id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.124 Rolnummer: A. 231610/VII-40918 Zaak: Arrest 249124 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 03/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-14 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.124 van 3 december 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.124 van 3 december 2020 in de zaak A. 231.610/VII-40.918 In zake: Herman DE KEGEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Piet Vandoolaeghe kantoor houdend te 9200 Dendermonde Greffelinck 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 25 augustus 2020, strekt tot de schorsing van: “de tenuitvoerlegging van artikel 22 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, BS 30 juni 2020, 48715, laatst gewijzigd door het ministerieel besluit van 24 juli 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.918-1/7 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 november
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Piet Vandoorlaeghe, die verschijnt voor verzoeker en advocaten Sebastiaan De Meue en Maartje Jongbloet, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- Ter bestrijding van de COVID-19 pandemie die wordt veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2, neemt de federale overheid sinds maart 2020 maatregelen om de verspreiding van dit virus te beperken. Die maatregelen zijn eerst vastgesteld bij ministerieel besluit van 13 maart 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ (BS 14 maart 2020), nadien bij ministerieel besluit van 18 maart 2020 (BS 18 maart 2020) en vervolgens bij ministerieel besluit van 23 maart 2020 (BS 23 maart 2020), zoals meermaals gewijzigd. VII-40.918-2/7 Die maatregelen zijn daarna vervat in het ministerieel besluit van 30 juni 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ (BS 30 juni 2020) (hierna: ministerieel besluit van 30 juni 2020), dat het ministerieel besluit van 23 maart 2020 heeft opgeheven. Het werd op zijn beurt tot op heden meermaals gewijzigd. 3.
- Hoofdstuk 3 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 bevatte maatregelen voor ondernemingen en verenigingen die goederen of diensten aanbieden aan consumenten. Voor het zaal- en keukenpersoneel in de horeca wordt in artikel 5, 5° en 6° van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 in de opeenvolgende versies steeds een mondmaskerplicht opgelegd. Sedert het ministerieel wijzigingsbesluit van 24 juli 2020 bepaalt artikel 21bis, [12°] dat eenieder vanaf de leeftijd van 12 jaar verplicht is om de mond en de neus te bedekken met een mondmasker of elk ander alternatief in de inrichtingen die behoren tot de horecasector, behalve wanneer klanten aan een eigen tafel zitten. 3.
- Inbreuken op deze mondmaskerverplichting voor het horecapersoneel worden overeenkomstig artikel 22, eerste liggend streepje, van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 gesanctioneerd met straffen zoals bepaald door artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 „betreffende de civiele veiligheid‟. 3.
- Bij artikel 32 van het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ (BS 18 oktober 2020) (hierna: ministerieel besluit van 18 oktober 2020) wordt het ministerieel besluit van 30 juni 2020 opgeheven met uitzondering van artikel
- Bij artikel 6, § 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 worden inrichtingen die behoren tot de horecasector en andere eet- en drankgelegenheden gesloten, behalve voor het aanbieden en leveren van VII-40.918-3/7 afhaalmaaltijden en niet-alcoholische dranken om mee te nemen tot ten laatste 22.00 uur. De strafrechtelijke sancties zoals bepaald in artikel 22 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020, zijn hernomen in artikel 29 van het ministerieel besluit van 18 oktober
- 3.
- Verzoeker werkt in een horeca-inrichting. Op 30 juli 2020 wordt ten zijnen laste een proces-verbaal opgesteld wegens weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die bevolen werden met toepassing van artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid en de ministeriële uitvoeringsbesluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronovirus COVID-19 te beperken. De feiten worden daarbij kort als volgt omschreven: “Niet-naleving van de verplichting om een mondmasker te dragen voor publiek toegankelijke plaatsen (Horeca)”. De advocaat van verzoeker laat bij brief van 19 augustus 2020 weten niet in te gaan op het verzoek tot minnelijke schikking. 3.
- Verzoeker ontving bij brief van 18 november 2020 een uitnodiging tot betaling van 250 euro. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Op grond van artikel 17, § 1, van de RvS-wet kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat prima facie de vernietiging van de aangevochten akte of het reglement kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Er kan in beginsel geen rekening worden gehouden met wat over deze voorwaarden eventueel in latere stukken of op de terechtzitting nog wordt aangevoerd. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen VII-40.918-4/7 in een procedure die op grond van artikel 22 van de RvS-wet essentieel schriftelijk is. V. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
- Verzoeker zet de spoedeisendheid als volgt uiteen: “[…] Ten aanzien van de verzoeker werd een inbreuk vastgesteld op 30 juli
- De verzoeker ontving hiervoor een voorstel tot minnelijke schikking […]. De verzoeker heeft dit voorstel tot minnelijke schikking omstandig betwist […]. […] De verdere toepassing van artikel 22 van het bestreden Ministerieel besluit, impliceert dat de verzoeker, onterecht, dreigt te worden onderworpen aan een strafvervolging. Indien de behandeling van het beroep tot nietigverklaring dient te worden afgewacht, is het bovendien waarschijnlijk dat de verzoeker onterecht strafrechtelijk wordt veroordeeld. Het onderworpen worden aan een strafvervolging en / of veroordeling kan een onherroepelijk schadelijk gevolg teweegbrengen, dewelke niet ongedaan kan worden gemaakt door een gebeurlijk later tussen te komen vernietigingsarrest. […] Het aangevoerde middel is ernstig gezien zij de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden (zie infra II.2). […] Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de bij artikel 17, § 1, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de bestreden beslissing te kunnen bevelen”. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de RvS-Wet moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten bevatten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak VII-40.918-5/7 spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een -voortdurende- tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. De voorwaarde van het spoedeisend karakter is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van spoedeisendheid te aanvaarden.
- Het ministerieel besluit van 30 juni 2020 en dus ook artikel 22 is ondertussen opgeheven door artikel 32 van het ministerieel besluit van 18 oktober
- Artikel 6, § 1, van dit ministerieel besluit beveelt thans de sluiting van de horecasector en andere eet- en drankgelegenheden. De regeling verschilt op dit punt inhoudelijk van de aangevochten regeling. Verzoeker kan gelet op de opheffing van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 dan ook geen nuttig effect halen uit de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan. Die schorsing heeft immers in beginsel geen terugwerkende kracht. VII-40.918-6/7
- Overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Dit houdt concreet in dat verzoeker voor de strafrechter de exceptie kan aanvoeren dat de aangevochten bepaling strijdig is met de hogere rechtsnormen. De strafrechter zal vooraleer tot een uitspraak over de inbreuk te komen, zich eerst moeten uitspreken over deze exceptie. Verzoeker heeft bijgevolg geen schorsingsarrest van de Raad van State nodig.
- Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.918-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.124 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.493 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div