-8982-12/16 betrokken overheidsopdracht alsook dat het AZ Jan Palfijn zich akkoord verklaarde met het bestek en het voorstel van gunningsbeslissing. Deze vaststellingen volstaan op het eerste gezicht om te oordelen dat de verzoekende partij niet aantoont dat de bestreden beslissing niet is genomen door een daartoe bevoegd orgaan.
  25. Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  26. In een derde middel voert de verzoekende partij opnieuw de onbevoegdheid van de steller van de akte aan, alsook de schending van artikel 40sexies, van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 „betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen‟ (hierna: bijzonder decreet van 26 juni 1991), evenals de schending van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op machtsoverschrijding. Zij licht toe dat het UZ Gent, onderdeel zijnde van de openbare instelling met rechtspersoonlijkheid Universiteit Gent, in de mate bepaald in het voormelde decreet de mogelijkheid heeft om overeenkomsten met derden te sluiten, doch slechts indien daartoe een delegatie werd verleend door de Universiteit Gent, wat, voor zover zij kan nagaan niet voorligt. Aldus besluit zij dat, in de mate dat het UZ Gent geen rechtsgeldige delegatie vanwege de Universiteit Gent kan bijbrengen, op grond waarvan zij de voorliggende overheidsopdrachtprocedure kan voeren en kan contracteren, de bestreden beslissing uitgaat van een daartoe onbevoegd orgaan. XII-8982-13/16 Beoordeling
  27. Artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 februari 2017 „betreffende de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent‟ bepaalt: “De bestuursorganen van het UZ Gent zijn het Bestuurscomité van het UZ Gent, de gedelegeerd bestuurder van het UZ Gent en het Directiecomité van het UZ Gent.” Artikel 21, § 4, van het bijzonder decreet van 26 juni 1991, zoals gewijzigd bij bijzonder decreet van 3 februari 2017 „tot wijziging van diverse bepalingen van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen‟, bepaalt: “De raad van bestuur delegeert het beheer van het universitair ziekenhuis, vermeld in artikel 15 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinstellingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, aan het Bestuurscomité van het UZ Gent. Die delegatie wordt vastgelegd in een delegatieprotocol.” Artikel 40quinquies van het bijzonder decreet van 26 juni 1991, bepaalt voorts: “De raad van bestuur richt een Bestuurscomité van het UZ Gent op.” Art 40sexies van het bijzonder decreet van 26 juni 1991, bepaalt vervolgens de bevoegdheden van het bestuurscomité: “Het Bestuurscomité van het UZ Gent is binnen zijn gedelegeerde bevoegdheden bevoegd voor: […] 15° het sluiten van overeenkomsten met derde partijen en het uitoefenen van rechtsvorderingen voor de aangelegenheden die aan het Bestuurscomité van het UZ Gent worden gedelegeerd.” Bij besluit van 12 januari 2018 heeft de raad van bestuur van de Universiteit Gent met toepassing van de voormelde decretale bepalingen het bestuurscomité van het UZ Gent opgericht. XII-8982-14/16 Met betrekking tot het beheer van het UZ Gent werd op 2 februari 2018 een delegatieprotocol gesloten, aangenomen door de raad van bestuur van de Universiteit Gent, waarbij in artikel 1, § 5, de bevoegdheid van het bestuurscomité wordt bevestigd om krachtens artikel 40sexies van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 overeenkomsten met derde partijen te sluiten: “Het Bestuurscomité is bevoegd voor het sluiten van overeenkomsten met derde partijen, waaronder ook het sluiten van overeenkomsten met andere ziekenhuizen met betrekking tot zorgverstrekking en opleiding, en de ontvangst van giften en legaten. Het Bestuurscomité sluit deze overeenkomsten met andere ziekenhuizen met betrekking tot zorgverstrekking en opleiding, eventueel op voorstel van het Directiecomité van het Universitair Ziekenhuis Gent […], doch steeds na advies van de raad van de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Gent”.
  28. Het middel dat stelt dat geen rechtsgeldige delegatie werd verleend door de Universiteit Gent aan de verwerende partij om de bestreden beslissing te nemen, ontbeert dan ook feitelijke grondslag. VII. Besluit
  29. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt de vordering.
  31. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-8982-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een december tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Johan Bovin XII-8982-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.